Welke schatten zijn er niet van ons naar Amerika gegaan, waar woest liggende gronden, zoo als wij er bij duizende bundertallen in alle Provinciën verwaarloosd hebben liggen, mede zijn ontgonnen,—en ten slotte wenden de Staten bankbreuk voor, terwijl de ingezetenen aldaar in voorspoed leven, en die zelfde Staten weigerachtig blijven, om hunne onderdanen ook maar eene matige belasting op te leggen, om ons onze gelden te rembourseren? Daarhenen vloeiden onze schatten, die ons nimmer terug betaald zullen worden, om kanalen en middelen van vervoer daar te stellen, terwijl wij zulke kanalen bleven ontberen.

Daarheen vloeit ons geld in bank-actiën, waarvan men de instelling hier te lande afkeurt; en nog zijn wij door schade niet wijzer, terwijl het ons aan geld blijft ontbreken, om, midden in ons rijk, kanalen te graven, om indijkingen te bewerkstelligen, verveeningen te doen, polders droog te maken, landerijen te verbeteren, veestapels aan te kweeken, hooi en bemesting te verkrijgen en heidegronden te ontginnen, welke evenveel waarde zouden hebben als de Amerikaansche, maar waarbij de ingezetenen niet onder zoo vele en zoo zware lasten gebukt gaan.

Er is geen geld, zegt een prolongant, terwijl hij eenige honderde in prolongatie genomen Portugesche obligatiën natelt; waarborgen op de goede trouw van het Portugesche gouvernement, waarvan wij onlangs nog een schoon blijk hebben gezien, door maar met eene pennestreek 20% van de geconditioneerde rente af te houden. Zijn die Portugezen een betere waarborg, dan de uit de Zuiderzee te herrijzen grond, welke aan dagloonen enz., door den eigen landgenoot, den broeder en vriend verdiend, slechts ƒ 300 tot ƒ 350 per bunder zal kosten, en die ƒ 1000 en welligt aanzienlijk meerdere waarde verkrijgen kan, terwijl de interest door de verpachtingen gewaarborgd wordt en blijft?

Leveren de effecten van Spanje, sedert jaren renteloos, met hunne, naar fijn berekende agiotage, nu eens brave Ministers op het papier hebbende dan eens weder verontrustende tijdingen, om op de ligtgeloovigheid en vreesachtigheid der Amsterdammers te speculeren,—leveren die Spaansche, of welke andere effecten ook, meerdere innerlijke waarde op, dan een ingedijkt bunder eigen land? Wilde het Gouvernement ons maar bevrijden van lastige en kostbare formaliteiten, zoo van registratie als hypotheken en die omtrent de onteigening, daar door 's Rijks administratief tijdroovend onderzoek en deszelfs bemoeijingen, dikwerf de beste plannen tot ontginningen en indijkingen aan banden worden gelegd. Wij zwijgen nog van de voorwaarden, om zich voor zee en water vooruit te laten betalen, wanneer somwijlen de kansen op welslagen nog door onvoorziene evenementen van storm en hooge vloeden twijfelachtig worden, de wezentlijke bedoelingen der wet (van den zesden Junij 1840) tot aanmoediging door haar werkeloos gemaakt wordt, en een Minister het zich bij de kamer en de natie, als een verdienste aanrekent, den lande eenige duizende guldens bevoordeeld te hebben. Bij deze wet wilde men het indijken aanmoedigen; er is in die wet hoegenaamd geene sprake van, om aan het Rijk vooraf het uit te malen water te betalen, dat haar jaarlijks schatten voor de beteugeling kost, terwijl bovendien door den aanleg van nieuwe dijken, het in stand houden der ouden, met de daaraan verbondene kosten, wordt overbodig gemaakt.

Z. M. Koning Willem I maakte eene wet, waarvan de bedoeling goed was, doch de gevolgen allerschadelijkst waren. Z. M. wilde vreemde geldleeningen weren, omdat hij inzag, dat het geld, in eigene ondernemingen gestoken, meer voordeel moest opleveren. Doch hij heeft door zijn bevelschrift het beleggen van gelden in vreemde fondsen niet geweerd, hij heeft slechts de groote voordeelen op die leeningen aan onze bankiers ontnomen, zoo als de provisiën op de negotiatiën en op de jaarlijksche rentebetalingen en den lande het voordeel van een matig zegelregt op elke obligatie,—dit alles ging door eene enkele pennestreek verloren,—en evenwel blijft de beurs overstroomd van vreemd papier.

Het bleek hieruit, dat de Regering, zoo als ook uit andere voorhanden zijnde daden blijkt, de behoefte van land en handel niet kende.

In stede van die verbodswet (een dood paard aan eenen boom gebonden!), had zij trapsgewijze, door meerdere handelsvrijheid, de ondernemingen moeten aanwakkeren.

Zoo smeedde de Minister VAN TETS eene wet, die den standaard van onze munt besnoeide; een fictieve bezuinigings-maatregel, waardoor de natie jaarlijks millioenen derft.

De Rus c. s. ontving van ons oude wigtige guldens voor zijne aangegane leeningen; maar zendt ons nu, door die ministeriële maatregel, daarvoor minder zilver, om guldens van mindere waarde te maken, om daarmede kapitaal af te lossen en rente te betalen.

Handelt het Russische, Oostenrijksche of Napolitaansche gouvernement loijaler, terwijl het de eene leening door de andere aflost, dan eigene ingezetenen, die geld zoeken, om een ontwerp ten uitvoer te brengen, dat algemeen nuttig en wenschelijk geacht wordt?

En thans, welke schromelijke gevolgen hebben wij niet te betreuren, die uit nuttige hervormingen in de staatsbesturen ontstaan.—Elke Staat is met grooter schuldenlast bezwaard, dan dat de ingezetenen er de interessen van zouden kunnen opbrengen.—Allerwege zal men zich wapenen, en allerwege ontbreekt het aan geld—geen wonder, dat de fondsen eene geweldige daling ondergaan, en er jaren zullen verloopen eer de geledene verliezen in de kapitalen, zich eeniger mate zullen kunnen herstellen—inmiddels zijn er vele tot den bedelstaf gebragt—die dobbelden om groote fortuinen; welke, waren zij aan nuttige bedrijvigheid gewoon geweest, hun vermogen niet aan onvoorziene evenementen prijs zouden gegeven hebben.

Met ons geld, dat door kansen op loterij-winsten tot rembours ons uit de handen gespeeld wordt, legt men in vreemde landen spoorwegen aan. Bij ons laat men voordeelige ondernemingen, zoo als gasverlichting enz. door vreemde exploiteren en dan de actiën voor schralen interest beleenen. Waarom heeft het wantrouwen in onze eigene ondernemingen de plaats van het vertrouwen ingenomen? Waar is die ondernemingsgeest, waarvan Amsterdam nog, in zijne paleizen, prachtige gebouwen en in zijne thans ongebruikt staande pakhuizen, voorraadschuren enz., als zoo vele Monumenten van deszelfs vroegere grootheid, de herinnering opwekt?

De geschiedenis heeft opgeteekend, dat CORNELIS HOUTMAN, Hollandsch koopman, in Lissabon om schulden gegijzeld werd. Hij schreef toen naar Amsterdam aan kooplieden: „Ik heb de sleutel naar de Oost-Indiën; zendt geld, om mij huiswaarts te doen keeren.” Heden ten dage zoude men op de ontvangst van zoodanig schrijven zeggen: is de kerel gek? Geld zenden, om hem uit het hok te halen, en nog als een plannenmaker daarenboven? Zoo dacht men vroeger niet.—Zijn wensch werd vervuld, en korten tijd daarna stevende HOUTMAN naar de Oost-Indiën, en baande den weg voor stoute en voorspoedige ondernemingen, welke ons gedurende eenige eeuwen verrijkten; er verliepen geene maanden, geene jaren, om te beraadslagen, en de eene zwarigheid voor en de andere na te opperen, waardoor de ontvlamde geest eindelijk wordt uitgedoofd;—goed ingezien en kort beraad! was de tijdleus van die dagen. Wij willen het ons evenwel niet ontveinzen; er bestaan hier en daar soms redenen voor wantrouwen en omzigtigheid. Zoowel hier als elders, heeft men nuttige ondernemingen voorgedragen, en het vertrouwen misbruikt, zich als directeuren en commissarissen opgeworpen, den buit onderling deelende, voordat nog de voordeelen aanwezig waren. Het nadeel, daardoor veroorzaakt, behalve het steeds klimmende wantrouwen, is, dat nuttige en groote ondernemingen onuitgevoerd blijven, en de oude ondernemingsgeest verflauwt en ontaardt.

Stelt men iets goeds voor, het is aanleiding tot een gesprek op de beurs, waar men toch maar uit gewoonte moet verschijnen; het is eene schoone gelegenheid, om een' ander in het koffijhuis, door het vertellen van het nieuws van den dag, eene partij domino te doen verliezen. Deze haalt er de schouders voor op; gene lacht er een ander om uit. Men houdt zich bij Russen!

Alles blijft bij het oude; doch de bewoner van een huis klage niet over ongemak van het oude huis, zoo hij niet de noodige herstellingen wil doen, om de oude gebreken op te ruimen.

Het blijft evenwel in alles niet bij het oude. In den tijd onzer voorvaderen, toen onze bloei en welvaart aanwakkerden, waren onze voorouders mannen, welke geringe bezwaren over het hoofd zagen, met moed en inspanning van krachten te werk gingen, en datgene verwezentlijkten, hetwelk wij nu nog bewonderen.

Wakkeren wij nu dien ingesluimerden geest weder op, dan zullen wij ook zaken kunnen volbrengen, welke de vreemdeling zal bewonderen, en die hem zullen beletten, met dien toon van minachting over ons te spreken, zoo als hij zich heden ten dage veroorlooft.

