III.

DE STAD.

HET OUDE VIANEN.

Groote mannen, die in vroegere eeuwen te Vianen zijn geboren en ook in de laatst afgeloopene aldaar het eerste levenslicht aanschouwden, en, hetzij, daarna gestorven, of als nog in leven zijn, ook de zoodanige, die in deze stad, gedurende eenigen tijd hun verblijf hebben gehouden.

Men zal, wanneer men de geschiedenis van vroegeren en lateren leeftijd raadpleegt, de opmerking maken, dat, niet zelden Godgeleerden, Staatsmannen en Krijgshelden, van uitstekende verdiensten, en de zulken, die met meer dan gewonen goeden uitslag zich, hetzij op de schilderkunst toegelegd, de dichtkunst beoefend, of zich door letterkundigen roem in de geleerde wereld onderscheiding verworven hebben, in kleine steden of vlekken, of op onaanzienlijke dorpen geboren werden. Werd niet onze onsterfelijke Boerhave, die zich door zijne diepe ervaring in de geneeskunst eene Europeêsche vermaardheid heeft verkregen, in het dorp Voorhout, nabij Leiden, ter wereld gebragt? Was niet Stratford aan den Avon, de wieg en bakermat van Albions voortreffelijksten dichter William Shakespeare, en mag niet het nederig Brouwershaven er trotsch op zijn, dat het aan den Prins onzer Vaderlandsche dichters, en den als staatsman zoo uitstekenden Raadpensionaris Jacob Cats deszelfs aanzijn gaf? Staat het niet daarom o groote Rembrand! bij de roemvermelding der zonen van Appelles, met gouden letteren geboekstaafd, en getuigen nog niet, ten huidigen dage, en doek en paneel, wie eenmaal Hollandsch eerste schilder was, maar werd gij ook niet juist daarom, in onderscheiding van de overige leden van uw geslacht van Rijn bijgenaamd, omdat het zoo schilderachtig aan dien stroom gelegen dorpje, het bevallig Koudekerk, het te vertellen weet, dat gij eenmaal als knaapje aan des Rijnstrooms boorden speeldet en gindsche boerenwoning u als zuigeling had zien geboren worden.

En gij o Joure! vroeger naauwlijks opgemerkt onder de geringste van Frieslands gehuchten, zoudt gij u niet verheffen op uwen Borger, uitstekend godgeleerde, voortreffelijk kanselredenaar en dichter tevens, gij Vlissingen op uwen Bellami, niet minder dan Borger, der zanggodinnen voedsterzoon?

En gij o Lekstad; zoo beroemd in de geschiedenis van ons Vaderland, zoudt ook gij geen roem mogen dragen op voortreffelijke mannen, die, zoo vele eeuwen geleden, u hunne geboorteplaats mogten noemen, werd gij niet vereeuwigd door uwe Brederodes, te genoegzaam in ’s lands historie blaân vermeld, dan dat ik nog vernieuwde lauwren aan hunnen krans zoude behoeven te hechten, waart gij het niet, die reeds in het jaar 1583 aan Jacobus Triglandius het eerste levenslicht deed aanschouwen! uit Roomsch-Katholijke ouders geboren, en in die zelfde godsdienst opgevoed, ging hij al rasch tot de protestantsche geloofsbelijdenis over, hij aanvaardde ter zelfder tijd het predikambt en werd in den jare 1606 te Stolwijk en daarna in 1610 te Amsterdam tot Leeraar beroepen. In beide gemeenten achtereenvolgende verkondigde hij het Evangelie tot in 1634, met zoo veel roems, en ontwikkelde zich al meer en meer als zulk een welsprekend kansel-redenaar, dat curatoren der Hoogeschool te Leiden, hem met algemeene goedkeuring, den eersten leerstoel in de godgeleerde faculteit aanboden; steeds betoonde hij zich een ijverig tegenstander der Remonstrantsche gevoelens te zijn, en verwierf zich als zoodanig, onder zijne geloofsgenooten geenen geringen aanhang.

