Phantasia, wie het aan geduld ontbrak om aan deze lange verklaring het oor te leenen, was reeds het trapje opgegaan, dat naar het salon geleidde, en wij volgden haar daarheen. Het zag er netjes uit, doch was niet bijzonder op gemak ingericht. Men kon zien, dat het hoofdstreven was geweest, om stoelen, tafels en verdere meubelen, even als het vaartuig zelf, zoo licht mogelijk te maken, met behoud van de noodige stevigheid. Het voornaamste materiaal scheen bamboes te zijn, in dunne strooken gesneden en gevlochten. Waar metaal noodig was, was uitsluitend aluminium gebruikt.

Reeds in de wachtkamer had ik opgemerkt, dat al de passagiers zich onderling in eene en dezelfde taal onderhielden, eene taal waarvan mij wel is waar vele woorden bekend schenen, doch waarvan andere mij onbekend waren. Ik vroeg derhalve mijnen geleider: tot welke natie onze medereizigers behoorden?

»»Tot allerlei natiën,—antwoordde hij. Die barsch uitziende heer, daar in gindschen hoek, is een Rus; dat kleine winderige mannetje met zijne opgestreken knevels, die naar al de dames van het gezelschap gluurt, is zonder twijfel een Franschman; gindsche dikke heer, die de hoogste vracht betaald heeft, is een landgenoot van u, een Hollander; die twee blond- en langharige jongelieden zijn Duitschers; de overigen zijn Engelschen.””

»Maar hoe komt het dan, dat allen dezelfde taal spreken?”

»»Zij spreken de reistaal. In onze eeuw, waarin de meeste menschen een groot gedeelte van hun leven op reis doorbrengen, waarin eene voortdurende vermenging der volken plaats grijpt, moest zulk eene taal, waardoor het gemak van het verkeer bevorderd wordt, wel allengs als van zelf geboren worden. Zij is trouwens nog in hare ontwikkeling, maar over eenige eeuwen zal zij waarschijnlijk tot wereldtaal zijn geworden.””

Ik luisterde nu scherper toe en bemerkte weldra, dat de rondom ons gesproken taal eigenlijk eene mengeling van verschillende talen was, waarin echter het Engelsch den boventoon voerde, hetgeen zich daaruit liet verklaren, dat van het reizend publiek in het algemeen ook Engelschen de meerderheid uitmaken.

Rondom mij ziende, werd nu mijne aandacht getrokken door eenige wijde buizen, welke door openingen in de wanden en in den vloer van het schip naar buiten staken. Ik zag die buizen eerst voor eene nieuwe soort van kanonnen aan en vroeg dus: of dit vaartuig ten oorlog was uitgerust?

Phantasia glimlachte, maar op dien glimlach volgde een zucht en de woorden: »»die ridderlijke tijd is ons slechts uit de geschiedenis bekend; onze tegenwoordige mannen zijn fabrikanten, handelaars, ingenieurs, geleerden, wetgevers, enz., maar soldaten zien wij nog slechts op het tooneel, tenzij gij onze constabels, die zeker talrijk genoeg zijn, voor soldaten mocht houden.””

»Hoe,—riep ik uit,—geen oorlog en geen staande legers meer! Dus hebben dan eindelijk de vredevrienden, Bright, Cobden en hunne geestverwanten, gezegevierd en is het tegenwoordige geslacht tot de overtuiging gekomen dat de oorlog eene schande voor de menschheid was, die menschen aan redelooze dieren gelijk maakte, welke elkander in blinde woede vernielden, in plaats van in broederlijke liefde en eendracht de schoone aarde te bewonen en het geluk der volken wederkeerig te bevorderen!”

»»Ik betwijfel,—antwoordde Baco meesmuilende,—of die overtuiging er veel deel aan heeft gehad. De menschen, mijn waarde heer! worden in onze eeuw nog evenzeer door hartstochten gedreven als vroeger. Nog steeds zijn zij, wat voorlang een onzer dichters hen noemde: »half dier, half engel,” en zij zullen dit in de toekomst ook wel blijven, al moge de maatschappij als geheel beschouwd ook in een zedelijk opzicht allengs vooruit gaan. Waren de omstandigheden nog dezelfde als in vroegere eeuwen, dan zoude, vrees ik, er ook evenzeer als vroeger oorlog zijn. Maar juist de omstandigheden zijn het, die veranderd zijn en den oorlog bijna tot eene onmogelijkheid hebben gemaakt.

»»Vooreerst is de tegenwoordige toestand voorbereid door het algemeene staten-bankroet op het laatst der negentiende eeuw, toen de gezamenlijke schulden der zich beschaafd noemende volken, ten gevolge van het kostbare onderhoud der groote staande legers, de gezamenlijke nationale kapitalen te boven gingen.

»»In de tweede plaats heeft daartoe medegewerkt de verbazende versterking der aanvalswapenen. Toen, voor omstreeks eene eeuw, in den laatsten grooten oorlog, de marines van Engeland, Frankrijk, Rusland en Noord-Amerika elkander wederkeerig geheel vernield hadden, toen, bij eene kanonnade van de beide oevers van het kanaal, dat Engeland en Frankrijk scheidt, de hoofdsteden der beide landen in brand waren geschoten en de verliezen aan beide zijden onberekenbaar groot, ten deele onherstelbaar waren, toen begon men te vragen of zelfs eene overwinning zoo groote opofferingen waardig was? Toen werd het allengs duidelijk, dat in een oorlog ook de winner een verliezer is.

»»Maar hetgeen inzonderheid er toe heeft bijgedragen om den oorlog al zeldzamer en zeldzamer te doen worden en eindelijk, zoo wij hopen, geheel verdwijnen, is het meer en meer toegenomen onderling verkeer der volken, waardoor de overgeërfde nationale antipathien allengs verdwenen zijn; voorts de toepassing van de beginselen van den vrijen handel, de opheffing van alle slagboomen, die volken van volken scheidden, de gelijkheid van maten, gewichten en munten, de voortdurende uitbreiding der middelen van gemeenschap, de ineensmelting der belangen van de verschillende natiën tot een groot gemeenschappelijk belang. De natiën staan niet meer tegenover elkander, maar doordringen elkander; door duizend draden hangen ze innig te samen, en, was de negentiende eeuw getuige der invoering van het beginsel der nationaliteit, de eenentwintigste eeuw is eene groote schrede verder gegaan, door de erkenning van het beginsel der humaniteit.””

Deze laatste woorden vooral troffen mij door hunne juistheid. Ik begreep nu eerst recht, hoe elke nieuwe spoorweg, elke nieuwe telegraaflijn, elke opheffing van een hinderpaal, waardoor de vrije in- en uitvoer belemmerd worden, niet alleen de algemeene welvaart rechtstreeks bevorderen, maar ook even zoovele schakels in de keten zijn, die de menschen moet omslingeren en hen tot broeders, tot leden van één groot huisgezin vereenigen. Echter meende ik aan dit tafereel eene schaduwzijde te bespeuren. »Indien er dan geen oorlog meer is, indien, ten gevolge daarvan en van andere thans bestaande gunstige omstandigheden, handel en nijverheid zich veel meer hebben uitgebreid dan ooit te voren, dan moet de bevolking in eene verontrustende mate zijn toegenomen. De voortbrenging van het noodige voedsel kan daarmede, dunkt mij, niet meer in evenredigheid zijn.”

