In het oerwoud ging het met mijn gezondheid al dreigender achteruit; al zeldzamer werden de koortsvrije dagen.... toen, op een ochtend, pakten Aris en Holloeki, energiek ingrijpend in mijn leven, mij op den rug van P’hang noi, den ouden olifant.... maar nu is het dan ook hoog tijd!.... en net zooals je een zak vuil waschgoed naar de waschvrouw stuurt, brachten ze mij het dal uit, naar het open land, naar het dorp, terug bij de menschen.
Een jonge olifant droeg mijn uitrusting. Holloeki stapte er met twee Siameezen achteraan, tot over zijn knieën in de modder, terwijl Aris aan den Nam Dam achterbleef om het werk te regelen en mij later in te lichten.
Op onzen terugtocht naar de zee kwamen wij door Toeng Qoeang, dat leeg en verlaten neerlag. Alleen een paar tot geraamten vermagerde, armzalige honden en een schurftige kat jankten langs de hutten. Maar de inwoners waren allen voor de cholera het oerwoud in gevlucht.
Iederen keer, wanneer met den drogen moesson de epidemie komt, pakken de menschen hun boeltje, nemen hun leven in hun handen, snellen de wildernis in, zoo dicht mogelijk bij de bergen, waar het water frisch en helder stroomt en leiden zoo een nomadenleven tot de ziekte afneemt. Velen onder hen keeren nooit terug, sterven in het oerwoud.
Hutten, waarin zich sterfgevallen hebben voorgedaan, worden nooit meer betrokken, doch aan het toeval overgelaten, geteekend door rondom er aan opgehangen mandjes met zoenoffers voor de verschrikkelijke geesten.
Eens ontdekte ik, ver, bij de grens van Birma, te midden van den wirwar der hooge bergen een eenzaam dorpje, dat een half jaar te voren was uitgestorven, toen de vreeselijke ziekte heerschte. De jungle had het nu in den loop van zes maanden volledig heroverd; struiken en heesters, twee-, drie-man hoog, overwoekerden het, zoodat we de oude dorpswegen nauwelijks terug konden vinden; en alle hutten waren door uit oude stronken nieuw opgroeiend geboomte opengebroken.
Bij de laatste hutten van Toeng Qoeang, waar Dehng woonde, zag ik een afgrijselijk beeld. De oude grootmoeder lag als een wassen lijk, als een mummie uit een voorwereldlijk graf voor de deur van het huis, doch leefde nog. Dehng zelf, hoewel ook al doodelijk getroffen, zat nog rechtop; maar zijn oogen glinsterden, zijn wangen waren hol en terwijl hij—nog met een half-hoopvol glimlachje—over het vreemde spook sprak, dat in hem huishield, was het makkelijk te voorspellen, dat hij morgen niet meer zou lachen———
“Breek jullie mijn provisiekistje maar open en drink zooveel jullie kunt van mijn groene pepermuntlikeur!” zei ik tot de mannen, die nog half in leven waren en—gaf het teeken om verder te trekken. Het stond helaas niet in mijn macht om meer te helpen.
Het is daarom zooveel treuriger bruine menschen te zien sterven, omdat wij niet kunnen weten welke voorstelling zij van den dood hebben; Boeddhisten sterven misschien in de verwachting na het eindelijk “uit deze harde wereld weg te mogen gaan” misschien een nog jammerlijker wezen te zullen worden; maar zoo’n Siamees, wien door zijn religie verteld wordt, dat hij den volgenden keer misschien als os, als kikker of misschien zelfs wel als slang zal leven of een rat zal bewonen, die men verzuipt——
Vermoeid en ongemakkelijk en door mijn zwakheid zeer onbeholpen schommelde ik door het oerwoud, en het harde houten zadel drukte mijn uitgeputte leden meer dan een gezond mensch.
En ook verder was het een droevige tocht. Ik schaamde me bijna, nu werkelijk niet tot iets beters in staat te zijn dan boven op een olifant vastgekleefd te zitten en taai te hopen bijtijds in de gezonde zeelucht te komen, eer het met mij gedaan was.
Bij elken zwaai, bij elken nieuwen stoot ontwaakten wrevelige, angstige gedachten in mij, en de twee dagen van reizen eer P’hang noi mij eindelijk midden tusschen de dubbele rij hutten en kippenhokken op de markt van Sitsjon neerzette, leken mij eindeloos toe. (Markt noemt men die gedeelten in het centrum van een dorp, waar de Chineesche winkels en kramen dicht opeengedrongen staan, bijna zooals in een stad.)
Ik strompelde Nai Sih’s huis binnen, waar ik dadelijk op een ligstoel neerviel.
“Toean!”—
“Zie, dat je ergens een bus melk te pakken krijgt——merk Switzerland.”
Het krot, waarin ik lag, was winkel, woonkamer en voorraadschuur tegelijk, en alle dorpsbewoners liepen er in en uit, zonder zich den minsten dwang aan te doen. Mijn koelies hadden het zich gemakkelijk gemaakt; ze zaten op rijstzakken of lagen op den vloer. Het was smerig in het vertrek, roode kringen van betelnootspeeksel kleefden op den drempel gelijk bloedvlekken, en ik voelde mij in mijn door de ziekte aangelaaide gevoeligheid, zoo armzalig alsof ik in een Europeesche werkmanskroeg zat.
