....MAAR HUN ZIELEN ZIJN ALS ONZE ZIELEN, GEHEEL ZOOALS DE ONZE EN DRAGEN DROOMEN EN VERLANGENS DOOR HET LEVEN, DIE VAN DE ONZE MINDER VERSCHILLEN DAN DE BLADEREN DER BOOMEN VAN ELKAAR....
HERMAN HESSE: “Herinnering aan Indië.”
Opgedragen aan een Dame in Zwitserland
Dikwijls, wanneer ik hier iets moois, iets nieuws, iets zeldzaams vind, denk ik aan jou.——
Weet je dat wel, jij hebt iets Chineesch aan je! Je oogen, je wangen, heel je gezicht en zooals je op de wijze der Chineesche vrouwen je haar glad achterovergestreken draagt—iets van forschheid, frischheid, feestelijkheid, gaat er van je uit, iets, dat aan oorspronkelijkheid doet denken, toen Eva nog vrij was, aan—tijden toen er van een vijgeblad nog geen sprake was! Dat schoot me vandaag op het station van Soerastra-Dhani te binnen, toen er een troep vrouwen uit Kanton bijeenstond.
En toen—neem me asjeblieft niet kwalijk—enkele minuten later had ik het gevoel: Hier achter in Siam moeten toch wel een heele reeks mij tot nu toe onbekende instellingen leven, om een waarlijk verwonderlijke vruchtbaarheid en een ongehoord rijke kinderzegen—eenigszins binnen de perken te houden.
Voor den Aziaat is het smeulende heden iets heerlijks—en toch heeft hij de toekomst voor zich.——
De homo sapiens daarentegen weet (of durft) met zijn heden niets bepaalds te beginnen, doch offert aan de toekomst, die hij meestal in het geheel niet heeft, de verschillende onaangenaamheden des levens, tot hij door kommer en verdriet1 gebukt aan het graf staat.——
Wanneer een bekoorlijke dame tot mij zegt: “Maar eet dan toch van mijn sinaasappels, als u veel van sinaasappels houdt——!”
Dan wil ik van deze dame ook dadelijk permissie om haar om den hals te mogen vallen!
Ik ken geen land, dat aan mijn verlangen meer beantwoordt dan Siam.
Men doet het daarginds weliswaar bijna net zoo min als hier, maar——alleen al dit zacht en teeder voorgevoel van steeds dichtbije mogelijkheden, dit zalige “zich in een minder gecompliceerde wereld weten” werkt bevrijend, en eveneens het diepe besef, Europa met zijn onzekere zeden achter zich te hebben gelaten, waar men zich toch altijd weer opnieuw vergiste.
Het is zooals het “wonen in de stad” in tegenstelling met het “in de provincie verbannen te zijn”—waar wetenschap, geestelijk leven, kunst en andere aangenaamheden als mogelijkheid tenminste aanwezig zijn, ook al maakt men er waarschijnlijk nooit werkelijk gebruik van.
Toen we al bijna klaar waren met het avondeten, kwam Meh Lieng en hurkte nog gauw bij ons aan tafel, hier en daar van een laatsten zuur-zoeten schotel iets snoepend.——
Ze scheen vandaag al bizonder goed gemutst, had waarschijnlijk een of ander nieuw avontuur voor (of liever tegen) mij op touw gezet, en was dezen keer bijna zoo goed als zeker van den goeden afloop.
Maar, zooals dat bij vrouwen zoo gaat———het lieve apensnoetje van madame lei zich toen toch op zijn onverwachtst plots in zware plooien en opeens begon ze te jammeren———buikpijn!
“Baaahhhnja sakit peroet!” jammerde ze in het Maleisch.———“Ik wil veel olie drinken. Ik wil———mijn buik spoelen———!”
Ik heb Meh Lieng de wonderolie eigenhandig mogen ingeven. (Ze dronk het uit de flesch.)
Toen ik de stroperige vloeistof over haar mooie tong liet druppelen, zag ik schitterende witte tandjes.——
Ik prees: “Meh Lieng———dapper!”
Door dezen lof werd madame een en al enthousiasme en verklaarde mij stralend van geluk voor dessert en ter harer verlichting: “Over een half uur is ’t misschien al over———Saja poenja peroet lekas———mijn buik is vlug———!”
Meh Lieng had iets van het beangstigende, altijd met verrassingen2 dreigende van een dame van de groote wereld over zich.——
Toen zij met echte wilde-vrouwen-gracie den aanval van menschelijke vergankelijkheid had doorstaan, richtte madame de onschuldige en vriendelijke vraag tot mij:
“Toean, ga je mee in het rijtuig van mijn oudsten broer een beetje lucht happen?”——
Maar in plaats mij dit rijtoertje onder de palmen en den verrustigenden sterrenhemel te gunnen, liet zij zich toen door mij uitnoodigen om mee te gaan naar den Siameeschen schouwburg, en plotseling, ik weet niet hoe dat zoo gebeurde, zaten we daar. In een leeg tempelachtig gebouw——veel te vroeg gekomen.
Onder het rooken van natuurblad-cigaretten vertelde Meh Lieng mij over het stuk. Ze droeg een donkerrooden p’hanong, gele, smalle, leeren pantoffeltjes aan haar bloote voeten en een lichten, bijna, maar niet heelemaal witten sluier.
Ik kon er mij niet volledig van overtuigen of zij eigenlijk een Siameesche met een tikje Chineesch bloed was of omgekeerd. Haar verschijning was Maleisch-Arabisch, en ik dacht aan de duizend en een nachten.
———toen begon de zaal vol te loopen. Indiërs, Chineezen, Maleiers, Siameezen, wandelden naar binnen. Het zevenenvijftig man sterke, zeer sterke orkest had zijn zevenenvijftig rijstbuiken volgestopt en was tot onbaatzuchtige opofferingen en krachtdaden bereid.
Gongen, pauken, koperen piano’s, fluiten en pijpen, houten trommels en dubbel-snarige violen werkten zoo hevig samen, dat er toch in elk geval een flinke dosis van een zeker soort muzikale begaafdheid noodig was, om dat mooi te vinden. Ik, die moeite heb, om de eenvoudigste Europeesche melodie te onthouden, bewonderde oprecht het telkens weer samen stemmen van al die verschillende instrumenten, zelfs in de meest warrelende klank-duikelingen en -watervallen, terwijl er toch schijnbaar zonder noten werd gespeeld.
Madame kreeg het warm.
Ik begon mij te vlassen op de voorstelling; Meh Lieng zou alles voor mij in het Maleisch vertalen! Ze was goed thuis in de opera. Ze verstond de kunst om uit deze klanken-salade verschillende noten van bizondere beteekenis op te diepen, waarnaar je den tijd kon afmeten, dien het nog zou duren eer de voorstelling begon: “Psjeng!”——geduld, nog een half uur, “Pioetsj!”——nog maar een kwartiertje! “Bam, bam!”—aha, de artisten zijn klaar, het spel gaat beginnen!
Ook Siameesche drama’s behandelen de oude stof. In het begin was het uitgangspunt van het lintwormachtige stuk dat dien avond gegeven werd: “Twee koningen en een koningin!” Later, kort na een vreemdsoortige, onverklaarbare geboorte, waarin een groene bierflesch de rol van zuigeling speelde, herdoopte ik het drama in “Banjak bini——Banjak soesah.———Wie vele vrouwen heeft, heeft vele zorgen!”————Heet lag de avond over het rumoerige tooneel. Consumptie was veroorloofd, maar alleen de allerkleinste. Een tante met hangborsten klauterde telkens weer over de balustrade der loge. Tamil-vrouwen met fluweelige oogen, vulden half-gesluierd een heele bank met heet leven.
Meh Lieng’s stemmetje, rap als een spinnewieltje en scherp als haar kleine tandjes, vertelde: “Sekarang radja nember satoe manoe bekin prerang sama radja nember doea———Nu wil de eerste koning oorlog voeren tegen den tweede———!”
———ik was op het punt hopeloos in het niet te onderscheiden gewarrel van klanken, geuren en beelden weg te zinken——maar toen kondigde zich op eens de wonderolie aan—en—redde mij.——
(Uit het Diertjesboek.)
Perempoean:
Kalau toean mati dahoeloe, nanti saja pintoe koeboer———
Zij: (Als je vóór mij sterft, o toean, wacht ik aan de deur van het kerkhof———)
Djantan:
Djangan djawab pintoe koeboer, pintoe soerga saja nantiii———!
Hij: (Wacht jij maar op antwoord aan de deur van het kerkhof———ik, ik wacht aan de deur van den hemel———!)
Dari mana poenai melajang?
Dari sawah toeroen ka-padi!
Dari mana data sajang?
Dari mata toeroen ka-hati!
(Vanwaar komt de duif aangevlogen?
Van het vochtige veld der rijpende rijst!
En de liefde, vanwaar komt die?
Van de oogen daalt ze neer in het hart!)
* * *
Isap rokok, tembakau tjina,
Asap-njah k’loear seperti boenga.
Ajoha adik abang bertanja:
Djin-djin di sjari siapa jang poenja?
(Sigaren en Chineesche tabak!
Als bloemen kronkelt zich de rook!
Ajohah! vraagt de jongste den oudsten broeder:
Van wie heb jij een ringetje aan je vinger?)
* * *
Berapa tinggi poetjoek pisang?
Tinggi lagi asap api!
Berapa tinggi goenoeng Ledang?
Tinggi lagi harap hati!
(Hoe hoog is de bananenloot?
Hooger dan de rook van het vuur!
Hoe hoog is de berg “Ledang”?
Hooger dan de hoop in het hart!)