Op één en zeventigjarigen ouderdom verliet hij in het jaar 1654 het tooneel dezes levens; de geleerde Johannes Coccejus sprak zijne lijkrede uit en vermeldde in dezelve al die uitstekende hoedanigheden, die den waardigen Triglandius versierd hadden; van hoogst belangrijken inhoud zijn de godgeleerde werken, die hij heeft nagelaten; hij schreef kerkelijke geschiedenissen (gerigt tegen J. Uittenbogaert). Leiden 1650—de trina Dei gratia. Amst. 1636—de Episcopatu Contra Nicolaum VideliumAmst. 1642 en nog ten huidigen dage worden niet zelden ’s mans geschriften geraadpleegd.

Niet minder geleerd, dan Triglandius, was Wilhelmus Janszoon, (Janssonius), bijgenaamd van Vianen, ten einde; op deze wijze den naam van zijne geboorteplaats van geslacht tot geslacht te doen overgaan; vroeger Hoogleeraar in de wijsbegeerte in het collegie van het Castrum te Leuven, werd hij daarna ter zelfder stede, eerst Plebaan van de St. Pieterskerk aldaar, en later Hoogleeraar in de Godgeleerdheid, hij stichtte eene beurs in het collegie van het Castrum ééne in dat van Standonck en twee in het groote collegie; hij stierf op den 20 November 1529 en werd in de St. Pieterskerk te Leuven begraven.

Ik doe hier het grafschrift volgen, bij hetwelk hij als van zich zelven gewagende, aldus sprekend wordt ingevoerd.

Urbe Viana ortus, Guilielmus nomine magna,

Castrensem rexi sedulitate scholam,

Hinc doctor legis divinae, pabula Pastor,

Praebueram, Pavi, qui sacra templa Petri,

Pauperibus moriens, studiisque alimenta reliqui,

Plurima, apud superos, hinc mihi parte quies.

Het was ook de groote Daniel Heinsius die, na volbragte staatkundige loopbaan, den avond van zijn leven te Vianen heeft gesleten; het schijnt intusschen, dat hij nog vóór zijnen dood gedurende eenige tijd te Leiden zijn verblijf heeft gehouden, alwaar hij op den 25 Februarij 1655 is overleden, waarom hij in de kerk te Vianen is begraven, blijkt wel uit de grafzerk, onder welke zijne assche rust, maar niet uit de geschiedenis, immers schrijver dezes heeft daarvan geene sporen kunnen vinden.

Heinsius was geboren te Gend, op den 30 Mei 1580. Hij werd gehouden voor den geleerdsten en vindingrijksten dichter der zeventiende eeuw; de nederduitsche letterkunde heeft door hem eenen bijzonderen voorrang boven de Duitsche verkregen, maar meer nog dan dichter was Heinsius groot als Staatsman; hij woonde in de jaren 1618 en 1619 als afgevaardigde der Staten-Generaal de Dordsche synode bij; hij mogt zich beroemen, de vriend van Scaliger en Dousa te zijn. Gustaaf Adolph, Koning van Zweden, benoemde hem om zijne veelvuldige geleerde schriften tot zijnen geschiedschrijver, en Paus Urbanus VIII noodigde hem uit naar Rome, om van zijn geleerd onderhoud voordeel te kunnen trekken.

Wij moeten hier ter plaatse mede gewag maken van den in de wijsbegeerte en de wis- en sterrekunde zoo ervarenen Jan Frederik Hennert, die na verkregen eervol ontslag als Hoogleeraar aan de universiteit te Utrecht, gedurende eenen geruimen tijd zijn otium cum dignitate te Vianen heeft doorgebragt en daarna weder naar Utrecht terug gekeerd, op den 30 Maart 1810, in het 80ste jaar zijns levens aldaar is ontslapen.