Op den in orde en helderheid grootgebrachten blanke maakt het vuil en heel de onzuiverheid van zoo’n Siameesch-Chineesch huis in het begin een walgelijken indruk. Later went hij zich er wel aan, een romantische manier van alles te bekijken ontwaakt in hem, dringt zich bemiddelend op den voorgrond en het gevaarlijke “Tida apa—alles is eender,” doemt op; het groote “zich laten gaan en alles, alles in lankmoedigheid aanvaarden,” dat in heete landen het gemoed zoo welkom is, en dat zich langzaam-aan zoodanig van hem meester maakt, dat hij zich in de allerergste wanordelijkheid op zijn gemak begint te gevoelen, tot Europa ten laatste voor hem die lang in het Oosten heeft geleefd, absoluut onmogelijk wordt.
Nai Sih’s vrouw, die dubbel zoo dik en licht was (in tweeërlei opzicht, van huidkleur en geest) als haar heer en meester, kwam behoedzaam, alsof ze mijn moeder was, aantrippelen en vroeg naar mijn welzijn: “Nai hang tjep!—Ben je ziek, heer?”
In het kamertje er naast lagen twee stroomatrassen naast elkaar, als een lits-jumeaux, elk met een houten blok als kussen, en daarboven, aan den muur, had mijnheer Sih in bruine onschuld een reeks blanke plaatjes met gedecolleteerde meisjes uit cigarettendoosjes vastgeprikt (blijkbaar omdat ze in zijn smaak vielen), een wandversiering, van welker primitiefheid de brave familie geen flauw vermoeden had.
Toen kwam Holloeki: “Toean, je veldbed is klaar!”
Over het zandige dorpsplein voor Nai Sih’s huis rolden afgejakkerde honden jammerlijk blaffend voort. Onder tien dieren waren er niet meer dan twee, die niet bij elken stap dien ze deden van honger en ellende door hun beenen zakten.
Vele dagen achtereen strompelde ik van mijn bed naar den ligstoel, dien ik vlak bij de deur liet neerzetten, zoodat mijn blik een gedeelte van het dorp beheerschte.
Sitsjon bestond bijna alleen uit twee rijen hutten. Kokospalmen wuifden boven de huisjes uit, hoog en vreemd, en met zware vruchten behangen. Het straat-dorpje was door visschers en schippers bewoond, die de rijst van het binnenland naar de dichtstbijzijnde groote dorpen over de baai brachten en van daar allerlei waren, doeken en zoo, mee aan land brachten. Meer dan de helft der hutten stond op palen, omdat de zee de kleine rivier waaraan Sitsjon lag iederen dag, gedurende zes lange uren tot midden in het dorp opstuwde.
Op het Malakka-schiereiland is het mogelijk den regentijd te ontwijken, zooals men in den regentijd in de bergen boven den nevel de kou ontvlucht.
Terwijl we eenige dagen te voren aan de Zwarte Rivier heel de troosteloosheid der zondvloed ondergingen, begon hier, iets noordelijker en aan de Oostkust de droge moesson al.
Met vermoeiende regelmatigheid ging de zon ochtend na ochtend op. Hoe prachtig haar vroege goud in de kronen der palmen lag, hoe aangenaam haar eerste schijn na den koelen nacht ook over het gele zand straalde—even vreeselijk en wreed werd haar middaggloed. Het huis van mijn gastheer, als zijnde dat van een rijk man, droeg een luifeltje van golfijzer en daardoor brandde de zon nog gloeiender naar binnen.
Wanneer de middag over het land lag, drukte hij zijn stempel op het doen van alle menschen. Wie het zich ook maar eenigszins kon veroorloven, kroop in de schaduw. Dan lag mijnheer Sih op zijn buik naast zijn vrouw, languit op den koelen houten vloer uitgestrekt, iedereen in het dorp steunde “ron—heet” en iedere lach, elk onnoodig gepraat was verstomd onder de drukkende hitte.
Als in den schouwburg zoo lag ik in mijn ligstoel, en het leven trok langs mij heen in kleurige beelden. Zonder zich buitenmatig te moeten inspannen, beheerschte mijn blik den ingang tot de hutten in de buurt van mijn woning en weldra onderscheidde ik onder de menschen, die op den zandigen weg voorbijstapten, sommigen, die voor mij van beteekenis werden, naast anderen, die nooit zouden terugkomen en maar voor een paar minuten op het dorpsplein halt hielden.
Het twaalfjarige Chineesche meisje, dat in haar zwarte broekje, in haar zijden overjakje en met haar olie-gladde vlechtje er zoo heldertjes uitzag als een zoo pas afgeregende blauwe pruim, zou stellig nog menigmaal voorbij mijn deur naar school toe wandelen, dacht ik, terwijl die zwervers ginds onder den dorpsboom wier heele vermoeide houding zei: wij komen ergens uit den jungle vandaan en gaan weer op een andere plek terug het oerwoud in—weldra uit mijn wereld zouden verdwijnen.