Heel, heel in het begin van mijn Oostersche levensperiode, toen ik voor den eersten keer zoo bediend en verzorgd en verwend werd, na het eten alleen maar even om mijn tabakspijp hoefde te roepen, ’s ochtends vroeg bij het wakker worden de koffie als vanzelf bij mij aan mijn bed kwam, en bijna elk oogenblik een dier zwijgende bedienden wachtend op een wenk van mij tegen den muur stond———destijds dacht ik kort en bondig: “Deze kokkies en boys zijn buitengewoon!” De vriendelijkheid, waarmee ze hun meesters bedienden, de blijheid—heel hun doen en het toch volkomen ontbreken van elke slaafschheid of kruiperigheid deed mij goed.
Zonder dat ik ooit te voren in mijn leven gelegenheid had gehad ook maar de kleinste rol als meester en meerdere in te studeeren, noch ooit den geringsten aanleg tot heerschen in mij had bespeurd, werd ik plotseling op de handen gedragen als was ik een koning. Het is maar één keer gebeurd dat een van deze in het wit gekleede, stille bedienden-scharen achter mijn rug een half-onderdrukt jongensachtig lachje wegslikte. Het was in een der eerste hotels van het heele Oosten. Maar ik kon het me best verklaren———daar hoorde ik niet thuis!
Nooit anders is buiten mijn wil mijn waardigheid als toean, welke te bewaren mij in het algemeen moeilijker valt dan duizenden anderen heeren om haar ook maar voor één oogenblikje te vergeten, verongelukt. De bescheiden Chineesche logica, volgens welke een toean eenvoudig een toean is en daarmee basta!—kwam mij altijd van pas. Ik geloof, dat Chineesche boys vaak zoo goed voor hun meesters zorgen, omdat elk van hen graag den keurigsten en den mooisten toean wil hebben, om zich in zijn afglans te koesteren.
In die tijden van het allereerste begin was Holloeki nog niet bij mij, maar een andere Chinees had de eer mij te voederen en te verzorgen.
“Ah Tsjan, Hongkong- en Kantonman”——aldus staat zijn naam onder de kiek, die ik als herinnering aan hem nog steeds bewaar.
Als ik tevreden over hem was, noemde ik hem Ah Tsjannetje, maar meestal minder vriendelijk en bijna ruw Ah Tsjan(ae). Dit “ae” had zijn eigen beteekenis.
Ah Tsjan was een zeer bereisd jongmensch, geheel en al in den zin der opgaande zon van zijn land, en kon niet alleen beter koken dan ik, maar zoowat alles. Eens had het leven hem als scheepsjongen heel in Hamburg doen belanden; hij had ook in Bangkok bij Duitschers gediend en daardoor sprak hij een komiek, allerdwaast Engelsch, dat niet is weer te geven. Bovendien probeerde hij met een vreemdsoortig accent aan elk woordje dat er maar even voor in aanmerking kwam een “ae” te hangen. Inplaats “I like” zei hij “I like(ae)” en zoo voort. En zooals de meeste Chineesche tongen struikelde ook de zijne over de moeilijke Westersche “r”.
Bovendien was Ah Tsjan(ae) een echte grillig-hartstochtelijke Chinees en paste daarom goed bij mij. Zijn opgewekte geestige beweeglijkheid stelde mij schadeloos voor de betrouwbaarheid en orde en al die andere goede eigenschappen, die een boy moet bezitten———ik haat knechtenzielen.
Af en toe, meestal geheel onverwacht, stroomde hij over van vertrouwelijkheid, hurkte naast mij neer en begon familieverhalen en dingen uit zijn leven te vertellen. Hij, de jonge, onooglijke Chinees had al meer achter den rug, dan menige groote, trotsche, prachtige Europeaan.
Op een keer ruimde hij in mijn bijzijn zijn Japansche reismand op. Wat daar toen niet te voorschijn kwam! (Naast een paar potloodstompjes en andere kleinigheden van mij, die hij in de haast vergeten had.) Een heele Chineesche reisrommeltentoonstelling!
“All this I like(ae) ve(l)y much three hundred dollar!” verklaarde hij. “I have(ae) got(ae) mamma in Bangkok. She plenty rich. My father San Francisco, my blappa3 carpenter!—And this here belongs my wife, she Kanton, same country I; she no good.” En hij pakte een portret uit! “Met groet en kus, je Julius”—ansichtkaart in het Chineesch. Een pikzwarte opgedirkte, wit-gepoederde dame met lak-roode lippen. Ik kon nog net even gauw zeggen: “I congratulate you!” en verdwijnen—————
Het volgende is een knipsel uit een briefje, dat Ah Tsjan aan zijn “Mamma” schreef. Hieruit valt de verklaring niet moeilijk af te leiden, waarom Ah Tsjan altijd een gezicht vertoonde dat straalde van tevredenheid.
“———Master plenty good. I make(ae) plenty money, and eat(ae) his rice all the same. He never make(ae) I write(ae) how much, when go market. Master only give(ae) money, I buy.
He eat(ae) plenty eggs, ten pieci one day, and like(ae) ve(l)y much carony.4
Master funny man. Sometime(ae) night he speak(ae): Ah Tsjan(ae), make(ae) light!——and he take(ae) paper and write(ae) plenty and then start(ae) laugh(ae).
He never bad with me, but when sun hot and sick little he no more speak(ae).
He belongs Swiss.
He no drink(ae).
He go plenty jungle. He speak(ae), like(ae). Sometime(ae) he ask(ae) me: Ah Tsjan(ae) do you like(ae) jungle?——Then I speak(ae): No, no! I like(ae) much more better nice house, I like(ae) Bangkok. Bangkok ve(l)y, ve(l)y ve(l)y nice! But master only laugh(ae): Ah Tsjan(ae), Bangkok no good, all big town no good, plenty bad people! Master like(ae) “orang-oetan”-people in jungle ve(l)y much. Sometime(ae) he go dirty siamese hut and speak(ae) black men. But he never take(ae) woman. But he like siamese girl, yes, I know, I———have(ae) seen. Why he not take(ae) sleep nice girl? I think(ae), he mad a little—
Eens sloot Ah Tsjan vriendschap in een Chineesch dorpshotel, waar wij den nacht doorbrachten. In de kamer naast de onze sliep een Chineesch gezelschap van een man of zeven, acht, bestaande uit een dikke oude moeder, waarschijnlijk den erbij behoorenden vader, twee, drie jonge mannen en een paar bekoorlijke dochters (met geoliede kapsels), die Ah Tsjan in de oogen staken.
Den volgenden ochtend, toen ik op het station van R. op den trein wachtte, kwam Ah Tsjan plotseling met een doodernstig gezicht op mij toe en zei klaaglijk-bedelend tegen mij: “Master, this woman”—hij bedoelde die oude Chineesche moeder met haar grijze haren en haar rijstbuik—”beg(ae), you give(ae) her little money. She not can take(ae) one ticket. She speake(ae),” ging hij voort, “will give(ae) you something” en de oude vrouw, die intusschen op haar halve voeten was komen aantrippelen, begon inderdaad al aan een van haar prachtige ringen te draaien.
Maar daar ik destijds nog nieuw was in dit vreemde land en mijn chef vlak naast mij stond, meende ik deze heele geschiedenis met een streng gezicht te moeten negeeren.
Eens philosofeerde ik met Ah Tsjan over zielsverhuizing.
Het was toen de griep in Siam heerschte (de Chineezen stierven als vliegen in den laten herfst). Toen vroeg ik:
“Ah Tsjan, do you like(ae) die?”
Waarop hij ontsteld antwoordde:
“Master, how can! Anybody man no like(ae) die!”
“Die, no matter,” ging ik voort, “lateron dead man return dog, buffalo, cattle.”
Ah Tsjan (glimlachend): “Yes sometime(ae) dead man come(ae) back beast.”
Pauze.
Ah Tsjan, in Bangkok zijn tweeduizend menschen aan de griep gestorven. Nu zullen daaruit tweeduizend honden ontstaan of buffels, niet waar?
No, no Master!
Jawel, zeker!
No master, look see, Europe now big fighting. Sometime(ae) die 50.000 pieci men. But not come(ae) back 50.000 cattle—Europe plenty hungry!
Een Chineesche boy kan oneindig vriendelijk worden en voorkomend, wanneer hij door een brandend verlangen wordt gekweld, ’s meesters toestemming noodig heeft om zijn verlangen te stillen.
Zonder zijn bedoeling ook maar eenigszins onder stoelen of banken te steken, kwam Ah Tsjan soms op het gekste tijdstip en gekleed om door een ringetje te halen bij mij praten, mij wat vertellen, iets interessants, dat zijn meester aan het lachen moest maken of op een andere manier aangenaam zou aandoen, en zoodra hij de uitwerking zijner woorden van mijn gezicht kon aflezen, knoopte hij er zijn verzoek aan vast (dat meestal op permissie om uit te mogen gaan uitdraaide), net zooals wij als jongens aan een goed rapport een wensch vastknoopten.
“Have(ae) got(ae) friend, knife not can go inside——” “ik heb een onverwondbare vriend,” wilde hij daarmee zeggen.
“Zou je hem vanavond willen opzoeken?” vroeg ik hem spottend terug.
Een leuke vriendelijkheid (en aardige toespeling op mijn magerheid) was: “Master, you and I all the same—not have(ae) got(ae) much beef———!”
Of plotseling en schijnbaar zonder eenigen grond trad hij op mij toe en sprak: “Bangkok-women belong cut(ae) hair, all dress like men, can only know here a little (op zijn jongensborst wijzend) boy or girl.”