Te regt mag ook Vianen zich verheffen, de geboorteplaats te zijn geweest van Willem Anton Ockerse, wiens staatkundige loopbaan, in de vroegere dagen van omwentelingen en staatsberoeringen te wel uit de geschiedenis van dien tijd bekend is, dan dat de bijzonderheden daarvan ter dezer plaatse behoeven herhaald te worden, het moge intusschen gezegd zijn, dat hij in dat belangrijk tijdvak zich steeds als man van eer, en met regtschapenheid heeft gedragen. Hij zag te Vianen het eerste levenslicht in het jaar 1760 en ontsliep te ’s Gravenhage op den 19 Januarij 1816. Menigvuldig en van hoogstbelangrijken inhoud zijn de door hem geschrevene werken, dezelve dragen den stempel van grondige kennis, juist oordeel, scherpzinnigheid, onpartijdigheid, zachtheid en liefde; wij noemen hier als eenige onder allen, de resultaten van zijn zestig jarig leven, zijne karakterkunde, en meer andere geschriften; de naam van Ockerse is mede tot de nakomelingschap overgegaan, door de letter- en dichtkundige verdiensten van ’s mans waardige zuster, Vrouwe Antoinetta Ockerse, weduwe J. P. Klein. Hare oden en elegien, de gedachten bij het graf van Robbert Blair, en de bijbel, eene bron van Goddelijk onderrigt voor den mensch in zijne dagelijksche levensbetrekkingen, hebben heerlijke proeven opgeleverd van haar rein, godsdienstig gevoel en hare bekwaamheid ook in den prozastijl. Zij was geboren in 1763, en overleed te Leiden op den 25 December 1828.

Na nu van de dooden gewaagd te hebben, rust op ons nog de taak, vermelding te doen van twee waardige mannen, die Vianen hunne vaderstad mogen noemen, ik bedoel Mr. Maurits Cornelis van Hall en Mr. Johannes op den Hooff.

Maurits Cornelis van Hall! wie is er, onder de zoodanige, die menschenwaarde, regtsgeleerdheid, statenkennis, letterkunde en archaeologie, gevoel en smaak voor de dichtkunst, en wat meer zegt, adelaarsvlugt in de beoefening derzelve, op hoogen prijs weten te schatten, wie is er onder de zoodanige, die dien naam niet met eerbied noemt?

Maurits Cornelis van Hall werd op den 4 Februarij 1768 te Vianen geboren; niet lang was het met Van Hall, als knaapje, ludere par impar, equitare in arundine longa; al rasch en naauwlijks den jongelings leefdtijd ingetreden, ontbrandde in hem de zucht naar de wetenschappen, en, het studia adolescentiam alunt werd zijne leuze.

Hij verliet dan ook spoedig zijne vaderstad, en toog op naar de Hoogeschool, alwaar hij zijne studiën aanvaardde; dat hij ijverig en naauwgezet was in het woekeren met zijnen tijd, kan niet betwist worden, hoe zoude ook het gebouw van zijnen uitstekenden roem zoo hoog kunnen zijn opgetrokken geworden, wanneer de fundamenten niet goed gelegd waren; wars van alle uitspattingen, der studerende jeugd meermalen eigen, liet hij nimmer eenig collegie onbezocht en schonk het grootst gedeelte van den dag aan letterkundigen arbeid, en hij mogt de gulden spreuk, die ook die was van eenen eerbiedwaardigen Romein de zijne maken nulla dies sine linea; Van Hall was student, zoo als men zulks behoort te zijn, en hij ontving den doctoralen hoed met luister. Eerevol betrad hij den weg, die naar den tempel van Themis leidt. Hij werd advokaat; dat hij onder deze een der voortreffelijkste was van zijnen tijd, getuigen de jaarboeken der Amsterdamsche pleitzaal.

Demosthenes zijner eeuw sprak hij voor de mannen van het regt, zoo als weleer Cicero voor de beschrevene vaders sprak, en de Dejotarussen en Catilina’s vonden in hem, deze eenen warmen verdediger, gene eenen moedigen bestrijder, zoo als eertijds die van het oude Rome eenen zoodanigen in hunnen Marcus Tullius vonden.

Van Hall was Patriot in de verhevene beteekenis van het woord, zoo als het den echten vaderlander kenmerkt, republikein, zoo als het, tijdens de Romeinsche adelaren den optogt der legioenen openden, de Scaevola’s, de Brutussen, de Metellussen waren. Van Hall was de vriend des volks, het volk bragt hem wederkeerig eene onbepaalde hulde toe.

