Het ministerie van binnenlandsche zaken zal zich verheugen, dat het overal de thans bestaande zorgen ziet wijken, die door de steeds toenemende armoede worden verwekt. De aan hetzelve gerigte rapporten van provinciale staten, zullen dan van alle kanten te gewagen hebben van bedrijvigheid en neringen, van trafijken en fabrijken.
Het ministerie van oorlog zal zijnen werkkring doelmatig uitgebreid zien, door den aanleg van verdedigingswerken aan nieuwe havens, die tot roem van de landmagt zullen kunnen verstrekken, waar de kunde onzer Genie, zonder belemmeringen, zal kunnen uitmunten in hare keuze van terrein voor vestingwerken op te werpen, waar zij blijken kan geven, eenen COEHOORN te overtreffen.
De marine zal in het bezit worden gesteld van meerdere en diepere havens, met eene onaantastbare zeehaven voor de stad Amsterdam, waar daarenboven de groote werf, thans genoegzaam slechts tuighuis en door verslibbing ontoegankelijk, weder in hare behoeften, als vroeger, zal kunnen voorzien.
Van voor de stad Amsterdam zal het grootste linieschip, onbekommerd omtrent diepgang, toegerust, gewapend en bemand, zee kunnen kiezen.
De marine zal ook hare medewerking niet ontzeggen; bij toenemende scheepvaart wakkert ook de marine aan, daar, in tijden van gevaar, de eerste de steun voor de laatste wordt, om haar wederkeerig te beschermen.
Door voorspoed en vermeerderden handel vermenigvuldigt de koopvaardij en groeit de marine aan. Hare thans karige budgetten zullen onbekrompen kunnen worden. Door meerdere koopvaardij- en meerdere oorlogschepen zal de schoone hollandsche vlag zich alom in verwijderde zeeën en havens ontrollen en golven.
De tijden kunnen komen, dat wij weder mannen als DE RUITER en TROMP noodig hebben tot verdediging van onzen handel en van onze koloniën, en dan zijn zoo veel onaantastbare havens een eerste vereischte; dit bewijzen ons de schatten, welke door onze naburen met verkwistende handen daaraan besteed worden, en die, door verwezentlijking van ons plan, voor onze marine kosteloos zullen worden verkregen.
De inkomsten van het departement van financiën zullen door spoedig vermeerderende opbrengsten, door den meerderen omloop van geld, door handenarbeid verkregen, en door de gevolgen der indijking worden vermenigvuldigd.
Het crediet van den Staat vindt eene grootere waarborg in de vermeerdering van het nationaal vermogen, in de meerdere welvaart en weelde, die de onafscheidbare trawanten van bedrijvigheid zijn.
Het departement van financiën kan eene bron in de zee, welke zoo mild voor hetzelve zal vloeijen, niet willen verstoppen.
Al deze staatsmagten, elk hunner afzonderlijk voor hare belangen naar één doel strevende, vormen een geheel, hetwelk de Hooge Regering gunstig zal doen stemmen voor een ontwerp, hetwelk onafzienbaar, zoo in dadelijke voordeelen als in de gevolgen, voor haar is. Voorzeker eene bemoediging in den druk van dure tijden, tijden van werkeloosheid en verslagenheid voor velen, eene reden van verstomming voor hen, die de krachten van het volk anders zouden willen aanwenden, dan tot werkdadige verbeteringen,—verbeteringen, te groot en te veel, daadwerkelijk en in de gevolgen, om door den grootsten staatsman in eens te kunnen omvat en omschreven worden, die in eene betere toekomst voor onze natie liggen verborgen.
De gunstige gevolgen nagaande, welke wij met zekerheid door het indijken en droogmaken van de Zuiderzee in derzelver geheelen omvang, door het daarstellen van zoo veel kanalen, door den aanbouw der gronden in die zee zullen verkrijgen, hebben ons den tegenwoordigen toestand van ons Land meer leeren kennen en doen overwegen.