Zoo als in het dagelijksche leven met den mensch, gaat het ook met eenen Staat. Al ligt slaat een huisvader, die in verachterde omstandigheden verkeert, tot mismoedigheid over; het is of de lust tot werken bij hem verlamt. Dezelfde geest grijpt ook eenen achteruitgaanden en zinkenden Staat aan, en zulks vooral, wanneer de regeering, bij dien stand van zaken, de staatslasten niet alleen niet vermindert, maar vermeerdert en van stationair spreekt, hetwelk achteruitgang is; ja, van welvaart rept, wanneer de barometer (de accijnsen) steeds dalende blijft. Straalt er eenige hoop op herstel door, wie ziet dan niet de activiteit van den huisvader verdubbelen; ook zoo zal het met de gezamentlijke inwoners van den Staat gaan, en eene regering, die de impulsie daartoe niet gegeven heeft, volgt van zelven.

Menig jong mensch gaat van zijne renten leven, die op de school goed geleerd heeft, en in het ouderlijke huis, waarin vroeger gewerkt werd, maar thans de lessenaars verlaten staan, weelderig opgevoed is. Waaraan zal hij zich toewijden, terwijl hij in die jaren, waarin men den handel, even zoowel als een ambacht, leeren moet, niets daaraan gedaan heeft? Wantrouwend gemaakt, onttrekt hij ook het geld aan den eerlijken en ijverigen bediende, die ondervinding genoeg bezit, om door zijn beleid geld met geld te verdienen. Doch neen: hij wil rentenieren; hij houdt zijn kapitaal bijeen, maar blijft voortleven in dien rang en staat, waarin hij opgevoed is; hij huwt, en krijgt een groot huisgezin met kinderen. Doch nu veranderen de zaken! Hij wordt het ongeluk dier kinderen, daar ook zij dezelfde zorgvuldige en weelderige opvoeding ontvangen, dezelfde behoeften hebben leeren kennen, en nu zich niet kunnen verminderen. Het ouderlijk vermogen wordt verdeeld, en het ongeluk is daar! Zijn er dan familie-betrekkingen, zoo is er nog hoop op eenen post; doch—reeds is het getal van postenbejagers legio!

Gene onttrekt zich, uit gebrek aan kennis van handel, van schei- en werktuigkunde, aan het maatschappelijk leven, en koopt duur, zonder vooruitzigt op winst bij den verkoop, grond en boerderij, waarop de boer, zelf ploegende en zwoegende, zijn bestaan heeft, levende als boer, met de kennis van eenen boer toegerust—en dáárop zal een heer, met de mindere verdiensten van eenen boer, die zelf zonder huurlingen werkt, als heer leven! Men studeert, men leert en bevlijtigt zich, het voorbeeld van andere natiën te volgen, en men vindt een' wederstrevenden landbouwer, die niets goedkeurt, hetwelk zijne voorouders niet deden, en zoo komt men niet verder. Men beroept zich op landhuishoudkundige boeken, maar het is theorie zonder praktijk; terwijl de nuttige wenken, in die boeken vervat, door deskundigen moeten worden toegepast en opgevolgd. Men kiest kiezelmerg, kalk en guano, waar men den grond en de melleringen niet kent, en deze meststoffen, duur aangekocht, blijven zonder uitwerking. Alvorens door ondervinding van jaren ingelicht te zijn, heeft men reeds een afkeer van de zaken gekregen, en aanmerkelijk ingeboerd en ingeteerd. (Ontginningen in het groot aangelegd, keuren wij daarom evenwel niet af.)

Ziedaar nu den gang van zaken met onzen vroegeren Amsterdamschen handelaar; terwijl, goed ingezien, voor hem alles moest medewerken, om zich weder uit den verachterden stand van zaken op te heffen, daar die anders in meer verval moeten geraken, zoo als de omstandigheden reeds aanduiden. Want de stad Amsterdam ligt van de zee afgescheiden, en het is genoegzaam alleen de Oost en eigene behoeften, die aan hare bevolking, daardoor veel te groot, onderhoud verschaft. Laat Amsterdam het beseffen, of eigen behoud haar niet dwingt, om het zeekanaal daar te stellen, al lagen er in het IJ geene gronden, waardoor de kosten van dat kanaal goedgemaakt zullen worden?

Rotterdam en Dordrecht bloeijen door transito, en uitvoer naar elders, van inlandsche producten. Wat in de rigting van Amsterdam moest vloeijen, vloeit daarheen, om hare gemakkelijke water-gemeenschap met Engeland. Wat Noord-Holland naar Amsterdam voeren moest, gaat naar het Nieuwe Diep. Wat Deventer, Kampen en Zwol haar anders uit Overijssel en Gelderland toevoerden, wordt nu door eigene reederijen, wel nog gebrekkig, maar steeds verbeterend, vervoerd. Niet dat wij der kleine havens en steden den buitenlandschen handel willen onttrekken; maar datgene wat, het kanaal daar zijnde, aan Amsterdam zoude toevloeijen, wordt Amsterdam nu onttrokken.

Het zijn ook de belangrijke steden, dorpen en vlekken, die te Amsterdam moeten markten; waar Amsterdam het vertier voor openen moet; welk vertier ontstaan zal uit directe gemeenschap, door het kanaal, over zee met andere volken.

Geld moet er gevonden worden!—en gelukkig voor de welvaart van de stad, dat het gevonden kan worden, terwijl de bodem van het IJ den grond voor de hypotheek aanbiedt. Men mag de stad vergelijken bij een huis; het huis wordt door gebrek aan herstellingen al meer en meer onbewoonbaar; de eigenaar, van deszelfs inkomen levende, moet, wil hij daarvoor huurders vinden, laten repareren;—en wien is het nader, het geld te schieten, dan hun, die er het meeste belang bij hebben?

Als men eens alles overziet, wat door die reparatie gewonnen kan worden: het herstel van gemeenschap met de Noordzee, en dit nog wel langs eenen verkorten en veiligen weg, zal men zich dan nog verwonderen over de woorden, welke een onzer geachtste gezagvoerders van eenen Oost-Indiënvaarder, in verrukking, bij het vernemen van dit ontwerp, uitriep: „Ik wenschte, dat ik het reeds zag!” Door betere gemeenschap met de zee, zou Amsterdam levendige stoomvaart, handel met uitvoer-artikelen, in menigte verkrijgen; als haven eene voordeeligere ligging, dan de andere, die haar in dit opzigt thans allen vooruit zijn: men zoude bij het nu vrijgeviger handelsstelsel hare haven verkiezen boven de Schelde met hare banken, boven Hamburg, wier gemeenschap met de zee moeijelijker, gevaarlijker en langzamer is. Amsterdam verkreeg eene breede, ruime en onaantastbare haven, waarin eene oorlogsvloot veilig zou kunnen liggen, waarin voor aanbouw en herstel dier vloot de beste gelegenheid zou gevonden worden, waar nu ongebruikte tuighuizen en werven der marine weder ter dienste zouden zijn, en van waar, in tijd van oorlog, langs ringvaarten, naar vijf verschillende havens, tegen thans één, oorlogschepen en booten verzonden zouden kunnen worden.

Welke hoogere waarde verkregen hare huizen en pakhuizen niet? En was eene belegging in actiën, op de droogmaking van de Zuiderzee, alsdan niet voor elk, die iets te beleggen heeft, de voordeeligste geldbelegging? Is het niet eene geoorloofde, eene winst aanbiedende speculatie van een' eigenaar van een huis, om de waarde van zijn huis te verhoogen, daarop hypotheek te nemen, en zoo, door de dus verkregene gelden bij te dragen, om aandeelen in de droogmaking van de Zuiderzee te nemen, er toe bij, tot meerdere waarde van zijn eigen goed?

Verschillende plannen zijn er gevormd, het eene min het andere meer kostbaar en onuitvoerbaar, om de stad van versch drinkwater te voorzien, welke plannen overbodig zouden worden, daar al de stads grachten alsdan drinkbaar water zouden opleveren, dat thans met schuiten van de Vecht moet aangebragt worden. De gelden, welke men ter verwezentlijking van de plannen tot het aanleggen van waterleidingen wilde bezigen, waren nuttiger aan de droogmaking der Zuiderzee besteed.

Beschouwen zoovele ingezetenen der stad het nuttig, om deze zaak tot stand te brengen, en alzoo hunne belangen te bevorderen, en dragen zij daartoe door ruime inschrijvingen bij,—zoude dan eene stedelijke regeering werkeloos mogen blijven, of zoude zij niet, door het crediet, hetwelk zij bezit, tot eene leening bij moeten dragen, om aandeelen te nemen, tot herkrijging en bevordering van de grootheid en het aanzien, dat der stad jaren lang ontbreekt, en dat, in dezen stand van zaken, jaarlijks verminderen moet?

Het heeft der stad Amsterdam nimmer aan crediet ontbroken, en het zal haar, om negotiatiën te doen, daaraan nooit ontbreken, zoo lang zij hare verbindtenissen naleeft.

Het is ook niet Amsterdam alléén, dat zoo aanzienlijk zal bevoordeeld worden. Vestigen wij ons oog, voor eene poos, op de omstreken der stad; hoevele steden, vlekken en dorpen vinden wij daar niet, die allen in even kwijnenden toestand zijn, zoo in handel als in akkerbouw; die allen het grootste belang hebben bij het tot stand brengen onzer ontwerpen, en waar (dank zij den hemel!), even als in Amsterdam, nog aanzienlijke schatten zijn, welke met vrucht ter bevordering van eigene welvaart kunnen worden aangewend; waar ook de vraag gedaan wordt: „hoe besteed ik mijn geld het voordeeligste? en welke middelen zijn toch de beste, om ook voor mijne kinderen een toekomstig bestaan te vinden?” Die middelen liggen ook voor u in de droogmaking der Zuiderzee, en ook gij kunt de uitvoerbaarheid mogelijk maken door uwe bijdragen.