Ik kwam al heel gauw tot de ontdekking, dat hij ’s nachts vaak uit was. ’s Avonds, zoo na het “afdrogen”, verdween hij gewoonlijk, en ik geloof, dat als ik niet zoo’n vasten slaap gehad had, ik hem pas zoowat tegen het aanbreken van den dag had kunnen hooren binnensluipen. Maar, om alle verstandige menschen de handen van ontzetting ineen te doen slaan—ik moet bekennen, dat ik soms mijn menschen liever liet begaan, dan voor paedagoog te spelen. Hoe vaak was ik zelf niet liever ergens anders gaan slapen,—voor mijn part op de maan,—dan op zoo’n eenzame bamboeschraag in een gebrekkige kongsi te kruipen.
Er ging een gerucht rond, dat Ah Tsjan plenty opium rookte. Hij, zoo goed als elke andere Chinees, was daartoe ook wel in staat. Maar of Ah Tsjan waarlijk zoo dom was, vroeg ik mij af en hier in Siam een opiumroes noodig had. Hij, met de zilverblanke tinnen knoopen aan zijn buis en de khaki-kniebroek; Ah Tsjan, die altijd zoo keurig was; Ah Tsjan, met zijn zoo voornaam klinkende en bijna toovermacht bezittende wijze van spreken in echt grootsteedsch, Bangkoksch dialect———.
Hoewel, toen ik hem er eens mee plaagde, verklaarde hij mij plechtig: “No, I no like(ae) woman” en toen ik het eerst niet goed wilde gelooven, ging hij voort: “Yes master, I no more like(ae) woman—have(ae) had before plenty fifty pieci!”—
En een anderen keer, toen ik mij vroolijk maakte over zijn deugdzaamheid en hem vroeg: “Ah Tsjan(ae), no like(ae) gamblac,5 no like(ae) woman, no like(ae) opium—Ah Tsjan(ae), what do you like(ae)?”——toen antwoordde hij trouwhartig en zoo vrijuit, dat ik het bijna moest gelooven: “Like(ae) house, where people plenty tell story——!”
Zooals in alle mooie, buiten de wet vallende menschelijke levensverhoudingen——en zoo was immers de verhouding tusschen mij en mijn boy—vielen er om een haverklap conflicten met Ah Tsjan voor. Zijn invallen gingen tot in het ongelooflijke over, zijn eens zoo grappige gezegden werden mij onverdraaglijk, en opeens moest Ah Tsjan plaats maken voor Holloeki.
Holloeki heeft minder scherts verstaan en was in buitengewone omstandigheden minder slagvaardig, maar hij heeft mij trouwer en langer gediend dan Ah Tsjan. Hij was zoo precies en nauwkeurig als een jaar-in, jaar-uit de uren afbellende schoolklok, en ik moest hem menigmaal bewonderen, wanneer hij zelfs onder de lastigste omstandigheden op reis nooit hulpeloos tegenover een mijner wenschen stond en nooit wanhoopte onder het moeizaamst gezwoeg in het oerwoud.
Maar als ik nu zoo in de stilte over deze tijden zit te peinzen, dan lijkt het me toch bijna, alsof Ah Tsjannetje in zijn drie maanden meer voor mij heeft beteekend dan Holloeki, de modeljongen, in al zijn zeventien.
Pēt is koning.
Zijn huis staat minder scheef dan al de andere in het dorp en is het gebruikelijke pied-à-terre voor de reizigers.
Ik heb er drie nachten gewoond.
In de bruine pracht van een strak-spannenden buik weerspiegelt zich Pēt’s majesteit. Wie met hem spreekt, kruipt vrijwillig, en ik heb nooit kunnen vergeten———Pēt verstaat de kunst om twee vrouwen in eendracht naast elkander te——voeden.——————
Pēt’s huis heeft een ruime benedenverdieping, welker eenig meubilair uit het algemeene betelkauw-gerei alsmede de door het gebruik rood geworden kwispedoor bestaat. Behalve dit bevinden zich daar in twee schuinloopende hoeken nog twee britjes, net tingeltangeltooneeltjes in een zevenderangsch werkliedenkroeg——
En voor mij zijn dat werkelijke, echte tooneelen zooals in een schouwburg, links in een hoek, rechts in een hoek——
Dat zijn de plekjes, waar Pēt’s vrouwen den dag door-kauwen.
Ieder à drie tot vier kinderen.
Juist nu, terwijl ik daar zoo op mijn pakje beddegoed neerzit, kruipt de eene op handen en voeten den harden leemen grond opdweilend rond, zoodat ik onwillekeurig moet denken “geit”! en de andere lacht me verleidelijk toe—!
Maar Pēt, die dubbel rijke——arme, werpt een langen blik naar mijn whiskeyflesch.——
Iederen keer, wanneer Pēt’s “vrouw-nummero-twee” zoo vriendelijk is,—vriendelijk, zonder het zelf te vermoeden—haar borstdoek weg te leggen, of (eigenlijk nog beter!), na het vooraf luchtig te hebben uitgeklopt hem opnieuw om te doen———moet ik aan mijn bleeke vaderland denken, waar—o, welk een smaad!—de koe het symbool voor melk is.——
Pēt’s familie gaat zonder scherp afgeteekende grenzen in de dorpsinwoners over.
In zijn huis hangen ineengedrongen jongens rond; jonge mannen, mannen, grootvaders komen een kwartiertje babbelen, gaan weer heen, rooken even gauw wat, brengen boodschappen, halen orders.
Dat kunnen Pēt’s zoons zijn, vaders, broers, neven, ooms———wanneer Pēt afwezig is, zijn zij———plaatsvervangers.——
Onder anderen Loem.
Als vergankelijk vleesch beschouwd, zooals men ook een stuk vee bekijkt, is Loem een prachtexemplaar van een man. Hoe hij aan zijn naam is gekomen, die “gat” beteekent, is een van de vele, nog niet opgeloste Siameesche raadsels.
Loem rookt, en tweemaal op een dag, een keer ’s ochtends en een keer ’s avonds, maakt hij zich gereed om aan zijn werk te gaan, klautert in een suikerpalm naast het huis om een zorgvuldig in schors gewikkelden knop te——kietelen!
Dat gebeurt zoo, dat hij dezen knop zoowat een kwartier lang heen en weer beweegt, zooals men een houten pin, die men uit den grond wil rukken, al maar heen en weer duwt.
Toen ik Loem vroeg: “Tham a’rai—Wat doe je?” riep hij: “Tham nam tan——Ik maak suiker!”
Wat, Pien, Sali, Prom, Tsju, Kin enzoovoort zijn koningskinderen.
Eenigen van hen zijn jongens, de anderen meisjes. Ik kan de namen niet goed meer uit elkaar houden. Pien is geheel naakt, en Tsju draagt niets dan een strook van schors om de heupen.
Sali is een schakeering minder donker dan haar broertjes en zusjes.
De heeren der schepping herkent men bovendien daaraan, dat ze zilveren been- en armspangen dragen.
Doch de hoofdpersoon in deze kleine menschenwereld is Wat, een mollig juffertje, met een rond rijstbuikje, van nog geen drie jaar. Ook zij is geheel naakt———alleen haar toekomst is bedekt door een vijgeblaadje, dat sierlijk uit zilver gesneden en met zwarte was prachtig ingelegd is——
In een ver wouddal aan den Kau-Yai, den grooten berg, heb ik een tijdlang bij Ong Eh, een grijzen Chinees gewoond, aan wien ik niet minder vriendelijk terugdenk dan aan een mijner grootouders. Bejaarde lieden, dunkt mij, zijn menschen in den meest menschelijken vorm; in hen zijn de hartstochten vervaagd, en dikwijls is al het slechte en kwade in het op- en neergaan van hun lange leven bezweken.
Den drie-en-zestigjarigen Ong Eh met het streng-gevormde, gladgeschoren ascetengezicht, de grijze, tot een dunner wordende vlecht gedraaide haren en de verstandig kijkende oogen, vond ik een der sympathiekste onder al de vele Chineezen die ik ontmoette.
Bij de twintig jaar leefde hij destijds al aan den Kau-Yai, had zich met taai volhardende Chineesche vlijt zijn huis en zijn tuintje, dat op den duur tot een tuin werd, verdiend en leidde daar van de karige opbrengst zijner bananen en boonen en suikerriet een eenvoudig leven. Negentien keer was reeds de regentijd met zijn bruisende wateren gekomen, had zijn beetje aarde weggesleept of steenen en slik over het vruchtbare land gedragen——iederen keer verhielp hij de aangebrachte schade, en ieder jaar kwam ook weer de droogte, zoodat hij nauwelijks water genoeg te drinken had en ’s ochtends en ’s avonds met den gieter zijn tuinbedden moest nagaan.
Ong Eh’s doelbewuste arbeid scheen geheel de uiting te zijn van een idealistisch, gelukkig-tevreden leven.
Maar zoo heel beschouwend en idyllisch zijn Chineezen niet aangelegd. Om zoo’n beetje groente zou hij zijn oude dagen toch zeker niet in den vreemde—want dat is Siam immers voor een Chinees—hebben doorgebracht. Neen, hij wist, dat er in den grond onder zijn tuin tinerts lag en hij wachtte er op, dat er iemand kwam om hem zijn land af te koopen. Drieduizend Singapore-dollars, een aardig sommetje, was zijn prijs. En hierin had zijn groote voorliefde voor het tuiniersvak zijn oorsprong gevonden.
Ik woonde gedurende een paar weken in Eh’s huis, welks deuren allemaal gewend waren, naar den kant waar de zon opkwam en waarin ik toch nooit het gevoel kwijt raakte, alsof het mèt de zon zou ondergaan. Over een steile trap en door een valluik kwam men op de groote, oneffen zolderkamer, waar men Ong Eh vaak achter drie groote kisten, die zijn schatten verborgen, rookend, lezend, den tijd langs zich heen latend trekken of ook wel slapend kon vinden.