»»Indien gij wilt zeggen, dat er ook thans armen zijn en zelfs lieden die van tijd tot tijd gebrek lijden, voor een deel ten gevolge der overbevolking van sommige streken, dan hebt gij gelijk, maar ik geloof niet dat dit meer, veeleer dat dit minder het geval is dan in vroegere eeuwen, in weerwil dat de bevolking van Europa in de laatste tweehonderd jaar meer dan verdubbeld is. Maar vergeet niet dat door de uitbreiding der vervoermiddelen ook het voedsel gelijkmatiger dan vroeger verdeeld wordt, en dat heden ten dage althans niets verloren gaat, maar alles zijn weg vindt daarheen waar de behoefte bestaat. Ten gevolge van den geheel vrijen handel, brengt nu ieder land juist datgene voort, waartoe zijn bodem en klimaat het meest geschikt zijn. Voorts is men overal voortgegaan en gaat men nog steeds voort, met de ontginning van woeste gronden, en eindelijk heeft ook de steeds vooruitgaande wetenschap aan den landbouw gewichtige diensten bewezen door de aanwijzing van nieuwe middelen, waardoor de opbrengst der akkers vermeerderd wordt. Men kent namelijk met volkomen juistheid, zoowel wat aard als hoeveelheid betreft, de stoffen die noodig zijn, om elk voedselgewas het best te doen groeijen. Daardoor is elk landbouwer een soort van fabrikant geworden. Voor hem zijn de planten de werktuigen, door welker tusschenkomst de ruwe, d. i. nog onbewerktuigde stoffen, die zich in den bodem en de lucht bevinden, in bewerktuigde, d. i. voor voeding geschikte, worden omgezet. Zijn streven is derhalve daarheen gericht, om, even als elk ander fabrikant doet, de ruwe stoffen zoo goed en zoo goedkoop mogelijk te verkrijgen. Onder die ruwe stoffen zijn er verscheidene die in vroeger eeuwen nutteloos verloren gingen of zelfs wel, door hare vermenging met het water of den bodem der steden, schadelijk voor de gezondheid werden. Thans is men wijzer geworden. Alles wat de opbrengst der velden vermeerderen kan wordt zorgvuldig verzameld, en de algemeene gezondheid heeft ook daarbij gewonnen.””

Gedurende dit gesprek had ik reeds bemerkt, dat het vaartuig in eene zacht schommelende beweging was gekomen, en toen Baco ophield met spreken, riep Phantasia mij toe: »»houd nu eens uw oog voor een dier pseudokanonnen en vertel ons dan waar wij zijn.””

Ik begreep nu, dat de buizen, die ik voor kanonnen had aangezien, teleskopen waren; maar de vergissing was vergeeflijk, daar hunne gedaante nog al van die der mij bekende verschilde. Bepaaldelijk waren zij veel wijder, iets waardoor ik inzag, dat hunne lichtsterkte zeer vermeerderd moest zijn. Toen ik er door zag, ontdekte ik aanstonds dat die groote wijdte geen de minste schade deed aan de scherpte der beelden, en trof mij bovendien niet alleen het vergrootend vermogen, maar ook de uitgebreidheid van het gezichtsveld.

Daar ik, de vingerwijzing van Phantasia volgende, het eerst door het teleskoop zag, dat achter het schip uitkwam, deelde ik haar mede dat ik eene onmetelijke stad, die wel niet anders dan het door ons verlaten Londinia kon zijn, reeds achter ons zag liggen. De zich heinde en ver uitbreidende huizenmassa vertoonde zich helder en scherp afstekende op den grauwen achtergrond, en geen spoor van rook verhief zich daarboven, waaruit ik opmaakte, dat, waar nog steenkolen werden gestookt, men ook al den rook wederom door den vuurhaard voerde, en dat dus de in 1850 uitgevaardigde parlements-acte, die zulks voorschreef, getrouw werd nagekomen.

Nu beurtelings door dit, dan door dat teleskoop ziende, staarde ik met bewondering naar het tooneel onder en om ons, dat als het ware voorbij snelde, terwijl het scheen dat wij stil lagen. Klommen wij, dan had het al den schijn alsof de aarde onder ons daalde. Al spoedig kregen wij de zee in het gezicht, en in de richting vóór ons vertoonde zich aan de overzijde de Belgische en Fransche kust. Over het nauwste gedeelte van het kanaal scheen een zwarte draad gespannen te zijn, die beide oevers verbond. Naderbij komende begon ik te vermoeden, of het ook een koker- of traliebrug kon zijn, een vermoeden, dat door Baco bevestigd werd, die er bij voegde, dat zich reeds eene maatschappij gevormd had, om een tweede dergelijke te bouwen, daar deze enkele geheel onvoldoende voor het drukke verkeer tusschen Engeland en het vasteland was.

Eene lichte noord-oostelijke wending voerde ons na korten tijd in de nabijheid van ons vaderland, dat nu als eene landkaart voor mij uitgespreid lag. Met schrik bemerkte ik echter, dat die kaart niet geheel zijne oude, mij zoo wel bekende gedaante had. Er ontbrak een stuk aan. Geheel Noord-Holland, op een paar kleine eilandjes na, was weg. Mijne eigene oogen mistrouwende vroeg ik den dikken heer, dien Baco mij als een landgenoot had aangewezen, of ik goed gezien had, dat Noord-Holland onder de zee bedolven was.

»»Heel goed gezien, mijnheer!—was zijn antwoord. Dat komt er van, als men den raad van verstandige, bezadigde lieden niet hooren wil. Een klein hoopje hard schreeuwende Amsterdammers wilde een kanaal recht door naar zee hebben. Zij hadden er reeds een, dat gemakkelijk kon verbeterd worden, maar daarmede waren zij niet tevreden. Nu, na lang tobben kregen zij hun kanaal. Hoe veel het recht gekost heeft, weet ik niet, zeker meer dan aan velen aangenaam was. Maar toen het er eenmaal was, werd er slechts bij fraai weder gebruik van gemaakt, want zoodra de zee hol stond, en dat gebeurt nog al eens op onze kust, waagden zich de schippers niet zoo dicht onder den wal. Bij den eersten Novemberstorm liep de haven vol zand. Met uitbaggeren zoude men dit wel weer klaren, maar het bleek al spoedig dat men wel aan het uitbaggeren kon blijven. De scheepvaart werd dus niet veel gebaat door dat kanaal. Maar het ergste gebeurde eerst vele jaren later, in het noodlottige jaar 1980. Een springvloed viel samen met een storm, zoo als er bij menschengeheugen nog nooit een gewoed had. Sluizen en dijken bezweken daaronder, en Noord-Holland, waarvan het grootste gedeelte van 1 tot 5 meters onder de gemiddelde oppervlakte der zee lag, liep vol als een kom, die men onder een kraantje houdt. Te Rotterdam werd kort daarna een nieuw tooneelstuk opgevoerd, getiteld: Het paard van Troje.””

»Wel dat is verschrikkelijk, Mijnheer!”” kon ik mij niet weêrhouden uit te roepen, in weêrwil dat de man die mij deze treurmare mededeelde, er niet veel gevoel van scheen te hebben. Uit zijn laatste gezegde maakte ik op, dat hij waarschijnlijk een Rotterdammer was, en dit deed mij weder door het teleskoop zien en den blik wenden naar de stad, die ook mijne geboorteplaats was en waar ik mijne allereerste jeugd had doorgebracht. Doch aanvankelijk kon ik mij niet behoorlijk orienteeren. De Maasstad had zich naar alle zijden zoozeer uitgebreid, ja geheel dit gedeelte van Zuid-Holland was zoo dicht bebouwd geworden, dat ’s Gravenhage, Delft, Leiden, Schiedam en Rotterdam eigenlijk slechts eene groote stad schenen uit te maken.

Ook Utrecht bleek mij zeer in omvang te zijn toegenomen. Mijne aandacht viel op een sterk glinsterende, door de zon beschenen stip, en, nieuwsgierig welk soort van voorwerp dit was, zette ik een sterker oculair voor het teleskoop en herkende toen de gulden Zon der Geregtigheid, het bekende wapen der Utrechtsche Akademie, prijkende aan den geveltop van een groot en prachtig gebouw. Ik vermoedde dat dit het Akademie-gebouw zoude zijn en vroeg zulks aan den dikken heer, die mij zoo even had ingelicht.

»»Daar weet ik niemendal van, Mijnheer! Dat zijn dingen, waarvan ik geen verstand heb,””—gaf hij ten antwoord. Baco echter die de vraag gehoord had, zeide: »»uw vermoeden is juist. Toen eindelijk, nadat men vele jaren lang te vergeefs gewacht had op eene nieuwe wet op het Hooger onderwijs in Nederland, deze tot stand kwam, hebben eenige vermogende inwoners van Utrecht op gemeenschappelijke kosten dit inderdaad zeer fraai en voortreflijk ingericht gebouw gesticht en daarmede een sprekend bewijs gegeven van hunne belangstelling in de wetenschap en van hunne liefde voor de Hoogeschool, waaraan velen hunner hunne eigene opleiding tot nuttige staatsburgers genoten.””

Ik dankte Baco voor deze voor mij werkelijk hoogst belangrijke mededeeling en vroeg daarop: »of men in die nieuwe wet op het hooger onderwijs ook het beginsel had opgenomen, dat het volmaakt onverschillig is, waar en op welke wijze men zijne kundigheden heeft verworven en dat het eenige hetgeen de staat recht heeft te vorderen is: dat daarvan blijk worde gegeven in een in het openbaar voor eene staatscommissie afgelegd examen!”