Toen eenmaal in het volkrijk Amsterdam een geweldig oproer dreigde uit te barsten, en het teugelloos gemeen wet en regt met voeten zoude hebben getreden, steeg Van Hall te paard, drong door de menigte heen en kluisterde, door éénen wenk, de hyéne der anarchie in onverbreekbare banden.

Zoo onwaardeerbaar nuttig was Van Hall voor zijn vaderland!

Van Hall was geschiedschrijver en dichter; geschiedschrijver als Tacitus, dichter als Flaccus.

Wie, die geschiedkunde waardeert, en dichtkunst op hoogen prijs stelt, heeft niet gelezen, wat Van Hall geschreven heeft?

Wij noemen, onder vele zijner geschiedkundige werken, het leven van den Admiraal van Kingsbergen, de verdediging van Graaf Hendrik van Brederode en het echt klassiek werk, over den dood van Plinius den jongeren, zoo noodlottig bedolven onder de lavastroomen en aschregens, toen door deze de uit marmer en graniet gebouwde steden Herculaneum en Pompeji overstelpt werden.

Van Hall was dichter!

Hoe—viert hem dan geen Jubellied,

Der voor zijn harp geknielde menigt,

Die, als ten eedlen kamp vereenigd,

Hem de offers van haar hulde biedt?

Maar neen, verganklijk is ’t arduin

Een eerzuil rijst in onze harten

Die de almacht van den tijd zal tarten.

Geen welkbre lauwer sier zijn kruin!

Voorzeker Pindarus van Nederland! is zulk een’ eerzuil in onze harten voor u gerezen! deze toch is duurzamer dan metaal; (aere perennius). Wat al schatten van dichterlijk genie zijn niet in uwe menigvuldige werken verborgen! En hoe veel verscheidenheid kenmerkt niet dezelve! Minder verdienste heeft de dichter, die zich tot één genre van poëzij bepaalt, Van Hall vereenigde in zich alle.

Milton en Tasso, Dante en Petrarca, Flaccus en Maro, kweelde hij dan eens lieflijk op zijne veldfluit een teeder herderslied (gracili modulatus avena), bezong hij dan weder het zalig en rustig landleven, terwijl hij meermalen, door geestdrift vervoerd, beurtlings met sterke kleuren menschelijke hartstogten en daden wist af te malen, of als een andere Tyrtaeus een krijgslied aanhief, of zich in de dagen der kruistogten verdiepende, als minnezanger vermomd, voor de geliefde van zijn hart, de snaren zijner luit wist te tokkelen.

Steeds pogende nuttig te zijn, en bevorderlijk aan al wat het gebouw der Maatschappij tot Nut van het Algemeen konde schragen, maakte hij zich bijzonder verdienstelijk als hoofdbestuurder derzelve; voortreffelijk waren zijne redevoeringen, door hem bij de opening der algemeene vergaderingen dier Maatschappij uitgesproken:

Van Hall was een man van eene groote zelfstandigheid; hij bleef zich zelven, als staatsman gelijk, onder de republiek en het staatsbewind, en onder den zachtmoedigen scepter van Lodewijk den Goeden (eenen tweeden Louis le debonnaire voorwaar!) en in dat hagchelijk tijdvak, toen de man van Corsika zijne proconsuls en satrapen, als zoo vele gieren, op ons vaderlijk erfdeel deed nederstrijken, om ’s dwingelands noodlottige bevelen uit te voeren, en goed en bloed van een wel eer zoo gelukkig volk aan den overheerscher cijnsbaar te maken.

Onwrikbaar als de ceder, deed hij de staatsorkanen om zich heen woelen; en het mogt van hem gezegd zijn; si fractus illabatur orbis, impavidum ferient ruinae!

Van Hall had zich zelven gevormd, van daar die manhafte taal, die hij wist te spreken, als het pas gaf; Van Hall, was steeds Van Hall, en hij mogt zeggen:

’k Ben ’t al mij zelf verpligt, en niets aan kunst’narijen.

Zoo ver Van Hall tot in de dagen der verlossing van het Fransche juk, de laatste dagen van 1813.