Hij was de oudste man in het dal en als zoodanig tegelijkertijd opperpriester en plaatsingsbureau voor de koelies in de enkele in het oerwoud verspreid liggende mijnen.
Iederen avond boog hij ootmoedig voor zijn goden, onder wier altaar mijn reismatrasje was neergelegd, en offerde hun in deemoed een paar kaarsjes en wierookwolkjes, en hij werd eens zeer ontstemd, toen ik die “dwaze lichtjes” uitblies, omdat ze mij hinderden bij het inslapen. Hij was een maniak. Iederen ochtend werd hij precies op tijd wakker, hing zijn beddegoed op, spuwde eens flink (door een kwastgat in den houten vloer) en ging eindelijk rijst koken. De half gare rijst zette hij in een hoek (altijd precies in denzelfden) en tusschen het koken en het gaar worden in gunde hij zich iederen dag precies driemaal een pijp tabak.
’s Ochtends wandelde hij rond in den tuin, somstijds diep in gepeinzen verzonken, doch meestal luid met zichzelf pratend. Van tijd tot tijd zag ik hem aankomen, zijn linker broekspijp ongelooflijk hoog (heelemaal tot boven aan toe) opgerold of het lijfje, dat behalve de broek zijn eenige kleedingstuk was, tot aan zijn harige borst afgeslagen. Wat dit buik-zonnen beteekende heb ik nooit kunnen ontdekken.
Als hij in zijn drie geheimzinnige schatkisten muisde, ritselde en rinkelde het vreemdsoortig. Op een dag liet hij mij, een half dozijn over elkaar heen geknoopte smerige gescheurde lappen openmakend, het heiligste zien wat hij bezat, een glashelderen, kleinen kogel, dien een Maleier zoogenaamd in een schelp had gevonden. En hij vertelde mij, dat hij tweehonderd dollar voor het wonderding had betaald. Ik dacht: Jij goeie, oude slimmerd, wat mag er in jouw sluwe brein zijn omgegaan, eer zich de overtuiging er voor goed in had vastgezet, dat deze parel een half vermogen waard is. Want ik zag onmiddellijk dat dit kogeltje niet een echte parel was, maar uit een “kogelfleschje” stamde. En vanaf dat oogenblik was het met de betoovering, die er van zijn drie kisten uitging, gedaan.
Vredige avonden heb ik in Eh’s huis doorgebracht, wanneer ik na den arbeid in den jungle een pijp rookend op mijn plekje uitgestrekt lag. Dan drukte Ong Eh soms zijn grooten, gaffelvormigen hoornen bril op zijn overhoekige jukbeenderengezicht (om nog een stichtelijk uurtje te hebben) en begon mij eentonig met bijna tandelooze kaken uit een soort Chineesche Odyssee voor te prevelen.
Ong Eh was mij van meet af zeer genegen en ik voelde al duidelijker: hij mag me wel.
Zijn warme begroeting zei me dat, wanneer hij, mij bij mijn pols grijpend, over mijn blanke hand streelde, zijn twee veel te lange scheptanden vertelden mij van zijn genegenheid, als hij mij van uit de verte toeriep:
“Toean, di?—Is het land goed?” en ik merkte het, als hij Holloeki een bosje verschgeplukte spinazie voor mij bracht.
Hij hield van mij op deze manier: Misschien is dit de vreemdeling, die mijn tuin koopt, zoodat ik geld genoeg zal hebben om terug naar China te gaan, nog voordat ik dood ben.——
Zijn voorliefde voor mij was dus menschelijk. Zooals elke liefde. Doen wij zelf ook niet al wat goed is alleen daarom, omdat wij hopen net zooveel of duizendmaal meer aan schoonheid en aan geluksgevoel terug te winnen! Is onze reinste en beste en schijnbaar onbaatzuchtigste liefde in wezen niet ook maar een middel, dat in ons innerlijk harmonieën en gelukzaligheden wil wekken, die de beste vergoeding zijn, welke er in het leven der menschen is!
Het was roerend, hoe Ong Eh soms mijn hand greep:
“Toean, is het land goed, ik zou zoo graag mijn vaderland nog eens terugzien——?!”
En Aris verklaarde mij later: “Alle Chineezen smeeken om een zoon, die, als zij zelf niet levend in hun land kunnen weerkeeren, tenminste hun gebeente eens naar China kan terugbrengen. De meisjes achten ze geringer, daarom kan men die koopen.”
Maar op een ochtend was Eh dood.
Men vond hem achter zijn kisten.
De mare van zijn overlijden ging snel en opwindend als een onweer door het dal. Van alle kanten kwamen zijn vereerders aangeloopen, angstig trachtend bij de hemelvaart van den heilige mee te werken.
O, wonderlijk-zwaar beeld: Chineesche begrafenis! Leven en dood! Drieëndertig mijnkoelies droegen de baar, waarop de doode lag. Een man met offer-gebraad voor de goden opende den stoet, een hamerde op een gong en onder het geknetter van vuurwerk ging het op een draf (opdat vooral geen booze geesten op het laatste oogenblik een hekserij konden bedrijven) over heg en steg langs en door de onstuimige beek naar den jungle———Ong Eh ruste in de eeuwige zaligheden——!
Half zingend en vreemdsoortig-onsamenhangend krijschend verdween de lijkstoet.
Een wegje was van te voren door het oerwoud gekapt en midden in het dichtste geslinger van teeder wuivende rotangpalmen een laag graf gedolven. Het was precies noord-zuid gericht. Wolkjes van heilige vuurstaafjes trilden door de lucht en de stralende zon bescheen Ong Eh’s graf.
Siameesche en Chineesche priesters prevelden lange gebeden, elk der aanwezigen wierp een handvol aarde in de groeve en toen ik ontroerd door het woud naar huis wandelde, nog geheel onder den indruk der plechtige ter-aarde-bestelling, dacht ik: minstens zoo mooi als wanneer bij ons een beroemd professor sterft!—
Ong Eh zal weder opstaan! Op een dag zal daarginds ergens in het Rijk van het Midden zijn zoon een ernstig gezicht zetten, ernstig met zichzelf pratend rondloopen, zal plotseling, een besluit nemend, in een zeilboot stappen en over de Golf van Siam hierheen varen.
Dan zal Ong Eh’s verbleekte gebeente nog één keer wit in het licht der tropische zon opschijnen naar den “grooten Berg,” voordat het den verren terugtocht naar het land der vaderen aanvaardt.——
Zoo is het den menschen beschoren. Ook zwervers, die het leven naar vreemde werelden voert, zouden ergens thuis willen hooren. Zelfs Chineezen hebben een vaderland.—Het heet China.
Maar daar hield nu toch alles bij op! Nu moest ik me er warempel nog toe leenen om den Chineezen van Hoey Yot te laten zien, dat ik, blanke, beter Chineesch Nieuwjaar wist te vieren dan zijzelf als Chineezen. Van de manier waarop zij het deden———luieren en met feestelijke kleeren pronken——had ik genoeg. Dat was geen Chineesch Nieuwjaar!
Zoo kwam ik op het denkbeeld “Tsjaoe mo le.” “Tsjaoe mo le” is een spel, dat het “nog-jong-zijn” van den speler wil bewijzen en verder niets is dan een leuk soort buiteling. “Tsjaoe mo le—luchtsprong” zou al te blufferig klinken. (In de gladde geasphalteerde stationsstraat in Zürich kan men na middernacht heele kettingen van wel tot twintig van zulke jeugd-bewijzen netjes aan elkaar hangen.)
Op het kleine oerwouddorpsplein daarentegen moest ik me met zes tevreden stellen. Maar———eigenlijk heeft een alleen het al gedaan. Zelfs degenen, die zich al in hun huizen hadden teruggetrokken, klapperden nog eens op hun houten sandalen aan, om het te bestaren. Zooveel achting als op dien avond, is mij nooit te voren ten deel gevallen. Kaarsrecht stond mijn eer en trotscher dan ooit. Dat beviel mijn Chineezen beter dan wanneer ik ze boorgaten liet maken op plaatsen, waar ze toch geen erts vonden.——Nog toen het al donker was, toen de kikkers in het moeras met hun concert allang weer waren aangevangen en de lucht van het nachtelijk krekel-gezang trilde, hoorde ik, terwijl ik voor mijn schrijftafeltje zat, hoe aan den overkant in het huis van den voorman beraadslaagd werd, hoe de toean toch wel dit “Tsjaoe mo le” deed. Maar het allerbeste:
Li Tiang’s vrouw heeft dit alles gadegeslagen. Zat ze voor mij nu voor haar huisdeur in een scharlakenrooden-en-witten mantel (zolderkamertjes-beddetijk), ging ze om mijnentwille den zandbodem nazien, of er niets verloren was gegaan bij het spel, was ik nu misschien toch eindelijk de oppertoean, hoewel de andere blanke in Hoey Yot een dikkeren buik had en lichter haar op zijn hoofd?——
Toen ik op een avond laat in het donker nog iets achter mijn hutje zocht, kwam Hoeng Song, mijn nachtwaker, vlug op mij toe en gaf mij een veelbeteekenenden wenk.
Daar was iets niet in orde!
Behoedzaam bracht hij mij bij een vreemdsoortige opstelling van stevige, krom gespannen en gebonden touwen en knuppels.
“Haha, jij vindt het dus noodig en nuttig, achter mijn bed een tijgerval op te stellen! Beste kerel!” dacht ik.
Van zijn lange rede in het Siameesch over werking en doel der machine verstond ik destijds tot mijn spijt nog niets. Ik voelde alleen maar vaag: Dus is het toch waar, dat hij den vorigen nacht achter mijn huis een zwarten panter heeft gezien, en het gebruik, alle kippen en honden op te sluiten, zoodra het donker wordt, is dus blijkbaar niet zoo belachelijk als het mij tot nu toe leek.
