Vervolgen wij nu den loop onzer gedachten, hoe de handel, door de instandbrenging van ons plan, gediend zal zijn.

Men vergunne ons, den lezer nog eens nader toe te lichten, welk nut uit de indijking van een gedeelte van het IJ getrokken zal worden.

Het voordeel, door de indijking van 8000 bunders beste kleigrond in het IJ te verkrijgen, in stede van een, kosten zonder voordeel aanbrengend, water te behouden, valt van zelf in het oog.

Amsterdam wilde vroeger nimmer gedoogen, dat de Slaperdijk verhoogd werd. Het regt van zelfbehoud waande, dat, wanneer de Slaperdijk overliep, de stad alsdan gered ware, even alsof bij eenen, door de Voorzienigheid gelukkig altoos afgewenden, aanhoudenden storm en hoogen vloed, er niet meer water uit de Noordzee in de Zuiderzee had kunnen dringen, dan Rijn- en Delfsland kunnen verzwelgen, en dat dan Amsterdam, bij de indringing van dat water, ook niet zou hebben kunnen of moeten onderloopen. Er zijn nu nog menschen in leven, die zich het overloopen van den nu verhoogden Slaperdijk herinneren, en die de schrik en ellende kunnen beschrijven, door dit overloopen veroorzaakt. Het is ook nog in veler geheugen, welke schade en ongelukken, door den hoogen vloed van 1825 in Noord-Holland en alom in ons Rijk veroorzaakt zijn; alsmede in welken angst men later nog te Spaarndam en te Amsterdam heeft verkeerd. Er kunnen weder stormen en hooge vloeden komen, en is dan ons plan voltooid, dan kunnen wij die zonder bezorgdheid te gemoet zien, daar, bij den overvloed van specie uit de diep te graven kanalen, breedere en hoogere dijken, dan nu bestaan, zullen kunnen gelegd worden.

Men verbeelde zich eens, het IJ ingedijkt, zoo als wij zulks voorstellen.

Er zouden alsdan drie wegen van gemeenschap met Noord-Holland komen, waar er nu geen enkele is: men kwam van het Wester-dok naar het Tolhek, van Zaandam op Halfweg, en van Nauerna op Spaarndam, zoodat men bij ijsgang geene overtogten, van 4 uren van de Nieuwe Stads-herberg naar het Tolhek, te vreezen had. Behalve langs de geregelde vaarten van uit de Zaan, zouden 's winters langs die wegen de toevoeren van de Zaanlandsche fabrijken, van vee uit Noord-Holland, en van de behoeften naar de Zaan en Noord-Holland, met geringe kosten kunnen geschieden, hetwelk nu dikwerf voor weken en maanden niet geschieden kan; en wanneer het al plaats kan hebben, dan nog slechts met groote bezwaren, vele kosten en oponthoud. Gelijk deze gemeenschap met Amsterdam zoude verbeteren, vond zulks ook met Haarlem plaats; en is eenmaal de droogmaking van het Haarlemmer-meer voltooid, dan worden daardoor wederkeerige behoeften geboren, welke den weg en de vaart, van de Zaan op Halfweg, van het grootste gewigt zoude doen worden, en Halfweg tot eene plaats van levendig vertier maken, iets, dat voorheen niemand in de gedachten kwam.

Ook het oponthoud, hetwelk onze binnenlandsche handel en scheepvaart zoo vaak ondervinden, dat men, om oosten-wind en gebrek aan water, niet van Spaarndam, noch van de Zaan weg kan komen, of dat men dikwijls dagen achtereen moet blijven liggen, wanneer door hoogen waterstand niet geschut kan worden, zou niet meer plaats hebben. Door al zulke nu zoo veelvuldig in het najaar en in den winter plaats hebbende stoornissen in de vaart, wordt zeer veel verlies geleden, dat, alhoewel niet algemeen bekend, door de belanghebbenden, die het ondervinden, maar al te goed kan beoordeeld worden, zoodat men met vreugde middelen zal zien aanwenden, om zulk ongerief, waaraan groote verliezen verbonden zijn, uit den weg te ruimen.

Men veronderstelle eens, alles bestond reeds, gelijk wij het hier voorgesteld hebben. Nu kwam men op het denkbeeld, om, voor Amsterdam eene waterberging behoevende (even als Rijnland het jaren lang heeft doen voorkomen, daartoe het Haarlemmer-meer te behoeven, ⅓ van Rijnlands geheele oppervlakte), die 8000 bunders schoone, vruchtbare velden in water te veranderen, en dat men om dien boezem dijken moest aanleggen met kostbare sluizen;—zoude men dan niet eene algemeene kreet hooren opgaan? 8000 bunders best land aan de zee ter prooi te geven! Dijken te moeten bekostigen, in aanleg en onderhoud bezwarende! De zoo noodige land- en veilige watergemeenschap op te breken! De geregelde drooghouding der landerijen binnen die dijken te beletten. Daardoor duizende bunders land in moerassen te veranderen, dat toch het gevolg moet worden, aangezien de boezem, na verloop van tijd, onvermijdelijk zou moeten verslibben! Amstelland ook van geregelde spuijing te berooven, en de stads-grachten, steeds van versch en goed drinkwater voorzien, in zoo vele stinkpoelen te veranderen, waardoor men schuiten water van elders zou moeten laten komen, en er sprake zou moeten zijn, om kostbare waterleidingen te maken, die toch op de gewone wijze, met veel overleggingen en veel praten, niet tot stand zouden komen!

Verbeeld u al deze niet overdrevene nadeelen,—welke te verhelpen zijn, als men slechts wil,—die thans bestaan en van jaar tot jaar toenemen.

In het tot dus verre afgehandelde is er van zelf reeds veel sprake geweest van de verbeteringen voor den landbouw, welke uit de exploitatie van ons ontwerp zullen ontstaan; doch die landbouw is te gewigtig, en te velen hebben er belang bij, om niet nog eenige bijzonderheden daarover op te teekenen, waarbij de verbeterde waterloozing, door hare wenschelijke gevolgen, den eersten rang bekleedt.

Wat men nimmer bevroedde, en waarvan men alzoo nimmer de gewenschte gevolgen berekend heeft, is, dat door den krachtigen stroom, met grooten diepgang en waterboezem voor de stad Amsterdam, geheel Noord-Holland en Amstelland op Rijnlands-peil zullen worden gebragt. Wat weldaad zulks voor Noord-Holland zoude zijn, zullen, onder meer anderen, de Heer-hugowaard, de Schagerwaard en het district van Ierswoerde weten te waarderen, welke alle afgesloten liggen van het Noord-Hollandsche Amstel-peil, waardoor de Heer-hugowaard en de Schermer zooveel boezems en strijkgemaal behoeven, die dikwerf niets baten.

Er moeten duizendtallen bunders op boezems uitmalen, welke ½ el lager liggen dan het Noord-Hollandsche Kanaal. De nadeelen, welke daaruit ontstaan, zijn niet te berekenen.

Hoe schrikkelijk werd men in de Heer-hugowaard, in het natte jaar 1841, geteisterd door gebrek aan uitwatering. Eens moest men tien achtereenvolgende dagen den stevigen wind door de hekken laten waaijen, daar de boezem boven peil stond, en men dus door de lagere ligging niets kon ontlasten. De ellende in die polder steeg ten top; het water stond er op eene el hoogte, zoodat die waard naar eene zee geleek. Soortgelijke rampen waren voor immer geweerd en voorgekomen. De noodzakelijkheid, om het Noord-Hollandsche Kanaal altijd op deszelfs tegenwoordig peil te houden, verviel, daaraan was geene behoefte meer, dewijl de groote en diepgaande schepen het Kanaal niet meer zouden passeren, enkele gevallen uitgezonderd. Door het ontstane lagere peil werd eene geheele streek van Noord-Holland, van Zandpoort af tot aan het Buitenveld toe, van bemaling ontslagen.

Het is bekend, dat de sluizen van het Noord-Hollandsche Kanaal, aan het Nieuwe Diep, vermogender zijn, dan al de andere sluizen in Noord-Holland te zamen genomen. Hieruit nu mag men afleiden, dat de uitwatering door het Zeekanaal in de Noordzee, die 14 à 15 uren nader aan den hoek van Holland ligt, veel krachtiger zal worden, dan die aan het Nieuwe Diep, terwijl ook nog dit nieuwe kanaal breeder en dieper wordt, en zich in een magtiger buitenverhang verliest.

Bij den bloei van den groothandel, van de zeevaart en van de tallooze fabrijken van vroegere dagen, lette men niet op den rijkdom van grond aan de Zaan, even min als in vele andere provinciën van ons Rijk. Thans, daar vele bronnen van welvaart aldaar verdwenen zijn, en daardoor de armoede schrikwekkend toeneemt, zal men, bij eene verbeterde afwatering, veel van die armoede kunnen keeren, en den last en druk daarvan kunnen lenigen.

Genoegzaam kosteloos en onopgemerkt, zullen de nu moerassige landen alsdan daar droog blijven. Die gronden zijn bij uitstek geschikt voor de teelt van groenten en vruchten. Het is eene uitgestrektheid van duizende bunders, en die uitgestrektheid wordt van zelf grooter, doordien men het groote aantal van slooten en slootjes zal kunnen ontberen, hetwelk men daar thans heeft.