Even zoo als Amsterdam, zullen ook alle zaanlandsche dorpen verkorte gemeenschap met de zee verkrijgen, en ook van dáár zullen directe aan- en afvoeren van en naar alle landen geschieden kunnen. Eveneens als nu, van uit het Nieuwe Diep, van Rotterdam en van Harlingen, het vee, de eigene producten, vervoerd worden, eveneens zal dit van uit de zaanlandsche dorpen plaats hebben. De ligging der fabrijken werd gunstiger, het vertier aan de molens, en van zoovele door den handel bestaande bedrijven, werden daardoor verlevendigd, en op nieuw tot bedrijvigheid gebragt. Dat men zich maar de moeite wille geven, dit alles goed in te zien, en daarnaar te handelen. Thans moeten u, Zaankanters! uwe groenten, uwe levensmiddelen van Broek op Langendijk, van over Amsterdam aangevoerd worden, terwijl uw nu moerassige en drabbige grond, door eene voldoende, zonder kosten te verkrijgen afwatering, door uwe thans werkelooze sluizen, alsdan droog blijft liggen, en in kostelijke warmoezeniers en tuingronden zal herschapen worden, waarop zoovelen, die nu ledigloopen en uit de armenkassen, onvoldoende, om de dringende behoefte te leenigen, trekken, werk zullen vinden en alsdan zelfs zullen kunnen bijdragen, om die kassen te helpen schragen, opdat zij tot hulp verstrekken voor diegenen, waarvoor dezelve oorspronkelijk bestemd waren, voor de ouden van dagen, voor door ziekelijkheid verachterden, en voor weduwen en wezen.

Het Departement der maatschappij: tot Nut van 't Algemeen aan de Zaan, kan deszelfs prijsvraag, tot wering van de steeds toenemende armoede, alsdan intrekken;—het tijdelijk plaats gehad hebbende gebrek, zal eene gebeurtenis in de geschiedenis worden, welke opgehouden zal hebben te bestaan!

Er zijn zekere ongeriefelijkheden, waarop men, van zijne jeugd af er aan gewoon, naauwelijks meer let, of gevoelt, dat ze bestaan. Wie denkt er aan de Zaan aan, dat het een ongerief is om, naauwelijks uit het huis komende, gevaar te loopen van in het water te stappen? Verkrijgt men eens eene verbeterde afwatering, zoodat de landerijen droog blijven, waardoor men zonder klompen droogvoets kan loopen dan zal men erkennen, van eenen grooten last ontslagen te zijn, dien men nu naauwelijks meer opmerkt.

Doch niet alléén, dat het eigenaardig zoogenaamde Waterland een droog land zal worden, maar daardoor zal het ook tot alle kultuur geschikt worden, en alzoo zal de waarde der landerijen niet alleen verhoogen, maar ook de bouw en verkoop der produkten zal toenemen, en daardoor meer arbeid en welvaart geboren worden.

Hoe vele duizende bunders land, binnen den omtrek van Amsterdam en Zaandam, nu drassig en moerassig liggende en kwalijk eenig gras opleverende, zullen door de droogmaking dubbele waarde verkrijgen. Draagt daarom ook, én voor uw zelfbehoud, én voor de vermeerdering uwer middelen, én voor de toekomstige welvaart uwer kinderen van het uwe bij, opdat de droogmaking der Zuiderzee ten uitvoer gelegd kunne worden.

En zijn zoovele West-Vriesche steden, wier kronijken van vroegere welvaart melding maken, binnen wier muren de half gesloopte bouwvallen van bestaan hebbende paleizen, pakhuizen, werven, enz., den voorbijganger weemoedig daarop doen staren met oneindig meer belangstelling dan de tegenwoordige inwoner van Rome de overblijfselen der grootheid zijner voorzaten, wier bestaan hij naauwelijks kan bevroeden. Neen, nog zijn die tijdperken zoo ver niet in het verledene, nog leest men in de geschiedenis van ons vaderland met bewondering en belangstelling het tijdperk der bevrijding van het Spaansche juk, en hoe de Watergeuzen van uit hunne havens tot de bevrijding van hun vaderland hielpen bijdragen; hoe de Nederlanders, de vrijheid bevochten zijnde, meer vredelievende, doch niet minder gevaarlijke togten ondernamen, hoe zij Nova Zembla naderden en de Oost-Indiën bezochten, hoe zij uit het Noorden den walvisch, uit het Oosten de geurige specerijen mede huiswaarts bragten!

Moge alsnu de vaart van uit die havens niet meer naar zoo ver gelegene streken plaats hebben, de inwoners zullen evenwel gelegenheid vinden, om schepen tot aan- en afvoer van velerlei behoeften voor zich zelven en de bewoners van de drooggemaakte Zuiderzee, binnen hunne havens te zien laden en lossen; terwijl zij thans de magt niet bezitten, om door de slib, die hen omgeeft, hunne havens genaakbaar te maken.

Wij kunnen het geheele territoir niet bewandelen, dat den weldadigen invloed van deze onderneming zal ondervinden. De bewoners van elke plaats moeten daarover nadenken, de voordeelen opsommen, wikken, wegen en beslissen, of niet de drang der noodzakelijkheid, hun allen gebiedt, met den meesten spoed tot het ten uitvoer brengen der droogmaking van de Zuiderzee mede te werken, opdat de voorgespiegelde welvaart geene ijdele begoocheling blijve, maar zich met de daad verwezentlijke.

Eene waarheid is en blijft het, dat wij op de Voorzienigheid moeten blijven vertrouwen; het is echter niet minder waarheid, dat wij verpligt zijn, naar onze menschelijke inzigten de middelen, welke tot verbetering van onzen toestand kunnen leiden, ter hand te nemen, om daarop naar de bedoelingen van den Alwijze, zijnen zegen af te wachten. Wij mogen beschouwen en bepeinzen, maar dat moet geene besluiteloosheid worden, die de gelegenheid laat voorbijgaan, om tot de algemeene verbetering van onzen toestand handen aan het werk te slaan. Dat toch niet op den duur de schimp des vreemdelings bewaarheid worde: „De Hollander praat veel, doch voert niets uit!”

Duldt niet, dat de droogmaking van de Zuiderzee uit gebrek aan geld, onuitgevoerd blijve, zoodat ook de vreemdeling met zijn geld er toe bijdragen moet, en het den schijn zoude hebben, alsof het u onverschillig ware, hoe de droogmaking tot stand moge komen.

En wat is er dan wel noodig, om dat alles daar te stellen? zal men welligt vragen.—Om de Zuiderzee van Enkhuizen af tot bij Stavoren in te dijken en droog te maken, met de indijking van het IJ, het daarmede verbondene kanaal tot in de Noordzee, de vaarten van Zaandam en Nauerna, al de opgegevene ringvaarten om de Zuiderzee, benevens het afwateringskanaal door de Geldersche Veluwe naar de Steenenkamer, voor dit alles, benevens het sloten, slechten en kavelen van de geheele oppervlakte der 270,000 bunders, worden ruim negentig millioenen guldens vereischt. Maar die som ware er noodig, zoo men alles wilde daarstellen, en staande de volvoering van het geheel, niets wilde verkoopen;—doch het droog gemaakte en geheel voor de kultuur gereede IJ, heeft minstens eene waarde van zestien millioenen guldens, welke te realiseren waren. Het sloten, slechten, kavelen à ƒ 84,— over den 260,000 Bunders berekend, beloopt wel twintig millioenen guldens. Het toebereiden van het land kon trapsgewijze geschieden, naar gelang dat er verhuurd of verkocht werd, in welk laatste geval het sloten, slechten en kavelen aan den kooper konde overgelaten worden, zoodat met omstreeks 50 à 60 millioenen guldens een werk te voltooijen ware, dat jaarlijks millioenen guldens kan opleveren.—Vier en vijftig millioenen guldens kostte de enkele spoorweg van Londen naar Birmingham, en de inschrijving daarvoor was binnen weinig tijds vol en welke waarborg biedt die weg den geldschieter aan? Een vermoedelijk vertier van reizigers en het vervoer van goederen, terwijl eene opkomende concurrentie, eene verbeterde uitvinding van wegen te leggen, die een goedkooper vervoer oplevert, gezwegen nog van het luchtreizen, dat, naar men zegt, door eenen Hollander schijnt mogelijk gemaakt te zullen worden, de waarde der actiën tot nul zal kunnen doen dalen—het land, hetwelk ƒ 350,— het bunder, geheel ter bebouwing gereed, zal kunnen kosten, kan door geen onvoorzien evenement verloren gaan. „Land is zekere bezitting,” zegt het spreekwoord.

De zaak zal, wat het geld betreft, wel uitvoerbaar worden, indien er maar eene directie gekozen wordt, wier persoonlijk karakter en moraliteit vertrouwen inboezemt.

Het is in Amsterdam niet alléén, het is overal in ons vaderland, dat er zoovele inrigtingen, aan de weldadigheid gewijd, in stilte bestaan, waar niet mede gepraald wordt, zooals in Engeland, door de woorden: „Gesticht door vrijwillige bijdragen,” in vergulde letters voor de gevels te hechten; maar welke gestichten desniettemin door belanglooze waarneming van het beheer voldoening geeft voor de eerlijkheid en goede trouw der bestuurders.