Toen in die laatste dagen, in die dagen die zulk een belangrijk blad beslaan, in de geschiedenis van den man des bloeds, de zon van voorspoed voor dezen begon te tanen, toen overwinning op overwinning op de Fransche adelaren het weldadig bestier eener regtvaardige voorzienigheid kenmerkten, toen de vlammen van het Kremlin in de oude stad der Czaren bloedrood ten hemel stegen en de slaande hand Gods, bij den terugtocht over de Beresina lijken op lijken stapelde, was het naauwlijks, dat hij zich met de vlugt konde redden, en knarsetandende van woede het paleis der Tuilleriën bereiken.

Al spoedig waren ook de verbondene mogendheden Parijs binnen gerukt, en hadden den verwaten dwingeland in onverbreekbare ketenen geslagen; de afstand van de kroon werd te Fontainebleau geteekend, nog eenige weinige uren, en de Northumberland kliefde de baren en bragt Bonaparte naar Elba over. Van dien oogenblik af aan dagteekende zich ook Neêrlands bevrijding.

De laatst overgebleven telg van den Vijfden Willem, door vroegere Fransche overheersching, achttien jaren geleden uit zijn vaderland verdreven, en gedurende die tijd als balling rondgezworven, verliet het gastvrij verblijf hetwelk der Britten edelmoedigheid hem op het vorstelijk Hampton-Court had aangeboden.

De drie mannen in de geschiedenis der Nederlanden met eerbied genoemd, de nooit volprezen Gijsbert Karel, benevens de Graven Van der Duin en Van Stirum vergezelden Oranje naar de voorvaderlijke stranden; de geliefde Prins aanvaardde als Souverein Vorst het roer van Staat, en aanvankelijk met deze waardigheid bekleed werd hij kort daarna als Neêrlands eerste Koning uitgeroepen.

Uit alle oorden des lands toog men op naar ’s Gravenhage, en verdrong zich telken reize met toenemende geestdrift in de gehoorzaal, om aan Willem den Eerste gepaste hulde toe te brengen.

Maurits Cornelis van Hall bleef mede niet achter; de roem zijner verdiensten was hem vooruitgegaan en toen hij aan den Vorst werd voorgesteld, was het dezen reeds bekend, wie Van Hall was.

Minzaam was de ontvangst, en niets vuriger verlangende dan aan hem eenig blijk van onderscheiding te geven, benoemde de Vorst hem, bij de instelling der Orde van den Nederlandschen Leeuw, tot Ridder dier Orde, en bood den verdienstelijken man daarna het lidmaatschap in de tweede Kamer der Staten Generaal aan, voor welk eereblijk Van Hall moest bedanken, om dat dringende beletselen daarvoor in den weg waren.

Intusschen nam Van Hall meer en meer in gunst bij den Koning toe. In 1831 werd hij Staatsraad en President van de Arrondissements Regtbank te Amsterdam, en het is tot op den huidigen dag, dat hij, inmiddels tot Commandeur der Leeuwen-Orde verheven, het voorzitterschap, hem opgedragen, met gepaste waardigheid bekleedt.

Zoo mogt ik dan Van Hall malen, ik mogt vermelden, wie hij was, van zijne jeugd af, tot in zijnen grijzen ouderdom, ik mogt het voor de nakomelingschap in de geschiedrol van ons vaderland doen bewaard blijven, dat Vianen ook aan dezen grooten man het eerste levenslicht heeft doen aanschouwen.

Maar hoe wuft zoude mijne eerbetooning zijn aan Van Hall, als Regtsgeleerden, als Staatsman, als Geschiedschrijver en als Dichter, wanneer ik bij dezelve niet voegen mogt, Van Hall, heeft zich gedurende de tijdvakken van zijn leven, steeds betoond een geloovig Christen te zijn.

Eindigen wij deze onze vermelding van waardige en verdienstelijke mannen, die in vroegere eeuwen, en ook nog in de laatst afgeloopene, als zoo vele paarlen aan de kroon van Vianens stedemaagd schitterden, met gewag te maken van den voortreffelijken Regtsgeleerden, Mr. Johannes op den Hooff.