Bij de daar te stellen scheepsgelegenheden naar buiten'slands, kan men op eenen geregelden aftrek van allerlei vruchten, groenten, gevogelte, eijeren, enz. rekenen. Met weinig moeite en kosten ware alsdan veel te verbeteren. De polders van den Oost- en West-zaner-ban zouden gevoegelijk, door de stoombemaling van den nieuw te scheppen Midden-IJ-polder, kunnen worden geholpen, wanneer er soms nog behoefte aan bemaling mogt bestaan, na alvorens alle fabrijken aan de overzijde van den Zaanstroom, alsmede die van Westzanen, behoorlijk met kaden buiten gedijkt te hebben, en wel zoodanig, dat de hoofd- en dwarsvaarten tot gemeenschap in wezen bleven; van de elf binnensluizen, zouden er ook verscheidene kunnen vervallen; thans kan de Westzaner-sluis alleen bij een dood getij spuijen, en zij zal, met een veel grooter verhang, op de binnenvaarten van den nieuw te scheppen IJpolder kunnen werken. Het is onnoodig, de alsdan aldaar te verkrijgen voordeelen verder toe te lichten.

Het uitgestrekte gebied der Ilpen is, bij den aanleg van het Noord-Hollandsche Kanaal, door onkunde en vooringenomenheid van deszelfs toenmalige bestuurders, tegen betere inzigten van den Waterstaat, in slechter toestand geraakt, dan immer te voren. Door aanhoudenden toevoer van honderde kubieke ellen ziltig water, bij elke schutting van de sluizen, op zijne reeds drassige landen, verviel zijn toestand van erger tot erger. Uithoofde der tegenkanting van dit bestuur, moest er te Purmerend eene kostbare sluis gelegd worden, met dat ongelukkig gevolg, dat de Willemssluis niet in het IJ kan spuijen, en al haar water nu over hooger liggende gronden, zoo als die van het Zand of Koegras, naar het Nieuwe Diep moet geloosd worden.

Het ware voor Noord-Holland voordeeliger geweest, wanneer het geheele kanaal op Amstel-peil ware gelegd. Nu die Ilpen door dure ondervinding van het bederf hunner landerijen ingelicht zijn, mogen zij aanzoek doen bij het Hooge Bestuur, om hunnen misslag hersteld te krijgen, en de vroegere plannen van den Waterstaat in wezen te roepen, maar zeer waarschijnlijk lijdt hun wensch schipbreuk om de daarmede gepaard gaande groote kosten. Met ons plan zouden de Ilpen ook gered zijn.

Door de steeds aangroeijende verslibbing van het IJ, wordt de uitwatering van Amstelland meer en meer belemmerd, zoodat Amsterdam er ook den last van ondervindt; door het Noordzee-Kanaal zal de uitwatering hersteld en een voldoend spuijingsvermogen verkregen worden.

Het is bekend, dat Rijnland een groot half el meer verval door de Katwijkersluizen in de Noordzee heeft, dan door hare sluizen in het IJ, en die sluizen van het Haarlemmer-meer aan Halfweg en Spaarndam liggen reeds 3 palmen lager, dan die van Amstelland, zoo dat Amstelland vermoedelijk een el meer verval zal krijgen, dan het nu bezit.

Het is ligt na te gaan, welk voordeel dit meerdere verval van water der stad Amsterdam zal aanbrengen, daar de stads-grachten en hare singels schoon gehouden en van versch en drinkbaar Vechtwater zullen voorzien worden, alsmede de Overtoom, de Weteringen en de buiten- en binnen-Amstel. Bijzonder zal zulks voor de gezondheid der ingezetenen zeer bevorderlijk zijn. De verlegenheid, waarin men zich dikwerf bevindt, om drinkbaar water te krijgen; het genoegelijker verblijf voor ingezetenen en vreemdelingen, welke zich niet aan de onaangename lucht aldaar gewennen kunnen; de voorziening van vele fabrijken, welke met bezwaarde kosten schuiten voor water moeten aanhouden,—dit alles zijn voordeelen, die buiten het handelsbelang wel in aanmerking dienen te komen, en waarbij nog bovendien de in Amstelland gelegene gronden aanmerkelijk zullen verbeteren.

Het polderwater, hetwelk nu eene wezentlijke last is voor de stad, zal haar alsdan tot eenen zegen verstrekken; want hoe sterker, de aandrang daarvan naar de stad zal zijn, hoe zuiverder de grachten zullen kunnen worden gehouden. Wij gelooven, dat het spuijingsvermogen zoo aanzienlijk zal worden, dat men het wenschelijk zal oordeelen, dat de Vecht en Rijnland met het waterschap van Woerden zich van de stad zullen willen bedienen, voor welke laatste het eene groote weldaad zal zijn.

Heeft men het geopperd ontwerp nog niet geheel ter zijde gesteld, om water uit het IJ in de grachten te laten loopen, en hetzelve daarvan door water-opvoerings-werktuigen, door stoom bewogen, weder te ontlasten, om zoodoende de grachten eenigermate te zuiveren,—bij ons plan zoude dit ontwerp vervallen.

Onopgemerkt zal het voor de onkundigen gebleven zijn, dat de sluizen der stad aan het IJ, en die van Rijnland aan Halfweg en te Spaarndam, maar ten halve werken, daar de laag slib, die voor de sluizen ligt, hooger is dan de drempel dier sluizen, waardoor de afloop van water belemmerd en vertraagd wordt. Door het daarstellen der twee zoogenaamde dokken heeft men wel eene aanzienlijke schuring in den stroom verkregen, zoodat daardoor voor de stad eene meer dan benoodigde diepte is ontstaan; maar ook door het laten bestaan van die ruimte, tusschen de dijken der twee dokken, waardoor eene inham is gevormd, heeft het door den stroom opgestuwd wordende troebele water tijd om te bezakken. De ondiepte neemt aldaar dus bestendig toe, en de moddermolens, moeten gestadig werkzaam blijven, zonder dat dit een gewenscht gevolg oplevert. Hadde men in eene bedijking, van het eene dok naar het andere gelegd, en dan de uitwatering der sluizen, tot aan den stroom, die met eb en vloed, uit en in het IJ vloeit, gelegd, dan ware er beter spuijings-vermogen aan de sluizen gebragt.

Voor Amsterdam is dezelfde fout begaan, als voor het Nieuwe Diep, alwaar men de groote sluis voor de marine, binnen in den bogt heeft gelegd, die, ondanks al het baggeren, onbruikbaar blijft.

Door den voor de stad te vormen boezem of de haven, of dit gedeelte van het IJ, hetwelk daartoe bestemd blijft, en dat omstreeks 1200 bunders of 12,000,000 kwadraat ellen zal beslaan, zal er met het meerdere verhang tot in de Noordzee, en wel van bijna 2 el bij hoog tij, tweemaal 's daags een aan- en afvoer van 24,000,000 kubiek ellen water ontstaan; de werking, die daardoor op de sluizen voor de stad zal worden verwekt, die alsdan op halve diepte van het kanaal zullen liggen, zal daaraan geëvenredigd groot zijn, en nimmer zal er zulk een groot vermogen bestaan hebben.

De vraag zal dan niet meer behoeven geopperd te worden, daar die van zelve opgelost zal zijn: of het IJ, in zijn geheel voor waterberging, tot na geëindigde droogmaking van het Haarlemmer-meer, in wezen zal moeten blijven?

Het Zeekanaal, de boezem voor de stad Amsterdam, de ringvaarten tot Enkhuizen, en die langs Muiden tot Stavoren, allen begrepen in de indijking van Enkhuizen op Stavoren aan, leveren eene oppervlakte van omstreeks 30,000,000 el voor waterberging op.

Bij het tijdig afsluiten van de sluizen te Zandpoort en te Enkhuizen en Stavoren, zal men in een regenachtig seizoen, bij eenen opstoppenden wind, een dubbel getal, en dus 60,000,000 kub. el water in dat kanaal, dien boezem en die ringvaarten kunnen bergen, zoodat deze gezamentlijk een zeer aanzienlijke boezem uitmaken. Dusdanige gelegenheid van buiten-waterberging bestaat er thans niet; want bij eenen opstoppenden wind belet de hooge waterstand in de Zuiderzee, den afloop van het water uit onze sluizen en afwateringen; hij doet nog meer: het water der Zuiderzee dringt door de rivieren, door opene, niet bedijkte, en niet afgeslotene afwateringen, tot ver het land in, en zoolang het binnengestuwde water niet weder afgeloopen is, kan het overtollige polder- en binnenwater ook niet ontlast worden. Dit schadelijke binnendringen van zeewater wordt vooreerst belet, en daarenboven is er dan nog gelegenheid gemaakt, dat het overtollige binnenwater ook tijdig weg kan.

Dat dit van het grootste belang voor vijf provinciën is, welke allen behoefte aan deze verbetering hebben, is klaarblijkelijk, en zal door den landman naar waarde geschat worden. De gelegenheid, dit water te kunnen bergen, wanneer het gevorderd wordt, is ook van gewigt, tijdens het droogmaken van de Zuiderzee en van het Haarlemmer-meer, omdat men daardoor in staat gesteld is, onafgebroken te kunnen blijven doorwerken.

Het hier ter nedergestelde is een afdoend bewijs, dat het daarstellen van het kanaal zeer bevordelijk zal zijn aan de droogmaking van het Haarlemmer-meer, en van het wenschelijke, dat het zeekanaal bestond, alvorens men met de uitmaling van het Haarlemmer-meer eenen aanvang maakte.

Men weet, hoe gering het aantal sluisgangen te Halfweg en te Spaarndam in vergelijking met de sluisgangen te Katwijk is; ware het kanaal gereed, dan zouden die sluizen niet zoo werkeloos zijn, en alsdan door hun aantal, en door de meerdere diepte van het kanaal, meer effect doen, dan de Katwijker sluizen; het kostbare strijkgemaal te Spaarndam werd overbodig, dat buitendien niet werken kan, wanneer het boezemwater in het IJ hoog is.