Nog mag men in deze de Hollandsche trouw roemen, en het strekt ons ten bewijze, dat het niet aan mannen zal ontbreken, welke er eene eer in zullen stellen, dit ontwerp met belangloozen ijver te helpen tot standbrengen. Mogen wij namen noemen, wij zeggen dan, kiest mede in het bestuur den tegenwoordigen burgemeester van Amsterdam, den man, die in de zitting der tweede kamer van de Staten Generaal blijken gaf, de belangen van het rijk belangloos voor te staan, door van het Honorarium af te zien; den man, die een der edelste voorstanders, van de Kweekschool voor de Zeevaart is, waar hij even trouw den toestand van de zieken onderzoekt, als in den vroegen morgen, in de open lucht, de exercitiën der kweekelingen bijwoont; hij, die bewijzen gegeven heeft, de stads belangen voor te staan, en met moed ontzag in te boezemen tot waarneming der verpligtingen, die op de ambtenaren rusten, en die welligt slechts door den gebrekkigen langzamen gang, dien de verouderde vorm van regeren mede brengt, verhinderd wordt, om aan de stad meerdere welvaart te verschaffen. Schouwt om u heen,—zoo vindt gij er nog velen bij ons. Wij kennen er ook, die gaarne zouden willen medewerken, maar die te naauwgezet zijn, en wien de vrees weêrhoudt, omdat hun goeden naam anderen zou aansporen tot geldelijke bijdragen, en zij zich daardoor bij eventueel nadeel, een onverdiend verwijt zouden op den hals halen.

Heeft men op Engelsche wijze eene naamlijst van de notabelste ingezetenen van Amsterdam, aan eene, zoo niet geheel, nogtans meerendeels Engelsche onderneming, de Rijn-Spoorweg, weten te voegen, die, zonder voordeel te trekken, zelfs nog met opofferingen de belangen der onderneming voorstaan; waarom zoude het met deze onderneming dan niet geschieden, waaraan de belangen, de voorspoed en welvaart van allen in dit Rijk verbonden zijn? Zouden hier niet ook Graven, Baronnen en Jonkheeren willen medewerken (niet blootelijk in schijn hun naam presterende, zooals in Engeland), om eene zaak voor te staan, waarmede ook hun belang verbonden is; grondeigenaren, wier eigendommen allen verbeteren zullen, door de daar te stellen betere uit- en afwateringen? Wij zouden verlangen, dat eene commissie zich, zonder dadelijke geldelijke belooning, belastte met een onderzoek omtrent de uitvoerbaarheid van ons ontwerp, en wat het technische betreft, deze taak liet waarnemen door waterbouwkundigen, daarbij respectabele aannemers voegende, welke door practische ondervinding geleid, eene, hoewel steeds globale berekening van de kosten konden indienen, of de door ons gemaakte ramingen, in overleg met ons, konden onderzoeken, om daarin zoodanige wijzigingen te maken, als zij met hunne kunde en ondervinding gelooven te moeten maken. Er waren zeker aanvankelijk wel eenige kosten mede gemoeid, doch er heeft zoo menig voorloopig onderzoek, op deze wijze, in minder belangrijke aangelegenheid plaats gevonden, waarom zouden wij dan betwijfelen, dat men hier niet zoude slagen?

Is dit voorloopig onderzoek gunstig, dan schare men uit alle standen notabelen om zich heen, welke eene directie kiezen, die zich constitueert, en de gevorderde maatregelen neemt, om eene maatschappij te vormen, die het voorgestelde doel zal ten uitvoer brengen; die de noodige onderhandelingen met de hooge regeering leidt, zoo mede met alle hierin betrokkene partijen, en zich van een toereikend kapitaal voorziet. Deze directie beschouwe, totdat er voordeelige resultaten aanwezig zijn, hare taak als eenen eerepost; zij bedenke, hoeveel tijd, kosten en moeite zoo vele commissiën thans vorderen, om de bestaande armoede te lenigen, om gebrek voor te komen, om tijdelijk te voorzien, waar de toekomst thans niet gunstiger is, terwijl daarentegen, door het daarstellen dezer onderneming, de oorzaken van de armoede, en dit gebrek in tijdelijke voorzieningen, zullen ophouden te bestaan.

Hier zal het bestuur der werkzaamheden van alle zijden medewerking vinden, terwijl eens ieders voordeel daaraan verbonden is. Hoe spoediger de dijken daargesteld, de omdijkingen gereed, en de droogmaking der Zuiderzee voleindigd zal zijn, zooveel te spoediger zal ook de zorgelijke gesteldheid, waarin een ieder, zoowel als de schatkist, verkeert, ophouden te bestaan.

„Waarom dit ontwerp niet aan de regering ingediend, opdat het door haar worde ten uitvoer gebragt?” heeft men ons gevraagd en zal men nog wel vragen. Wij komen er onbewimpeld voor uit, dat wij daarin groote zwarigheid vinden.

Engeland en Frankrijk strekken ons ten voorbeeld, dat zij het raadzaam oordeelen, groote ondernemingen door particuliere associatiën te laten ten uitvoer brengen, omdat deze, in hun eigen belang werkende, dezelve zuiniger en met meerdere spoed daarstellen, het ook hier te lande plaats vindt.

Bij eene regering moet naar administratieve instructiën gehandeld worden; daar worden zekere plannen beraamd, die plannen worden door haar alléén gevormd, overwogen en goedgekeurd, zonder daarover adviezen van andere deskundigen in te winnen, waardoor zwarigheden opgelost, en verkeerde berekeningen zouden kunnen worden opgehelderd. Alles wordt op de bureaux in het geheim behandeld, en noch het publiek, noch deskundigen, kunnen er over oordeelen, dan wanneer het te laat is; eerst dan, wanneer men reeds een begin met de uitvoering gemaakt heeft, en de feilen onherstelbaar zijn, worden er somwijlen, op goede gronden rustende, verslagen medegedeeld in de dagbladen, de agenten van het bestuur antwoorden niet, en wanneer zulks al eens geschiedt, dan nog maar zeer onvolledig en oppervlakkig. De toegevoegde commissiën, waarvan veelal de leden notabelen zijn, welke het somwijlen aan de noodige kunde ontbreekt, om de dáár eenzijdig voorgelegde plannen en bestekken te beoordeelen, roepen geenen raad van onzijdige deskundigen in, welke in staat zouden zijn, hen voor te lichten omtrent de eenzijdig gestelde ontwerpen, en aldus worden plannen van menschen, die natuurlijk met hun eigen werk zijn ingenomen, zonder neutraal onderzoek, en zonder eigene kunde der commissie goedgekeurd en aangenomen. Dit nu heeft bij ondernemingen door particulieren geene plaats; daar heeft men natuurlijk zijne eigene, daartoe gekozene, deskundigen; maar derzelver ontwerpen worden niet administratief onderzocht. Dat agenda's schriftelijk om rapporten en advies vragen, valt daar weg; het gekozene commité hoort, ziet, oordeelt, en beslist spoedig en tijdig.

Bij de regeering heeft men superieuren en ondergeschikten, de generaal en de korporaal, en blindelings moeten daar de orders gevolgd worden. Is de superieur kundig, dan heeft hij somwijlen onverschillige en trage ondergeschikten; deze doen zooveel en zoo weinig als hun wordt voorgeschreven, en als zij verantwoorden kunnen. Zien zij fouten, zij laten dezelve oogluikend voorbijgaan: het is zeker, dat zij hersteld moeten worden,—doch ziedaar eene reden, waarom het werk langer onderhanden blijft, en er alzoo meerder kans is, om langer geëmploijeerd te blijven. Weet men iets beters, men zwijgt; en wel vooral, wanneer de superieur een opgeblazen persoon is. De superieur moge geschikt zijn, maar trage ondergeschikten hebben, hij vordert niet; zoo lang zij als machines de hun opgelegde taak volbrengen, kunnen zij niet ontslagen worden. Is de superieur verwaand, en zijn de ondergeschikten bekwaam, zij moeten zwijgen; zij worden als wijsneuzen beschouwd, en hun wordt aangemaand, niet te denken, maar te handelen, zooals hun voorgeschreven is.

Voor velen onzer bekwame waterbouwkundigen is dikwijls de minder kundige ondergeschikte een last, waarvan zij niet kunnen ontslagen worden, en waardoor dan dikwerf niet zoo gehandeld wordt, als wel behoort, terwijl hij zelf aan beperkte instructiën gebonden is, en zijne, na bevind van zaken betere inzigten, moet laten rusten. Is hij daarentegen bij eene particuliere onderneming, daar is elke voorgestelde verbetering welkom, dewijl men, voor eigen belang werkende, niet van hoogere magt afhankelijk is; men komt dan tot een dadelijk besluit. Bij zulke ondernemingen worden de onderscheidene verdiensten ook beter beloond, waardoor de ambitie geprikkeld wordt. Ook is er, bij aanbesteding der werken door particulieren, meerder vooruitzigt, dat de voorgestelde werken goedkooper aangenomen worden en beter ten uitvoer zullen gebragt wordenzulks is door de ondervinding bevestigd. Dit wordt veroorzaakt, door dien de aannemer vrijere magt heeft om te handelen. De letter van het bestek op te volgen, is veelal schier ondoenlijk, en wordt evenwel door 's Rijks Ingenieurs gevorderd; en dit volgen der letter van het bestek heeft menig aannemer ten val gebragt, terwijl het Rijk er juist niet beter bij gevaren is. Als men bij particuliere aanbestedingen bespeurt, dat de aannemer zijnen pligt betracht, en de zaak (hoewel niet letterlijk volgens het bestek) ten uitvoer brengt, dan is men tevreden. Is er somwijlen verschil, men gaat vrijelijk naar de directie; maar geen aannemer bij het Rijk, die zich over den bij het werk aangestelden Ingenieur beklagen zal, want hij weet, voor ééns en voor altijd, dat het nutteloos en ondoenlijk is.(5)

Bij particuliere ondernemingen, weet de aannemer, is er voor de stipte betaling gezorgd, en bij het Rijk?—hoe dikwijls zijn aannemers daar niet te leur gesteld? In 1815 en 1816 ontvingen zij voor hunne ƒ 100 in plaats van geld, syndicaat ter waarde van 80 à 85%, in 1830 schatkistbiljetten van 70 à 80%. Dit gebruik maken van zoodanige hulpmiddelen, hetwelk menigen onschuldige in verlegenheid bragt, heeft het Rijk veel meer gekost, dan het verschil tusschen den prijs van het papier en kontant bedroeg. In Engeland betaalt men immer 's Rijks werken met wissels op 3/m. op de bank, met inbegrip der 3/m. disconto. Dan dient ook de meerdere spoed in aanmerking te komen, waardoor de particuliere, uit den aard der zaak, aan de regeringswerken vooruit zijn. Veel wordt bij particulieren mondeling behandeld, hetwelk bij de regering schriftelijk moet geschieden. Deze schriftelijke voorstellen hebben eenen geruimen tijd noodig, om in en uit de handen der maar op zekere tijden bijeenkomende commissiën te komen; en dan moeten dezelve nog door vele handen in de ministeriën circuleren, alvorens de minister fiat teekent. Bij eene particuliere directie heeft ieder belang en winst bij spoed; daarentegen bij rijks-commissiën wordt aan de leden geen nadeel berokkend door vertraging; het honorarium gaat door.