»»Gij roert daar een moeielijk punt aan,—antwoordde hij,—dat aanleiding heeft gegeven tot zeer uiteenloopende beschouwingen en waarover juist de minst bevoegden, dat is diegenen welke de geringste ondervinding op het stuk van examina hadden, waanden met de grootste zekerheid te kunnen spreken. Het beginsel vertoont zich op den eersten blik als volkomen juist. Zij die het huldigen redeneeren ongeveer op de volgende wijze: »Gegeven zijnde eene zekere hoeveelheid oliezaad, dan zal men daaruit met dezelfde pers en bij gelijke drukking steeds eene zekere hoeveelheid olie kunnen persen of slaan, en deze zal derhalve de juiste betrekkelijke waarde van verschillende soorten van oliezaad aangeven. Het komt er slechts op aan om eene goede pers te maken, eene die altijd gelijkmatig werkt. Even zoo is het nu met een examen. Ook dit is een soort van pers, waarin de te examineeren persoon wordt gebracht, om uit hem het quantum van kundigheden te persen, waarvan het bezit is voorgeschreven als vereischte tot toelating. Heeft men een goede examen-pers, dan zullen de uitkomsten steeds vergelijkbaar en derhalve billijk zijn.”

»»Hier echter stuitte men al ras op een bezwaar. Het valt licht uit hout en ijzer persen zamen te stellen, die steeds gelijk werken, maar examen-persen, dat is eene andere zaak! Vooreerst ligt de stof daartoe niet zoo overal voor de hand, vooral waar het examen-persen voor de door hooger onderwijs verkregen kundigheden geldt. En ten tweede bestaan examinatoren niet uit hout en ijzer en zijn de examinandi geen oliezaad; maar beiden zijn menschen, d. i. bezielde wezens, door wier onderlinge aanraking actien en réactien ontstaan, met duizendvoudige wisseling, zoodat er van eene volstrekte gelijkmatigheid der uitkomsten van een examen nimmer sprake kan zijn, en zulks te minder naar mate de examinatoren en de geexamineerden elkander meer vreemd zijn. Dan toch voegt zich bij de overige redenen, die tot ongelijkmatigheid leiden, nog de zeer natuurlijke afstooting, die zulke heterogene deelen op elkander uitoefenen, eene afstooting die dan eens grooter, dan eens geringer zal zijn, al naar gelang van den aard van beide partijen.

»»Om aan dit bezwaar te gemoet te komen en het beginsel te redden, dat allen die gelijke rechten zouden erlangen ook aan gelijke voorwaarden behoorden te voldoen, werden nu van regeringswege handboeken aangewezen, waaraan men zich voortaan te houden had. Weldra deden zich toen personen op die, om die handboeken toch recht bruikbaar en het examen zoo gemakkelijk mogelijk te maken, werkjes samenstelden met vragen en antwoorden, in den vorm van een catechismus voor elk vak van wetenschap. Velen meenden dat men hiermede het toppunt van examinatorische gelijkmatigheid had bereikt, maar toen er desniettegenstaande nog altijd klachten werden aangeheven over onbillijkheid en willekeur der examineerende commissiën, opperden sommigen het denkbeeld: of het niet mogelijk zoude zijn het vraagstuk, hoe een volkomen goed examen interichten, langs den physico-mechanischen weg op te lossen. Men had toch reeds sedert lang oogspiegels, oorspiegels, keelspiegels enz., waarom zoude het niet gelukken ook hersenspiegels te vervaardigen? Er waren zelf-registreerende thermometers, barometers, magnetometers, photometers enz., waarom zoude men niet ook zelf-registreerende enkephalometers kunnen vervaardigen? Enkephalometers, die binnen eenige oogenblikken, in eenige weinige cijfers, den juisten graad van kennis aanwezen, welke het individu zich verworven had, op het oogenblik dat het werktuig geappliceerd werd! Heerlijke uitvinding voorwaar, zoowel voor examinandi als examinatoren! Jammer slechts dat zij niet voor verwezenlijking vatbaar bleek en, met het perpetuum mobile en de quadratuur van den cirkel, onder de hersenschimmen moest worden gerangschikt.

»»Ondertusschen had men toch gedurende het bestaan van dit overdreven examenstelsel eene nuttige ondervinding opgedaan, al was het ook eene treurige. Het bleek namelijk, dat, naarmate de jonge lieden zich meer toelegden op het verwerven van die kundigheden, welke gevorderd werden voor het afleggen van een goed staatsexamen, de lust voor vrije studie, voor eigenlijke wetenschap, die meer op een helder oordeel dan op geheugen steunt, werd uitgedoofd. Zoo werd het hoofddoel van het hooger onderwijs, dat niet bestaat in het africhten tot zekere beroepen, maar in de zooveel mogelijk geheele ontwikkeling van alle talenten, welke sluimeren bij elk die daaraan deel neemt, grootendeels gemist. Men had het voorbeeld der Chinezen gevolgd, die alle andere volken overtreffen in de veelheid en langdurigheid der examina, en zag in dat de Hollanders groot gevaar liepen langs dien weg in waarheid tot de Chinezen van Europa te worden. Men begon toen ook te begrijpen, dat een op zich zelf goed beginsel door overdrijving tot schadelijke gevolgen leidt, dat examina, hoewel onmisbaar, toch steeds een noodzakelijk kwaad blijven en dat het streven om staats-examina zoo interichten, dat zij eenen in alle opzichten billijken en onbedriegelijken maatstaf aan de hand geven, ter beoordeeling, niet van de mate van eenige door het geheugen opgegaarde kennis, maar van de geheele mate van verstandelijke ontwikkeling en praktische geschiktheid van den geexamineerden, eene onbereikbare hersenschim is. Voorts erkende men ook gedwaald te hebben, toen men waande dat examina voor staatscommissien een prikkel zouden zijn ter bevordering der studie aan de hoogeschool, en dat er veeleer behoefte bestaat aan aanmoedigende en opwekkende middelen dan aan nederdrukkende, gelijk de vrees is. De menschelijke geest is als een voor gisting vatbaar vocht. Zonder gist daarin, geene gisting. Warmte bevordert, koude vertraagt haar. Bevorder den bloei van het hooger onderwijs door daaraan uitstekende docenten te verbinden, door ruime middelen ter hunner beschikking te stellen, om in elke richting mede te werken tot uitbreiding en verspreiding van kennis, door aanmoediging van elke poging om grondige wetenschap te kweeken, en de gunstige gevolgen voor de geheele maatschappij zullen niet uitblijven. In de eerste eeuwen van het bestaan der universiteiten kende men daaraan als aan zedelijke lichamen zekere rechten, deels voorrechten, toe, die allengs door den stroom des tijds werden medegesleept, daar zij niet meer pasten in den nieuweren toestand der maatschappij. Slechts één recht, of laat mij liever zeggen één plicht, was aan de universiteiten verbleven. Het was dat van, na gehouden examina, graden toe te te kennen aan hare kweekelingen. Ook van die examina gold hetzelfde als van alle andere examina, dat zij namelijk geenen volkomen afdoenden waarborg gaven. Maar terwijl de gebreken breed werden uitgemeten, werden de daaraan verbonden voordeelen over het hoofd gezien, en zoo werden zij allengs, het eene voor en het andere na afgeschaft en door examina voor opzettelijk daartoe benoemde staatscommissiën vervangen. Toen men echter, na eene lange reeks van proefnemingen, bevond dat men, ten einde de Scylla te vermijden, telkens in de Charybdis verviel, erkende men ook hier de waarheid van het »le mieux c’est l’ennemi du bien,” en keerde tot het oude stelsel, ofschoon in eenige opzichten gewijzigd en verbeterd, terug. Tevens zocht men eensdeels door de kosten der studie te verminderen, anderdeels door ondersteuning van uitstekende jonge lieden, die door hunnen aanleg beloofden die ondersteuning later aan de maatschappij met woeker te zullen vergelden, het bezoek der universiteiten, als de beste plaatsen tot het verkrijgen van kennis, te bevorderen. Zoo is dan ook het getal der kweekelingen daaraan zoozeer toegenomen, dat er thans geene enkele reden meer bestaat, om aan andere dan aan hen die hunne studiën aldaar volbracht hebben, het recht tot uitoefening der zoogenaamde geleerde beroepen toetekennen. Indien men daartegen mocht aanvoeren dat dit eene onbillijkheid is tegenover hen, die de universiteit niet bezochten maar zich elders op het verkrijgen van de voor zulk een beroep gevorderde kundigheden toelegden, dan zoude ik daarop antwoorden dat het belang der individu’s wijken moet voor het belang der geheele maatschappij, dat ten nauwste met den bloei der hoogescholen verbonden is.””