Men heeft veelvuldige meren en plassen, welke aan het Haarlemmer-meer belenden, van welke men sommige van het Meer zelf afgedamd heeft, die men ook al, om aan de bestaande vooroordeelen van waterberging te gemoet te komen, in wezen heeft gelaten; maar welke dreigen, na verloop van jaren, wederom eene oppervlakte zoo als thans het Meer heeft, te zullen beslaan, met hunne kosten ter beteugeling, voor verwoestingen enz. Het zoude wel de moeite beloonen, om te onderzoeken, in hoeverre het doenlijk en raadzaam ware, deze meren en plassen in eens met het Haarlemmer-meer droog te maken; terwijl het spuijingsvermogen door sterk werkenden afloop door middel van het kanaal, zoo veel aanzienlijker werd. Leveren nu het spuijingsvermogen en de water-opvoeringswerktuigen betere resultaten dan vroeger op, zoo moeten natuurlijk de kosten tot bestrijding van het droogmaken aanmerkelijk minder worden, waardoor voor onuitvoerbaar gehoudene, maar gewenschte, plannen verwezenlijkt kunnen worden, dat zeer veel tot de materiële welvaart van ons land zouden bijdragen.

Wij achten die meren en plassen, met het kostbare onderhoud, daaraan verbonden, onnoodig voor waterberging. Leeghwater hield in de Beemster geene bunders land voor boezems achter; wij zullen die evenmin, in het droog te maken IJ en in de Zuiderzee behoeven,—de Noordzee is er voor.

Men ziet toch nu wel in, dat, wanneer er behoorlijk voor de afwateringen van stroomen en rivieren gezorgd wordt, en de afwateringen voor polders enz. onafgebroken in werking zijn, er geene duizenden bunders voor waterberging, en waarvoor de zee dienstbaar is, noodig zijn. Mogt Rijnland voor dezen zoo angstig gestreden hebben voor het behoud van zijnen, steeds aangegroeid zijnde, boezem, die het een derde gedeelte van zijne oppervlakte ontnam, millioenen guldens, aan onderhoud kostte, duizende ingelanden ongelukkig maakte, die dorpen met inwoners, have en vee verslond, het zoude door twee gestadig werkende uitwateringen in de Noordzee een der meest begunstigde polders in ons Rijk kunnen worden(8).

Voor de aan en om de Vecht gelegene landen, voor de provinciën Overijssel en Drenthe, zal de eerst te ondernemene indijking van een gedeelte der Zuiderzee niet minder voordeelig zijn, dan voor Noord-Holland. Voor immer ware men daar mede gewaarborgd voor die schadelijke inundatiën, door het in de Zuiderzee zoo vaak opgestuwd wordende water veroorzaakt, waarvan de nadeelige gevolgen onberekenbaar zijn.

Door eenen gewaarborgden geregelden afloop van het IJsselwater zullen de wateropstoppingen in het hart der provincie Overijssel en Gelderland gekeerd kunnen worden, en zal men in de provinciën zelve alsdan met vrucht veel tot verbetering kunnen bijdragen.

Er ligt daar veel grond, welke, bij tijdigen afloop van het water, in het vroege voorjaar, veel in vruchtbaarheid zal winnen, en waardoor dan de waarde der landerijen met de meerdere welvaart der bevolking zal toenemen. Genoegzaam dezelfde voordeelen, zullen de provinciën Vriesland en Groningen verkrijgen, wanneer de indijking van de geheele Zuiderzee wordt ten uitvoer gebragt, en men ook om de kust van Groningen een bolwerk zal gelegd hebben, waardoor de nu nog bestaande bezorgdheid voor hare veiligheid zal verdwijnen. Ook ware het doenlijk, wanneer er fonds genoeg ingeschreven werd, de omdijking van de Groninger-kust, te gelijk met die van het eerste gedeelte te beginnen, terwijl daardoor de instandhouding der gemeenschap niet belemmerd wordt, en de werkzaamheden aan de beide vakken ver genoeg van elkander zijn afgelegen, om geene stoornis in dezelve, van de eene door de andere, te duchten te hebben.

Komt men tot eene opsomming van al de te verkrijgen voordeelen, welke deze onderneming, tot stand komende, zal kunnen opleveren, zoo zullen die wel opwegen tegen eene ingebeelde vermindering van landswaarde, door de aanwinst van 600,000 bunders land, waarop een daaraan behoefte hebbende boerenstand wacht.

Bovendien zoude het wel begrepen belang niet mede brengen, dat de onderneming hare bezittingen spoedig ging verkoopen, daar de verpachting eene voordeelige geldbelegging aanbiedt, en bij den overvloed van geld, dat men gaarne in vaste goederen wil beleggen, het evenwigt zich zeer spoedig herstellen zou. Den angstigen moge vrees aangejaagd worden, die hen tot den verkoop van land beweegt, spoedig zullen zij echter inzien, dat hunne renten blijven bestaan en de grond niet verzinkt, maar in waarde toeneemt.

Voor de landbouw en de ontginning van heidegronden, zoude de onderneming zeer heilzame gevolgen hebben. De vruchtbaarheid van het grootste gedeelte der gronden in de Zuiderzee is boven allen twijfel verheven: hier vaste blaauwe klei, daar slib met een zeer fijn zand vermengd, en alzoo gronden, welke voor de meest winstgevende kultuur vatbaar zijn. Tarwe, koolzaad en vlas zullen daar even goed kunnen worden geteeld, als in de vruchtbaarste streken van Zeeland, daarvoor waarborgen ons het ingedijkte Eijerland, het Koegras, de Wieringerwaard. Wordt de landbouw in den polder zelven, door zijne vruchtbaarheid bevorderd en begunstigd, dan zal het niet minder voordeelen voor Noord-Holland en al de andere provinciën opleveren. De veestapel zal aanzienlijk kunnen worden vermeerderd, doordien men overvloed van hooi zal kunnen winnen, terwijl men nu in Noord-Holland, in het najaar, gedwongen is, het vee bij duizenden tot geringen prijs, uit gebrek aan voeder, te verkoopen, en er bij late voorjaren, als het hooi op en er nog geen gras op de velden is, nog grooter schade aangerigt wordt, waardoor niet alleen de boer verliest, maar ook de handel in boter en kaas veel lijdt.

Is de meerdere productie van hooi wenschelijk voor Noord-Holland enz., het is mede eene dringende behoefte voor ontginningen van heidegronden, waar men zich niet bepaalt bij het aanplanten van hout. Waar men de gronden wil bebouwen, moet men mest aanwenden, en daartoe is vee benoodigd; voor vee moet men voeder hebben, welk voeder de zandgronden niet in genoegzame hoeveelheid opleveren. Dikwerf is er reeds gebrek aan hooi, of stijgt de prijs daarvan door buitenlandsche vraag zoo hoog, dat de boer dien hoogen prijs niet kan besteden. Men zal met kunstmesten, met guano, enz. veel kunnen verhelpen; desniettemin houden wij het er voor, dat een veestapel den landbouwer bij den graanbouw voordeel zal aanbrengen. Zij, die varkens goed willen mesten, moeten melk hebben en om melk te verkrijgen is vee onontbeerlijk, en daarvoor is hooi eene eerste behoefte; alles hangt dus als een schakel aan elkander.

Wordt de Zuiderzee bebouwd, dan verrijzen daar steden en dorpen; daar moet turf gebruikt worden, alzoo ook voordeel voor de veenen; er moet brandhout zijn, dus weder voordeel voor degenen, die akkermaals-hout aanplanten.

Door eenen vergrooten veestapel zal de uitvoer van vee naar Engeland aanmerkelijk kunnen worden uitgebreid. Dit rijk, dat ons zooveel door haren handelsnaijver heeft benadeeld, en par force majeure, nog in Oost-Indië ons weinigje, in vergelijk van hare bijna onmetelijke bezittingen in Azië, ontneemt, wordt dan op eene andere wijze aan ons cijnsbaar. Door die aanwinst van grond in de Zuiderzee, zal ons land het Rijk worden, waarop de ons omringende Natiën het oog moeten gevestigd houden, om door ons, op de voordeeligste wijze, van eene der voornaamste levensbehoeften, het vleesch, te worden voorzien.

Ons land, zoo bijzonder voor de veeteelt geschikt, mag maar niet langer onverschillig omtrent de verbetering der landerijen, door verbeterde afwateringen, blijven. Mogen de polder-reglementen herzien, de voorstellen tot verbetering niet door karigheid en baatzucht jaren lang in overweging worden gehouden, dan zullen er duizende bunders land tot kultuur, vetweiderij en hooiland ontstaan, welke nu grootendeels geen, of maar weinig en slecht hooi opleveren.

Ons land is een waterrijk land, en onze grondbezitters en bouwlieden moesten allen met de water-bouwkunde min of meer bekend zijn, en middelen aangrijpen om hunne gronden te verbeteren; doch duizende hunner hebben er nog geene inzigten van en zijn traag, om geld tot verbetering van den grond uit te geven. Onkunde, vadzigheid, werkeloosheid, moedeloosheid, wangunst, zucht om zwarigheden te opperen,—het eene paart zich aan het andere om werkeloos te blijven en alles te laten verachteren, waar veel te verbeteren is. Daar ligt voor ons het Bunschoterveld, omstreeks 4000 bunders groot. Elk stemt toe, bij behoorlijk drooghouden, werd elke bunder honderde guldens meer waard. Wij willen slechts ƒ 100 per bunder schatten, zoodat het geheele veld binnen kort ƒ 400,000 meerder waarde zoude bezitten, behalve de jaarlijksche meerdere inkomsten, daar de pacht meer dan verdubbelen zoude. Met hoogstens tien molens, gezamentlijk ƒ 60,000 kostende, ware men gered.—Elk wenscht het, maar daar blijft het bij.—In Mastenbroek is men reeds jaren achtereen aan het plannen maken, het eene voorstel volgt het andere op, en—het blijft, zooals het was. In de omstreken van Breukelen zijn landerijen, nu ter waarde van hoogstens ƒ 300, die ƒ 800 hebben gegolden. Toen waren het winstgevende vetweiderijen, doch door zorgeloosheid en verkeerde bezuiniging van de polderbesturen, is het daar zoo verre gekomen.—Wij zouden een boekdeel van soortgelijke gevallen kunnen vol schrijven.