De Ingenieur, die bij eene droogmaking zijne buitengewone toelage geniet, zoo lang de droogmaking duurt, heeft er geen belang bij, dezelve met spoed te volbrengen; want eigenbelang is en blijft immer eene sterke drijfveer.

Zoo wil men, dat er eindelijk verstopt geraakte pompen in de dijken van eenen drooggemaakten plas gevonden zijn, terwijl men vele gissingen gemaakt heeft omtrent het gestadige toevloeijen van het water. Intusschen heeft de droogmaking vele duizenden boven de vastgestelde raming gekost. Even als de pompen bij toeval zijn verstopt geraakt, even zoo zijn zij bij toeval ontdekt. Bij vele dingen ligt evenwel de blaam niet op de hooge regering zelve, het is de administratie aan wier werkzaamheden, zoo het schijnt, niet meer spoed kan bijgezet worden, daar hare omslagtigheid allen spoed weert.

Wij hebben onbewimpeld onze gedachten gezegd; de toedragt der zaak, naar ons inzien, bloot leggende, beschuldigen wij niemand. Wij hebben meermalen de eer gehad, vele verdienstelijke ambtenaren, zoo in hooge als mindere betrekkingen, te leeren kennen, wier kunde en beleid wij alle achting toedragen. Hoe ook door dezen en genen onze wijze van denken en spreken moge beschouwd worden, men zal moeten erkennen, dat wij, zoo verre het in ons bereik mogelijk is, nut willen stichten.

Wij willen ook eene nationale eerezuil oprigten: wij willen 's Rijks schatkist door 's Lands welvaart gestijfd hebben; wij willen eenen magtigen steun geven aan handel, aan scheepvaart, aan landbouw, en aan alle bij ons te huis behoorende fabrijken en trafijken. De gedrukte middelstand zal nieuw leven erlangen, en voor jaren zal de armoede geweerd zijn; er zal meer nationale rijkdom ontstaan, doordien wij eene grootere hoeveelheid goeden bebouwbaren (slib)grond zullen aanwinnen, dan wij thans bezitten. De noodzakelijkheid en de uitvoerbaarheid betoogd hebbende, willen wij de onderneming eerst eens uit staatkundig oogpunt beschouwen.

Wij prijzen dezelve aan, als eene schadevergoeding voor het door den Belgischen opstand geleden verlies van grondgebied.

Zij zal den Staat tot voordeel zijn, door den aanwas der bevolking te bevorderen, daar op den aan de zee ontwoekerden grond, meestal, zoo niet geheel, van den vruchtbaarsten aard, steden en dorpen zullen herrijzen, waarin duizende huisgezinnen in welvaart en voorspoed zullen kunnen leven.

Door de gelegenheid daar te stellen, om de overvloedige gelden, nu ongebruikt of aan vreemden ter leen verstrekt, voordeelig ter bevordering van eigen welvaart te besteden.

Door de nijpende armoede te beteugelen, daar er omstreeks tachtig millioenen guldens, alléén of meerendeels, aan graaf- en dijkwerken, met inbegrip van sloten, slechten en bekavelen, zal moeten worden besteed, behalve hetgeen aan bouwmaterialen, fabrijk- en stoom-werktuigen zal moeten worden ten koste gelegd.

De nijverheid, gepaard met aanzienlijke vorderingen in wis-, natuur-, schei- en werktuigkunde, heeft onder alle volken verbazende voortgangen gemaakt, en allerwege heerscht eene overproductie. Door den ontzettenden aangroei der bevolking, vooral in de fabrijkdistrikten en steden, is er een overvloed van menschen, welke, bij de vereenvoudiging der werktuigen in de fabrijken, waardoor minder handen benoodigd worden, onmogelijk werk en brood kunnen vinden. Voor die overbevolking hier te lande, in groote mate door verminderden handel en daardoor ontstaan gebrek aan vertier veroorzaakt, moet naar middelen van bestaan en werk omgezien worden. Voor den landbouw is de handwerker zoo niet in eens bekwaam; er moeten dus openbare werken ondernomen worden, waardoor èn landbouw èn vertier bij de ambachten en bedrijven ontstaat; en daartoe strekt ons ontwerp.

De nationale rijkdom zal aanzienlijk vermeerderen: men schatte de 600,000 bunders eventueel in te dijken grond gemiddeld maar op ƒ 500 per bunder, hetwelk eene vermeerdering geeft van ƒ 300,000,000 aan eigendom; dan zal men het niet voor overdrijving houden, dat de in de zee aanwezige slibgronden, die de beste in ons rijk zullen evenaren, na verloop van tijd eene waarde van meer dan ƒ 1000 per bunder zullen verkrijgen, daargelaten nog, dat de gering te heffen polderlasten, en het niet wisselvallige van het drooghouden, eene betrekkelijk meerdere waarde aan dezen grond zullen verzekeren, en éénmaal die 600,000 bunders, bebouwd wordende, op eene ruwe gemiddelde huurwaarde aangeslagen van ƒ 60 à ƒ 70 per bunder, zal dit jaarlijks eene circulatie van plus minus veertig millioenen guldens te weeg brengen, behalve hetgeen de gebruiker voor zich en de arbeiders verdient.

De aanslag voor de belastingen zoude verminderd kunnen worden, door vermeerdering van belastbare personen en voorwerpen. Dus invloedrijke vermeerdering van inkomsten van 's Rijks directe en indirecte belastingen en accijnsen. De ondervinding leert het, en de statistieke opgaven van Engeland leveren er de bewijzen van, hoe voordeelig handenarbeid op 's Rijks inkomsten terugwerkt.

Eene hoogst belangrijke besparing zoude plaats hebben aan omstreeks honderd uren lange zeeweringen, dijk-, paal- en sluiswerken, waarmede de Zuiderzee, om verdere inbraak en verwoesting van gronden te beletten, moet beteugeld worden, en welke schier allen zullen vervallen, alsmede het onderhoud aan al de in en om de Zuiderzee liggende eilanden.

De physieke toestand van het Rijk zoude verbeteren, en door verbeterde afwateringen aanzienlijk bevoordeeld worden, waardoor het Rijk en verscheidene provinciën van geldelijke en andere moeijelijkheden zouden worden ontheven.

In de behoefte aan goed bouw-, hooi- en weiland werd voorzien; bij gebrek aan land, naar evenredigheid van pachters, wordt thans de huurwaarde onmatig opgedreven, waardoor de ondergang van de pachters wordt berokkend, en waardoor de eigendommen later in waarde moeten dalen. Door het daar te stellen lagere peil of meerdere verval in de Noordzee, verkrijgt een groot gedeelte van Rijnland, geheel Amstelland, het Noorder kwartier van Holland en de Vecht en Eemlanden eene betere waterloozing dan immer; de verveeningen zullen daardoor gemakkelijker worden gemaakt, de waarde der landerijen, welke nu bij het kadaster als moerassig en drassig op de laagste tauxatie staan, zal aanzienlijk vermeerderen, doordien het land droog worden zal en blijven, en tot kultuur geschikt worden; zoo zullen vele duizende bunders verachterd, en steeds verslimmerend land, in waarde aanzienlijk moeten rijzen, gezwegen nog van de meerdere welvaart, die de landman zal verkrijgen, hetwelk wederom van grooten invloed op het vertier in de steden moet zijn.

Het is niet alleen in de hiervoren genoemde districten, maar over alle gewesten, zoowel noordelijk als oostelijk, waar verbeterde afwatering, zoo reikhalzend wordt verlangd hetwelk maar al te duidelijk uit de provinciale verslagen blijkt, zoodat verbeterde afloop des waters bijdragen zal, tot vermeerdering van 's Rijks welvaart en inkomsten.

Het is ook een gewigtige omstandigheid, dat de Rijks maritieme werf te Amsterdam weder als vroeger zal kunnen worden gebruikt;—dat van dáár volledig uitgeruste schepen van het zwaarste kaliber, binnen weinige uren in de Noordzee zullen kunnen komen; maar dat ook de maritieme haven van Amsterdam vatbaar voor een groote vloot wordt, welke veilig voor elken vijandelijken aanval zal zijn, en behalve dit, daar wij thans maar eene betrekkelijk gebrekkige haven, die aan het Nieuwe Diep, bezitten, dat wij er alsdan 5 nieuwe bij zullen bekomen, welke allen van uit het hart van het Rijk, van alles zullen kunnen worden voorzien. Niet alleen zal dan het binnenloopen der schepen in tijden van oorlog gemakkelijk worden gemaakt, maar ook door middel der ringvaarten zullen met den meesten spoed van Amsterdam en elders, stoombooten naar alle zeehavens kunnen worden afgezonden, om den vijand, die alsdan zes in stede van één punt zoude te observeren hebben, te bestoken.