Nederland is dat niet meer, wat het vroeger was, wat het nog zijn kon en zijn moest. Dat, wat de wangunst van vreemden beoogde, wat de mededinging van andere volken zocht te bewerken, is schier bereikt. Onze ontzaginboezemende magt is verdwenen; onze grootheid en invloed naar buiten zijn te niet; vele onzer koloniën zijn ons ontnomen; weg zijn onze wereldhandels-vloten, met oorlogsmagt bemand; weg is die stoute ondernemingsgeest van vroeger, die in 1814 nog eens weder herleefde; weg is onze voordeelige ligging aan de zee, waarin weleer zich rivieren loosden, welke men thans ontberen wil, en vroeger niet ontberen kon, dewijl zij door verslibbing harer beddingen en mondingen onbruikbaar worden, en door tijd en kosten verslindende kanalen zijn vervangen. Wij staan ten achteren met onze wegen van vertier—en te laat vatten wij den stoom aan, die wegen baant, zonder afstanden te kennen.
Wat moet er van Nederland worden, bij de mededinging, en bij die betere wegen van vervoer onzer naburen?
Nederland, overvleugeld door magt, bedreigd door zeeën en rivieren, doorweven van kostbare waterkeeringswerken, zoo naar binnen als naar buiten bezaaid met sluizen en wateropvoerings-werktuigen, welke in ligging, aanleg en onderhoud te kostbaar, en in uitwerking te kort schietend bevonden worden, waardoor zij hun doel misten; de gronden verachteren, en de landbouw, met de lasten daarvan bezwaard, tegen meer bevoordeelden magteloos zich zoekt te verheffen; waar ontoereikende middelen ter verbetering der hydrauliek aangewend, waar kosten tot herstel ontzien worden, en de physieke toestand niet verbetert.
Het komt ons thans meer dan immer te pas, het goed bevonden voorbeeld onzer voorouders na te volgen, en den grond aan de Zuiderzee te ontwoekeren, dien deze ons ontnam,—ja zelfs meer dan zij ons ontnam, en den herwonnen, ons ontroofd geweest zijnde grond, tot een schoone parel aan onze kroon te maken, kostelijker dan die, welke haar thans omringen.
Op dien grond, zoo vruchtbaar, zoo edel, zal onze overbevolking gedijen, die nu een last, maar dan eenen zegen wordt. Onze kinderen zullen het vaderland niet verlaten, om te vergeten, dat zij Nederlanders waren. Door aanwinst van land zullen wij onzen landbouw verbeteren, of door afwatering verrijken. De landbouw zal alsdan de middelen verschaffen, waardoor de fabrijken op vertier naar buiten kunnen werken, en met vreemden zullen kunnen concurreren, zoo doende zullen landbouw en fabrijken, geschraagd door handel en scheepvaart, wederkeerig handel en scheepvaart schragen.
Door onze verbeterde gemeenschap met de zee- en handelskanalen, door verbeterden landbouw, door bloei van op onzen grond te huis behoorende fabrijken, die geene behoeftige bevolking aankweeken, en door bloeijenden handel, zullen wij ons voor andere volken onmisbaar maken, en door het belang dat zij bij ons hebben, hen tot onze vrienden maken, en tot hunnen spijt blijven bestaan, die den ons zoo dierbaren grond gaarne zagen verslinden, om van Keulen af den Oceaan te kunnen bevaren.
Wij herhalen het, Nederland kan door inspanning van krachten, een gelukkig land worden. Het is voor hetzelve eene levensvraag, behalve de aanwinst van eene rijke provincie, verkorte gemeenschap met de zee daar te stellen, welke door mindere kosten, af- en aanvoer aanwakkeren zullen. Het is eene levensvraag om aan den gezonken handel, scheepvaart en landbouw, nieuwe bronnen van welvaart te verschaffen, daarbij den bloei van fabrijken verzekerende.
De aanwinst eener schoone en kostelijke provincie ligt in ons bereik, over welker in bezitneming, wij met geene vreemde mogendheden zullen hebben te onderhandelen; waartoe slechts de wil noodig is, om ze de onze te maken.