Het waren eenvoudige mannen, wier gansche bezit uit twee doeken, de broek- en de halsflarden bestond, uit een afgedankte Engelsche blikken cigarettendoos, waarin misschien een pruim tabak, een paar betelnoten en wat kopergeld zaten. Oude, witharige mannetjes als zij waren, met draderige baardjes, afgematten blik en door het kauwen vermoeide hanglippen, schenen zij te wachten, tot het koel genoeg werd om den terugtocht te aanvaarden.
Of een troepje oerwoud-vrouwen kwam er aan, de een achter de ander aan, de ouden (en vertrouwden?) de mooie jongen in haar midden nemend. Ze traden in deze vier-houten-hutten-stad als boerendochters uit het afgelegen Emmendal in de Bondstraat in Bern———reusachtig kleurig en vroolijk gestemd, om zich heen koekeloerend en door iedereen bekoekeloerd. Het een of andere zuinige zaakje bracht ze na twee uur loopen door het meedoogenlooze oerwoud hier: omzet 33 bananen à 2 satang; zuivere winst—66 stuiver.
Ontzettend en onverbiddelijk rijst in de tropen de zon boven de aarde op en broeit dag-in dag-uit steil en gewelddadig over het land, zoodat de mensch geen uitweg vindt, nergens haar ontloopen kan en dof-klagend lijdt. De heete tijd talmde boven het dorpje als een ongeluk. Alle menschen klaagden over pijn in heel hun lichaam en zelfs de donkerste inboorlingen verdroegen de overdreven hitte moeilijk.
In deze tijden staat het water in de drinkplaatsen laag en troebel, en de cholera maakt haar verwoestende reizen naar het Zuiden, uit het reuzenlichaam van Azië omlaag kruipend naar het Malakka-schiereiland, als een duizendpootig opdoemend en weer verdwijnend menschen-vretend spooksel.
Op een morgen keek ik naar een hevige vechtpartij op het dorpsplein, “om een gebroken bord,” waarbij gele gal en fiksche klappen rondvlogen. Maar toen kwamen een paar blauwe Chineesche vrouwen “zonder voeten” tusschen de vechtenden aanstrompelen, en weldra ging ieder weer rustig aan zijn werk. Chineesche drift is mooi. Omdat ze echt is. Al wat echt is, is mooi. Altijd. Nai Nok, meneer Vogel, in de tweede hut schuin tegenover de mijne, speelde onwrikbaar en taai-volhardend op een fluit, en in een der weinige winkels zat een oud verschrompeld vrouwtje, dat eigenlijk niet veel reden meer had om vroolijk te zijn; maar ze lachte heel den dag en was vroolijker dan menig mooi jong meisje. Ze scheen van een reusachtige taaiheid te zijn, dit rimpelige, gebroekte Chineesche wijfje met haar gele leêren gezicht. Ze was er altijd, alle dagen, sinds jaren misschien al. Om acht uur ’s ochtends was ze er, om elf uur; ’s avonds om zes uur zat ze in haar hut, de handen op een harer knieën gevouwen en aan de afschuwelijke nauwkeurigheid en plichtsgetrouwheid van een Europeesch vrouwtje achter een snoepgoedstalletje herinnerend. Urenlang zat ze alleen, met blij-stralend gezicht naar iets in de wereld starend, en maar heel zelden verkocht ze een paar Chineesche bonbons, betelnoten of vuurroode pepervruchten.
“Waarop,” dacht ik, “zou die in het leven nog wachten———?”
Op een keer, niemand was meer aan het werk, toen ik me wat beter voelde en op een driepoot voor Nai Sih’s winkeldeur zat, kwam een oude Chineesche heer, goudsmid van zijn vak, op mij toe en hield mij zijn klein, tweejarig dochtertje voor, dat volkomen naakt was en in haar spannend huidje stak als het vleesch in een versche, volgestopte leverworst. “Neem haar, als je haar hebben wilt!” begreep ik.
Ik was onthutst en het kostte eenige moeite, eer Holloeki hem aan zijn verstand kon brengen, dat ik met dit kleine wezentje niets kon aanvangen, omdat ik binnenkort terug naar Europa ging en geen tijd had om hier te wachten tot het—groot genoeg was, “en trouwens,” ging ik zelf toen voort, daar de Chinees Maleisch bleek te verstaan: “T’a boedak ambil—t’ada soesoe!——(Ik kan dat schepseltje toch immers niet overnemen, omdat ik geen melk voor haar heb).”
En toen begreep ik pas, dat hij zijn lieveling alleen maar door mij wilde laten photografeeren.
De derde hut links aan den overkant was vol met kleine kinderen, en een dikke, vette moeder woonde daar, met geweldige, wiebelende hangborsten, waar ze zoo plomp mee te koop liep, dat ik bijna mijn blik moest afwenden. Met haar ronde vleeschgezicht en haar verwarde, tot op haar schouders afhangende haren was zij het goede motief voor een titelplaat bij een brochure, uitgegeven door een vereeniging ter bevordering van de natuurgeneeswijze: “Gezegende spijsvertering en vruchtbaarheid!”