Uit een handels-politiek oogpunt beschouwd, is het voor de stad Amsterdam van het grootste gewicht, dat dezelve door het zeekanaal, dan eene zeehaven geworden, voordeeliger ligging verkrijgt dan de steden Antwerpen, Hamburg en Bremen, en dat ook de andere, thans slechts door schepen van minder diepen gang te naderen, handelsteden, zooals Groningen, Harlingen, Zwol en Kampen, in betere gemeenschap zullen geraken met Groot-Brittanje en de Oostzee; langs de kanalen van daar de Duitsche grenzen bereikende, zullen de aan- en afvoeren door die steden van en naar het noordelijke Duitschland, even goed als den Rijn op- en afwaarts, spoediger, veiliger en minder kostbaar worden, dan thans over Hamburg en Bremen.

Bij matiger regten, en bij een vrij granenstelsel, zal men Amsterdam ook boven Hamburg en Bremen de voorkeur geven, daar de togt naar en van Amsterdam, door het zeekanaal, korter, veiliger en minder kostbaar wordt, dan in en uit de Noordzee, uit en in de Elbe en Wezer.

De groote hinderpaal voor Amsterdam, dat een groot schip in het Nieuwe Diep moet lossen, om door het Noord-Hollandsche Kanaal te kunnen komen, met welken doortogt gemiddeld 14 dagen zijn gemoeid, ware alsdan uit den weg geruimd.

Vestigen wij het oog op den handel zelven, de heilrijke gevolgen daarvoor, welke uit dit ontwerp zullen ontstaan, zijn niet te berekenen.

Mogt ook al vroeger menigeen het nut van een kanaal, door de duinen heen tot in de Noordzee, ingezien hebben, niet slechts voor den handel, maar ook voor de droogmaking van het Haarlemmer Meer,—men werd afgeschrikt, niet om het onmogelijke der uitvoering, maar om de kosten. Van dit bezwaar wordt men echter, door de winst aanbrengende indijking en droogmaking van het IJ, ontheven, waartoe slechts een voorschot noodig is, dat genoegzaam gerestitueerd zal worden.

Amsterdam zal Rotterdam zijnen stroom niet meer te benijden hebben, daar het alsdan beter in gemeenschap met de zee zal komen. Het is geen trek van wangunst, die ons deze zaak te berde doet brengen, het is slechts om aan te toonen, hoe men dit bezwaar, hetwelk Amsterdam immer heeft gevoeld, zou kunnen opheffen, dat wij zulks hier aanstippen.

Het is voor beide steden van het grootste belang, dat de handel van beide worde uitgebreid; en wordt de handel op de eene plaats verlevendigd, zoo blijft dit niet zonder invloed op de andere, terwijl het verkeer tusschen beide zoo gemakkelijk is. Boeit men slechts den handel niet, dan zal de drukte en bedrijvigheid grooter worden dan immer. Door PEELS stelsel, door den toenemenden handel en de behoefte in de Rijn-provinciën, de uitbreiding daarvan in Zwitserland en in het oostelijk gedeelte van Frankrijk, zal men bij ons thans reeds meer vrijgevig handelsstelsel, en daardoor van alles meer voorziene havens, de voorkeur geven boven de Belgische, waar men, gedwongen, slechts eenen vrijen vervoerweg geeft, en baatzuchtig en kortziende, alle vreemde fabrikaten in eigen gebruik van de hand wijst.

Alle andere moeijelijkheden daarlatende, die den doortogt door het Noord-Hollandsche kanaal belemmeren, blijft de ongeschiktheid van hetzelve voor stoomboot- en stoomsleepdienst het groote bezwaar. Alle voorgestelde kanalen en ringvaarten, zullen daarvoor geschikt zijn. Welk vertier door de verkorte gemeenschap van de zee, met al de havens aan de Zuiderzee geboren zal worden, is moeijelijk te berekenen en te beschrijven.

Er zullen van Amsterdam directe stoombootdiensten kunnen geopend worden, op vele der Engelsche havens en op die van Frankrijk, en zij zullen kunnen worden uitgebreid op de West-Indiën en op Amerika. Is de handel van vee, groenten en vruchten van Rotterdam, Harlingen en het Nieuwe Diep zoo belangrijk geworden, hoeveel belangrijker zal dit niet kunnen worden, door de aanwinst van zooveel meer grond, als nu in het IJ en in de Zuiderzee ligt, en door de verbetering der nu door gebrek aan afwatering gedurig achteruitgaande landerijen, waar onder er, zoo als om de Zaan heen, zijn, die voor warmoezierderij van de edelste soort geschikt zijn, die van het Westland evenarende; dan liggen er ook nog de deels uitgeveende, deels niet uitgeveende Loosdrechten, Breukelerveen enz., waar, als het water slechts uitgemalen is, beste gronden gereed zullen zijn.

Door de vermeerdering van weilanden, van vee, hooi, boter en kaas, allerhande vruchten, zullen wij, wanneer onze akkerbouw, welke, zoo als PEEL zelfs omtrent Engeland zegt, nu nog in hare kindschheid is, meerdere ontwikkeling verkrijgt, in uitvoer van levensmiddelen, zoo naar Engeland als naar Oost- en West-Indië, met Noord-Amerika kunnen concurreren.

Zijn de kanalen in Over-IJssel en Drenthe gereed, zoo vinden wij eene spoedige en goedkoope gemeenschap met Hannover en Westphalen, en dan zijn de afstanden, uit onze eigene provinciën, door de beter daargestelde gemeenschappen verkort, zoodat dan ook alle andere mindere voortbrengselen van den lande meerdere waarde verkrijgen, zooals zulks om Nijmegen, overal langs de Maas, de Waal en de Rijn door de snellere gemeenschap met stoombooten plaats vindt.

Verwerpen wij eene betere gemeenschap, met de hoofdstad van ons rijk niet, vooral wanneer zich daarmede buitenlandsche handel paart. Rotterdam, door hare betere gemeenschap langs de rivieren met het buitenland, dankt daaraan gedeeltelijk haar bestaan.

Provinciën en steden, die nader bij Amsterdam liggen en Amsterdam zouden kiezen, zijn door hare gebrekkige ligging aan de zee, buiten aanraking met haar.

Het grootste gedeelte van Gelderland, tot aan de Pruisische grenzen, vervoert deszelfs produkten naar Rotterdam, omdat het vervoer bij eenen veiligen watertogt langs de rivieren daarheen gemakkelijk is, en vandaar een gereede aftrek op Engeland enz. bestaat, al hetwelk thans te Amsterdam niet het geval is.

De concurrentie dwingt tot bezuiniging van kosten en daarom zal het voor Noord-Holland van belang worden, zijne eigene voortbrengselen, ook langs eigene kanalen, over zee te zenden, en geene omwegen, over het Nieuwe Diep of Rotterdam te moeten kiezen.

Alle bestaande stoomboot-diensten, zooals op Zaandam, Harlingen, Zwol en Kampen, zullen langs de ringvaarten behouden blijven, derzelver ondernemers, zullen het zich niet voor schade aanrekenen, dat zij hunne kostbare zeebooten voor binnen- of rivierbooten kunnen verruilen. Deze en alle andere overzeesche schippers, zoo vaak door laag en door hoog water, door storm en tegenwinden, door gevaarlijke togten op zee tegen gehouden, zullen gaarne, gaande weg, hunne thans in aanbouw zijnde en door onderhoud kostbaarder zeeschepen voor trekbooten ruilen, waaraan het wisselvallige der zeetogten niet is verbonden.

Wordt de moeijelijkheid voor de vaart, met onze aan de Zuiderzee gelegene steden en havens uit den weg geruimd, van niet minder gewigt zal het verkorte traject, van uit de Noordzee langs Zandpoort naar Amsterdam zijn, tegen dat van naar het Nieuwe Diep, en van daar door het Noord-Hollandsche kanaal naar Amsterdam, voor onze handelaren en reederijen en voor vreemden, welke vermeenen, dat een schip te Antwerpen gelost en geladen, en weder zee gekozen heeft, alvorens een ander van het Nieuwe Diep voor Amsterdam kan komen.

Bovendien, welk nadeel ons een vroeg invallende, lang aanhoudende winter berokkent, dat heeft ons die van 1844 en 45 bewezen. Wij zouden, bij het voorgestelde zeekanaal, geene vier maanden van alle gemeenschap met andere landen en werelddeelen verstoken zijn; onze producten zouden hunne waarde niet verliezen, door maanden lang gebrek aan gelegenheid, om die te kunnen verzenden naar alle plaatsen en landen, welke gewoon zijn, onze toevoeren te ontvangen. Op die plaatsen, en in die gewesten ontstond alsdan wel gebrek aan onze voortbrengselen, doch daarin werd voorzien door anderen, en wij misten de gelegenheid, onze voortbrengselen te verkoopen, en alzoo kwam het nadeel op ons neder. Ware er de behoefte niet, om in den winter eene geschikte zeehaven te hebben, men zoude geene plannen gevormd hebben, om zoodanige haven bij Scheveningen aan te leggen.