Is het niet bedroevend, dat er in ons klein landje met deszelfs overbevolking gronden zijn, die aan het rijk vervallen, omdat zij de polder- en grond-lasten niet kunnen goed maken; en, domein geworden, het rijk met administratie kosten bezwaren, grooter dan de inkomsten der geadministreerde gronden? waar, somwijlen door achteloosheid in het bestuur, het land en daarmede de ingeland verarmt, terwijl dijk- en heemraden en de polder-besturen hooge salarissen blijven genieten, en de fabrijk de lasten zonder afdoende verbeteringen in wezen laat? waar de renten perpetueel worden, op ter leen verstrekte kapitalen, die bij een behoorlijk beheer konden worden afgelost?

Bij een bestuur, waarin de meeste leden stadbewoners waren, regters enz., die nimmer in den polder kwamen, onkundig van de molens, werd een ingeland ingekozen, die verklaarde, dat alles schandelijk verachterd was, en die geen zitting wilde nemen, ten zij er aanzienlijke sommen tot herstel besteed werden,—men zocht de eene bezuiniging bij zijne begrooting voor en de andere na op. „Valt er dan niets meer te bezuinigen?” vroeg een hunner.—„Ja, heeren,” antwoordde de nieuw ingekozene, „mij dunkt, wij konden onze traktementen wel eens een paar jaren missen!”—Elk zweeg, er werd van geen bezuinigen meer gerept (de salarissen, waar voor niets gedaan werd, bedroegen omstreeks ƒ 600 's jaars).

Dat de landbouw de hem ter dienste staande hulpmiddelen met onwrikbaren wil te baat neme en behartige, om uit eenen kwijnenden toestand te geraken, in stede van protectie te willen hebben, die hem niet baten kan, en tot algemeenen ondergang leidt. Ook de landbouw heeft meer wetenschappelijk onderrigt en kennis noodig. Het is laaghartig te zeggen: de boer moet niet wijzer zijn, dan hij is. Wij zijn van oordeel: hoe beschaafder de boer is, hoe beter onderrigt hij zal genoten hebben, zoo veel meer zal hij tot de materiële welvaart des lands bijdragen. Hij moet ook kennis genoeg hebben, om zelf, met gezond verstand, over den aanleg van dijken, kaden en water-afleidingen en molens te oordeelen. Wij zouden verscheidene voorbeelden kunnen aantoonen, waar zoowel particulieren als polder-besturen, door gebrek aan oordeel en kunde omtrent de water-opvoerings-werktuigen en de toepassing van de stoomkracht daarop, door de doelloos gemaakte kosten, groote verliezen hebben ondergaan. Hoe beter de landman in zijn vak onderrigt is, hoe meer voordeel hij ook van zijn beroep zal trekken.

Sedert ons hooi ook reeds buiten 's lands begeerd wordt, zoodat er vele verzendingen, tot zelfs naar Algiers toe, plaats hebben, heeft men niet te vreezen, dat wij daar te veel van kunnen aanwinnen. Het is in 't geheel een verblijdend en bemoedigend vooruitzigt voor den landbouw en voor de teelt van alle boom- en tuinvruchten, dat de vraag daarnaar voor het buitenland zoo toeneemt. De teelt van boom- en tuinvruchten zal aan menigen nijveren huisvader met zijn gezin, die geene middelen bezit, om pachter van eene groote boerenhofstede te worden, en te veel kunde, om slechts boerenknecht te blijven, een in zijnen kring redelijk bestaan kunnen verschaffen. Dat er dan ook maar voor goede watergemeenschap gezorgd worde, opdat hij zijne vruchten spoedig aan eene markt kunne brengen, vanwaar dezelve naar buiten worden verzonden.

Door de ruime waterberging, waarvan voortdurend, en niet slechts tijdelijk, gebruik zal kunnen gemaakt worden, moeten de uit- en afwateringen van zelve verbeteren. Het gevolg daarvan zal zijn, dat de lasten, die op eenen polder drukken, door de verbeteringen minder zwaar zullen vallen, ja zelfs ook verminderd zullen kunnen worden. Het zijn de grondlasten niet alleen, het zijn de polderlasten, met dijk-, kaai- en molengelden, die het meeste drukken.

Zijn eenmaal vele der thans bestaande dijken overbodig geworden,—als de afwateringen op eenen verbeterden voet zullen gebragt, en in het gebrek van hooi voorzien zal zijn, dan zullen, naar ons inzien, nog minder redenen bestaan, voor graan-protectie-wetten.

Naar onze wijze van zien, is het verkeerd gehandeld van grondeigenaren en landbouwers, den invoer van vreemd graan te beletten; daardoor wordt de uitvoer van vele onzer eigene voortbrengselen belemmerd; te meer, daar er verschillende soorten van graan zijn, welke ongeschikt zijn, om zonder vermenging met andere gebruikt te worden.

Vroeger voerde men Oost-Zeesche tarwe met Groninger koffen aan; het Groninger product vond mede zijnen aftrek te Amsterdam; daar verstond men de kunst, om geschikte meleringen voor de verschillende markten te maken, en door dezelfde Koffen welke het vreemde graan aangevoerd hadden, werd dit, met het inlandsche vermengd, weder uitgevoerd en de schepen vonden retourladingen met wijn, olie, enz. Toen ten tijd bragt de tarwe prijzen op, waarover de landbouwer zich niet beklaagde en niet beweerde, dat hij ondersteuning behoefde.

Daarbij leert de ondervinding, dat de slechts producerende en niet handeldrijvende landen in geenen deele bevoordeeld zijn. Zij staan doorgaans te veel bloot aan den wisselvalligen aftrek hunner produkten, en moeten dezelve somwijlen jaren achtereen op elkander gestapeld houden liggen, wanneer de oogsten overal overvloedig zijn, en dan heerscht in die slechts producerende landen armoede en nood. Polen en Oost-Pruissen leveren geenszins de bewijzen op van grootere welvaart, ofschoon zij de voorraadschuren van Europa waren.

Daarenboven mag men de geheele bevolking van een land, ter gunste van weinigen niet dwingen, om een onsmakelijk voedsel te gebruiken, dat de bestanddeelen van goed voedzaam brood (de eerste levensbehoefte) mist, door dwang duur betaald moet worden, en waarop bovendien zware, zoo Rijks- als stedelijke-accijnsen drukken, zoodat de reeds karige genietingen van een groot gezin al meer en meer moeten verminderen.

De scheepsbouw en scheepvaart geven brood in het Groningerland aan eene aanzienlijke menigte ambachtslieden en varensgezellen, en deze hebben ook regten, die geëerbiedigd moeten worden, zoowel als de graanhandel, waarmede het bestaan van duizenden gemoeid is. Handel en scheepvaart moeten vooral in ons beperkt land, dat met zulken enorm grooten schuldenlast bezwaard is, den landbouw schragen, terwijl door dezen den aftrek der produkten bevorderd moet worden, en de stadbewoner, die het grootste gedeelte der opbrengsten betaalt, heeft van regtswege aanspraak, dat men hem dus ook de middelen niet ontneme, waardoor hij de lasten kan betalen.

Treurig genoeg ziet men bij onze verminderde scheepvaart een verschijnsel, dat het ontegensprekelijk bewijs is, hoe alles ten onzen nadeele omgekeerd is. Bij de aanzienlijke hoeveelheden spek, die ons Groningen, Overijssel, Drenthe en Gelderland leverden, hadden wij nog behoefte aan toevoer uit Westphalen en Pruissen, doch thans leveren ons die gewesten dit niet meer. Bij den meer levendigen handel van Hamburg en Bremen, en de aldaar steeds toenemende scheepvaart, gaan de verzendingen van spek enz. daar heen. Rijn-Pruissen, dat ons vroeger gaarne voor zag, trekt nu, bij meerdere welvaart aldaar, het spek uit onze provinciën, hetwelk wij vroeger voor onze eigene scheepvaart niet konden ontberen. Het moge den landbouwer onverschillig zijn, waar zijne producten blijven, wanneer hij maar gelegenheid heeft, dezelve te kunnen verkoopen; doch zoodanige verschijnselen, welke ten duidelijkste eene geheele ommekeer van zaken doen blijken, behoort de hooge regering met geen onverschillig oog te blijven aanzien. Het levert de onbetwistbare bewijzen op, hoe ten onzen nadeele de zaken veranderd zijn, en welke treurige gevolgen dit moet hebben; zoodat alle middelen dienen te worden aangewend, om het kwaad zooveel mogelijk te keeren.

Een punt, dat betrekking heeft op al de bij de uitwateringen te Zandpoort belang hebbende districten, is, dat de sluizen aldaar niet alleen zouden gelegd worden, om het buitenwater bij hoogen vloed te keeren, maar te gelijker tijd, om ook het rivierwater op te kunnen houden, opdat er niet te veel van afloope. Zoo kan het ook dienstig zijn, in drooge zomers, wanneer er gebrek aan water in Noord-Holland is, om het van boven afloopende zoete water, in de sluizen te leiden, alwaar men anders wel genoodzaakt is, zich met zout water te behelpen, dat allernadeeligst is voor de kaasmakerij.

De ringvaarten zullen van onberekenbare dienst worden, voor onze kleine steden met hare onbruikbaar gewordene havens; het zijn niet alleen de West-Vriesche steden, die door het verslibben harer havens haren handel en hare welvaart zagen verdwijnen, maar ook de ingang van de Eem zal verbeterd worden, als ook de havens van Harderwijk, Elburg, Vollenhoven, en eenige meer, waar lokale omstandigheden en gebrek aan middelen beletselen zijn.