Af en toe kwam ze naar buiten rennen en liet een natuurkreet los: “Hee-loek-maa-nii! Loek-hee-maa-niiii!” en dan kwam er een dreumes of een hond of een kip aangedribbeld; en dikwijls scheen zij enkel en alleen uit een in elk opzicht bevredigd-zijn zoo te krijschen.
Ik martelde lang en vergeefs mijn brein af met de vraag, waar toch de vader van dit gezin mocht zijn, tot hij op een avond verscheen. “Het is een bootsman, die in zijn stuntelige jonk dwars over de Golf naar China vaart,” verklaarde Holloeki mij. Toen hij thuis kwam, stak zijn familie kaarsjes aan en bracht den goden offers.——
Op een middag, dat het weer ontzaglijk heet was, dacht ik: “Goed, nu wil ik een heele poos ziek zijn! Zou Noe Kiang dan komen om mij te verplegen? Of die slanke in haar witte hemdje, die altijd lacht en zulke blinkende tanden heeft en zulk mooi lang haar, dat je van verbazing haar al te groote, bijna een beetje uitpuilende oogen door al de overige schoonheid vergeet?”
Iederen ochtend kwamen er marktvrouwen van het land en brachten groenten en visch. Onder hen was een Maleische in een rood-blauwe sarong en een witte kabaai. Ik vond haar sympathiek, omdat ze een ietwat menschelijker taal sprak dan de Siameesche vrouwen. Wanneer ik als Maleier op de wereld was gekomen, dacht ik, zou ik misschien mooi kunnen dichten.
Mijn oude kennis, de “timmerman met de knuppelpijp” sprak met haar. Hij droeg een blauwe, dunne broek, die boven zijn gespierden buik was dichtgebonden. Hij was een prachtkerel en scheen haar bedoelingen uitstekend te begrijpen. Ik vroeg mij langen tijd af, of hij het op de laatste harsfakkel welke zij te koop had, had voorzien of zij op zijn—twee tikals.
“Holloeki, ik wil een beetje slapen; als ik wakker word, kun je me citroenlimonade geven!”————
De zon stond met verzengenden gloed aan den hemel.
Ik voelde hoe ze mij uitteerde, hoe ze in mijn heupgewrichten vrat———
Toen was de timmerman weg. De mooie Maleische was er nog. Nu had ze oogen als smeulende kolen———van uit de verte. Als ze nog een paar keer voorbijkomt, word ik opeens gezond.
Tropen-dagen zijn eindeloos. De zon staat van ’s ochtends tot ’s avonds steil aan den hemel. Ze is er of ze is weg. Als ze weg is, is het nacht.
Alle leven in de tropen is in hevigheid aanwezig of het ontbreekt volkomen. Leven en dood staan in heete landen zoo dicht naast elkaar als dag en nacht———
Plechtige avonden vol wijding heb ik in Sitsjon doorgebracht: wanneer de Chineezen den hamer en het werktuig terzijde legden, naar hun viool grepen en korte hortende muziek alle straten en mijn huis met haar juichende zig-zag-melodieën vervulde, wanneer ik voor de winkeldeur zat en vol verwondering in alle hutten staarde, waar flakkerende olielampjes van de simpelste dingen heele sprookjes maakten.
Dan ben ik wel als in een droom door het dorp gegaan. Holloeki vertelde mij van dezen Indiër, dat hij “banjak oentoeng” had, dat “hij veel verdiende” en van dien Chinees, dat hij al eens in Bangkok geweest was, een mooie vrouw had, maar geen geld bezat. Op zulk een wandeling ontdekte ik de woning van Zwartbroekje, het propere Chineesche pruimpje, of ik zag waar een mijner andere oude kennissen gehuisvest was. Dan voelde ik iederen keer deelnemend: zoo, is dat jouw schamele paleis.
Later betrok ik het paviljoentje van een voornamen Chinees, dat onder palmen dichtbij zee lag, buiten, voor het dorp.
Het was nog nieuw, eenvoudig gebouwd en helder. Op de kleine veranda stonden een paar rieten meubelen, ik had na langen tijd voor het eerst weer eens een tafel en onderging het met een dankbaar hart, dat ik voor enkele dagen volkomen uit de kwellingen van mijn zwerversbestaan verlost was.
Met een ruk stond toen de herinnering aan vroeger tijden in mij overeind en ik dacht op dit stille plekje eindelijk, mijn moede ziel ontlastend, neer te schrijven, wat mij sedert weken en maanden zoo vervulde, heel die bonte reeks van avonturen zwart op wit te fixeeren, opdat het mij met nieuwe kracht vrij en vroolijk te moede zou worden.