In vier maanden geene toevoer van provisiën uit Nederland naar deszelfs eigene koloniën; ook daarin moest door andere natiën worden voorzien, en daarenboven trokken deze de voor ons bestemde retouren en waarden, en wij zelven hadden geen debouché. Vier maanden lang moesten de reederijen (zoo al niet de schepen, omdat zij het Nieuwe Diep niet binnen konden komen, in Engelands havens bleven liggen!) het equipagie-loon en de levensmiddelen geven, waardoor dikwijls eene, anders winstgevende, vracht verlies berokkende; vier maanden lang bleef een assuradeur risico loopen, waarvan hij in weinige uren bevrijd konde zijn; vier maanden lang derfde de handelaar zijne goederen, en moest zich schadelijke, zijn crediet niet verheffende, maatregelen getroosten,—dit alles zoude vervallen.

De eb en vloed, bij het grooter verval en de diepte van het zeekanaal, zouden den nieuwen stroom van af de sluizen tot in de zee openhouden, de uitijzing, wanneer gevorderd, zoude geene weeken lange vruchtelooze onderhandelingen behoeven, de vaart tusschen Amsterdam tot Zandpoort ware open te houden door af- en toevarende stoomslepers.

En legt de doorvoer-handel niet alle voordeelen van eigen commissie-handel af; het is dan toch voordeeliger, door het binnen komen en uitgaan der schepen, door hun lossen en laden enz., terwijl al die schepen zekere behoeften hebben, waarin moet worden voorzien, iets te verdienen, dan ook dit aan anderen over te laten.(6)

En is die weinige doorvoerhandel, dien wij thans nog maar bezitten, niet voor een groot gedeelte het gevolg van gebrek aan ondernemingen van onze zijde, welke eensdeels werden gestaakt door hooge in- en doorvoerregten, anderdeels door gebrek aan eigene medewerking? Vroeger wist de duitsche fabrikant geen ander debouché, dan door verkoop aan ons; wij kochten hem zijne artikelen af, en verscheepten die, voor eigene rekening naar elders, en bragten van elders de retouren mede.

Door ons prohibitief stelsel werden vele, zoo niet alle, fabrikanten genoodzaakt, andere middelen te beproeven, om hunne goederen te verkoopen; de goederen werden nu naar Hamburg verzonden; men ontving eenige voorschotten, en verscheepte de goederen, voor duitsche rekening, naar andere werelddeelen; Hamburg ontving en verkocht de daarvoor teruggezondene producten en genoot daarvan de winsten.

Door dit alles werd de Duitscher ingelicht, en van dáár dat die thans betere handelsbetrekkingen heeft dan wij, omdat de eigen broeder, zoon of landgenoot, in Noord-Amerika, Brazilië enz. gevestigd, hem van daar met den stand van zaken bekend maakt, tot zelfs uit onze eigene koloniën, daar Duitsche natuurkundigen volledige berigten over Java naar hun land zenden, die wij verminkt na jaar en dag in de mengelwerken onzer tijdschriften en dagbladen terug vinden. Wij staan den vrijen handel voor: met een zeer matig gelijk werkend tarief, zou de Staat, wat zij aan de eene zijde aan revenuën op in- en doorvoerregten derfde; anderzijds door meerdere welvaart der ingezetenen terug bekomen.

Door welvaart van den handel vermeerderen 's Rijks magt, aanzien en middelen, dit leert ons onze eigene geschiedenis. Het waren de Handeldrijvende provinciën Holland en Zeeland, die vroeger het land en tijden van gevaar, met volk, met schepen en geld te gemoet snelden.

Hoe vleide men zich in 1814 en 1815 met herstel van vroegeren handel, en reeds begon dezelve te ontluiken, toen een rampzalig fabrijk-protectiestelsel ons de blijde toekomst vernielde, de ondernemingsgeest uitdoofde, vooruitgang en wetenschappen in en de toepassing daarvan op de fabrijken, en de kennis van handeldrijvende volken belette, voor immer den handel in duitsche linnens, en zoovele niet op onzen grond te huis behoorende fabrijkaten uit het land verbande, waardoor de retouren uit dien handel met Noord-Amerika, Brazilië en West-Indië gekeerd, en daarmede den uitvoerhandel van onze eigene voortbrengselen, van den eigen grond, boter, kaas enz. stremmende, de ondernemingen op den Stillen Oceaan en de Zuidzee stuitte, waarheen Bremen ons met vloten beschaamt, de aan scheepvaart eigene verbonden fabrijken werkeloos maakte, zoodat de werven hier gesloopt, maar in Hamburg en Bremen aangebouwd werden.

De graanhandel werd verdreven, en daardoor het middel van de hand gewezen, om onze eigene granen (mindere soort, met betere vermengd) af te zetten. De pakhuizen voor linnens en koornschuren, die Europa voorzagen, waardeloos gemaakt, duizenden, die door inspanning van geest- en ligchaamskrachten den middelstand deden bloeijen, werkeloos, en tot den bedelstaf gebragt(7).

Dit alles danken wij der protectie, aan den landbouw en de fabrijken verleend; halve maatregelen, hoog opgevoerde schaalregten en transito-regten, die den doorvoer verboden, waardoor millioenen, die door onze handen hadden moeten gaan, met de verdiensten daarop uit het land zijn geweerd, en aan anderen werden prijs gegeven.

Men beschuldige ons niet, dat wij den landbouw willen verwaarloosd zien; deze kan zich zelven helpen; zulks heeft, voor weinige jaren, nog een Zeeuw, een groot landhuishoudkundige beweerd. De landbouw heeft zich immer zelf geholpen, en wij hebben kostelijke weiden voor de veeteelt, zoo wij slechts ons beestenras verbeteren, en zorgen dat de boter en kaas niet, na ouden slendriaan, half bedorven worden vervoerd, terwijl de onkundige waant, dat geen ander product het zijne kan evenaren, en de gegoede Engelschman ze niet op zijne tafel zien wil, daar zij bij hem slechts kost voor de minderen, en tot voorziening van armengestichten en werkhuizen is.

De grondeigenaar betaalt den grond buiten verhouding hoog, waardoor hij zich zelven benadeelt. Door het meer dan benoodigde getal boeren, die naar eene hofstede dingen, worden de huurprijzen zoo hoog opgedreven, dat de huurder, bij den minsten tegenspoed, dezelve niet kan opbrengen; en dit wil men nu door graan-protectie-wetten verhelpen, waardoor de Staat al meer en meer wordt te gronde gerigt!

Dat de landbouw uit de geschiedenis de bewijzen bijbrenge, dat hij gelijke diensten als de handel aan den Staat bewees; welke door zijn gezag, door zijnen invloed en magt, en door zijne ruime offers aan het land voorkwam, dat het niet reeds voor langen tijd geheel of ten deele een wingewest van eenen anderen Staat geworden is.

De handel kwijnt ook wel door deze of gene gebeurtenis, maar schreeuwt dan niet om bijstand ten koste van allen. Wordt het algemeen door rijke oogsten gezegend, zoo kunnen geene protectie-wetten de graanprijzen doen stijgen, en elke gulden protectieregt is eene belasting op het algemeen, ten gunste van eenige weinigen, terwijl de landbouw bij schaarste door hooge prijzen wordt schadeloos gesteld.

Eenerzijds juicht men Albions vrijgevig stelsel toe en men is verblijd, daardoor zijne haver tot voordeelige prijzen te kunnen verkoopen, en anderzijds zal men ons beletten gelijke voordeelen, door even vrijen invoer te genieten. Men verlieze nimmer uit het oog, dat wij graanhandelaren behoeven, die gegoed en ondernemend moeten zijn, die bij dreigend gebrek kapitalen moeten bezitten en den moed hebben, die te wagen, om door ruime aanvoeren het gebrek te voorkomen, men beseffe dat het de graanhandel is, die in tijden van overvloed hare schuren opent, en speculerende, den landbouwer zijnen overtolligen voorraad afkoopt, welke anders alle waarde zoude verliezen.

Men heeft groote ontginningen, waarvan sommige met gebrek aan kunde en doorzigt ondernomen, die zelf bij vrijdom van grond-lasten geene rekening geven; wel spreken de afgevaardigden uit de provinciën waar die ontginningen werden ondernomen, luide voor schaalregten om hunne speculatiën te schragen, terwijl den vrijen graanhandel en den handelaren, door hen overstemd, geene vergoeding wordt gegeven voor het groote nadeel, dat hun, met die duizenden, die door den graanhandel leven, berokkend wordt. Daarbij begint het gezond verstand overal de bovenhand te verkrijgen, dat, ofschoon belasting op het gemaal moge geheven worden, het algemeen niet meer cijnsbaar mag worden gemaakt, aan een reeds te lang bevoorregte klasse. Zochten grondbezitters rondom het Haarlemmer-meer, de droogmaking daarvan te keeren, uit vrees dat hunne eigendommen daardoor in waarde zoude verminderen, wij vreezen dan ook, dat dezen door hunnen baatzucht, ten koste van de welvaart der geheele natie, wel weder de grootste tegenstanders van ons ontwerp zullen zijn.

Wij staan den vrijen handel voor, omdat wij meenen, dat juist de fabrijken, welke hoog beschermende regten genieten, daardoor wel oogenschijnlijk bevoordeeld, echter wezentlijk benadeeld worden. Vóór het verbod van uitvoer van lompen, en vóór dat er hooge regten op het papier werden gelegd, bloeiden onze papier-fabrijken, en overal wilde men hollandsch papier. De fabrikant, steeds begeerig, verlangde verbod van uitvoer van lompen, en geen invoer van papier; maar welk gevolg heeft dit gehad? Hij gaf zich geene moeite meer, sluimerde in, tot dat hij zijn debiet geheel verloren had, en nu blijkt het, bij onderzoek, dat hem andere natiën op het gebied van schei- en werktuigkunde verre zijn vooruitgestreefd. Ware de concurrentie blijven bestaan, dan zou de vrees voor eigen behoud hem op de hoogte gehouden hebben dier wetenschappen, welke onafscheidbaar aan zijne fabrijk verbonden zijn. Nu derven onze papier-fabrijken hun debiet, en wij worden overstroomd met vreemd fabrikaat; eene reeks van jaren heeft men hier eenen hoogst aanzienlijken handel in lompen geweerd, terwijl niet meer werd ingevoerd, dan voor eigen behoefte benoodigd was.