Zeer dikwijls liggen zoovele landen om den Eem, op het Kamper eiland, om de geheele kust en binnen de provincie Overijssel, bij hooge vloeden, tot laat in het voorjaar onder water; dan dringt de zee langs den kronkelenden IJssel en het Zwolsche Diep, tot ver landwaarts in, benadeelt den hooibouw, en rigt wijd en zijd ontzettende verwoestingen aan, hetwelk door onze voorgestelde bedijkingen voor immer gekeerd wordt. Die vloeden, door opstoppende winden veroorzaakt, zullen geene schade meer kunnen toebrengen en de verwachtingen van den landman op eenen goeden oogst niet meer bedreigen.

Door de ringvaarten, die voorbij Amsterdam op het Zeekanaal uitloopen, zal de IJssel zelf, tot bij Kampen, een beter verhang tot in de Noordzee verkrijgen en wel van vijf duim op elk uur gaans, welk verhang gelijk is aan dat bij de brug voor Kampen; en bovendien zullen de sluizen in de ringvaart, bij Stavoren en Enkhuizen van groot nut zijn, voor den IJssel. Het Zwolsche-Diep en het waterrijk Drenthe, tot aan de Vriesche kust toe, zoo ver de eerste indijking zoude strekken, wordt ook daardoor voor overstrooming beveiligd.

Eene ramp, zoo als men die in het jaar 1825 beleefd heeft, toen het water omtrent 2 ellen hoog binnen de stad Meppel, en in hare omstreken stond en deze alsmede genoegzaam geheel Overijssel eene verwoesting ondergingen, waarvoor jaren benoodigd waren, om de geledene schade te kunnen herstellen, had men niet meer te duchten.

Ware eenmaal de indijking van Enkhuizen op Stavoren volbragt (het daarbij te laten berusten, ware maar half werk), dan konde men aan de niet minder gewigtige indijking van het overige gedeelte van de Zuiderzee en de Wadden beginnen, dat met minder kostbaren aanleg even goede uitkomsten zouden opleveren, Vriesland werd daardoor tot op eenen aanmerkelijken afstand van de Zee verwijderd, en hare op vele plaatsen thans zorgwekkende dijken, werden dan geheel overbodig. Het onderhoud daarvan verviel, hare beemden voor veeteelt, koolzaad en vlas werden aanzienlijk uitgestrekt, en zij genoot, even als alle andere districten, al de weldaden, welke door verbeterde afwateringen en watergemeenschappen te verkrijgen zijn. Vele harer uitgestrekte veenen, waren met beter gevolg dan nu te bewerken, en vele van derzelve meren, en plassen, zouden alsdan met voordeel droog gemaakt kunnen worden, waardoor hare toenemende bevolking mede gelegenheid vond, om een ruim bestaan te verwerven.

Wij zouden vreezen, door eene herhaalde opsomming van aldaar te verkrijgen voordeelen, den geachten lezer te vermoeijen; maar wij moeten er thans op wijzen en dringen er op aan, dat men de zaak ook in Vriesland en op de Eilanden in rijpe overweging neme. Wij twijfelen geenszins, van ook daar vele warme voorstanders te zullen vinden, welke het niet bij overlegging zullen laten, maar mede helpen bijdragen tot derzelver verwezentlijking.

Ook de daar te graven ringvaarten en kanalen zullen volledige waterberging geven, die 13,000,000 kwadraat-ellen beloopen; wij kregen alsdan daarvoor een geheel van 3600 bunders oppervlakte, dat den meest bezorgden daarover reden tot tevredenheid kan geven, ofschoon wij gelooven, dat, na volbragte droogmaking, de ringvaarten en kanalen, als eigentlijke boezems overbodig zullen zijn; terwijl de verhangen, naar gelang der winden, zoo krachtdadig om het noorden, het westen en zuidwesten zullen kunnen werken, dat er altijd van de eene of andere zijde, zoo niet overal te gelijker tijd, genoegzame afloop van water zal plaats hebben, waarvan al de belendende provinciën partij zullen trekken.

De IJssel was altoos, en blijft bij gewonen waterstand op de rivieren de Waal en Rijn, de oorzaak van groot verlies van water op dezelve.

Alle waterbouwkundigen begeerden veel water op den Rijn en op de Waal, om daardoor meerdere schuring en mindere aanslibbing te bekomen. Overijssel verlangde zulks mede voor den IJssel en heeft dat dan ook ten koste der hoofdrivieren verkregen of genomen, en wel door middel van eenen scheppenden arm of kribwerk boven aan den monding van den IJssel te leggen. Door die bekribbing echter werd de laatste doodsteek aan Rijn en Waal gegeven, en Gelderland en Overijssel veel schade, door te veel toevoer van water, toegebragt.

Er zullen weinige jaren meer verloopen, of Rotterdam en Dordrecht zullen bij gewonen waterstand, in den zomer en in het najaar, geene beladene schepen meer stroomopwaarts kunnen zenden. Door de steeds toenemende aanslibbing van Waal en Rijn ondervinden de stoombootdiensten reeds meerder oponthoud dan vroeger. Men begint dan nu ook in te zien en te erkennen, dat de te weeg gebragte waterafleiding langs den IJssel een verlies van water aan de beide hoofdrivieren ten gevolge heeft; dat zij onbruikbaar zullen worden, en om zulks eenigermate te verhelpen, wil men hebben, dat de Kille bij Werkendam zal gedigt worden, iets, waarvan voor eene eeuwe C. VAN VELZEN de noodzakelijkheid reeds heeft betoogd. Dan dat digten van de Kille bij Werkendam zal Rijn en boven-Waal niets baten, zoo lang als den IJssel wordt toegestaan, deze rivieren dood te tappen, zoo als nu plaats heeft. Men moet echter de hulp, die de IJssel verleenen kan, om, wanneer er te veel water van boven komt, om door Waal en Rijn te kunnen afloopen, niet uit het oog verliezen; daarom ware het eene behoefte den IJssel van drie sluizen, op afstanden van elkander gelegd, te voorzien, die het water tot op een bepaald peil zouden kunnen keeren, en dat hoog genoeg ware, om de rivier bevaarbaar te houden en de IJssel, bij hoogen boven-waterstand, zijne uiterwaarde bleef inunderen.

Het voorgestelde kanaal van af beneden Westervoort, door de hooge gronden en de Veluwe heen, tot naar de Steenen-kamer te graven, om den IJssel te vervangen, zoude in eene regte lijn afloopen; het moest van drie sluizen worden voorzien, om in gewonen tijd een verval van acht ellen te keeren, van den IJssel af tot aan de Zuiderzee, aan weêrszij de der sluizen en het kanaal eenen breeden overlaat makende, om, in tijden van nood, bij ijsopstoppingen en hoogen waterstand tot ontlasting van het water te dienen, en daardoor de verwoesting, uit doorbraken ontstaande, en de vernieling van menschenlevens en vee te voorkomen. Dit kanaal zou een afdoend redmiddel voor al de om Rijn en Waal gelegene waarden en landen worden en langs dien regtlijnigen stroom zoude, met een verval van 1 el op een uur, of 5 strepen op eene el lengte, eene verbazende hoeveelheid water afstroomen waar anders een regtlijnige stroom voor eene rivier, in gewonen tijd, nadeel aan dezelve, door te veel spoed, toebrengt, zou het in dit geval een vereischte worden. Men heeft niet te vreezen, dat bij eenen regtlijnigen stroom van 300 ellen breedte, met het verhang van eene el op een uur, geene genoegzame hoeveelheid water zou kunnen afloopen; men moet de regelen der snelheid niet naar de snelheid van eenen overlaat berekenen, waar het water uit rust in beweging moet komen, en bijgevolg tijdverlies plaats heeft; men zoude zich alsdan vergissen kunnen, even als zulks bij het leggen van de afwateringssluis te Katwijk plaats had. Na genomene waarnemingen omtrent overlaten, hebben de ontwerpers op veel minder snellen afloop van water door de sluizen gerekend, dan daadwerkelijk, na de opening derzelve, heeft plaats gevonden, en gelukkig, dat de misrekening voordeelig uitviel.

Wij mogen niet nalaten, hierbij nog eens vlugtig het oog op de helling van ons land te slaan.

Nagenoeg van de Noordzee bij den Dollart af tot aan Emmerik toe, is ons land, als een kustland, door hoogere landen omgeven, dat door persing, geëvenredigd aan die hoogere ligging, eenen aandrang van water op ons lager liggend grondgebied doet ontstaan. Door den aandrang van het hooger afkomende water wordt de last, welken wij van het water op ons grondgebied hebben, natuurlijk grooter; terwijl het water door de verslibbing der Zuiderzee en van de mondingen der rivieren, alsmede door de verhooging van derzelver beddingen, althans omlaag, in zijnen vrijen afloop verhinderd wordt. Hiertoe dragen de steeds verhoogd wordende dijken (welk verhoogen toch eenmaal een einde zal moeten hebben) mede niet weinig bij. Door al deze oorzaken nemen de ophoopingen van water binnen in ons Land toe, en daardoor de overstroomingen; waarbij nog de door noordweste stormen veroorzaakte vloeden komen, zoodat de vruchtbaarste streken in ons Rijk hoe langer hoe meer, en het meest geteisterd worden.

Overijssel en Drenthe zijn thans in strijd, wegens het brengen van kanalen tot op de grenzen (het ware veel verstandiger, om gemeenschappelijk te werk te gaan), welke kanalen, zonder iemand te schaden, tot aan de grenzen konden gebragt worden, om daardoor van die zijde onzen handel met Hannover te verlevendigen.