Dadelijk, den eersten avond al, ging ik aan de keurige tafel met de lichte lamp zitten, maar—inplaats dat ik doen kon, wat ik meende te moeten doen, dwaalden mijn gedachten telkens weer af: telkens weer ging ik in den ligstoel liggen en keek naar buiten naar de zee of luisterde naar de stemmen, die op weg naar het dorp langs mij heen trokken. En het was mij, alsof mijn diepste wezen een ongeluk was wedervaren: en een bang vermoeden bekroop mij, dat ook ik misschien al verteerd werd door de dierlijke onbestendigheid en rusteloozen zwerflust, die een diepe karaktertrek is van allen die den jungle bewonen.
Ochtend aan ochtend zag ik de zon uit de zee opkomen. Als ik uit mijn kamertje kwam, vlamde een laaiende gloed over den hemel, en een zachte, koele bries herinnerde mij aan den winter in de bergen. In den vroegen morgen stond de zee laag en likte haar kracht verterend met duizenden glinsterende tongen naar het glimmend-vochtige, groenige strand. Spiegelende lichtglansen lagen in de verte over de open zee, en de steil-opgaande wanden der rotsachtige bergen, die aan weerszijden de golf omgaven, waren zacht-rood getint.
En als de zon dan hooger steeg, fonkelden de glanzingen der golven heel den middag door de fijn-getakte palmen als vloeibaar zilver naar binnen.——
Met al deze beelden, dacht ik, op mijn veldbed liggend, ben ik rijker dan honderdduizenden, die ze nooit zullen aanschouwen. En om dit alles zijn ze veel armer dan ik. Heele werelden blijven hun onthouden. Daarom moet ik lijden, ervoor betalen. Het leven is een strenge meester. Het schenkt ons niets. Hij, die tot genieten wordt uitverkoren, moet sterk zijn en dulden.
Maar het leven blijft ook zelden iets schuldig. Alleen, moeilijk te onderscheiden—soms bijna niet te onderscheiden—is vaak zijn wijze van beloonen.————————
In het zalige bewustzijn volkomen los te zijn van de ruwe wereld, lag ik in luchtige zijden kleeren op de veranda van mijn huisje en keek naar het vlijtige gedoe van mijn kokkie of verslond met hongerige oogen iedere kleurige menschelijke gestalte, die in rhythmischen gang voorbij mijn tuintje schreed.
Op een ochtend bezocht mij een dezer mooi gebouwde visschersvrouwen. Wijl Holloeki naar de markt was, onderhandelde ik zelf met haar. Ze droeg een donkerblauwen broek-rok en een gelen borstdoek, maar ook al was ze in lompen gehuld bij mij gekomen, dan nog hadden haar oogen haar tot koningin gemaakt. Ik ging op de bovenste tree van de ladder zitten, en zij kwam vertrouwelijk en lachend dichterbij toen ik haar wenkte, het mandje met versch gevangen visschen en schaaldieren gracieus op haar heup houdend.
“Nai hang soe pla?” vroeg ze, zoo dicht voor mij neerhurkend, dat ik haar warme lichaam voelde.
Ik bekeek lang en alsof ik er wel verstand van had, de eene visch na de andere, en vroeg toen aan het mooie vrouwtje, zooals ik dat van Aris had geleerd:
“Heb je ook een man? Heb je kinderen?” en tenslotte kocht ik alle visch van haar, met het mandje erbij.
Toen Holloeki terugkwam, maakte hij me natuurlijk een scène. Maar ik zweeg op al de verwijten, die hij me om mijn geldverkwisting maakte en ten laatste haalde ik mijn dagboek te voorschijn en schreef:
Er schijnen menschen te zijn voor wie de liefde een soort ridderlijke dienst is, aan de schoonheid op de knieën bewezen.
En ze moet dat zijn en blijven.
Met een dezer mooie bruine natuur-visschersvrouwen over een paar visschen te onderhandelen en tenslotte meer van haar te koopen dan ik kan verteren, vind ik voor mij van veel grooter nut dan———dan———. Het was weer mijn vermoeide hoofd. Midden in de grootste gedachten staakte het;—dan———. De rest van den zin is zonder belang——. De gedachte in den aanvang is goed genoeg en wel waard, het slot in het geheel niet af te denken.—
Toen overvielen me plotseling opnieuw en als uit een klaren hemel nood en ellende.
Holloeki had mij als middagmaal groene Chineesche boonen gegeven; ze waren erg houterig en lang niet zacht genoeg en dadelijk na het eten had ik al een gevoel alsof ik vergif had ingenomen. Eerst begon het met een soort lichtheid in het hoofd, een mij vrijer voelen, alsof na een paar glazen wijn de gedachten, van hun aardsche zwaarte bevrijd, levendig door het hoofd wentelen en toen opeens—wat ging dat toch gauw—voelde ik duidelijk: Aha, koorts! en een gesuis in mijn schedel en een al sterker wordend ruischen in mijn bloed nam zoo gestadig toe en groeide zoo gelijkmatig door mijn heele, anders al zoo vermoeide lichaam, dat ik, toen het kwaad pas was begonnen, al wist, dat het dezen keer ernst was.
Ik ging in mijn ligstoel liggen, mijn hoofd zoo hoog mogelijk en rookte en wachtte op de dingen die zich nu zouden voordoen. Als voorzorgsmaatregel nam ik wat kinine en calomel. Een zwaar-bewolkte middaglucht lag over de golf. De torenbergen stonden zwart-blauw achter de loodkleurige golven en het krijschen der meeuwen en gieren klonk heesch en hatelijk naar binnen.