Deze schoone taak op ons nemende, dat grootsche werk voltooijende, daarvoor worden de inspanning van krachten en de gemaakte kosten rijkelijk vergoed, het late nageslacht zal er ons voor zegenen.
Het zal aan onze verguisde natie achting en ontzag hergeven.
De invloed zal moreel en physiek zijn: moreel omdat onze werkzame geest stof tot werk zal vinden; physiek daar onze gesteldheid alom zal verbeteren.
Wij dragen met vertrouwen op de uitvoerbaarheid een ontwerp voor, dat reeds vroeger had moeten verwezentlijkt zijn, dat door zijne gevolgen reeds nu zijnen zegen over ons land had moeten verspreiden.
Waande eens NAPOLEON den Helder tot eene oorlogs- en zeehandelshaven te kunnen verheffen, hij zag de reeds lang gebouwde wereldstad over het hoofd, waaraan alleen het Zeekanaal ontbrak, om hare veilige en onaantastbare haven te naderen, van waar zegen en voorspoed alom verspreid werd, en wederom zal kunnen verspreid worden.
Eenmaal zal alsdan door de stad, welke thans ontvloden wordt, wegens gebrek aan versche lucht, aan water en aan vertier, de Rijn kunnen stroomen, en zal hare sluimerende grootheid weder ontwaken.
Wien het geluk van Nederland ter harte gaat, en gelooft meerder voor hetzelve te kunnen verrigten, wijze iets beters aan, dan de droogmaking der van ouds genoemde Goudzee met zeehavens en kanalen, zoo onmisbaar voor landbouw, fabrijken, handel en scheepvaart, een spoorslag en ontwikkeling gevende, waardoor Neerlands crediet, roem en eer gewaarborgd worden en LEEGHWATERS spreekwoord bewaarheid:
(1) Wenschelijk beschouwen ook wij, eene meerdere bevolking van de kolonie Suriname door landgenooten, doch eigene ondervinding, heeft ons ook geleerd, dat wel de man daar met genoegen leven zal, doch dat de physieke staat der vrouw daartegen pleit. Jonge mannen, met frissche kracht, en van onbedorven zeden kunnen het klimaat daar weêrstaan, en bij matigen veldarbeid gezond blijven; zij weten zich boven kleine ongewone ongemakken te verheffen; maar de vrouwen minder, en die gevoelen zich daardoor ongelukkig. Ook is er aldaar geen gebrek aan blanke vrouwen, zoo als in Oost-Indiën, zoodat de trouwlustige aldaar, ampele keuze vindt, en gelukkiger met eene aldaar geborene zijn zal, dan met eene gade, welke uit haren gewonen werkkring verplaatst wordt. Naar de Oost-Indiën is het vertrekken van huisgezinnen beter aan te bevelen, ook daar is het klimaat zoo verwoestende niet voor de gezondheid, en leveren de hooger liggende, goed te bebouwen velden, een aangenaam verblijf op. Mogt de landverhuizer ook inzien, hoewel hij minder geld voor den overtogt naar Amerika geeft, dan naar de Oost-Indiën, deze overtogt hem nagenoeg evenveel kosten zal, omdat hij nog honderde uren in het binnenland te reizen heeft, alvorens de plaats zijner bestemming naar de westelijke grenzen bereikt is.
(2) Men heeft te Delft eenen verkeerden weg ingeslagen; door slechts modellen te aanschouwen, wordt men geen kundig praktisch geoefend werktuigkundige, de theorie alléén is niet voldoende. Engeland heeft zijne grootste werktuigkundige ingenieurs te danken, aan dezulken, die in de groote werktuigenfabrijken, zoo van stoomwerktuigen als anderzins hebben geleerd en gewerkt. Dáár staat de toekomstige ingenieur, aan een aambeeld of draaibank te werken, en leert de metalen kennen; daar leert hij door ondervinding wat theorie is, geschikt om in praktijk gebragt te worden; terwijl het hem er ook niet aan wetenschappelijk onderwijs ontbreekt. Berlijn heeft ook zoodanige school, die reeds vele bekwame personen heeft opgeleverd. Even zoo moest ons Rijk eene eigene werktuigenfabrijk bezitten, waaruit meer nut zoude worden getrokken, dan van modellen te bestuderen. Wij zouden alsdan zoovele wangedrochten in onze publieke werken niet hebben, welke in de theorie hoog worden opgevijzeld, maar helaas! in de praktijk niet aan de verwachting beantwoorden.