Maar omgekeerd was het mij, nieuweling, toch ook weer half en half een raadsel, hoe er een tijger of een ander eenigszins groot dier in dezen val kon blijven hangen. Hierin zou een panter eerder woest worden en mijn heele huisje mitsgaders het heele stangengedoe omverrennen!
Dus ging ik dien avond meer verontrust dan gerustgesteld slapen. Mijn eenige troost, dien ik tot mijn beschikking had, bestond uit de jaren geleden gemaakte waarneming: Nachtwakers kent men nooit heelemaal!
Doch het werd inmiddels ochtend, zonder dat mij het verwachte groote gemiauw en geblaas had gewekt en na dien nacht nog zoowat een keer of veertien.
Pas toen ik me over de voorzichtigheidsgrap van Hoeng Song begon vroolijk te maken klakte op een keer plots midden in den stikduisteren nacht, nauwelijks een paar meter achter mijn hoofd, het vreeselijke ding dicht.
Ik sprong op als iemand die gegeeseld wordt en rende naar buiten, waar Hoeng Song al met een knuppel in zijn vuist rondsprong om den—Chinees, die aan verlangen naar mijn zilveren tabaksdoos leed——snel te bevrijden.
toen ik in de beek achter het dorpje baadde———wie kwam daar toen plotseling aantrippelen?——
De vrouw van den nachtwaker——!
Op klaaglijke jammertonen krijschte ze om haar man, die ergens in het oerwoud was.——
Dat klonk zoo ’s avonds in den schemerenden jungle net zooals wanneer men in de bergen zoekt naar iemand die verdwaald is en dien men misschien zelfs wel dood zou kunnen vinden.
Doch Hoeng Song kwam weldra welbehouden terug met een bos geneeskrachtige wortelen.
Vreemd, ook wanneer ik alleen het oerwoud in ga, is het heele dorp bang voor een ongeluk. Maar wanneer weerlooze marktvrouwen en onbeschermde kinderen een verren tocht dikwijls even voor het vallen van den avond aanvaarden, dan is dat iets vanzelfsprekends.
———Alsof het van deze sierlijke schepseltjes minder jammer is, dan van Hoeng Song, den nachtwaker, of van mij.
Gisteren———heeft Li Tiang, mijn Chineesche meesterknecht, mij een zekere plek om te baden zeer, zeer warm aanbevolen:
“Veel water, niet ver weg en goed achter de boomen!” herhaalde hij telkens opnieuw.
Kunt gij raden, waarom—————? ————ik geloof, omdat daar, waar ik gewoonlijk baad,——zijn vrouw mij zien kan (als zij zich een beetje moeite geeft).
Is dat niet slecht van hem, haar van dit pretje te berooven? Moet niet het “een-blanke-zien-baden” de schoonste droom dier bruine vrouwen zijn! Zal zij ooit in haar leven iets lichters vinden———?!
Vandaag———heb ik haar zien baden!
Li Tiang’s jonge vrouw is prachtig! Tusschen vier en vijf uur ’s middags. Twee-derde van het edelste China, één-derde Siameesch bruin. De zon drong juist met schuine stralen door het loover en scheen tot op den bodem van den stillen vijver. Ze is waarschijnlijk nog geen zeventien jaar. Door het glas-heldere water zag ik alle de fijnste bizonderheden.——
Morgen wil ik, moet ik———weer op mijn oude plekje baden!
Ik heb een gezelligen middag gehad———hurkend bij de tin-spoelsters in de beek en half omdat ik moest, half omdat ik ze wilde beluisteren, hielp ik flink mee. Wie dit “goudwasschen” niet van jongs af aan als handwerk heeft beoefend, kan vermoeide knieën krijgen en de zon brandt hem heet in den rug.
Al deze vrouwen hier waren zoo goed als naakt, hadden heur rok-doek tot op “mannen-zwembroekjes-uiterste-grens” geheschen en draaiden de vlakke houten borden met vlijtige handen.——
Telkens wanneer het zand in mijn eigen waschkom verdween en het tinerts als een zwaar hoopje zuiver achterbleef, schonk ik deze kostbaarheid met een paar vriendelijke woorden aan de eerste de beste die naast mij zat. Als antwoord sloeg ik dan meestal een blik te meer in deze eenvoudige menschen.
Zelf als uitgewasschen, blootgelegd en al het bijkomstige weg, zaten ze om mij heen als zich van de werkelijkheid losgezaagd hebbende levens. Vijf of zes. Rimpelige oudjes, met plooien in den buik, sporen van zwaren arbeid op den rug, soms een halven teen missend, een heel leven achter zich hebbend, grootmoeder———overgrootmoeder misschien.——
Ze spraken enkel over het re tiboek (het tinerts), over het gebrek aan water, over de hitte, alles beschouwd in het licht van den satang, het Siameesche geld.
Eén enkele was er onder die niet meepraatte———en haar heb ik het meeste geschonken, hoewel ze als antwoord enkel maar lachte.———Deze was nog geen moeder.——
Van Tarsala op weg naar Hoey Yot, ontmoette ik bij een bocht van den weg plotseling drie vrouwen.
“Mai mi p’ha!—Ik heb mijn borstdoek niet om!” verontschuldigde zich tot mijn groote verwondering een der drie, druk krijschend, half lachend, half beschaamd, verrast.
Ze kwamen er aan, zooals marktvrouwen loopen, alleen die eene op dat oogenblik niet. Het bizondere was: Zij strekte op dat moment nog bovendien juist haar beide armen omhoog, om de mand op haar hoofd vast te grijpen.
Misschien verbeelding, maar zij leek mij zóó werkelijk nog iets naakter dan de anderen.——
Om haar te troosten, riep ik haar daarom toe: “Mai pen a’rai!—’t Hindert niets!” en dacht (in stilte en alleen voor mijzelf): Hoewel jij het eigenlijk bitter noodig zoudt hebben!—
Het gebeurt hier ook wel eens, dat je tot je vriend zegt: “Zeg, kijk eens, wie is die mooie vrouw daar———?!”
En de vriend antwoordt dan, geblaseerd: “Och, dat is immers Meh Dehng (juffrouw Meier), maar ze heeft alleen—een schoonen doek aan vandaag.——
Vandaag heeft er weer eens een geprobeerd mij over mijn hondje heen in vriendschap te naderen. (Dat is ook hier een voor de hand liggende weg, dien al velen hebben ingeslagen.) “Hond-wijfje!” zei ze en wees op “Hoedli.”
Omdat er echter mos en ander vlekkige dingen op haar borst groeiden en ze ook verder heelemaal niet bezienswaardig was, antwoordde ik enkel kort:
“Hond-wijfje goed!———Mensch-wijfje niet zoo goed——!” waarna ze———heenging.
———Zoo ontbreekt het ons hier in de wildernis ook niet aan blijspelen en kluchten die het harde werkleven verzachten. Dikwijls zijn het weliswaar maar simpele natuur-eenacters, maar ze weten toch meestal heel goed het “zielespel-zijn-willende-tooneel-in-de-stad” te vervangen.
In een driemaal te wijde Chineesche zijden broek zit ik voor mijn hut.——
Een grootmoeder kruipt op handen en voeten eerbiedig om mij heen———zoekt versch betelnootkauwsel.——
Haar kleinzoon speelt op een grashalmfluit een mager wijsje: “ti-toe-ti—ti-toe-ti—telkens weer ti-toe-ti———.”
Anders niets————————! ——dan laat hij mij zien, dat je op deze fluit ook door een—neusgat kunt blazen——!
Toen ik alweer bijna een jaar in Europa terug was, kreeg ik het volgende briefje van Aris in het Maleisch, maar met Latijnsche letters geschreven, zoodat ik het zelf, hoewel met wat moeite, lezen kon:
Op Siameeschen bodem den .... November 19....
Goeden dag, o Heer, en wees gegroet door uw trouwen dienaar Aris.
Heer,
Zoojuist, toen uw brief in het land Siam aankwam, regende het wat minder dan eerst, maar de prijs van de ongepelde rijst is toch wat lager dan vroeger, omdat de Groote Koning van Siam niet meer veroorlooft, dat de rijst van het land Siam naar andere landen uitgevoerd wordt, en ik, uw dienaar, o heer, heb dit jaar den tijd gebruikt om mijn rijstvelden in orde te maken, en ik heb wee span ossen gekocht en een nieuw huis gekocht, en daar ik, uw dienaar, hoop, dat gij, heer, op Siameeschen grond terugkomt, ben ik niet in iemands dienst getreden.
Niet waar, heer, gij zult zeker terugkomen, en ik heb er op gewacht, want gij zijt goed, heer, en ik herinner mij en vereer steeds de wijsheid van mijn heer, die reeds vleesch en bloed wordt in uw dienaar.
Een andere blanke heeft mij, uw dienaar, reeds geroepen en bevolen, hem uw geheimen en vondsten in het oerwoud te verraden. Hij zal mij hetzelfde loon geven als gij, maar ik wil het niet, want ik wacht tot gij, o heer, terugkomt, en wijl uw hulp tegenover mij, uw dienaar, zoo goed was, en ik u dit nooit kan vergelden, hoop ik, dat Allah, God de Heer, u geluk zal geven, dat groot is, gelijk hij het mij gaf van toen ik nog geen vrouw had tot nu, dat ik een vrouw bezit en rijstvelden en een eigen huis,
en misschien drie of vier maanden na dezen brief zal ik een zoon hebben.