Wij meenen behoorlijk en duidelijk genoeg betoogd te hebben, dat wij voornamelijk de ringvaarten willen daargesteld hebben, om de watergemeenschap, zoo doelmatig als doenlijk, in te rigten, ten einde daardoor in het onderling verkeer van handel en scheepvaart te voorzien, terwijl zij te gelijker tijd voor de af- en uitwateringen worden dienstbaar gemaakt. Als waterberging vermeenen wij dezelve te kunnen ontberen. In de drooggemaakte Zuiderzee zullen verscheidene vaarten gegraven worden, welke dien grond, tot aller gemak, in verschillende rigtingen zullen doorkruisen, en langs welke breede rijwegen kunnen aangelegd worden, met boomen en plantsoen bezet, zoodat de drooggemaakte Zuiderzee een niet minder aangenaam oord zal worden dan de Beemster, doch desniettemin vrij wat uitgestrekter, waarin, na verloop van tijd, menige stad en menig dorp zal kunnen gesticht worden. De straks genoemde vaarten, welke bevaarbaar zullen worden voor ruime, welingerigte trekschuiten en barges, met paviljoen, achter- en voorkajuit, naarmate van den stand der reizigers, zullen overvloed van waterberging opleveren.

Heeft men vroeger al verschillende indijkingen in de Zuiderzee ondernomen, en is men nu nog daarmede bezig, de weinig voldoende uitkomsten van velen derzelven zijn niet zeer geschikt, om den lust tot soortgelijke ondernemingen aan te wakkeren.

Van zeer verschillenden aard evenwel zijn de redenen, waardoor verlies in stede van winst geleden wordt. Vele dier indijkingen en droogmakingen werden op te kleine schaal ondernomen, zoodat het getal ingedijkte bunders de kosten van een soliede bedijking niet konden goedmaken; vooral, wanneer daarbij tegenspoeden kwamen, welke men niet verwachtte, die echter uit den aard der zaak te duchten waren, omdat men, om kosten te sparen, de grondslagen der dijken te ligt maakte; aan die kwalijk voltooide, versch gelegde dijken werd, bij hooge vloeden en stroom door den afslag veel schade aangebragt, en, om dien weder te herstellen, moest op nieuw geld worden genegociëerd, waardoor de eerste ondernemer aan den tweeden geldschieter zijn regt op den gewonnen grond voorloopig moest afstaan. Het is echter de bedijking niet alleen, maar het zijn ook de uitwateringen, molenvlieten, molens en sluizen, die in verhouding tot weinige honderde bunders de kosten zwaarder doen wegen, dan in verhouding tot zooveel maal duizenden; en wanneer alles zonder tegenspoed afloopt, dan heeft de geldschieter bij eene kleine indijking nog maar eenen karigen interest. De voorwaarden, welke dikwerf den nieuwen ondernemer voorgeschreven worden door de achter de nieuwe bedijking liggenden en bevoordeeld wordenden polder, berokkenen ook nadeelen.

Zoo is het geschied, dat het bestuur van eenen achter eene voorgenomene indijking liggenden polder, tot bewilliging der nieuwe indijking, de voorwaarde stelde, dat langs de uitgestrektheid van den ouden dijk, welke door de nieuwe indijking genoegzaam geheel overbodig werd, tot onderhoud van dien dijk eene strook gronds van den nieuwen polder, langs den ouden dijk, tot zoogenaamd onderhoud daarvan, daaraan moest afgestaan worden,—gronden, die nog eerst moeten aangewonnen worden! Het bestuur van de nieuwe onderneming, dat eerder eenige toelage of uitkeering van den ouden polder had kunnen vragen, daar het onderhoud aan den ouden dijk genoegzaam overbodig werd, willigde welligt uit de niet ongegronde vrees voor langrekkende tegenwerkingen, den meer dan onbillijken eisch in. De geheele aanwinst van grond bedroeg geene 1500 bunders, daar moest een zeedijk van bijna 7000 ellen om heen gelegd worden, en daarenboven moest men zich aan zulke schadelijke en onbillijke conditiën onderwerpen.

Er komen bovendien nog andere nieuwe bezwaren bij: het gouvernement loofde premiën uit aan hen, die indijken wilden. Bij de wet of het besluit van den 6 Junij 1840 werd men daartoe aangemoedigd; doch thans worden harde bepalingen opgelegd, wanneer men concessiën tot indijkingen wil verkrijgen, door vooraf den grond met goud te moeten koopen. Waren onze regering en hare agenten niet boven allen twijfel van venaliteit verheven, voorwaar! er ware geene geschiktere gelegenheid voor uit te denken.

Deze schatting te moeten betalen, houden wij voor onbillijk, en voor geene regtvaardiging vatbaar. Heeft het rijk daarop wettige aanspraak? Is de zee haar domein? Op welk archief beroept men zich, om dit te bewijzen? Dan moest deze bezitting, even als alle domeinen, publiek ten verkoop aangeboden worden of zijn.

Van eene andere zijde beschouwd, is het voordeelen trekken op eene onbehoorlijke wijze. Het rijk wordt van de zorg en kosten tot onderhoud der zeedijken ontheven, voor directe en indirecte schaden, door het opgeruimde water, beveiligd en komt bovendien in het genot van inkomsten van allerlei aard, door den, tot kultuur geschikt geworden, nieuw aangewonnen grond, en nu wil men daarenboven nog, niet bij de wet geregelde, onderhandsche schattingen heffen. Behalve de zwarigheden, door ons opgeteekend, bij bedijkingen van kleinen omvang, komen nog de kosten van een bestuur, dat met de molen- en andere polder-lasten, een voortdurend drukkend bezwaar blijft, hetwelk naar gelang der hoegrootheid van derzelver bedrag, de waarde van eenen, anders vruchtbaren grond, niet onaanzienlijk vermindert.

Bij de door ons voorgestelde ondernemingen lossen zich alle gemaakte bedenkingen van zelve op. Er is eene aanzienlijke hoeveelheid ingedijkte grond tegenover weinige dijken. In alles omstreeks 4 uren gaans bedijking, tegenover een getal van 260,000 bunders vruchtbaar land.

De te leggen dijken worden door de ruime middelen, door voorraad van specie, voor péremptoire schade beveiligd, en hebben weinig onderhoud, als ze eens goed gelegd zijn. Er is slechts een gering getal sluizen, uitwateringen, beslag van molens, in verhouding tot het groote geheel, noodig, en daarenboven zal het bedrag der te betalen polderlasten gering zijn.

Deze beschouwingen zijn niet geschikt, om hier de door ons gemaakte berekening van kosten na te gaan, het zijn slechts voorloopige beramingen, welke door eene speciaal daartoe te benoemen commissie, in overleg met ons, kunnen worden beoordeeld, om tot grondslag dier eventueele kostenberekening te dienen.

In onze berekeningen zijn de kosten voor sluiswerken, bruggen enz. opgenomen, tot prijzen, waarvoor de reeds bestaande sluizen enz. zijn gelegd, zoodat daarin geen groot verschil zal zijn. Men zoude het somwijlen noodzakelijk kunnen achten, meerdere sluizen aan te leggen, doch dit zal de verwezentlijking van het werk niet kunnen verhinderen.

De kosten aan de duizenden ellen lange ringvaarten, die in de millioenen loopen, te besteden, zullen zeer zeker beneden de raming blijven. Al de millioenen kubiek ellen graafwerk zijn tot 30 Ct. per kub. el berekend, waarop de ramingen bij het rijk of eigentlijk bij het Haarlemmer-meer ook gemaakt zijn; intusschen zijn dezelve 50 pCt. daar beneden gebleven. De dijk tusschen Enkhuizen en Stavoren is op ƒ 1,50 per kub. el berekend, gelijk ook het uitgraven der specie in het Zeekanaal, dat meer dan gewone diepte heeft, ook hooger aangeslagen werd.

Het bedrag der kosten voor steenkolen voor de stoom-water-werktuigen is stellig te hoog aangenomen; de consumptie van brandstoffen van het eene werktuig verschilt aanzienlijk met die van het andere. Er zijn in de laatste tijden groote verbeteringen in het vuren aangebragt, en daardoor blijft het cijfer zeer moeijelijk te bepalen. Wij hebben daarom liever eene ruimere berekening tot grondslag genomen, dewijl eene voordeelige uitkomst altijd aangenamer is dan te korten.

Het spreekt van zelf, dat wij nog geene lokale opmetingen, peilingen en boringen hebben gedaan, de juiste lengten hebben om die redenen nog niet kunnen worden bepaald; doch valt ons aangenomen getal op den eenen afstand tegen, het kan op eenen anderen medevallen.

De diepten der zee zijn niet gepeild; doch eigene waarnemingen, de rapporten van loodsen, schippers en visschers kunnen tot, althans vermoedelijk, zekere gidsen verstrekken.

De kosten van bekavelen, slechten en slooten hebben wij op omstreeks ƒ 84 per bunder aangeslagen; dit zal almede bevonden worden te veel te zijn, en dit verschil maakt over de aanzienlijke oppervlakte eene groote som uit.

Bij den grooten omvang van de in te dijken zee en het geringe aantal dijken, dat gelegd zal moeten worden; bij de omstandigheid, dat er bij het droogmaken voor het drooghouden meer dan voldoend beslag van waterwerktuigen is voorgesteld, zullen de te heffen polderlasten al zeer gering zijn.

Wordt er een goed polder-reglement gemaakt, en daaraan de hand gehouden, zoodat de slooten en weteringen behoorlijk worden schoon gehouden, waardoor de toeschieting tot de waterwerken niet belemmerd wordt, dan zal de drooghouding, bij de diep te graven slooten, even als in de Beemster, niets te wenschen overlaten.

Is deze onderneming niet de meest kolossale, die ooit in ons Rijk is ondernomen of voorgesteld geworden? Is zij dus niet eenig in hare soort, zij is ook eenig door de voordeelen, die zij aanbiedt.