(3) Te Amersfoort heeft men een Gymnasium met eenen rector, eenen conrector, benevens eenen lector in de wis- en natuurkunde, hetwelk bezocht wordt door de studenten van het seminarium van het college der R. C. Cleresie, alsmede door eenige weinigen, welke meesters in de beide regten willen worden, door enkele toekomstige godgeleerden, Med. Art. Obstr. doctoren en apothekers. In Frankrijk en in Amerika, begint men het voor tijdverkwisting te houden, Latijn en Grieksch te leeren, zoo dat men in de fransche en engelsche talen doceert. Men laat de studie der oude talen over aan hen, die wetenschappen der oudheid bestuderen, en verspreidt overal licht over natuur-, wis-, schei- en werktuigkunde; men is er trotsch op, dat daardoor, zooveel voorspoed in fabrijken en handel heerscht. Niet zoo is het te Amersfoort, daar mag men aan het Gymnasium, de lessen in de wis- en natuurkunde niet bijwonen (waarvan de fabrikant, de verwer, de bleeker enz. konden partij trekken) ten zij ook de latijnsche en grieksche talen geleerd worden. Te Amersfoort bestaat ook van wege de Maatschappij: tot Nut van het Algemeen eene industrie-school voor handwerkslieden; ook daar wordt volgens de statuten den toegang aan den fatsoenlijken burgerzoon geweigerd, omdat hij geen jongen is, die op een ambacht gaat. De stad, waar spinnerijen, weverijen, verwerijen en bleekerijen zonder welvaart bestaan, moet blijven kwijnen, niet uit gebrek aan fondsen, want het Gymnasium kost der burgerij duizende guldens jaarlijks, maar alleen om de ondoelmatige aanwending. Eene verstandige hervorming van het Gymnasium en van de statuten der industrie-school ware wenschelijk en nuttig.
(4) Eertijds loofde men, met het bezit van den grond, twee tonnen gouds uit aan dengene, die het Koegras wilde indijken—dat werk is volbragt! Leeghwater wilde vóór twee eeuwen het Haarlemmer-meer droogmaken; men hield het voor eene hersenschim—nu dit meer zoo veel grooter en dieper geworden is, zal men het ondernemen!
(5) Bij ons bestaat een zeer groot ongerief. Een burger, die zich over een ambtenaar te beklagen heeft, levert zijne klagten in bij den minister. Dit beklag wordt door Z.Ex. aan den betrokkenen ambtenaar toegezonden, ter fine van consideratie en advys, op deszelfs rapport, wordt door zijne Z.Ex. conclusie genomen, en hoe dit antwoord geweest is, krijgt de geriefde nimmer te weten. En hoe zou het mogelijk zijn, (wij willen niet zeggen, dat hij in het ongelijk wordt gesteld), dat het indienen van klagten hem iets zouden baten: de eene heeft zijne vrienden en betrekkingen bij het ministerie, en de andere kent de laarsjes en de trappen niet, om op te klimmen. Werd echter, zooals regt en billijk was, den klager het rapport van den aangeklaagden ambtenaar, ter wederlegging, tot repliek medegedeeld, en dan in handen gesteld van onzijdigen, dan ware het vrij wat beter voor ons volksgeluk.