Zonder dat ik het beletten kon, schoten wilde, buitensporige gedachten door mijn brein. Overmoedige lachkrampen maakten zich van mij meester: “Het gastspel waartoe wij op aarde, ongevraagd en door de schuld onzer ouders verplicht worden, is geen comedie, maar een treurspel——ha, ha, hi———!”
Ik stak een nieuwe zwarte Birmaansche sigaar op, morgen zou ik misschien niet meer mogen rooken, en nam nog eens kinine.
Op de golf voer een visschersboot met regelmatige, vervelende riemslagen dichtbij den oever heen en weer.
“Holloeki, als ik weer gezond ben, klim ik op gindsche rotsen; ik ben in de bergen geboren.”
Ik wou, dat er iemand kwam om mij te verplegen. Doch hier komt ongeroepen net zoo min een mooie vrouw tot me als in Europa, en als ik haar roep, wil ze—veertig tikals per maand——
Alles berust op wederkeerigheid, zelfs de liefde—als er tenminste liefde bestaat———
Toen kwamen er wolken over het land gezweept, de wind wierp koel regenstuifsel op de veranda, en een huivering doorvoer me, zoodat ik me tandenklapperend in een wollen deken moest wikkelen.
Het leven vergt een inspanning, waartegen niemand is opgewassen.
Later doemde een bruine gestalte voor mij op in een wit buis, ik was blij dat ik hem herkende: dat was Aris, eindelijk ook van de Zwarte Rivier terug.
“Goeien dag, toean———!”
Ik antwoordde niets. Hij moest zien, hoe slecht het met me ging. Het is een eigenaardig feit, dat we soms menschen, die we graag mogen lijden, juist onvriendelijk behandelen als we ze het liefst om hun hals zouden willen vallen; een wreede, in heel veel menschen aanwezige zwakheid is het, te meenen dat juist diegenen onder onze vrienden ons lijden moeten helpen dragen, die ze het diepst weten mee te voelen.
Aris was doodelijk verschrikt door deze zwijgende begroeting.
“Daar, kijk eens in wat voor een toestand je toean zich bevindt!” verweet mijn knorrig gezicht hem. Zacht zei hij tegen den kokkie, toen hij, van den eersten schrik bekomen, nog verder de treden naar de veranda opkwam: “Onze toean zijn hoofd is rood!”
Het is altijd iets akeligs, als de koorts zich van een mensch meester maakt. Ik weet niet, wat verschrikkelijker is voor een zieke, zich midden in een aanval te bevinden, of dit zachte, gestadig en onophoudelijk toenemen der koorts in zich te bespeuren, dat, als er niets komt wat haar tegengaat, in enkele uren het einde kan brengen. “Holloeki, waar heb je die boonen gekocht?”
“Bij een vriend in het dorp, heel goedkoop, toean!”—
De kinine begon ondertusschen te werken. Duizenden watervallen ruischten in mijn ooren, heete koortsgloed hamerde in mijn slapen. Toen moest ik lachen:
“Dehng is dood, is ’t niet, Aris?” vroeg ik nieuwsgierig en triomfantelijk tegelijk, omdat ik wist, hoe makkelijk het was een cholerapatiënt te diagnostiseeren.
Maar wijl Aris ook mij niet zoo heelemaal meer vertrouwde en hij door dit onverwachte weerzien nog heelemaal als verdoofd was, ontweek hij schuw mijn vragenden blik. Doch zijn woorden: “Toean, blanke menschen sterven niet zoo makkelijk!” die hij angstig en beklemd stamelde, hield een duidelijker bevestiging van mijn vermoeden in, dan wanneer hij eenvoudigweg “Ja!” geantwoord had.
Dat werd een stille middag. Aris en Holloeki zaten tegen den muur, radeloos, hun van koorts woelenden toean voor zich, en vooral de Maleier, die verreweg de gevoeligste was, zat versuft en treurig naar de glinsterende zee te staren.
“Dehng’s vrouw is ook dood. Van de zeven menschen in zijn huis leeft er nog een!” hoorde ik hem den kokkie in het oor fluisteren——
Ik had opgehouden met rooken. Het was intusschen avond geworden. In het dorpje, achter groote flardende bananenbladeren gingen de eerste lichten aan. Holloeki werkte niet. Aris zat werkeloos onder aan de trap. Het was donker en droef op aarde.
“Aris’ gezicht is vaal,” dacht ik, “maar zijn oogen stralen!”
Ik wist nu: Onophoudelijk zou ook ik gedurende den nacht wegschrompelen, mijn blik zou leeg worden, zooals ook Dehng’s blik leeg was geworden, mijn wangen zouden invallen en over enkele uren was ik dood.
Maar eigenlijk was me dat een beetje onverschillig. Wat zou het helpen, mij tegen deze, alle menschelijke krachten te boven stijgende machten, als koorts en cholera te verweren. Ik was nog maar door één vurig verlangen bezield: te mogen vergeten, weldra zou het met dien onzin gedaan zijn.