Vaarwel en wees gegroet door
Wonderlijk natuurlijke vrouwen zijn er onder deze bruine menschen. Zij zijn als levend geworden droomgestalten met het ovale gezichtje in het kort geknipte haar. En die zachte, zachte armen.——
Zij neemt eieren uit een kistje en legt ze in een draagmand.—
“Toean, makan!”—
“Ja!”
Die ronde, bruine schouders———!
In Nai Sih’s winkel zit ik tusschen knapen en oude lieden, en voor de deur, maar drie pas ver, neemt Noe Kiang eieren uit een kistje en legt ze in een draagmand.
Het eene ei na het andere. Hoe “veel tijd over hebbend,” statig en gracieus, hoe rhythmisch—in volmaakte schoonheid. Of ze het vermoedt, dat ik haar arm bijna opeet———?
“Toean, makan!”
“Ja, ja Holloeki, wacht even———er zijn nog minstens———honderd eieren in het kistje——!”
Op de maan wachtend zit ik voor mijn bamboehuisje. Weer is een heete, klare dag voorbij.
Het kleine dorpje, geheel in de tuinen liggend, schijnt te slapen. In den flakkerenden schijn van smeulende vuren drukken de huisjes zich in den grond. De nacht steunt er zwaar bovenop. Warrige hoopen van kokos- en betelpalmen staan zwart voor den sterrenhemel.
De palmen over het dorpje zijn het zinnebeeld van al de menschenlevens daarin, sierlijk gegroeide gelukkige naast kromme. Deze, door den wind ontredderd, draagt een woest gorgonenhoofd, en gene is, niettegenstaande de stormen die over hem heen gingen, in de kalme hoogten van een rustigen ouden dag gegroeid. Een bizonder slanke werd door het lot vroegtijdig het hoofd afgerukt. Arme schoone!
Ik wacht heel rustig, in den aanblik van den avond verzonken. Glimwormpjes fonkelen in de warme lucht hier en daar op, sprongsgewijze, gelijk mooie gedachten in middagdroomen opduiken. Een vleermuis fladdert hoekig rond. Hoek, hoek roept een dier in de verte en aarzelend wordt ’t lichter.——
Daar ijlt uit het slanke bamboe een donkere gestalte op mij toe, en in zilveren glans stijgt de maan boven de palmen uit.
“Noe Kiang——————?!”
“——————————Toean!”
De eerste maal, dat ik Noe Kiang zag, wandelde ze juist op haar grootmoeder heen en weer—werkelijk.
Het oudje lag uitgestrekt in Nai Sih’s huis en Noe Kiang wandelde met bloote voeten, zich met de handen aan den wand in evenwicht houdend, van de teenen af langzaam en met volharding, stap voor stap de magere beenen van de grootmoeder op, trad haar met voorzichtige zorgvuldigheid op de maag, op de verwelkte borsten, en stapte omhoog naar den hals.—Toen ik mij, ten zeerste verwonderd over het doen van het mooie meisje, naar de beteekenis van de seance informeerde, luidde het antwoord: Grootmoeder kwam vandaag van diep uit het oerwoud. Ze heeft veel geloopen en heeft spierpijn. Noe Kiang masseert haar met haar voeten. Noe Kiang is de liefste meisjesnaam, die ik in Siam tegenkwam. Noe beteekent: “Muis.” Kiang beteekent: “Langs den wand sluipen.”
Wat hier het mooiste is?
Het woud met zijn orchideeën en varenplantwonderen?
Of deze bruine jongens met hun stralende oogen, als zij met zijïge poezen in de zon spelen, naakt, zoodat hun zilveren voet- en armspangen glinsteren en glanzen——?
De door den storm gebogen kokospalmen aan het strand van de zee?
Het kostelijkste is, als Noe Kiang “ja” zegt.
Dit Maleische “Ja!” Deze eenige klank, die aan de taal van het vaderland herinnert. Dat witte woordje in den mond eener bruine vrouw. En hoe ze het uitspreekt! Hoeveel open trouwhartigheid, welk een wereld van gevoel weet Noe Kiang erin te leggen, zoodat ik het elken keer weer opmerk, mij opnieuw verbazen moet, dat aldoor weer nieuwe verwachtingen in mij ontwaken, hoewel in den diepsten grond van mijn hart een zachte stem probeert te klagen: bij bruine vrouwen moet je niet het laatste willen zoeken—!
Noek! Noek! vandaag vieren wij blanken een feest! Wil je mij helpen den heelen dag lang rond te luieren en heelemaal niet te werken—?
“Toean!”—
“Noe Kiang, wat glanzen je witte tandjes lief!”
“O, Toean!”—
“———als sneeuw———!”
“Noe Kiang———!”—
“Toean———! Wat zeg je, toean———?”
“Men zegt, dat Noe Kiang naar Kedah wil gaan———om te———trouwen———!”—
“Ja, toean, dat is waar!”—
PAUZE
“Toean——Wil jij je niet voorgoed in het land Siam vestigen——? Wil je hier geen vrouw nemen——? Zou je geen zoon willen—? Toean——! wil je of wil je niet———?”—
“Ik kan niet willen——Noe Kiang———ik moet———naar Europa terug!”—
PAUZE
“Noe Kiang, wanneer wil je naar Kedah gaan?”—
“Ik wil heelemaal niet naar Kedah!”—
PAUZE.
“Toean, als je naar Europa terug wilt gaan, dan wil ik naar Kedah. Als je niet naar Europa terug gaat———dan gaat Noe Kiang niet naar Kedah——! Toean, wil je of wil je niet——?”—
PAUZE
“O, Noe Kiang———de toean kan niet willen, ik moet———terugkeeren naar mijn vaderland———”—
————toen ik mij vandaag nog wat in de lauwe avondlucht wilde verkwikken, kwam ik Ah Tsaoe tegen, mijn vroegeren voorarbeider, dien ik in langen tijd niet gezien had——
“Tsjeng Noei zendt den toean haar groeten—!”
“Tsjeng Noei—ik kan mij dien naam niet herinneren———!”—
“Tsjeng Noei———zoo heet Noe Kiang nu! Zij is kort geleden naar Kedah verhuisd als de vrouw van een rijken Chinees. Ik heb haar in Hohkien-Chineesche kleederdracht, met gouden pijlen in het haar gezien, en ze hoopt spoedig moeder van een Chineesje te worden——!”
De zon was in stralenden gloed achter de oerwouden verzonken, en de avond begon de wijde wildernis met zijn blauwe schaduwen te omvangen, toen wij de woning van een zonderlingen heilige bereikten.
Aris kende Priester Niang nog van vroeger. Het was mij ’s ochtends al opgevallen, dat mijn Maleier giechelend bij een paar Chineezen naar ons nachtkwartier geïnformeerd had en ik wist, Aris’ gezicht langzamerhand tot in het laatste vouwtje kennend, dat er iets merkwaardigs ging gebeuren.
Wederom waren we sinds weken onderweg, trokken van het eene dorpje naar het andere, van de eene Siameesche hut naar de volgende en zwierven door het land gelijk vagebonden.
Nu was ik blij verrast, een goed getimmerd huis te vinden, dat er proper uitzag en vriendelijk en gastvrij midden in een vruchtentuin lag.
Niang, de priester, was een man met een hooge Noord-Indische gestalte, met een ronden kaal geschoren schedel, waaruit een paar verstandige oogen keken, die aanhoudend schenen te willen zeggen: Denk er aan, wij zijn uit een andere wereld!
Onder het huis lag een kwade zwarte hond aan den ketting en twee vrouwen vlochten daar een mat. De eene, dacht ik, is waarschijnlijk Niang’s zuster, de andere ook een familielid.
“Aris, deze priester heeft het goed, de vrouwen zorgen voor hem en hij kan zich schitterend aan zijn hoog beroep, het “niet-anders-doen-dan-denken,” wijden.”
Doch Aris lachte terug: “Veel erger, dit zijn allebei werkelijk Niang’s vrouwen! ’s Ochtends drijft hij de buffels in het veld, ’s avonds haalt hij ze terug, anders doet hij niets, en zijn loon zijn deze twee stille, werkzame vrouwen met heur hertenoogen.”
Ik trok mij vroeg in mijn klamboe terug, die Holloeki binnen in het huis had opgehangen. Ik hield er van, daar ’s avonds in te liggen. Zooals alle sluiers, had ook deze de goede eigenschap, dat men, zelf bijna ongezien, de dingen er buiten des te rustiger kon bekijken. En tot zonderlinge beschouwingen noodigde het muskietennet mij altijd uit, zoolang ik in Siam reisde. Op dien avond hield mij de priester bezig, die tegen de voorschriften van zijn godsdienst scheen te leven.
Een onrustige nieuwsgierigheid plaagde mij: Waar zal hij slapen? Zijn dit werkelijk zijn vrouwen? Waarom hebben de Chineezen vanmorgen gelachen, toen Aris met hen sprak?
En ik kon het gevoel niet van mij afzetten, dat daar iets zeer gewichtigs aan het gebeuren was, dat deze magere bruine met zijn valen schedel en de als naar binnen toe levende oogen een ontwakende god moest zijn, die, de zede-voorschriften der oude religie wegwerpend, zijn eigen wijze had gevonden om zalig te worden. En in het schemerlicht werd de houten hut voor mij tot den, een nieuwen geest gewijden en van de diepste ontroeringen die het menschdom kent, doorbeefden tempel.—
Daarna vergat ik weer alles wat mij door den geest gegaan was; in tijden van zwerftochten worden mijn gedachten ongehoorzaam en dwalend en hebben moeite om in den eenmaal gevormden kring te blijven.
———later hield mij een eentonig-prevelend gerucht wakker, Niang bad nu met zijn vrouwen bij den flakkerenden schijn van een gebrekkig kokosolievlammetje.