Thans wendde ik weder het oog naar andere streken van ons vaderland.

Het noordelijk en noordoostelijk gedeelte scheen zeer in volkrijkheid te zijn toegenomen, te oordeelen naar de uitgebreidheid der aldaar gelegen steden. Des te meer trof het mij, dat, toen ik den blik naar Arnhem richtte, die stad mij ter nauwernood nog zoo groot als tegenwoordig scheen te zijn. Ik herinnerde mij toch, dat in het midden der negentiende eeuw die stad zeer in bloei was toegenomen, inzonderheid ten gevolge van de velen, die hunne fortuin in Oost-Indië gewonnen hadden, en zich nu te Arnhem hadden nedergezet, om in die fraaie streek het leven te genieten.

Het schijnt dat mij een uitroep van verbazing over de kleinheid van Gelderlands hoofdstad ontsnapte. Althans de dikke heer nam het woord, zeggende:

»»Ja Mijnheer! Gij hebt gelijk Mijnheer! Arnhem is weer klein geworden, na eerst groot geweest te zijn. Zoo gaat het, als kinderen er meer van willen weten dan de oude lui.””

Ik begreep volstrekt niet, hoe die menschkundige opmerking hier te pas kwam. Doch hij vervolgde; »»Ik zal u eens wat vertellen, Mijnheer! Er was eens een heer, die een heel mooien vogel had, maar het mooiste van dien vogel was, dat hij alle jaar een gouden ei legde. Natuurlijk was die heer bang, dat die vogel zou wegvliegen of hem ontstolen worden. Hij kortwiekte hem dus en zette hem toen in een stevigen kooi. Maar toen de kinderen van dien heer groot waren geworden, dachten zij, dat hun vader dien vogel eigenlijk niet goed behandeld had. De een was van meening, dat de billijkheid vorderde dat een gedeelte van het gouden ei gebruikt werd, om de kooi van den vogel te verfraaien. Een ander was van oordeel, dat de kooi niet alleen verfraaid, maar vergroot moest worden, om den vogel gelegenheid tot meer beweging te geven; dan zoude deze, in plaats van één gouden ei, er wel meer leggen, en, zoo dacht hij er in stilte bij, dan valt er misschien wel een daarvan door de tralies in mijn spaarpot. Een derde ging nog een stap verder, zeggende dat de kooi niet enkel vergroot, maar geheel vernieuwd en van veel dunnere spijlen gemaakt moest worden, opdat de vogel meer lucht en licht zoude hebben; dat kwam hem toe, want hij was geen dier, dat geschapen was om in de duisternis zijn leven voort te slepen. Een vierde eindelijk meende, dat het een schande voor den eigenaar van zulk een vogel was, om dien gekortwiekt te houden. Dat was misbruik maken van het recht des sterksten! Dat toonde hoe slecht hij zijne roeping verstond, hij, aan wien zulk een dier was toevertrouwd!

»»De oude heer was verlegen met de zaak. Hij zag wel het gevaarlijke van al die raadgevingen in, maar hij was een goed vader en wilde zijne kinderen gaarne genoegen doen. Eerst werd dus de kooi verguld, later vergroot, nog later vervangen door een splik-splinter nieuwe, die nu zoo luchtig mogelijk was. Onderwijl waren de gekortwiekte vleugels van zelf weder aangegroeid, en op een goeden dag had de vogel gedaan, wat ieder vogel in zijn geval doen zoude. Hij had zich door de dunne spijlen heengewrongen en was weggevlogen.

»»Die vogel heette Java! Begrepen Mijnheer?””

»Volkomen, antwoordde ik, maar wat werd er van den vogel?”

»»Ja Mijnheer! het was eigenlijk een domme streek van den vogel, dat hij wegvloog, want hij had het waarlijk zoo kwaad niet in zijn kooi, maar een vogel blijft altijd een vogel. Toen hij een eind ver weggevlogen was, kwamen er twee groote roofvogels aanvliegen, die hem elk met een klauw pakten, terwijl zij met de andere en met den bek elkander duchtige slagen toebrachten. De arme vogel verloor daarbij een goed deel van zijne veêren en was beurtelings in de macht van den eenen en dan weder van den anderen roofvogel. Eindelijk lieten beiden hem deerlijk gehavend vallen, om elkander met al hunne wapens aan te grijpen, en toen het gevecht voorbij was, waren beiden zoo gewond en afgemat, dat zij er niet aan denken konden den vogel te vervolgen!””

»Dus,—riep ik uit,—indien ik uwe beeldspraak recht versta, dan hebben ook Frankrijk en Engeland van het bezit van Java afgezien en zijn de Javanen thans een vrij volk!”

»»Och wat, vrij! De marmotten zijn ook vrij!”” luidde het antwoord van dien Mijnheer Droogstoppel.

»Uwe vergelijking van zoo even was edeler,” zeide ik.

»»Die gold alleen het land, maar de Javanen....””

»Welnu?”

»»Zullen wel altijd Javanen blijven. De tegenwoordige zijn nog maar een graadje luier dan de vroegere. Java is sedert den laatsten grooten oorlog tot neutraal gebied verklaard, waarop alle natiën gelijkelijk handel mogen drijven, en wat denkt gij, dat er het gevolg van geweest is? Dat er van het beetje koffij en suiker, die het eiland nog voortbrengt, sedert jaren niets meer aan de Rotterdamsche markt is gekomen. Het meeste gaat tegenwoordig naar Marseille en de overige havens der Middellandsche zee.””

Hier mengde zich Baco in het gesprek, zeggende: »»Ik ben geen koopman, Mijnheer! maar, indien mijne berichten juist zijn, dan voelen zich de Javanen tegenwoordig gelukkiger, dan toen zij onder den dwang eerst der Oost-Indische Compagnie en later van het kultuurstelsel leefden. Het komt mij voor, dat zulke bezittingen, welke geene eigenlijke volkplantingen zijn, op den bezitter ook zekere eigenaardige verplichtingen leggen, en dat hij deze niet als een enkel in zijn bijzonder voordeel te ontginnen mijn mag beschouwen. Waar een hooger ras een lager overheerscht, rust op het eerste de taak het laatste tot die hoogere ontwikkeling te brengen, waarvoor het vatbaar is. Uit den aard der zaak is elke zoodanige overheersching eene tijdelijke. De geschiedenis leert zulks. Eenmaal moet de band verbroken worden, maar deze zal des te langer blijven bestaan en de verbreking zal met des te minder moeielijkheden gepaard gaan, naar mate de overheersching minder het karakter heeft van onderdrukking. Zedelijke overmacht is op den duur de krachtigste, en deze wordt het best gehandhaafd door billijkheid en rechtvaardigheid van den sterkeren tegenover den zwakkeren. Ik voor mij ben overtuigd dat de reden waarom uw staat nog zoo lang in het bezit van Java gebleven is, juist gelegen is in de omstandigheid, dat voor twee eeuwen eenige noodzakelijke hervormingen in het bestuur aldaar zijn ingevoerd. Waren deze nagelaten, dan zoude het waarschijnlijk reeds vroeger voor u verloren zijn geweest. En wat uwe opmerking aangaande de verplaatsing der markt betreft, zoude niet ook het Suez-kanaal daaraan schuld hebben?’”

»»Wel mogelijk, Mijnheer!—antwoordde de Rotterdammer op een knorrigen toon,—ik wil niet met u redeneeren, gij zijt een Engelschman, en gijlieden meent het altijd beter te weten dan wij; maar dit is zeker, dat, indien het zoo voortgaat, wij per telegraaf achteruitgaan.””

Ik verheugde mij in stilte, dat hetgeen ik door het teleskoop gezien had, mij de overtuiging had gegeven, dat die achteruitgang nog niet merkbaar was, en besloot daaruit, dat de Nederlanders de oude spreuk: dat men, als het getij verloopt, de bakens moet verzetten, bij tijds in toepassing hadden gebracht. Maar ik waagde het niet dit besluit in woorden te kleeden, uit vrees, van onzen reisgenoot, die blijkbaar slechts éénen gedragsregel kende, namelijk bevordering van het eigenbelang, en van hoogere staathuishoudkundige en volkenrechtelijke beginselen niets begreep, nog meer uit zijn humeur te brengen.