Ook deze strekte, na volbragten akademischen leeftijd, al rasch der Amsterdamsche pleitzaal ten sieraad en gaf gedurende dat tijdvak vroeg reeds blijken van die krachtige ontwikkeling, die hem meer en meer kenmerkte en van hem verwachten deed, dat eene nog meer verhevene loopbaan hem verbeidde; hem werd dan ook al spoedig eene plaats aangewezen in de Tweede Kamer der Staten Generaal. ’s Mans diepe ervaring in de zaken van het regt deed het van hem te gemoet zien, dat hij nog in hoogeren kring aan zijn vaderland nuttig konde zijn. Meermalen als verdediger der wet opgetreden, werd weldra de eervolle taak hem opgelegd, de handhaver derzelve te worden. De Koning benoemde hem tot vice-President van den Hoogen Raad der Nederlanden, voorwaar eene bijzondere onderscheiding, alzoo de overige Raadslieden in die aanzienlijke vergadering alleen uit leden van Geregtshoven, of Regtbanken werden gekozen. Hoe Op den Hooff de waardigheid van zijn ambt weet te handhaven, en hoe eervol hij den tabbaard draagt, zal hem wel door niemand worden betwist; de edele zelfsvoldoening van naauwgezette pligtsbetrachting doet zijne borst nog hooger kloppen, dan het ridderlint hetwelk die borst versiert.

Gaan wij nu van het oude tot het hedendaagsche Vianen over; wij zullen, boven eenige andere rubrieken, die welligt tot teregtwijzing kunnen verstrekken den gepasten voorrang geven aan de godsdienstige gezindheden, en wel in de eerste plaats aan de Godsdienst der Hervormden, welke door den waardigen Predikant Van Duijll verkondigd wordt.

HET HEDENDAAGSCHE VIANEN.

GODSDIENSTIGE GEZINDHEDEN.

HERVORMDE GODSDIENST.

De predikant van Duijll.

Toen in het jaar 1807 de diepgeleerde Cornelis Swaving, de man, die meer dan één hem aangeboden Hoogleeraarsambt met nederigheid en als met zijne eigene verdiensten onbekend, had van de hand gewezen, de man, van wien de jaarboeken van Teijlers Godgeleerd Genootschap zouden kunnen getuigen, hoe menigmaal hij voor zijne voortreffelijke beantwoording van uitgeloofde prijsvragen met den gouden eerpenning en daar aan verbonden roem is bekroond geworden, als Predikant te Naarden stierf, gaf weinig tijds daarna de niet minder geleerde Hendrik Herman Donker Curtius, in leven Predikant te Arnhem eene levensbeschrijving van hem in het licht, welke hij met deze woorden deed eindigen, «en deze man stierf te Naarden!» wanneer ook eenmaal, dat spade zijn moge! de assche van den waardigen Van Duijll tot die zijner vaderen zal zijn vergaderd, dan voorzeker ook zal de lofrede, die op hem zal worden gehouden met de woorden mogen eindigen, «en deze man stierf te Vianen

Gerrit van Duijll werd als Student tot Evangelie-dienaar gevormd door het onderwijs van mannen, als Rhunkenius, Van de Wijnpersse, Lusac, Rau, Broes en Van der Palm, Hoogleeraren aan ’s lands Hoogeschool te Leiden.

Na volbragte studien werd hij in het jaar 1799 beroepen tot Predikant te Beusichem, daarna in het jaar 1808, als zoodanig te Hoogeveen in Drenthe en eindelijk in het jaar 1815, als Herder en Leeraar te Vianen, in Zuid-Holland, terwijl hij in den loop van zijne vijftigjarige Evangeliedienst, beroepings-brieven ontving uit Wasperveen, in Drenthe en Schoonhoven in Zuid-Holland en hem de Koninklijke collatie van Assen werd aangeboden.

Gedurende ruim vijf en dertig jaren al zoo vervulde Van Duijll het Prediktambt met ijver en naauwgezetheid, leerende en stichtende, volgens de zuivere leer van het Christendom en verkondigende in welsprekende en overtuigende kanseltaal Jezus en dien gekruist; dat hij in die voortreffelijke hoedanigheden vele, die afgedwaald waren tot den herdersstal heeft terug gebragt, spreekt van zelve; hoe hoog moet hem het hart niet kloppen, wanneer hij, aan den avond van zijn leven op zijne tot op heden volbragte loopbaan terug ziet.