Naderhand ging de eene na de andere, schuw en gebukt langs mij heen sluipend, in de kamer vlak naast mijn bed en na een poosje waarin niets gebeurde en het mij was alsof de tijd stil stond, blies de priester het licht uit en trok zich ook in het vertrek——bij de vrouwen terug.——
Weer omgaf mij heel de tooverwereld van een tropischen nacht in een huis in de wildernis. Klein gedierte liet zijn jachtkreet weerklinken, het zoemde rondom mij, terwijl ik lang half te waken en half te droomen lag, vergeefs wachtend op gezonden slaap. Zwaar en dik broeide de lucht in het kleine vertrek, bijna om ziek te worden. Door het kleine getraliede venstertje drong een afglans van buiten naar binnen, waar nu in het volle licht der maan de wereld prachtig lag uitgespreid.
Mij plaagden duizend vlugge gedachten en koortsachtig voelde ik mij in de hand van het leven; het kookte angstig in mijn bloed: de vraag naar het doel en de reden van het bestaan, en morgen zou de dag weer heet zijn, en deze gelukkige bruine daar in de kamer, en———.
“Zeg, Aris!” riep ik opeens naar de veranda, “de goeie God is onrechtvaardig! Waarvoor is dàt nu weer goed: dien kerel geeft hij twee vrouwen en hij is nog wel een Boeddhistisch priester en heeft op geen enkele het recht; en ik, blanke, die toch stellig een veel beter mensch ben, mag toekijken!”
Aris troostte mij door den wand terug:
“Ja, toean; ’t is werkelijk krankzinnig!” en na een poosje ging hij voort: “Zoo zijn de Siameezen! Er zijn er wel die tien en meer vrouwen bezitten——!”
Bij deze op minachtenden toon geuite woorden hoorde ik hem nog lang in de duisternis rondspoken, en het was mij alsof ik nu in het licht der maan op zijn gezicht de plechtig-godvruchtige overtuiging las, toen hij voortpredikte:
“Toean, dan zijn wij Maleiers toch betere menschen. Onze Allah, onze Mohammedaansche godsdienst, de Islam veroorlooft ons niet meer dan———vier vrouwen te hebben———niet meer dan vier———!”
Na een poosje, waarin ik ernstig over de wijsheid van den godsdienst, die in mijn vaderland gebruikelijk is, had nagedacht, riep ik Aris weer toe:
“Onze blanke Allah is toch ook niet kwaad. Hij zegt in de Heilige Schrift: Zoo iemand twee van iets heeft, twee stuks, twee exemplaren——dan moet hij daarvan een afstaan aan dengene die niets heeft——!”
Aris begreep het dadelijk:
“Toean, jullie God is volkomen!”
De nacht lag in het venstertje als een melkvlek, zooals het lichte oog van een betere toekomst door de zwartheid der ellende straalt. Rusteloos woelde ik onder mijn net. Dwang hield mij destijds vast, zware arbeid onder de zon, karig brood.——
Soms liet een der mannen buiten een steunend geluid hooren. Aris praatte vreemdsoortig in zijn slaap, als uit een vreemde wereld sprekend, als een dier dat van de maan droomt.
Eindelijk, lang na middernacht, kwam de slaap over mij, weldadig en verrustigend, en de wederwaardigheden van mijn leven verdwenen, gleden uit mijn denkvermogen weg, zacht en stil, zonder dat ik wist waarheen.——
“Vier vrouwen, niet meer dan vier,” wervelde het nog door mijn brein, heel vaag maar, zonder dat ik in staat was iets duidelijks te denken; ik voelde mij opgeheven, als zwevend, als vliegend in de zon.——
En toen begon zich voor mijn oogen, als uit een nevelmuur zich losmakend en langzaam en onmerkbaar nader tredend en al duidelijker gestalte aannemend, een vreemdsoortig beeld te verheffen, en de nevel nam vorm aan, een dicht heen-en-weer-gegolf van witte wollige veeren van den heiligen reiger ontstond eruit, en midden uit deze weeke donzige omlijsting glimlachte mij een gezicht toe: Net een leuke grootvader. Een gezellige oude heer. Witte rijp van levenservaring boven zijn voorhoofd, een, die meesmuilend zeggen kan (maar dit nooit werkelijk doet): ik heb het leven overwonnen, het heeft mij nooit heelemaal verslagen———de wereld is toch goed!
“God———!?!” voelde ik vaag.
Half ontwakend hoorde ik hoe Aris de maan toeblafte. Een koele windstoot kwam van het venster. Een of ander klein dier door een bleek-phosphoresceerende lichtstreep verschrikt, ritselde heen. Toen draaide een slapende op de veranda zijn vermoeide lichaam zoo zwaar om, dat het heele huis ervan beefde.
In de kamer van den priester, dacht ik, liggen nu in eenen God vereend, drie menschenlichamen———misschien houdt de maan de wacht.——
Maar daar stond alweer die oude heer voor mij en zijn gezicht glimlachte mild, toen hij zei: “Jij hebt vermetel over godsdiensten gepraat———!
Hierbij waren zijn goedige oogen liefdevol op mij gevestigd en ik weet niet hoe het kwam, ik voelde, dat het makkelijk was vertrouwen in dezen grijsaard te hebben. En zonder dat ik bij machte was mijn gedachten tegen te houden, begon ik te klagen:
“O, waarom zijt ge zoo gierig tegen mij en laat mij heelemaal zonder vrouwen?”
En het vreemde denkbeeld van het viervoudige wezen der vrouw kwam in mij op, toen ik hem haastig en een beetje onbedachtzaam smeekte:
“Goede man, ik zou ook vier vrouwen willen hebben———”
“Een eerste, die ik elken dag anders zou kleeden; vandaag in het rood, morgen in gele en blauwe zijde, maar meestal zou ik haar in het eenvoudige voorname zwart der Chineesche gewaden kleeden———!”
“Een andere”, ging ik voort, “zou ik willen hebben om—uit te kleeden———!”
Bij dezen onbezonnen geuiten wensch voelde ik iets als berouw en een onbehaaglijk gevoel voor den ouden heer, die voor mij toch tenslotte nog nieuw en geheel onbekend was en daarom voegde ik er ter mijner geruststelling en om hem in te lichten haastig aan toe (weliswaar half ongelegen en verstoord):
“Ik ben namelijk een bewonderaar van al het schoone. Vrouwen zijn er vóór alles om zoo mooi mogelijk te zijn. Misschien is dat alles!” En toen maakte ik het kort:
“Als ge nog een derde voor mij zoudt weten, die voor mij spreekt, zoodat ik mij ongestoord aan mijn gedachten kan overgeven, en een vierde, die geduldig en zwijgend naar mij luistert en al mijn verlangens en klachten in zich opneemt, gelijk de zee het water der groote rivieren opneemt, dan———zou ik misschien tevreden zijn.”
Toen verdween het beeld weer en ik zonk in vergetelheid, in verlangenloosheid, niets meer voelend,—zooals het in den dood moet zijn. Ik weet niet hoe lang ik zoo heb gelegen.—
Maar opeens rees weer de nevelmuur voor mij op en beefde en borrelde en de veeren van den witten reiger teekenden zich helderder en duidelijker af, en vlugger, dan ik dorst te hopen, stond weer de vriendelijke oude heer voor mij:
“Hier, wat denk je van deze vrouw———?” en———reeds zat ik tegenover haar, op rijk geborduurde kleeden, groene kussens in den rug, terwijl groen licht sterk van alle kanten aanvloeide.—De mooie vrouw zag mij nieuwsgierig aan, met heldere oogen, die in een ovaal gezichtje van de gelijkmatigheid van een marmeren beeld zaten. Haar handen en voeten waren zoo smal en tenger als fijne rotangtwijgjes en goudig als honing. Ze droeg niets dan een sarong, die met een Maleischen knoop over haar jonge borsten was dichtgemaakt, ook zij groen, met vlammende zwarte arabesken beschilderd, en citroengele bloemen en vogeltjes waren over den doek heengestrooid met heel de fijnheid der Oostersche kunst.
En nog iets zag ik, iets vreemds: vlak achter haar stond (het is zoo moeilijk zich geheel van Westersche begrippen los te maken) een dikbuikige gele reiskoffer, en de witharige heer zei slim, dat hij daarin maar meteen de meest verschillende kostbare gewaden voor de schoone vrouw had meegebracht, en dat ik het hem maar niet kwalijk moest nemen, wanneer de tweede niet kwam,——deze hier was voor alles geschikt.——
En waarlijk, ik ontdekte nu op een der slippen, waarmee de zijden sarong over haar borst bevestigd was, in duidelijk leesbare letters: “Trekken, asjeblieft!”
Dat leek naar Europeesch-Westersche begrippen werkelijk overweldigend.
Ik was al bijna op het punt, den mij vreeselijk lijkenden knoop los te maken, toen ik mij op het laatste oogenblik bedacht: “Ai, ai, wat zal daaruit worden——en daarom in alle bescheidenheid, maar toch met een diepen zucht besloot: “Dat zal ik maar laten!”
Toch bedankte ik den grijsaard vriendelijk voor zijn attentie.