In eenen onlangs ingedijkten polder, die met hooge lasten bezwaard is, werd de bunder beste kleigrond tegen ƒ 70 verpacht; men veronderstelle zich de 260,000 bunders ook droog, en die allen tegen slechts ƒ 40 verhuurd, dan zoude dit ƒ 10,400,000 aan jaarlijksche inkomsten opbrengen.

Men moge aannemen, dat er ook zandbanken in de Zuiderzee zullen liggen. Wij voor ons gelooven, dat de meeste daarvan met slib zullen doormengd zijn, die eeuwen lang vruchtbaar kunnen blijven. Mogen er dan ook streken zijn van een' onvruchtbaarder aard, daarentegen zullen er ook vele zijn, welke, vooral in de nabijheid van volkrijke plaatsen, twee- en driemaal meer zullen opbrengen dan gewone gronden.

De administratie-kosten zullen wel kunnen bestreden worden, uit de opbrengsten der hooiverpachtingen op de uitgestrekte dijken der ringvaarten en buitenwaarden, terwijl er matige sluis- en kanaalgelden zullen kunnen berekend worden; doch daarenboven zal het zand uit de duingronden eene aanzienlijke som opbrengen als ballast voor de schepen.

Wij willen geene hooge waarde der gronden tot berekening voor de winsten der onderneming stellen, maar kunnen toch de daadzaak aanvoeren, dat vele gronden, tot vlas, koolzaad, mostaard- en tarwebouw geschikt, eene viervoudige en meerdere waarde dan ƒ 40 per bunder in huur zullen hebben. In de Wieringerwaard geldt een bunder lands, dat voor de vlasteelt bereid is, ƒ 200 in huur.

De IJpolder zoude al zeer spoedig gereed zijn, en bij het wezentlijk gebrek aan goed land, in het midden eener groote bevolking, zal de grond daarin zeer zeker hooge prijzen opbrengen; indien de onderneming het al niet doelmatig mogt achten, om in de eerste jaren den grond voor eigen rekening te bebouwen, en de oogst te velde te verkoopen, even zoo als men in de Beemster deed, welke in 10 jaren, niettegenstaande de tegenspoeden en grootere kosten, geheel vrij is geworden. De regering laat ook in verschillende droog gemaakte plassen de gronden voor hare rekening bebouwen, en de te veld staande gewassen verkoopen.

De geheele in te dijken oppervlakte zal ook niet in eens voor bebouwing gereed zijn; echter om de kusten heen zal er al spoedig grond droog liggen, waarmede gaande weg aan de eerste behoefte aan land kan worden voldaan. Wij herhalen het, wij willen ter aanmoediging, om deelnemers te vinden, geene berekening van hooge pachten maken, desniettemin is de concurrentie om land te krijgen zoo groot, dat het voor korten tijd in de Betuwe gebeurd is, dat de verhuurder verklaarde, geene verhooging op den inzet te willen nemen, welligt uit overtuiging, dat de inzet zoo hoog was, dat hij vreesde, dat de huurder bezwaarlijk de pacht zoude kunnen opbrengen. Het land, in kleine perceelen verhuurd, brengt daar, voor den aardappelenbouw gebezigd, van 25 tot 40 cts. de kleine roede op. Niet slechts, zooals men zoude kunnen beweren, in de onmiddellijke nabijheid der steden, maar ook overal zal de grond in de zee eene aanzienlijke waarde verkrijgen, daar de onderneming zoo geheel in den geest valt van de wet (of het besluit) van den 6en Junij 1840, vooral met betrekking tot Art. 16, waarbij de uitgestrekste vrijstellingen van grondlasten en registratie-kosten, van de regten op den overgang der daar te stellen gebouwen, voor meer dan eene halve eeuw gewaarborgd worden; en er zijn in die wet termen, welke aanleiding geven om genoegzaam een gelijk aantal jaren, dezelfde voorregten te blijven genieten. Daarbij komt nog, dat men veel van de, tijd verspillende, regtsgedingen zal kunnen vermijden, die bij de onteigening zoo vele bezwaren opleveren, terwijl de wetten bij dijk-collegiën en polder-besturen den afstand van grond, daar waar het tot verbetering van den polder noodzakelijk geacht wordt, naar eene vast gestelde waarde gebieden.

Het lijdt geene tegenspraak, dat hier, even zoo wel als bij andere ondernemingen, zekere belangen zullen gekwetst worden. Hoe vele honderde huisgezinnen lijden niet in hun bestaan door de spoorwegen, waartegen weder anderen bevoordeeld zijn, en die spoorwegen zijn toch voor het algemeen van overwegend belang. Even als bij de spoorweg-maatschappijen, zoude men het zich hier ook tot eenen pligt kunnen maken, om de benadeelden, die werkzaam willen zijn, aan een bestaan te helpen.

De visscherij op de Zuiderzee moge benadeeld worden; doch gaat men de jaarlijksche verslagen na, dan is de toestand derzelve niet benijdenswaardig. Hoe dikwijls werd niet de liefdadigheid voor de bewoners van Schokland en Urk ingeroepen.

Het grootste gedeelte dier eilanders zal zich, door ondervinding geleerd, gelukkig achten, het vischtuig met de spade te kunnen verwisselen, waarmede de visscher voor zijn huisgezin, onder minder afwisseling van voor- en tegenspoed, een aanzienlijker stuk brood zal kunnen verdienen. Vele dier visschers, die hoofdzakelijk maar jagers zijn, welke naar de zeegaten zeilen, om aldaar den visch te koopen, zullen langs de ringvaarten hun bedrijf kunnen blijven doorzetten, en geregelder de vangst kunnen aanvoeren, waarin zij nu dikwerf door storm of door stilte belet worden.

De groot-visscherij zal daarentegen ruimschoots bevoordeeld worden. De visschers zullen in een paar uren uit de Noordzee te Amsterdam kunnen zijn, van waar, langs de ringvaarten en spoorwegen, hunne vangst onverwijld naar het binnenland kan worden vervoerd. Eenmaal het Zeekanaal gereed zijnde, zullen zij zich van beter zee bouwende, en sneller zeilende, schepen voor de vischvangst kunnen voorzien, dan de bommen zijn, welke voor het naderen van een vlak strand, en het daarop vast zitten, zoo moesten gebouwd worden.

Wij zijn geenszins bevreesd voor gebrek aan handen ten behoeve der vele daar te stellen werken. Er openen zich vooruitzigten voor den poldergast of arbeider, om eene woning en een stuk gronds daarbij ter bebouwing te kunnen krijgen.

Men zou eene voorwaarde kunnen maken, waarbij bepaald werd, dat 110 gedeelte der dagloonen ingehouden zoude worden. Dit moest dienen, om den arbeider eene woning en een stuk gronds te bezorgen, welk een en ander hij in huur had, of na verloop van tijd tot zijn eigendom zal kunnen verkrijgen, het zij dat de arbeider in het reserve fonds eene toereikende som overgespaard hebbe, of dat hij uit andere, hem ter beschikking staande, middelen, zich woning en grond, voor eene, matig te schatten, som aanschaffe.

Op perceelen, te ver van steden of dorpen verwijderd, waren, voor tijdelijke huisvesting der arbeiders, loodsen op te slaan, waar zij eene gezonde drooge ligging hadden, met eene zieken-zaal, waartoe wekelijks eene geringe bijdrage konde afgezonderd worden.

Victualie-winkels konden onder toezigt eener commissie worden geopend, waar de arbeider tegen matig gestelde prijzen, goede waren, en al het benoodigde voor zijn onderhoud moest kunnen vinden, opdat hij niet, zoo als maar te dikwerf het geval is, zooveel voor ligging en voedsel behoeve te betalen, dat hem te weinig overblijft om zijn afwezig huisgezin te kunnen onderhouden, hetwelk menigen arbeidzamen huisvader noodzaakt, van zoodanig werk af te zien. Een bezwaar, na voltooijing der werken den poldergast in den omtrek zwervende te vinden, dat tot onrust aanleiding geeft, kon worden opgeheven, door namelijk bij elke 50 bunders land eene plek voor woning en tuin af te zonderen, waardoor er gelegenheid zoude gegeven worden tot vast verblijf, met het vooruitzigt, om bij den grooten bouwman of grondbezitters later voortdurend van werk verzekerd te zijn, en het gaf den landbouwer, die anders om arbeiders verlegen kon zijn, gelegenheid dezelve om zich heen te vinden.

De onderneming, die dusdanige voordeelen aan den landbouwer en den daglooner verzekerde, zoude geene uitschotten voor den aanbouw van woningen te doen hebben; terwijl dezelve uit de ingehouden 110 der loonen werden bestreden; voorts verkocht of verhuurde zij aldus eenige duizende bunders land, waarop eene nijvere bevolking zoude aangroeijen, die door haren aanwas tot verhooging der waarde van den grond veel zoude bijdragen. Door de daar nut stichtende arbeiders-gezinnen, werden elders armenkassen verligt.

Wij geloven, dat het tot de spoedige kolonisatie des polders zoude bevorderlijk zijn, wanneer men percelen van 25 bunders of daaromtrent, voor den tijd van 25 á 30 jaren in pacht gave met eene kleine erfpacht, om woningen daarop te bouwen; den pachter het regt gevende, om de in pacht genomen grond, gedurende of na de voleindiging van de pachtjaren, voor eene vastgestelde som te kunnen overnemen.

Aan de mondingen der kanalen, en vooral aan die te Zandpoort, zouden al spoedig dorpen, door visschers en loodsen bewoond, ontstaan, welke de nu woest liggende duingronden zouden bebouwen, en aan dezelve vele waarde verschaffen, dewijl die grond goed voor bebouwing geschikt is.