Terwijl dit gesprek voorviel, waren wij weder eenigzins van koers veranderd. Wij dreven nu in eene zuid-oostelijke richting, en het vaderland verdween allengs uit het gezicht. Naar het oosten ziende, ontdekte ik een zwart vlekje, dat zich blijkbaar met groote snelheid langs de aardoppervlakte voortbewoog en naar ons toekwam. Het werd al grooter en grooter, breidde zich al meer en meer uit en stoof toen onder ons door. Ik had echter tijd gehad om er een zeer langen trein van groote wagens in te herkennen, zoo groot, dat zij veeleer op huizen geleken. »Vanwaar kwam die spoortrein?” vroeg ik. Baco raadpleegde zijn reiswijzer en zeide: »»Dat is de trein, die eergisteren morgen van Pekin vertrokken is en langs de groote centrale oostwestbaan loopt.””

»Van Pekin? Dus dwars door of over de hooge gebergten van Midden-Azië en den Oeral!”

»»Zulke hinderpalen worden in den tegenwoordigen tijd weinig geteld. Het is immers al twee eeuwen geleden, dat men den Mont-Cenis doorboord heeft. Gij zult zoo dadelijk zien, dat op dezelfde wijze, waarop men toen de scheiding tusschen Frankrijk en Italië heeft opgeheven, men dit later ook voor Zwitserland en Italië heeft gedaan.””

En inderdaad, allengs begonnen de besneeuwde toppen der Alpen aan den horizon te dagen. Deze waren nog onveranderd dezelfde, die zij voor eeuwen geweest waren, maar de weg liep nu niet meer over den Splügen, over den Simplon of over den St. Bernard, maar onder het gebergte door, zoodat wij de treinen, die wij aan de Zwitsersche zijde de tunnels hadden zien binnengaan, na eenigen tijd weder aan de Italiaansche zijde zagen te voorschijn komen, om hunnen weg in de vlakke, door de Po bespoelde streek te vervolgen.

Reeds hoopte ik, dat wij ook in de nabijheid van Rome zouden komen, zoodat er misschien gelegenheid zoude bestaan om te zien, wat er van die oudste en eerwaardigste der steden geworden was; doch dit gebeurde niet. Wij dreven over Venetië, waar de Italiaansche vlag boven den top van St. Marcus gezien werd, maar ook eenige Oostenrijksche schepen, herkenbaar aan den dubbelen adelaar, nevens vele andere in de haven lagen. Beurtelings rijzende en dalende en daardoor niet altijd even goed de oorden kunnende herkennen, waarboven wij ons bevonden, kwamen wij na eenigen tijd boven Constantinopel, waar nergens meer een halve maan te zien was, maar ook geen ander teeken, waaruit men konde besluiten tot den staat, waartoe de hoofdstad van het voormalige Oostersche Keizerrijk behoorde.

Vervolgens de Zwarte zee overstekende en den Kaukasus achter ons latende, zagen wij de vlakte van den Euphraat voor ons uitgebreid. In mijne verwachting van aldaar kennis te maken met oostersche tafereelen, werd ik echter teleurgesteld. De streken, over welke wij heentrokken, hadden geheel een Europeesch aanzien. Niets verkondigde dat wij ons in een ander werelddeel bevonden.

Onder de gebouwen, die ik duidelijk onderscheiden kon, was er echter een dat een geheel eigenaardigen stijl had. De talrijke en groote koepels deden vermoeden, dat het een kerk of moskee was, maar met die bestemming strookten niet de bijgebouwen, die op gewone Europeesche huizen geleken, maar door zuilen-gaanderijen omgeven waren. Dit gebouw of liever deze groep van gebouwen lag op een rotsigen heuvel, en men had blijkbaar van daar een zeer ruim uitzicht.

Ik vroeg Baco, of hem ook bij toeval de bestemming van dit gebouw bekend was. Hij zag door den kijker en antwoordde: »»Wel zeker, dat is de beroemde sterrenwacht van Oroemiah. Ik herken haar naar de plaat, die eene afbeelding daarvan voorstelt en in mijn studeervertrek hangt. Zelf ben ik daar nog niet geweest, hoewel het observatorium een bezoek overwaardig moet zijn.

»Hoe is men er toch toe gekomen om hier, zoo ver buiten de middelpunten van beschaving, eene sterrenwacht van zoo grooten omvang op te richten?”

»»Om de eenvoudige reden, dat men er tegenwoordig naar streeft, om zooveel mogelijk tijd te sparen, en dus voor het doen van waarnemingen die plaatsen kiest, waar de waarnemingen het best en in het kortste tijdsbestek kunnen gedaan worden. In Europa zijn de nachten slechts zelden zoo helder, dat de vermogende kijkers, die men thans heeft, met vrucht kunnen worden gebruikt. Hier daarentegen is de hemel gedurende verscheidene maanden des jaars zoo klaar en doorschijnend, dat men met het bloote oog reeds de manen van Jupiter en de schijngestalten van Venus kan herkennen. In 1852 maakte een Amerikaansche zendeling, Stoddard geheeten, den bekenden sterrekundigen John Herschel hierop opmerkzaam, doch het was toen en nog lang daarna geen tijd om van die uitmuntende gelegenheid, om de hemelverschijnselen gade te slaan, partij te trekken. Eerst in het begin der eeuw, waarin wij thans leven, is op gezamenlijke kosten van alle beschaafde volken,—en daaronder van de Persen zelve, die volstrekt niet meer behoeven onder te doen in beschaving voor ons, bewoners van Europa,—deze sterrenwacht gesticht, die den naam draagt van: »Centraal Observatorium. Ik behoef er wel niet bij te voegen, dat die inrichting rijk voorzien is van de uitstekendste werktuigen, en dat daaraan een genoegzaam getal van personen verbonden is tot het doen van allerlei waarnemingen.””

»Dus is dan de sterrekunde weder naar haar oude bakermat, naar het vaderland der Chaldeërs, teruggekeerd, merkte ik aan. Maar wat is er dan geworden van de overige zoo hoog geroemde Europeesche observatoria, dat te Greenwich, te Leiden, dat van de Pulkowa enz.?”

»»Deze zijn veranderd in calculatoria, dat zij vroeger toch ook reeds voor een groot deel waren. Onder hen worden de aan het centraal observatorium verrichte waarnemingen verdeeld, en deze worden dan daar berekend. Ook strekken zij nog tot praktische opleiding van jeugdige astronomen, die, juist omdat zij daar met vele moeielijkheden te kampen hebben en de waarheid der spreuk leeren kennen: per ardua ad astera, tot volhardende en nauwkeurige observatoren worden opgekweekt.

»»Dat de praktische sterrekunde te Oroemiah met vrucht wordt beoefend en daardoor onze kennis van de samenstelling der hemellichamen zeer is toegenomen, kan u blijken uit gindsche kaart, met hetgeen er onder te lezen staat. Het zal echter, denk ik, niet noodig zijn u te waarschuwen van er u niet door te laten verleiden.””

Ik volgde zijne vingerwijzing en zag aan den wand een groot aanplakbiljet opgehangen, waarop met den eersten blik het welbekende maanlandschap Tycho te herkennen was, bestaande uit een ringgebergte met daarvan straalsgewijs uitgaande, als zilver blinkende strepen. Daaronder las men:

Grootste ontdekking dezer eeuw. Onuitputtelijke tinmijnen op de maan. Wie spoedig rijk wil zijn, neme aandeelen in de nieuw opgerichte Maan-Tin-Exploitatie-Maatschappij Tycho!

Ik was opgestaan om de kaart van naderbij te bezien en mij te overtuigen, dat ik mij bij het lezen van dit onderschrift niet bedrogen had. Toen ik mij weder omkeerde, las zeker Baco de bevreemding op mijn gelaat, want hij zeide: »»Gij schijnt geen geloof te slaan aan die ontdekking. Toch bevat het eerste gedeelte van die aankondiging waarheid, misschien zelfs meer waarheid dan er mede bedoeld wordt, want die tinmijnen zijn werkelijk onuitputtelijk, om de eenvoudige reden dat er nooit uit geput zal worden. Maar tinmijnen zijn er, dit is een uitgemaakte zaak. Een nauwkeurig onderzoek met den grooten parabolischen reflector, voorzien van een hyperbolisch oculair en van een spectraal-analytischen toestel voor teruggekaatste stralen, heeft onbetwistbaar bewezen, dat de blinkende strepen, die van Tycho uitgaan, metallisch tin zijn. Gij zult u trouwens daarover minder verwonderen, wanneer gij u herinnert dat op de maan geen water is en dat daar ook een dampkring ontbreekt. Metalen derhalve, die op onze aarde gewoonlijk in eenen geoxydeerden of anderen gebonden toestand voorkomen en daardoor hun glans verliezen, kunnen dezen op de maan behouden, even als hier met zilver, goud en platina het geval is.””