Toen droegen mijn bedienden mij naar mijn bed. Mijn hersens waren een en al denken.—Ik zag in de verte, heelemaal tot in Zwitserland.
Op zekeren avond zou er ginds in het dagblad staan: “gestorven in Achter-Indië aan de koorts.” Eenigen mijner kennissen zouden “Zoo, zoo,” zeggen en een medelijdend-benepen gezicht zetten, anderen zouden juist het tegenovergestelde doen; doch bijna bij allemaal, misschien wel bij allemaal (tenminste in het geheim) zou een zelfgenoegzaam blaasje uit hun bierglas-ziel opborrelen, hun heele weldoorvoede lichaam zou met een ruk van “zichzelf voor een dergelijk noodlottig einde veilig weten” zeggen: “Waarom is hij daar ook naar toe gegaan?”
“Aris!”
“Toean!”
“In het gele koffertje liggen een paar belangrijke dingen, geef ze, als ik dood ben, aan mijn landgenoot in Thalerng———voor mijn vader!”
Er was wind komen opzetten. Een regenbui zwiepte door het duister, trommelde kletterend op het dak van palmenbladeren, en de echo der geluiden verdubbelde en vermengde zich met de kolking van mijn hamerend bloed. Vensters en deuren stonden wijd open. Op verren afstand, over de zee, ver achter de zwarte kustgebergten, bijna in China, weerlichtte het bleek en vaag.——
Aris en Holloeki dempten hun stemmen tot fluisteren toe; het was mij opeens, als was ik weer een klein knaapje, als zouden mijn ouders daarbuiten angstig voor hun zieke kind bidden———
De ontzetting zat mijn twee bedienden in den nek. Het spooksel der cholera hing boven ons huisje. In de fijn-getakte pijnboomen loerde het, in de manen der kokospalmen; en de zee zong dien avond hol en anders dan op zonnige, gelukkige dagen.
Ver van de Zwitsersche bergen te sterven heeft voor onze dierbaren thuis iets bijna niet voor te stellen vreeselijks. Te weten, dat hij ergens aan de kust van Achter-Indië, verlaten en eenzaam, alleen onder wilden, zijn leven heeft gelaten.
In zoo’n dorp, dat uit louter mangroven en moeras bestaat, waar het regenwater dat van het dak druipt het eenige zuivere is en de modder uit heel het achterland zich met den afval van het dorp vermengt tot één akelige, soms natte, soms droge, reusachtige mestvaalt, waarop doode honden, katten en—bijna zou men denken ook menschen—liggen, door eb en vloed nu dorp-in en dan weer dorp-uit gedragen, soms in de zon verdorrend en dan weer rottend.
Vanuit de in warme behaaglijkheid en in een gevoel van saamhoorigheid bijna verdrinkende burgerlijkheid bekeken, zit er aan de groote, wijde wereld wel iets van leegte; de eenige, die daarheen trok, denken de menschen thuis, zweeft in den liefdeloozen vreemde als een eenzame planeet in de ijzige kou van het wereldruim———
Maar———of dat juist is?
Zijn hier niet ook deelnemende menschen om mij heen, zit de kokkie niet, wachtend op mijn wenschen, bij mij; komt zelfs juffrouw Sih niet uit het dorp, om te informeeren (natuurlijk op haar manier) hoe het met mij gaat? En bracht ze niet Noe Kiang op den koop toe mee?
O, ik zou me prachtige, gloedvolle droomen kunnen voorstellen, die mij over den weemoed van het sterven———heen konden zetten. Tenslotte ben je toch een kerel en voel je je sterk genoeg om ook zonder bijstand alles te doorstaan.
Visschers met hun netten liepen langs het strand naar hun werk. Fakkellichten glommen op. De zee was in duisternis gedompeld en de bezige bruine lichamen der mannen leken in de kleine wereld, die het schelle licht scherp om hen heen afkringde, als poppen, waarmee een vreemd groot kind speelde. Alle geruchten waren gedempt, wekten in mij weliswaar indrukken van bewegingen—ik zag gestalten opdoemen en rondloopen—doch zonder de geluiden, die mijn verstand als bij hen behoorend wilde verklaren, werkelijk te hooren.
Dan verwijderden ze zich, gingen naar huis om te slapen: morgen was er weer een dag———voor hen.