Er zouden welligt bij of aan de mondingen der zeegaten van rijkswege vuurtorens en defensie-werken moeten aangelegd worden, een punt, dat wij geheel aan de zorg van de regeering kunnen overlaten. De aanleg van beiden zouden kosten veroorzaken, doch die kosten, even als de verminderde inkomsten van het Noord-Hollandsche kanaal, werden rijkelijk vergoed, door de meerdere opbrengsten, welke uit deze onderneming zullen voortvloeien, en uit de besparing van zoo vele kosten, aan dijk- en andere waterwerken, welke nu jaarlijks moeten worden gemaakt, en die een drukkende en blijvende last voor de staat zijn, maar alsdan zoude vervallen.

Wij mogen nog een gewigtig punt hier niet met stilzwijgen voorbij gaan, namelijk de gezondheid. De baron VAN LIJNDEN VAN HEMMEN, heeft daaraan een geheel hoofdstuk gewijd in zijn werk over de droogmaking van het Haarlemmer-meer, toegelicht met certificaten en de gevoelens van H.H. Professoren en Doctoren, welke allen zeer gunstig luiden.

Wij meenen tot geruststelling den lezer daarheen te kunnen verwijzen, en mogen, gelooven wij, veilig daarbij voegen, dat door verbeterde afwateringen, vele moerassen zullen opgeruimd worden, wier opruiming veel tot de gezondheid zal bijdragen, waardoor van zelve de opstijging van vele schadelijke dampen zal ophouden, welke tot koortsen en andere gevaarlijke ziekten aanleiding geven. De Zuiderzee is grootendeels klei, aangegroeide slib en zand, en alzoo geen moeras; van opdroogende klei en zand heeft men geene nadeelige gevolgen te vreezen; maar daarenboven houden wij het er voor, dat uit de opruiming van de groote waterplas in de Zuiderzee niet dan voordeel voor de gezondheid zal ontstaan.

Wij achten, op weinige bladzijden na, onze denkbeelden, omtrent de droogmaking van de Zuiderzee zooveel noodig ontwikkeld te hebben. Vele geleerden zullen zich welligt omtrent den inhoud bedrogen vinden, dewijl ons geschrijf geenszins een technisch betoog is, zooals men later welligt van eene meer bekwame hand dan de onze zal kunnen verwachten, doch dit was ons doel niet. In zoodanige werken, komen statistieke tabellen en waterbouwkundige opgaven te pas, die zulk een werk zeer kostbaar en zeer droog voor den lezer maken, waardoor de schrijver bij deskundigen veel eer en roem verkrijgt; maar waarbij het algemeen minder belang heeft. Er is ook veel tijd toe noodig, benevens de toegang tot bureaux en archieven, al hetwelk ons ontbroken heeft; en toch hopen wij meer nut te stichten, dan anderen, met beter verstand en meerder moeite.

Wij hebben de voordeelen, welke uit de droogmaking van de Zuiderzee en het IJ en de daar te stellen kanalisatiën zullen ontstaan, zoo kort doenlijk voorgesteld. Alle provinciën, steden en dorpen, welke met de voorgestelde onderneming in aanraking komen, zullen de meest gewenschte verbeteringen en voordeelen kosteloos verkrijgen, waaraan wederom andere voordeelen verbonden zijn. Tot de noodzakelijkheid der droogmaking toe, en het te keer gaan van verdere verwoestingen en schaden, hebben wij bewezen.

Wij hebben nu nog te betoogen, dat aan de voltooijing van een zoo nuttig en wenschelijk werk geene moeijelijkheden in den weg gelegd, noch dat hetzelve door nuttelooze vertragingen moet opgehouden worden. Buitengewone omstandigheden vorderen buitengewone maatregelen, en waar zulk een voorstel als dit te berde komt, zal men op middelen bedacht moeten zijn, om buiten den gewonen vorm van den tragen gang der administratiën in het behandelen van zaken, den spoed en de medewerking van alle zijden in te roepen, om alle hulp aan de des benoemde commissie van onderzoek te verleenen; waartoe mondeling, in stede van schriftelijke antwoorden, meer bevorderlijk zullen kunnen zijn. Kleine gekwetste belangen zullen zich om billijke vergoeding mogen aanmelden, die hun ook zullen geworden; zij mogen staande het onderzoek echter geene beletselen zijn.

Voor het algemeen belang gelooven wij te mogen beweren, dat er geene nuttelooze bemoeijelijkingen in den weg gelegd zullen worden, noch dat men vertragende belemmeringen in de werkzaamheden zal ondervinden.

Het is de onmiskenbare bedoeling van de hooge regering, dat particulieren, zich tot uitgestrekte ondernemingen ten algemeenen nutte vereenigen, en van daar de wet (het besluit) van den 6 Junij 1840, welke aanmoedigen zoude, alles, wat wij voorstellen te ondernemen. Zij wilde uitgestrekte woeste gronden ontgonnen hebben, zij wilde zeeën ingedijkt en drooggemaakt zien, zij wilde dat stroomen verbeterd en verlegd en nieuwe daargesteld werden,—nu komt een voorstel, dat dit alles omvat, en waarvan de uitvoerbaarheid mogelijk is.

De departementen van financiën, oorlog, marine en binnenlandsche zaken; provinciale, plaatselijke en polderbesturen; water- en heemraadschappen, en kamers van koophandel zullen geene bezwaren kunnen opwerpen, die niet kunnen opgelost worden.

Al deze ministeriëele departementen, hooge collegiën en achtbare besturen, zullen een votum van goedkeuring kunnen uitbrengen, en de hooge regering in staat stellen, hare bekrachtiging te verleenen, aan een ontwerp, hetwelk zulk een alles omvattend, zulk een afdoend redmiddel is, hetwelk strekken zal tot de physieke verbetering van ons vaderland, en waardoor de welvaart der ingezetenen zoo krachtig zal bevorderd worden.

Naar alle, om dit werk gelegene, markten zullen (hetzij dat de uitgestrektheid in te dijken grond al of niet eene op zich zelve staande en beheerde provincie zal worden) en van die gronden voortkomende producten, welke millioenen guldens zullen bedragen, toevloeijen, van die markten uit zal ook in de groote en vele behoeften, der nieuwe provincie moeten worden voorzien. De omzettingen van zoovele millioenen, zullen op al die markten, bloei en welvaart achterlaten. Bij den daardoor ontstanen handel voegen zich voor de belendende provinciën en steden de voor hun kosteloos daar te stellen verbeterde gemeenschap en afwateringen, met nimmer gekende en hoogst verbeterde waterberging bij hooge vloeden; herstel van havens met gewenschte diepgaande kanalen tot in de Noordzee, behalve een aantal nieuwe veilige land- en binnenwaterwegen, welke een onderling verkeer zullen openen, die het vertier zullen vergemakkelijken, en waardoor alle provinciën, tot elkander in ligging zullen verbeteren.

Geen stad, dorp of vlek, in de nabijheid van dit groote werk gelegen, die niet hun wel begrepen belang er in zoude erkennen, en alzoo niet mede zoude werken, om alles te bevorderen, wat tot de spoedige daarstelling van de geheele onderneming kan strekken.

Geen polderbestuur, water- of heemraadschap, dat in zijne regten bemoeijelijkt zal worden. Hunne thans vermenigvuldigende zorgen tot bestrijding van steeds stijgende kosten zullen verminderen. Hunne waterloozingen zullen door krachtig werkende sluizen spuijen. Door de gedurig in de ringvaarten afloopende boezems zal geen molen meer tot stilstand worden gedwongen, wanneer er aan malen behoefte is, terwijl thans de wind vaak nutteloos door de hekken speelt.

Men zal geen overloop of doorbraak van dijken meer te vreezen hebben, noch bezorgd behoeven te zijn voor verslibbing van de sluizen, van havens en uitwateringen door de krachtig werkende verhangen in de Noordzee, langs nieuwe en verlengde stroomen. De instandhouding der veiligheid van alle werken aan dijken, havens en sluizen zal gewaarborgd zijn. Al de thans kostbare en moeijelijk in goeden staat te houden zeeweringen, worden in beschermingswerken voor den droog te houden grond in de Zuiderzee veranderd. Grooter bewijs voor de alsdan te verkrijgen veiligheid is wel niet te bedenken. De oude zeedijken, monumenten van voorouderlijke vlijt en inspanning, zullen dan eene tegenovergestelde dienst verrigten: zij zullen weelderige beemden beschermen, waar eens menig rijmelaar kwinkeleren zal!

De kamers van koophandel zullen met levendige vreugde een ontwerp omhelzen, dat door Nederlanders is ontworpen, en overwaardig, om ook door Nederlanders te worden ten uitvoer gebragt; een ontwerp, hetwelk eene levensvraag voor de financiën, den handel en de scheepvaart, fabrijken en landbouw is. Wij laten gaarne aan betere beoordeelaars, dan wij zijn, de taak over, al de voordeelen te berekenen en aan te wijzen, welke de verwezentlijking van dit belangrijk ontwerp zal ten gevolge hebben.

De waterstaat zal hare zorgen verligt vinden, omtrent zoo vele belemmerde afwateringen, in de bestrijding van kosten tot jaarlijks onderhoud aan slechts ten halve werkende middelen van zeeweringen, ter voorkoming van afspoelingen en verplaatsingen van land, welke thans zoo vele bekommeringen opleveren, en die alsdan van zelf ophouden te bestaan. Ook die waterstaat zal gaarne een plan bevorderen, waar de waterbouwkunde tot volksgeluk zal bijdragen. In den roem, dit werk te hebben helpen voltooijen, zal dit ligchaam deelen, terwijl het door ons altijd voor wenschelijk wordt gehouden, dat uit haar midden ons een commissaris worde toegevoegd, die, door zijne kunde en zijn beleid veel zal bijdragen tot bevordering van het doel, en tevens alle bestaande regten en belangen zal kunnen voorstaan, waar het zaak is, het goede met het nuttige te verbinden. Het is niet te betwijfelen, of dit ligchaam zal volijverig willen medewerken, om deszelfs alouden roem in de geheele wereld te blijven handhaven.