Daar ik mij nu herinnerde dat men werkelijk in de laatste helft der negentiende eeuw in de spectraalanalyse een middel gevonden had, waardoor men de tegenwoordigheid van metalen en andere elementen in verschillende hemellichamen kan ontdekken, zoo begon ik schemerachtig de mogelijkheid in te zien van met verbeterde toestellen zelfs de scheikundige geaardheid van zoo kleine gedeelten der maansoppervlakte als die Tycho-strepen zijn te kunnen erkennen. Doch hetgeen mij geheel ongeloofelijk voorkwam, was dat er lieden zouden zijn, lichtgeloovig genoeg om de exploitatie van tinmijnen op de maan door ons aardbewoners voor uitvoerbaar te houden. Toen ik dit tot Baco zeide, antwoordde hij: »Mijn waarde heer! de menschen zijn thans op dit punt al even als vroeger. Er zijn ten allen tijde bedrogenen geweest, die de slachtoffers hunner hebzucht waren, en bedriegers die op de laatste speculeerden. De personen, die zulk eene aandeelen-maatschappij oprichten, weten zeer goed, dat eene exploitatie van mijnen op de maan tot de onmogelijkheden behoort, maar het komt er bij hen ook slechts op aan om anderen aan de mogelijkheid daarvan te doen gelooven en het publiek ten hunnen eigenen bate te exploiteeren. Ook in vroegere eeuwen werd hetzelfde gedaan. Slechts verzon men toen tin-, koper-, lood- en andere mijnen, die nergens op aarde bestonden dan op de kaarten, welke dienen moesten om anderen een rad voor de oogen te draaien,—groote riddergoederen, die, indien zij al bestonden, later bleken kleine vervallene hofsteden te zijn,—of vruchtbare landerijen, die voor den ongelukkigen kooper in dorre heiden of moerasgronden verkeerden; of men verzon zelfs niets maar wist door eene kunstige combinatie van cijfers de menschen te doen gelooven, dat, indien men slechts goed de kunst van optellen en vermenigvuldigen verstond, 1 + 1 = 4 en 1 × 1 = 10 was. Zoo is het altijd gegaan en zal het wel altijd gaan. Denk aan het oude: mundus vult decipi! Het komt bij zulke gelegenheden vooral op een ruim geweten, een stalen voorhoofd en een zekeren tact aan, om van de ligtgeloovigheid der menigte niet al te veel te vergen, maar haar door een kunstigen schijn van waarheid te verblinden. In vroegeren tijd, eer de wetenschap over zoo verbazende hulpmiddelen beschikken kon als thans het geval is, zou de geringste boer dengenen die hem voorstelde tin uit de maan te halen voor gek hebben gehouden. Thans echter zijn zoovele uitvindingen en ontdekkingen gedaan, die voor het ongeleerde publiek aan het wonderbare grenzen, dat het te begrijpen is dat sommigen eindigen met te gelooven dat voor de telkens al verder en verder voortdringende wetenschap geene slagboomen meer bestaan. Richt eene Maatschappij op voor het overbrengen van pakgoederen met den elektromagnetischen telegraaf, zend een prospectus de wereld in, dat doorspekt is met geleerde termen en een schijnbaar wetenschappelijk betoog bevat van de deugdelijkheid van het ontworpen plan; verzuim vooral niet van op een aanzienlijke winst het uitzicht te openen, en gij zult zien dat gij aandeelhouders krijgt.””

Arme menschheid! dacht ik. Zult gij dan altijd dezelfde blijven, steeds de slaaf uwer hartstochten en daardoor de speelbal van hen die er tot hun voordeel misbruik van zoeken te maken. Ik werd van die gedachte echter afgeleid, toen mijn oog viel op een ander aanplakbiljet, aan welks hoofd met groote letters te lezen stond:

ANTI 1 = 2 LEAGUE.

Ik vroeg mijnen geachten reisgenoot wat dit beteekende. »»Het is eene oproeping tot eene meeting, om een verbond te sluiten tegen de eentweeërs.”” Natuurlijk begreep ik daar niets van. Met zijne mij reeds zoo dikwerf betoonde welwillendheid lichtte Baco echter op mijn verzoek de zaak nader toe. Om mij op de hoogte te brengen, moest hij evenwel eenen langen omweg maken. Men had dan,—zoo luidde ongeveer zijne toelichting,—al reeds sedert lang het algemeene stemrecht ingevoerd, niet enkel voor mannen, maar ook voor vrouwen. Aanvankelijk had men dit echter alleen gegeven aan de meerderjarigen. Maar toen had men de zeer gegronde opmerking gemaakt, dat men dit doende zich aan groote inconsequentie schuldig maakte. De census toch was afgeschaft, omdat er geene enkele voldoende reden bestond, waarom men het stemrecht zoude geven aan iemand, die ƒ 20 belasting betaalt en het onthouden aan een ander, die voor ƒ 19,99 is aangeslagen. Wordt de census tot ƒ 19,99 verlaagd, waarom dan niet tot ƒ 19,98, enzv. tot 0 toe. Toen echter nog de meerderjarigheid als een vereischte behouden was om het stemrecht te mogen uitoefenen, zagen velen daarin toch eigenlijk weder een soort van census. Hoe,—zeide men,—gij schenkt het recht, om zijne stem uit te brengen en daardoor invloed uit te oefenen op de welvaart van stad en land, aan suffende grijsaards, alleen omdat zij oud zijn, en gij onthoudt het aan krachtige jongelieden, alleen omdat zij nog niet den leeftijd bereikt hebben, waarop de wet hen meerderjarig verklaart! Gij neemt hunne diensten wel aan, om het vaderland te verdedigen tegen buitenlandsche vijanden, en zij zouden geen recht hebben om mede te stemmen, waar het hunne eigene belangen geldt! Wat heeft een jong man van 23 jaren vooruit boven een van 22 jaren en 11 maanden? Was Pitt niet reeds minister op 21-jarigen ouderdom? Is het geen dwaasheid te beweren, dat ooit bij eene wet een bepaalde leeftijd kan worden vastgesteld, waarop iemand voor verstandig genoeg verklaard wordt, om hem de uitvoering van een recht toe te vertrouwen, dat hem als burger van een vrij land aangeboren is! Zulk eene wet berust op louter willekeur, zij past niet meer voor onzen tijd, zij is eene logische inconsequentie, zij is in lijnrechten strijd met het groote beginsel, dat alle burgers en burgeressen van een land gelijke rechten hebben,—zij is nog een laatste overblijfsel uit den tijd van die vaderlijkheid, waarmede men reeds voor twee eeuwen den spot begon te drijven. Tegen eene zoo klemmende redeneering viel nu wel is waar niet veel in te brengen, dat even klemmend was. Zij die het beproefden werden voor beginsellooze personen uitgekreten, die altijd hinkten op twee gedachten, die het er voor hielden dat een deur tegelijk dicht en open kon zijn, enzv. Aanvankelijk werd een soort van compromis gesloten; het tijdstip der meerderjarigheid werd vervroegd. Natuurlijk was dit echter geheel onvoldoende om de voorstanders van het groote beginsel en van logische consequentie te bevredigen. Wederom werd de meerderjarigheid vervroegd,—en eindelijk geheel afgeschaft. Alle burgers en burgertjes, burgeressen en burgeresjes, hoe jong ook, zelfs de kindertjes op moeders schoot, hadden nu het stemrecht en konden er desverkiezende van gebruik maken. Dit had nu in de praktijk wel eenige moeielijkheden,—maar het beginsel was gered, en—leven de beginselen! Nu, zoo meende men, was men eindelijk, den kiesladder afdalende, op vasten bodem gekomen. Voortaan zoude er ongestoorde rust in den lande heerschen, want immers nu was er niemand meer die zich met eenigen schijn van recht beklagen kon, dat zijne aangeboren rechten niet erkend werden. Doch ziet!—daar ontstond eene beweging onder de vrouwenpartij. Er verhieven zich eenige stemmen, aanvankelijk zwak en weifelend,—want zij vreesden het wapen van den spot,—maar die allengs luider en luider werden en klaagden, dat de vrouwen in hare rechten verkort waren. Zij toch onder haar die in eene interessante positie verkeerden, waren geen enkelwezens meer, maar dubbelwezens, en,—zoo beweerden zij,—zij moesten dus ook eene dubbele stem hebben, eene voor haar zelve en eene voor het nog ongeboren burgertje of burgeresje. Ja sommigen gingen zelfs zoo ver van te eischen, dat, aangezien er ook wel twee- of drielingen geboren worden, men een zeker daaraan beantwoordend getal stemmen voor de vrouwenpartij moest beschikbaar stellen. De statistiek zoude wel de noodige gegevens daarvoor leveren, om uit te maken hoe groot het aandeel was, waarop elke der interessante en geïnteresseerde dames recht had. Hoe dwaas nu deze redeneering en de daarop steunende eischen ook schijnen mogen, zij had toch bij velen ingang gevonden. De zaak was reeds in verscheidene dagblad-artikelen en brochures uitvoerig besproken. De geleerden van beide partijen hadden er zich mede ingelaten en op physiologische en psychologische gronden er zich voor of tegen verklaard. Het was inderdaad een zeer ingewikkeld vraagstuk. Het gold uit te maken of 1 = 2 of wel 2 = 1 is. De heeren mathematici beweerden dat dit op hetzelfde neêrkwam en in beide gevallen onzin was, maar de vrouwen dachten er anders over, en lachten de mathematici in hun gezicht uit. Zoo werden die beide cijfers, al naar de 1 voor de 2 of de 2 voor de 1 kwam, tot twee leuzen. Zij die eene dubbele stem eischten voor elke vrouw, welker dubbelwezigheid door eene Medicinae universae Doctrix behoorlijk geconstateerd was, noemden zich eentweeërs, zij die dien eisch bestreden werden tweeëeners genoemd. Hiermede was dus het opschrift boven het aanplakbiljet verklaard. Nooit,—voegde Baco er bij,—was een strijd met meer warmte, ja vinnigheid gevoerd. En geen wonder, want wanneer de vrouwenpartij in deze zaak zegevierde, dan zoude deze een bepaald en blijvend overwicht boven de mannenpartij verkrijgen.