(6) Het gouvernement stelde in 1815 en 1816 een transitoregt van 3%, met 13 opcenten, op katoenen garens. Een huis te Amsterdam had met een huis te Londen eene overeenkomst getroffen. Het londensche huis had zijne agenten te Liverpool en Manchester, en stond in relatiën met alle katoenspinners, en wilde 100,000 pond st. bezigen, om de geschikste sorteringen, twisten of gesponnene garens, voor de duitsche en zwitsersche markten te koopen, en te zorgen, dat daarvan ten allen tijde ruimen voorraad te Amsterdam zoude zijn. Duitschland en Zwitserland hadden slechts de nommers op te geven, en er kon te Amsterdam terstond in hunne behoeften worden voorzien; er circuleerden reeds eenige tonnen gouds. De concept-wet bij de Staten-Generaal ingediend zijnde, vond zich het amsterdamsche huis verpligt, het londensche daarvan te verwittigen. Een bekende uit Hamburg was te Londen bij de ontvangst van dezen brief tegenwoordig. Men sprak er over: de Hamburger beweerde, „de doorvoerregten in Holland waren te hoog. Wat te Amsterdam niet meer kon plaats hebben, kon nu even geschikt te Hamburg geschieden.” Den Hamburger werd de zaak toevertrouwd, en de zich deswege geëtabliseerd hebbende Duitscher reed, binnen weinige jaren, in eene elegante calèche met vier paarden.
De Amsterdammer bezocht weinig tijds daarna eenen vriend in den Haag, eerste commies bij het Ministerie van Financiën. Men dutste zich, zooals de Duitscher zegt, en het volgende gesprek viel voor:
De Amsterdammer. Zoo, JAAP! hoe heb je het?
De Hagenaar. Wél, KO! Maar hoe zie jij er zoo bedrukt uit?
De A. Dat is jou schuld, JAAP!
De H. Mijn schuld—dat begrijp ik niet.
De A. Gij hebt 3½% transito regt op de twisten gelegd, en die gaan nu over Hamburg voor ½%; dit maakt mij in Amsterdam eene misrekening van ƒ 235,000, waarvan mij jaarlijks ruim ƒ 100,000 zouden zijn toegekomen.
De H. Maak mij die rekening eens, KO!
De A. Hoor! 100,000 pond st. is ƒ 1,200,000, gemiddeld die som, drie maal in een jaar omgezet, maakt eene som van ƒ 3,600,000.
| daarop het land ½% | ƒ | 18,000 |
| provisie en delcrediere 3% | „ | 108,000 |
| courtage 1% | „ | 36,000 |
| duitsche commissionair 1½% | „ | 54,000 |
| registratie voor remises en traites 2‰ | „ | 7,200 |
| wissel-courtage 1‰ | „ | 3,600 |
| onkosten | „ | 9,000 |
| dit zijn | ƒ | 235,800 |
| door een enkel huis in één jaar. | ||
De H. Ik heb niet geweten, dat daar zulke sommen mede gemoeid zijn.
De A. Dan hadt gij eerst de zaken moeten onderzoeken, alvorens zulke ruïneuze wetten te maken.
(7) Men berekent het op ƒ 100 per last graan, ons uit den vreemde toegevoerd, dat er aan vracht, assurantie, lossen, opdragen, verschieten, meetloon, afdragen, pakhuishuur, courtage en provisieloonen is in handen gekomen, behalve de winst en vracht bij den weder-uitvoer.
In 1817 werden er alleen 80,000 last tarwe aangevoerd, daaraan waren dus ƒ 8,000,000 verdiend; rogge werd in gelijke verhouding aangebragt. Laten nu de voorstanders der graanwetten ons de verdiensten van den landbouw, tegen die schade opwegende, aanwijzen.
Een koopman betaalt milde loonen; een koorndrager kan van ƒ 1,50 tot ƒ 2 daags verdienen, en in den winter wordt door den landbouwers in de Betuwe 15 cents daags betaald.
(8) Hoe kleingeestig Rijnlands collegie nog over de waterberging denkt, leert ons het volgende: Men heeft aanvraag gedaan, om een klein meertje van 300 bunders, van het Haarlemmer-meer te mogen afdammen en droog maken; de Ministers stemden toe, maar Rijnland niet, om behoefte aan waterberging. Het ziet er waarlijk erg bij ons uit, wanneer aan zulke collegie's de magt en het regt toegekend wordt, om nuttige ondernemingen op fautive gronden te keeren.