Bij al deze wonderlijke gebeurtenissen (ik was zoo verbaasd, als nooit te voren in mijn leven) bekroop mij al stelliger het gevoel: Nu ben je stellig gestorven——! Zoo geheel naar wensch, en volgens het programma en zonder onaangenaamheden kan het toch stellig alleen maar in den hemel toegaan. En ik begon, mij snel in mijn nieuwe positie schikkend, te overleggen:
Daar ik in het paradijs waarschijnlijk voor eenigen tijd zal moeten verblijven, zou het misschien wel raadzaam zijn, goede voorzorgsmaatregelen te nemen en daarom vroeg ik haastig aan den ouden heer:
“Maar zeg, waar is nummer drie nu——— Ik vraag excuus voor deze uitdrukking——ik bedoel de vrouw, met wie ik een beetje verstandig kan babbelen..———”
Op deze vraag scheen de lieve heer juist gewacht te hebben, want hij viel mij in de rede:
“Weet je, voor die daar (en naar de veranda wijzend, waar Aris en de Siameezen lagen), voor deze kinderlijke menschen is dat goed genoeg. Vier vrouwen, voor mijn part tien. Zij zijn nog wankelmoedig-onbestendig, hun grillen en wenschen zijn nog zonder eenige richting, bijna ongedekt en gelijkend op die der dieren. Dieren hebben oppervlakkig lief. De liefde pakt en verlaat hen in een ommezien. Zij kunnen niet aan een enkele vrouw gebonden zijn en blijven.—
Maar voor jou, als blanke, heb ik iets anders bedacht.
En luister dan: Meer leven heb je achter je in den ketting van je dagen dan deze bruinen en deze mooie jonge vrouw, die heb ik zorgvuldig en alleen voor jou door honderdduizenden vroegere levens heengeleid.
Gedurende honderd millioen jaren heb ik de goede zede in haar gecultiveerd, had zij niets anders te doen dan zich te leeren kleeden, zoo natuurlijk en mooi als de rozen in den tuin, als de lotosbloemen in den vijver van het paradijs openbloeien——
Door honderd levens maakte zij zich vertrouwd met de hooge gedachte, den knoop van haar sarong alleen voor jou los te maken.——
En gedurende de andere millioenen jaren heeft ze zich in het lezen der zielen geoefend, leerde ze woorden afwegen; en nu is ze heerlijk volgroeid en volleerd en zal net zoo spreken en zwijgen als jij, en jullie zult met je tweeën één taal zijn en één gedachte.———”
Bij deze profetische woorden werd het mij stralend en blij te moede (zoo iets was mij volkomen nieuw) en ik dacht alleen met iets van een duizel in het hoofd: laat ik toch maar in alle geval opletten!
Toen begon ik te vertellen; haar, die in groen en in geel en in zwart vlak naast mij zat, haar, de schoone met het zuivergelijnde gezicht lei ik in afgeronde beelden de beteekenis van het leven uit.
Haar oogen waren die van een kind; heel, heel klaar, gelijk het water van een bergmeer; en elk woord, dat ze sprak, woelde zich los uit den grond van haar hart en was blij en omlijnd en vol vorm als edel kristal. En ze zag mij aan, al mijn gedachten van mijn lippen aflezend en soms ging zij, een half aangevangen zin van mijn tong overnemend, voort, en al wat mijn ontroerde ziel probeerde uit te spreken aan diepe gevoelens, werd in haar mond als door mij gedacht en door haar veredeld tot gedichten.
Ik zweefde in een zee van licht, zonder herinnering aan tijd en aarde, en al mijn verlangens waren van mij afgevallen, hadden allen invloed en alle macht over mij verloren!—
Toen nam de oude heer, die zich gedurende ons gesprek vriendelijk in zijn donzen wolk teruggetrokken had, weer menschelijke vormen aan, maar dezen keer was de zachte, vertrouwen inboezemende glimlach uit zijn gezicht verdwenen:
“Luister!” zei hij ernstig, “deze vrouw, die je bevalt, die je in geel en groen, in rood en in blauw wenscht te kleeden, deze vrouw, met wie je verstandig kunt redeneeren, en in wier ziel jouw woorden tot gedichten worden———verneem———Zij wil je toebehooren en de jouwe worden. Gedurende de zevenhonderd levens, die zij als heilige boom in het tempelwoud van Bang Pla doorbracht, als witte duif in Wat Tsjeng, als reiger aan zee, in het oerwoud, in de bergen en in de open steppe———gedurende al deze lange tijden heeft zij den moed en de wijsheid verzameld om je zonder vrees toe te behooren, en nu is ze bereid, jouw leven in haar leven op te nemen.
Leg het in haar hand! Zij weet, dat het een menschenleven is. Vertel! Zij zal begrijpen.
Wees moedig! zei de oude man, de witte rijp der levenservaring op zijn voorhoofd, en met een stralenden blik, waarin de kracht lag, over millioenen van jaren en levens en lotsbepalingen heen te zien, alles te verklaren en nooit te verzaken.——
En de donzen veeren van den heiligen reiger groeiden weer voller, en de schoone vrouw met de glanzende oogen zat weer voor mij, dezen keer in elegante zwarte nauw-sluitende Chineesche kleeding, en haar smal gezicht was overwaasd met een teeder rood van brandend verlangen:
“O, vertel me toch,” zei ze, “en de toekomst gaat voor je open, zoo heerlijk, alsof de zon in den ochtend over de onmetelijkheid der wouden opgaat—.”
Maar midden in haar geestvervoering zweeg ze opeens, scheen aan iets heel vers te denken en vroeg mij plots vol deelname: “Waarom, arme man, ben je in den hemel pas tot een vrouw gekomen———?!”
Nu voer het opnieuw door mij heen, dat ik nu in het paradijs moest zijn, en van een duizelingwekkende hoogte zag ik opeens mijzelf, kruipend, op de oude morsige aarde maar eigenlijk kroop ik niet, en de modder zag er van hier niet meer als modder uit. De honderdduizend draden van het al kruisten door elkaar heen; van alle kanten aankomend liepen ze op mij, menschje van de aarde, toe, onbarmhartig trekkend en rukkend, zoodat ik onwillekeurig dacht:
“Het is jammer dat het leven——
———dat het leven zoo vreeselijk is!” klonk het voltooiend van haar lippen.
Toen wist ik eensklaps, dat de mooie vrouw waarlijk mijn hemelsche vrouw was en haar vraag schoot mij weer te binnen: “Waarom, arme man, ben je in den hemel pas tot een vrouw gekomen———?”
En vlug een cigaret aanstekend (om het gevoel van onbehaaglijkheid dat mij bekroop te verbergen) kwam ik eindelijk dapper en luid met mijn bekentenis voor den dag:
“Omdat op aarde de goede vrouwen te goed en de slechte te slecht voor mij waren——! Het leven op aarde is een buiteling, een jammerklacht, een valsch gejubel in het beste geval———!”
Nu zagen haar klare oogen mij lang aan, en vol medelijden, en bijna, alsof ze bang waren, nog meer van beneden te vernemen; maar ten langen laatste zei deze heerlijke vrouw toch vol overtuiging: “Ik vrees niets!” zoodat ik haar bijna geloofde.
Maar er was een gevoel in mij dat sterker was, een wurgend, drukkend gevoel van angst———“ik———ben———nog———niet———klaar met spreken———!”
“Daar beneden jong geweest te zijn, wil zeggen, lasten te dragen. Wel ken ik nu eindelijk de laatste vragen, om met mijn wereldbeschouwing het ware doel te bereiken en misschien eindelijk zalig naar het eeuwige vaderland in hemelsche harmonie op te gaan, maar———welke aan mij verwante, schoone ziel zou niet ————————————
Neen, neen, juist daarom, omdat jij, heerlijke vrouw,
Door de wereldsche beschikking als gelijkwaardige mij geschonken werd——
Juist daarom zul je nooit meer voor mij mogen worden,
Juist daarom———ben je ook———te goed———!”
————————————
De lange wimpers overschaduwden haar glanzende oogen, toen de mooie vrouw in diepe treurnis en zeer plechtig verklaarde:
“Ik ben niet meer bang voor je. Het leven daar beneden op de aarde is voor hen, die zelf daar zijn, niet te doorgronden. Niet wat er aan glans en geluk en zichtbare daden daar gebeurt, wordt hier in den hemel afgemeten; niet datgene, wat iemand doet en is en schijnt, helpt zijn ziel in de eeuwigheden——zielen zijn veel hoogere wezens, zijn———eeuwig onkwetsbaar of nooit geweest——. Laat mij hier in den hemel je aardsche lasten dragen———jij moet nu zingen———en denk niet, dat het voor mij te zwaar wordt———— ———————————— Bij deze heerlijke woorden ontdekte ik pas voor den eersten keer, wat voor iets kostelijks de vrouwen zijn. Maar het was een beetje laat geworden met deze ontdekking, erg laat.
Zonder dat ik bij machte was het te verhinderen, verloor ik de mooie vrouw in de groene sarong en met het ovale marmeren gezicht uit het oog.
Al strekte ik ook nog zoo smeekend mijn armen naar haar uit——
Zooals op een doffen dag de uren ongebruikt vergaan, gleed zij heen; niets dan de veeren van den witten reiger bleven nog een poosje achter, toen losten ook deze zich op, eerst in nevelen en toen zacht verfladderend grijs in grijs———en afgemat en bedrukt en hopeloos stond ik plots voor een nieuwen, nuchteren ochtend op aarde.
Met smeulende onrust in het hart, rende ik voort achter de dragers aan, door de dorre oerwouden, op ongebaande wegen, over heg en steg; en de gloeiende zon broeide onbarmhartig over den dag. Alleen Aris bleef sterk en goed gestemd. Voortdurend gaf hij beschrijvingen ten beste (voor mijn opvoeding bedoelde hij!) “Beelden uit het leven van een anderen blanke in het naakte land”, bij wien hij vroeger gediend had. Zijn woorden tooverden een keurigen bungalow voor mijn verblinde oogen, het huis van den anderen toean, midden in een zwerm kleine bamboehutten die als kippetjes om een haan heen draaiden. En tientallen beeldschoone vrouwen van alle rassen drentelden daar tusschen door———.
Toen viel ik heftig uit: “Zwijg!” wat Aris maar niet kon begrijpen!