»Mannenpartij en vrouwenpartij! Zijn dit dan tegenwoordig de twee groote staatkundige partijen in den lande?”

»»Zoo is het,—luidde het antwoord. Het ontstaan dier twee partijen was het even natuurlijk als noodzakelijk gevolg van de volkomene emancipatie der vrouw en van het aan haar toekennen van alle rechten, welke de man in vroegere eeuwen alleen bezat.””

Ik kon niet nalaten van mijne bevreemding daarover te kennen te geven en mijne vrees uittedrukken, dat daardoor de verhouding tusschen de beiden seksen niet verbeterd zoude zijn.

Op het anders zoo ernstige gelaat van Baco vertoonde zich eene spottende uitdrukking, en hij antwoordde alleen: »daarin kondt gij wel gelijk hebben”. Maar Phantasia, die al dien tijd naar ons gesprek geluisterd had, nam nu het woord op en zeide: »»Ik zal u de waarheid zeggen. Wat mij betreft, ik ben den tegenwoordigen toestand hartelijk moede, en ik weet dat vele mijner zusteren het even als ik zijn. Toen onze grootmoeders en overgrootmoeders die fraaie, zoogenaamde emancipatie bewerkten en de vrouwen in allen opzichte met de mannen gelijk werden gesteld, bedachten zij niet wat daarvan het onvermijdelijk gevolg moest wezen. Gelijke rechten leggen gelijke plichten, gelijke lusten gelijke lasten op. De vrouw die als recht eischte, wat haar tot dusverre door den man ontzegd was, verbeurde daardoor haar voorrecht, dat haar vroeger door den man vrijwillig was toegekend. In de oude romans, welke voor ons de bronnen zijn, waaruit wij de zeden van een vroeger tijdperk leeren kennen, treden de mannen op als beschermers der vrouwen; elke man, die eenige aanspraak maakte op den naam van gentleman, behandelde eene vrouw steeds met achting en voorkomende beleefdheid; in de zamenleving werd haar de beste plaats ingeruimd; zij werd tegelijk geëerbiedigd en geliefd, geëerbiedigd juist uit hoofd harer zwakheid, geliefd omdat zij zich eenvoudig nevens den man stelde als zijne hulpe, maar er niet naar streefde om hem te verdringen. Thans is dit geheel anders geworden. Wij hebben ons zelve willen beschermen en zijn minder beschermd dan ooit. Wij hebben ons niet naast, maar tegenover de mannen geplaatst en zij zich tegenover ons. Onze zwakheid, die vroeger onze kracht was, wordt door het naijverige mannelijke geslacht in niets meer ontzien, en wij gevoelen haar nu eerst recht. Wat vroeger gaarne en vrijwillig gegeven werd, moet thans worden afgedwongen. Lompheid heeft de vroegere ridderlijkheid vervangen. Beleefdheid is een woord dat nog wel in onze woordenboeken staat, maar jegens vrouwen zelden meer wordt in acht genomen. Gij hebt er u van kunnen overtuigen, hoe onze tegenwoordige heeren haar verstaan, toen wij zoo straks den trap opklommen en zij de dames op zijde duwende zich dadelijk van de beste plaatsen meester maakten. Dit is een klein staaltje van hetgeen thans overal in de maatschappij gebeurt. Tegenover het mannelijk geweld stelt zich de vrouwelijke list, en de kans voor beide partijen op de zegepraal staat tamelijk gelijk, maar het is een dure zegepraal, die verkregen wordt ten koste van huiselijken vrede en geluk, ten koste van die edelere hoedanigheden, welke zich alleen behoorlijk ontwikkelen kunnen, wanneer elke sekse binnen den haar door de natuur en haar bijzonderen aanleg aangewezen kring blijft. Wat wij aan rechtstreekschen staatkundigen invloed gewonnen hebben, hebben wij aan macht op het hart des mans en daardoor aan middellijken invloed verloren, en het is zeer de vraag of het verlies niet grooter geweest is dan de winst. Neen, Stuart Mill, die, voor ruim twee eeuwen, aan het in het brein van sommigen rondspokende denkbeeld om aan de vrouwen het stemrecht te geven, het eerst een lichaam gaf en het met het gezag van zijnen naam steunde, moge een groot wijsgeer en staathuishoudkundige geweest zijn, hij was een slecht kenner van het menschelijk hart en heeft inzonderheid ons vrouwen een jammerlijken dienst bewezen.””

Dat het Phantasia ernst was met die klacht, bleek uit de opgewondenheid, waarmede zij sprak. Toch kwam het mij voor, dat zij Mill wel wat te hard was gevallen. Hij en zijne aanhangers hadden immers slechts voorgesteld aan ongehuwde vrouwen van eenen zekeren leeftijd en eigenaressen van een zeker eigendom het stemrecht te verleenen. Zij konden het immers niet helpen, dat men later tot zulke uitersten was vervallen. Maar toen herinnerde ik mij wederom den kiesladder, die, eenmaal betreden, dwingt om al verder en verder, al dieper en dieper te dalen, en ik begreep dat ook hier allengs alle tegenwerpingen hadden moeten zwichten voor zoogenaamde beginselen en logische consequentiën.

Wij hadden onder dit gesprek Oroemiah met zijn sterrenwacht uit het gezicht verloren. Tevens bespeurde ik, dat ook de voorwerpen onder ons al kleiner en kleiner werden, terwijl de barometer, die in een beugel in het midden van het salon hing, aanmerkelijk daalde, waaruit ik afleidde dat wij sterk rezen, waarschijnlijk om eenen gunstigeren luchtstroom in de hoogere streken des dampkrings op te zoeken. Het gevolg hiervan was echter, dat de oorden, waarover wij heen togen, al onduidelijker en onduidelijker werden, zoodat er weinig van hetgeen zich aan de oppervlakte bevond, meer afzonderlijk herkenbaar was. Na eenigen tijd werd die oppervlakte gelijkmatig groenachtig blauw. Ik besloot hieruit, dat wij ons boven de Indische zee bevonden. Het werd nu tamelijk vervelend in ons salon. De meeste passagiers waren ingedommeld. Daarbij merkte ik op, dat bij allen, ook bij mij, de ademhaling versneld was, hetgeen ik aan de ijlere lucht toeschreef, waarin wij ons thans ophielden. De dikke heer ronkte op eene zeer onaangename, stootende wijze. Zelfs de levendige Phantasia, die zich tot hiertoe met eene aardige française over hare lievelings-onderwerpen, de schoone kunsten en de poësie, onderhouden had, zat te sluimeren. Baco was verdiept in een boek, waarin de vraag behandeld werd: in hoeverre het mogelijk zoude zijn de aardbewoners door optische telegraphische seinen in gemeenschap te stellen met de bewoners der overige hemelbollen. Wat mij betreft, ik recapituleerde in mijne gedachte al het vreemde en wonderbare, dat ik in den loop dier twee dagen gezien had, en dacht er bij: wanneer reeds twee eeuwen zoovele veranderingen hebben teweeg gebracht, wat zullen dan vier, tien, honderd eeuwen doen!