In Engeland is, sedert den vrijen invoer van wol, de schapenteelt niet achteruit gegaan; sedert het opheffen van het verbod van uitvoer der wol, zijn ook dáár de laken-fabrijken niet verachterd en door den vrijen aanvoer van wol uit alle landen, is de fabrikant niet meer zoo beperkt, in de keuze van zijne grondstoffen. En wat is er van onze laken-fabrijken geworden? Cocqueril de oude, boodt zijne nieuwe wijze van fabriceren te Leiden aan; die stad was beroemd om hare laken-fabrijken, en waande zich dus verheven boven de anderen; COCQUERIL dáár afgewezen, wendde zijne schreden naar Verviers, waar men, schranderder dan te Leiden, den inventeur van iets nieuws met open armen ontving. Verviers voorziet thans alle werelddeelen van laken, en Leiden bezit geene fabrijk meer.

De handel biedt aan de wetenschappen de hand, en van daar voorspoed; terwijl kleingeestige begrippen verdwijnen, en de ondernemingsgeest aangewakkerd wordt.

Gouda klaagt over verval harer pijpen-fabrijken; maar geen inboorling van Gouda, die weet, dat er in Amerika en in Engeland vele pijpen van slechter allooi en fatsoen gebruikt worden, zal er heen gaan, om zelf onderzoek te doen, en een beter fabrikaat aan te bieden;—dit ligt niet in zijnen aard. De Commissiën op de pijpen moeten hem, als weleer, op geregelde tijden geworden;—dit nu niet geschiedende, wordt er over verval geklaagd; op wie rust de blaam?

Vele rekwesten van wolkammers zijn er ingediend, om beschermende regten op de garens. Zij hebben het verbeterde engelsche fabrikaat voor oogen, en evenwel blijft men kammen zoo als voor eeuwen. Menig bemiddelde onder hen, die kinderen heeft, is te beangst, om hen uit het vaderlijke oog te laten gaan, of het komt in zijne gedachte niet op, hen naar Engeland te zenden, om onderzoek te doen naar de wijze, waarop de Engelschen werken, en betere artikelen kunnen leveren. Wij zouden nog eene reeks van voorbeelden van gelijken aard kunnen bijbrengen, om te bewijzen, dat het niet raadzaam is, om door verhoogde regten fabrijken te bevoorregten; maar wel dat de wetenschappen aangekweekt en onder het volk verspreid moeten worden, waardoor wij zullen worden in staat gesteld, om met andere natiën te kunnen concurreren.

Men wordt hier met den vinger nagewezen, als men iets, zoogenaamd nieuws, onderneemt, dat veelal jaren achtereen in andere landen bij ondervinding is gebleken goed te zijn.

Waarom lijden sommige dier ondernemingen bij ons schipbreuk? Deels door de traagheid der natie, welke eene afkeer schijnt te hebben van al wat nieuw is; deels door eigenbelang; deels door gebrek aan behoorlijk onderzoek en aan de noodige kunde van den ondernemer, om zelf te oordeelen, zelf een wakend oog te houden op de werkzaamheden: deels door te goed vertrouwen op de vreemden, waarvan sommige wel de noodige bekwaamheden bezitten, doch ook vaak met ondeugden behebt zijn, om welke zij hun eigen land, met betere inkomsten, hebben moeten verlaten; deels, omdat bij ons werkvolk de ondersteuning, de bekwaamheid en de lust ontbreekt, om de behulpzame hand te bieden.

Nog zeer kort geleden hoorden wij eenen thans overleden, met ondernemingsgeest bezielden baron, die groote bekwaamheden had, laken, om de (zoogenaamde zotte) nieuwigheden, die hij bij zijnen landbouw had willen invoeren, zoo als verbeterde wijze van ploegen, zaaijen, enz. De verdienstelijke overledene had zich vele verbeterde werktuigen aangeschaft; maar alles bleef meest ongebruikt, omdat zijn volk dezelve deels met vooroordeel, deels met tegenzin hanteerde.

Een onzer huishoudkundigen bezocht onlangs Engeland, en doorreisde vooral zulke streken, waar de grond met de zijne niet verschilde. Hij moest erkennen, dat men er ons verre vooruit was; maar had geene der dáár met voordeel gebruikt wordende werktuigen mede gebragt, omdat zijn volk er niet mede wist om te gaan, en hij, zoo doende, vergeefsche kosten zoude hebben gemaakt.

Wilde men met voordeel op engelsche wijze, en met engelsche werktuigen werken, dan zoude men eerst eenige jongelieden uit den boerenstand, daar henen moeten zenden, om, onder eene verstandige leiding, in het werken, en door te werken, onderrigt te genieten, waarvan dan hier voordeel zoude kunnen worden getrokken. Dit zoude meer afdoen, dan het beschouwen van de werktuigen, welke in onze landhuishoudkundige kabinetten voor staatsie staan, en alle jaren eens voor de tentoonstelling worden opgepoetst. Het naar Engeland zenden van jonge lieden, uit den boerenstand, zoude thans aan niet veel zwarigheid onderhevig zijn, sedert de engelsche nieuwsbladen ons berigten, dat, ten gevolge van het aanleggen van zoovele spoorwegen, daar gebrek aan handen voor den landbouw ontstaat. Het ware dus maar hoofdzakelijk de reiskosten; het engelsch spreken leert men spoedig genoeg, voor zooverre het noodig is.

Bleef de natie in alles zich, als in hare zucht voor het oude, gelijk, wij zouden dan vrij wat minder schatting aan de parijsche industrie betalen, en de kosten der huishoudelijke ameubelementen en kleeding zouden vrij wat geringer zijn; doch hierin is de zucht voor het oude geenszins blijkbaar. Het zal eenmaal zoo ver komen, dat er geene nationale kleederdragten in onze beschaafde wereld zullen bestaan; zoo als men zich te Parijs kleedt, zal men zich op elk dorp ook moeten kleeden. Wij zien het bewijs daarvan in de parijsche modeplaatjes, die tot op de geringste dorpen toe voor de glazen prijken, waar maar een kleêrmaker of artiste voor de dames woont. Dat men nu een winkelier, madame, tel et telle eert en acht, welke die modeartikelen, in groote magazijnen, uit den vreemde ten toon spreiden, laten wij daar, maar dat men den Hollander veracht, die door eigen vlijt onderneemt, om ook iets nieuws daar te stellen, waardoor in die behoefte kan worden voorzien, dit is onvergeeflijk.

Waren onze voorouders ook zoo aan het oude gehecht? Schuwden ook zij de nationale uitvindingen, zoodat een uitvinder zich kwalijk, om niet (impertinent) lastig te zijn, bij een groot heer durft te laten aandienen? Haalde men bij hen ook voor een groot genie de schouders op, die het een of ander durfde ondernemen? Van wáár dan die vele ontdekkingen op het gebied van kunsten en wetenschappen, zoodat zij de beste papierfabrikanten waren, de beste uurwerken en klokken vervaardigden; hunne lakens boven andere de voorkeur hadden; niets hunne bleeken evenaarde; dat zij de houtzaagmolens uitvonden, olieslagerijen, lijnbanen, in de toenmalige hoogste volmaaktheid, bezaten, en het aan ontdekkings-ondernemingen naar het Noorden en Zuiden niet ontbrak?

Van wáár, dat de trotsche, zich onoverwinnelijk wanende Spanjaard, als hij den Hollander op zee ontmoette met de lont in de hand, liever in de lucht willende springen, dan zich aan hem overgeven, om genade riep, en zich, ofschoon eene groote overmagt hebbende, aan denzelven overgaf? Van wáár, dat een CZAAR PETER DE GROOTE, naar ons land reisde, en er zijn verblijf hield, om de scheepsbouwkunde te leeren?

Is het de regering, die de volksgeest niet weet te verheffen? of is het, omdat het volk hoe langer hoe onverschilliger wordt, en denkt: het is toch alles maar te vergeefs? Aan beide is het te wijten. De regering acht zich veelal boven de voorstellen van den onderdaan verheven, en de onderdanen handelen niet gemeenschappelijk, om hetgeen, wat nuttig is en noodzakelijk wordt, voor te dragen en klem aan hare vertoogen te geven, en die met vastberadenheid door te zetten. De regering stelt de populariteit niet genoeg op prijs, verliest dezelve uit het oog, het volk zwijgt, hetwelk verkeerdelijk als een blijk van goedkeuring wordt voorgedragen; wat wonder, dat dus alles verachtert en het algemeen er door lijdt?

Wordt er een of ander voorwerp of uitvinding aan het bestuur, tot onderzoek, voorgedragen, en bereikt de daarbij belanghebbende zijn doel, dat het door den Minister wordt aangenomen, zoo waant hij zich gered. Hij dwaalt! De ambtenaar, aan wien nu de taak van het onderzoek wordt opgedragen, is of traag, of bevreesd, dat hij, door het uitbrengen van een op waarheid gegrond rapport, zich op de eene of andere wijze compromiteeren zal, en stelt het in dier voege, dat er geen eigentlijk besluit op genomen kan worden,—en de belanghebbenden ziet zijne poging verijdeld! Vaak ook druischt eene uitvinding tegen wezentlijke of vermeende belangen, van bij het bestuur aangestelden of magten in den Staat en commissiën, aan; en dan, tenzij de uitvinder een man van gewigt is, leiden de beste pogingen schipbreuk. Dat heeft men hier niet alleen bij ondervinding, het schijnt overal het geval te zijn; vandaar dan ook, dat vele uitvinders de vruchten van hun genie niet plukken.