Niets dan de nacht bleef nu buiten, donker en koel en toch vol warmen adem. De wind floot klagend zachte melodieën, en in een oneindig, altijd nieuw, altijd weer ander, en toch altijd hetzelfde sterke rhythme, zongen de golven, al maar slaand tegen het vlakke strand. En het lied dat zij zongen, het wisselend, gelijk de hoop in de harten der menschen dan aanzwellend en dan weer wegstervend ruischen, sloop bij mij naar binnen in mijn houten huis, niet te stuiten en net zoolang totdat mijn vermoeide brein uit het gemurmel der golven zich zijn eigen melodieën puurde, waarop de woorden zich, weliswaar op bekende wegen, maar toch als op een moeilijken tocht niet dan langzaam en traag aaneenrijden:
Wenn der Schnee von den Alpen niedertaut
Aus dem See blau der Himmel widerschaut,
Wenn die Glocken laüten von den Alpen her,
Schau ich doch die liebe Heimat nimmer mehr—
————————————
En opeens was het mij, alsof ik een oude vertrouwde stem hoorde, die van alle kanten aanzwol, van den zandigen dorpsweg, uit de kartelige kronen der palmen, uit de donkere wolken van ver, ver weg over zee, een vrouwestem, die klonk als het zuiver geklingel eener bel, die zacht en gedempt klaagde:
Lief vaderland, dierbaar vaderland, zie ik u dan nimmer meer———?
Toen kwam er in mijn eenzaamheid een wanhopig verlangen in mij op; Holloeki moest mijn dagboek brengen, en met duizelende zinnen begon ik bij den schijn der kaarsen een korten groet neer te schrijven:
Lieve Allemaal.
Het gaat mij nog altijd tamelijk goed. Het is hier natuurlijk wel eenigszins anders dan bij jullie witte gletschers.—Maar toch wil en moet ik nog een poosje hier blijven. Ook al valt me dat zwaar. Dat alles zal dan later, wanneer het tot herinnering geworden is, des te waardevoller zijn. En tenslotte is men toch op de wereld om van zijn leven zoo mogelijk iets goeds te maken———.
Er bestaat maar één plicht: De volgzame dienaar van zijn bestemming te zijn———en het te blijven——ook al zou dat komisch of misschien wel ontzettend worden——
———maar toen overweldigde mij het wantrouwen tegen mijn eigen brief, en ik rukte met een vastberaden greep deze valsche bladzijde er uit.—
———ik zonk weg in den maalstroom mijner phantasieën; koortsgevoelens en zwarte schaduwen vielen op mij aan, alle werkelijkheid en heldere gedachten verscheurend. Nu sliep ik, was dan zoo goed als wakker, dwaalde rond door vreemde werelden, viel in bewusteloosheid.——————————
Opeens zat ik in een hall die veel had van een ridderzaal, welke geheel met blauwe zijde gestoffeerd was; blauwe vlammetjes, uit de groote tafel en uit het plafond te voorschijn flitsend, verspreidden een zoeten schijn. Op stoelen met blauwe kussens bedekt rondom tegen de muren zaten menschen, veel menschen, en allen droegen mijn gezicht. Met ingelegde, stralende saffier-kristallen stond boven de deur geschreven: Familieraad!
En een in de vergadering, een oude man, wiens sneeuwwitte baard in de blauwheid van het vertrek helder opstraalde, stond op en sprak tot de jongens, die zijn kleinzoons schenen te zijn: Er was eens een in onze familie——een vreemd heerschap. Hij wilde het leven trotseeren en alles doen, wat voor de menschen niet heilzaam is. Tenslotte stierf hij in den jungle.
Denk er aan, doe het hem niet na. Maar bespot hem niet nog in zijn graf. Want hij was au fond een goede kerel.
Het was een innerlijke stem, die hem zoo beval te leven. En het schijnt het noodlot der beste families te zijn, van tijd tot tijd zulke dwarsdrijvers en luchtsprongnaturen te moeten voortbrengen———.
Toen werd ik wakker. Koele, bleeke schijn kondigde een nieuwen dag aan. De zee ruischte door mijn venster naar binnen, en ik nam er werktuigelijk kennis van, dat ik nog niet dood was——————————
De vermoeidheid van dien zieken tijd, waaruit al mijn zenuwen als ouder geworden, gerijpt en een nuance fijner gestemd, klaarden, hield nog vele dagen aan. Ik was wit geworden in mijn gezicht, mijn oogen lagen diep in hun kassen, en als ik in den spiegel keek, zag mij iemand aan, die niet meer van deze wereld scheen te zijn.
Maar de koorts was nu voor goed gebroken, en niettegenstaande ik er ellendig uitzag, stormde nieuw leven in mij aan.
’s Ochtends en ’s avonds woei er een frissche bries van zee aan, Holloeki voerde mij met versterkende ziekenkostjes, kookte kruidige kippensoepjes, en het was hem gelukt in een Chineeschen winkel een heelen stapel bussen Berner alpenmelk op den kop te tikken. Ik gaf mij alle denkbare moeite uitsluitend voor mijn herstel te leven, rookte weinig, luierde uit overtuiging en slurpte de eene bus na de andere der kostelijke vloeistof naar binnen, zooals de versmachtende in de woestijn het laatste water uit zijn zak.
Zoo sterkte ik weer aan onder Holloeki’s vriendschappelijke verpleging; wel heel, heel langzaam, maar toch vlugger dan ik ooit gedacht had. En op een goeden dag stond weer mijn oude zwerflust in mij overeind, die een diep in mij wortelend verlangen is en evenzeer bij mijn arm geteisterd lichaam behoort als mijn hersens en mijn hart, en die mij telkens weer zal voortjagen zoolang dit leeft, zoolang die denken en zoolang dat slaat.