Eindelijk waagde ik het Baco in zijne lectuur te storen door de vraag: »Waarheen meent gij dat wij ons nu begeven?”

»»Ik denk dat wij niet ver meer van Nieuw-Zeeland zijn,”” ontving ik ten antwoord. »»Wij hebben een grooten omweg door de hoogere lucht gemaakt, om partij te trekken van den tusschen de keerkringen opstijgenden en zich dan noord- en zuidwaarts en vervolgens oostwaarts wendenden luchtstroom, maar zijn thans weder aan het dalen. Zie slechts hoe de barometer rijst.””

Dit zeggen noopte mij weder eens door een der teleskopen te zien, en op eenigen afstand ontwaarde ik twee groote eilanden, die slechts door een nauwe straat gescheiden waren.

»»Wij zijn thans bij onze tegenvoeters, vervolgde Baco. Nieuw-Zeeland is het Groot-Brittanje van de Zuid-zee.””

»Maar toch nog verre van een zoo rijke, machtige en beschaafde bevolking te hebben.”

»»Niet zoo ver als gij denkt. Reeds telt Nieuw-Zeeland verscheidene groote steden, met al de inrichtingen voor onderwijs, wetenschap en kunst, die wij in Europa gewoon zijn daar aan te treffen. Het bezit eene aanzienlijke handelsvloot, rijke ertsaderen, steenkolenlagen, een uitgestrekten landbouw, eenen grooten veestapel, eene bloeijende nijverheid en eene krachtige bevolking van meerendeels engelsche afkomst.””

»Wat is er dan van de Maori’s geworden?”

»»Die zijn verdwenen, men weet niet waar. Volgens sommige Nieuw-Zeelandsche oudheidkenners zouden zij uitgestorven zijn; anderen beweren dat de laatsten verhuisd zijn, ofschoon het moeielijk zou te zeggen zijn waarheen; nog anderen willen dat een gedeelte der landelijke bevolking min of meer rechtstreeks van de oude Maori’s afstamt. Is dit zoo, dan zijn hunne nakomelingen zeer veranderd; want het is nu een zeer vreedzaam volkje. Wanneer gij echter eens weder te Londinia komt, vergeet dan niet op het Nationaal Museum de ingebalsemde Maori’s te gaan zien, een man en eene vrouw, de eerste prachtig getatoueerd. Gij zult in die zelfde zaal nog een aantal andere ingebalsemde oorspronkelijke bewoners van andere streken vinden, Nieuw-Hollanders, Amerikaansche Roodhuiden enz., die allen thans spoorloos verdwenen zijn.””

»Geldt dit van alle bewoners van landen, waar zich de Europeanen gevestigd hebben?”

»»Neen, alleen van die welke buiten de keerkringen gelegen zijn, want de heete keerkringsgewesten zijn op den duur voor het Kaukasische ras onbewoonbaar, met uitzondering der koelere bergstreken. De binnenlanden van Afrika hebben nog hunne oorspronkelijke negerbevolking, Nieuw-Guinea wordt nog bewoond door de Papoes, en ook vele andere eilanden der tropische zeeën hebben nog bewoners, welke van de vroeger daar levende afstammen, ofschoon hun getal over het algemeen eer af- dan toegenomen is.””

»Zijn die volkeren, welke tot de zoogenaamde lagere menschenrassen behooren, in beschaving vooruit gegaan?”

»»Niet veel. Vooruitgang is bij hen allen langzaam, zeer langzaam. Sommigen zijn zelfs van meening, dat de vooruitgang eigenlijk meer schijnbaar dan wezenlijk is en meer bestaat in een bloot aannemen van eenige Europeesche zeden en gebruiken, en van deze juist niet altijd de beste. Intusschen meen ik voor mij toch grond te hebben om te gelooven, dat de beschaving ook onder hen vorderingen maakt, maar dat de zich bij hen ontwikkelende in haren aard verschillen zal van die van het Kaukasische ras.””

Zoo pratende waren wij het noordelijke eiland van Nieuw-Zeeland zoo nabij gekomen, dat ik de bergtoppen en zelfs de dichtst bewoonde plekken reeds door het teleskoop onderscheiden kon.

Ons reisgezelschap was weder wakker geworden, en Phantasia vroeg mij, of ik met hen in hetzelfde logement te Melbourne mijn intrek nemen wilde.

»»Wij logeeren in het Hotel van Oud-Engeland, vervolgde zij, en zullen vooraf ons diner bestellen.””

Ik antwoordde, zoo als van zelf sprak, dat ik mij niet van een zoo aangenaam gezelschap scheiden wilde.

De hofmeester werd geroepen en ontving bevel, om, zoodra wij boven kaap Maria van Diemen waren gekomen, de noodige seinen te doen, die dan door den telegraaf naar Melbourne zouden worden overgebracht.

Weldra dreven wij boven Nieuw-Zeeland, en ik overtuigde mij, dat Baco er niet te veel van had gezegd. Weinige landen ter wereld zijn zoo door de natuur begunstigd. In de groote baaien en inhammen zagen wij talrijke schepen liggen, van welker masten de vlaggen van allerlei natiën, ook onze driekleur, wapperden. Steden en dorpen waren over de oppervlakte verbreid, en alles openbaarde eene groote mate van welvaart der bevolking.

Onder de vlaggen der schepen was er eene veel talrijker dan de overige. Zij vertoonde twaalf zonnen op een blauw veld. Die vlag niet kennende, vroeg ik: aan welken staat zij behoorde?

»»Dat is de vlag der twaalf Vereenigde Staten van Nieuw-Holland, die te samen eene gefedereerde republiek vormen.””

»Eene republiek! Ik meende dat Nieuw-Holland aan de Britsche kroon behoorde.”

»Zoo was het eertijds,—hernam Baco. Nu echter zoude dat niet meer gaan. Het kind is grooter dan de moeder geworden. De Nieuw-Hollanders besturen sedert lang hunne eigene zaken. Zij zijn, zoo als gij weet geheel van oorspronkelijk Europeesche afkomst. Dat is het groote verschil tusschen Nieuw-Holland en het vroeger aan uwen staat behoord hebbende Java en naburige eilanden. Ook zijn wij in de beste vriendschap gescheiden, en de eenige band, die ons nog verbindt, is het wederzijdsche handelsbelang. Het groote Zuidland is een machtig rijk geworden, en wanneer immer, hetgeen echter niet waarschijnlijk is, de beschaving uit ons oud Europa verdwijnen mocht, dan zoude zij hier nog haren zetel vinden. Gij zult er u van kunnen overtuigen, wanneer wij daar zijn aangeland.””

Wij vorderden snel. Reeds verdween Nieuw-Zeeland aan den gezichteinder, en aan den tegenovergestelden doemde uit de zee land op, dat zich weldra langs den geheelen horizon uitbreidde. Het was Nieuw-Holland, het groote Zuidland, het doel onzer reis!

Elk der reizigers begon zich gereed te maken en zijne bagaadje bijeen te zoeken.

Daar hadden wij de lange kustlijn onder ons. Wij daalden langzaam, in eene zeer schuinsche richting. De voorwerpen aan de oppervlakte der aarde werden al duidelijker en duidelijker, al grooter en grooter. Wij naderden eene aanzienlijke stad. Het was Melbourne. Spoedig waren wij er boven en konden de straten, pleinen, huizen, en zelfs de menschen onderscheiden. Nog eenige oogenblikken, en wij vernamen een geweldig geraas op het dek boven ons als van het nedervallen van zeilen en touwen. Daarop hoorden wij schreeuwende stemmen onder ons en zagen dat touwen uit ons vaartuig naar beneden werden geworpen. Toen volgde een schok, en.... ik ontwaakte in mijn leuningstoel.