Men kan en mag Van Duijll onder de geleerden tellen. Hij is de latijnsche taal volkomen magtig en heeft de voornaamste schrijvers in dezelve gelezen; hij vereenigt diep gevoel met kiesschen smaak; in het gezellig verkeer is hij onwaardeerbaar, vrolijke scherts, voor zoo verre die in zijne betrekking pas geeft, is hem eigen, en, als humorist zoude men hem bij Swift, of Laurence Sterne kunnen vergelijken.

Dat Van Duijll beoefenaar der dichtkunst is, moge blijken uit de voortbrengselen zijner muse, die ik hier zal aanhalen.

Toen hij nog Predikant te Hoogeveen zijnde, gedurende eenigen tijd op zijne eerste standplaats Beusichem vertoefde, werden aldaar bij den noodlottigen watersnood in het jaar 1809, achttien lijken, droevige slachtoffers van dien vreeslijken ramp in één en hetzelfde graf begraven. Eene gedenkzuil werd op hetzelve opgerigt. Van Duijll, diep getroffen over den treurigen dood, die de ongelukkigen in den vloed gevonden hadden, en die gedeeltelijk tot zijne vroegere gemeente hadden behoord, boezemde zijn leedgevoel uit in de volgende dichtregelen, die op den kolom uitgehouwen aan de nakomelingsschap het treffende van den ramp, maar niet minder het dichterlijk genie van den waardigen Geestelijke verkondigden.

Hier rust in ’t somber graf een achttien tal van lijken,

De prooi des watersvloeds, het kenmerk van den nood,

Diens onvergeetbren nachts, die dijk en dam deed wijken,

Toen het ijs, door storm gevoerd, verwoesting spreidde en dood.

Toen huis, en berg en schuur, daar dreven op de golven,

Toen koe en paard en mensch daar zonken in dien plas,

Toen zelfs de laatste hoop scheen in dien vloed bedolven,

Zoo God met Vorst en Volk ons niet ten redder was.

Toef hier een wijle tijds, aanschouw deez’ vruchtbre oorden,

En zeg «’t geen is en was, ’t is alles ijdelheid»

Neen, stort een dankbre traan, zoo ze ooit uw oog bekoorden,

Daar ’t al in zaal’ger oord, den vriend der deugd verbeidt.

Toen hij in den jare 1810 te Hoogeveen het leeraarsambt vervulde en Lodewijk Napoleon, die te dier tijd over het Koninkrijk Holland den vredelievenden scepter zwaaide, het Landschap Drenthe bezocht, en ook Hoogeveen met deszelfs tegenwoordigheid vereerde, maakte mede Van Duijll, als Predikant zijne opwachting bij den Vorst, die te regt een vader zijner onderdanen mogt genaamd worden, die overal hulp toebragt, waar het pas gaf, en overal, waar hij kwam, sporen zijner weldadigheid achter liet. Van Duijll, gevraagd, of hij ook iets in het belang zijner gemeente begeerde, gaf de behoefte derzelve aan een werkhuis te kennen, in hetwelk behoeftige gehuisvest en verpleegd mogten worden, die met de handen den kost konden verdienen.

Lodewijk gaf gehoor aan de doeltreffende voordragt van den waardigen Leeraar en schonk twintig duizend guldens tot dat edel doel; Van Duijll stichtte het gebouw, en ten einde den roem van den weldadigen Vorst te vereeuwigen, vervaardigde hij het navolgend dichtstuk, hetwelk hij in den voorgevel van hetzelve op eenen daartoe ingevoegden marmersteen deed uithouwen.

Door ’t liefderijk geschenk van Hollands eersten Koning,

Vindt hier de schaamle wees en zwakke grijs een woning,

Terwijl de nijverheid uit dankbaarheid en pligt

Den vaderlijken Vorst de schoonste eerzuil sticht.

Voorts treft men van Van Duijll meer dan een voortreffelijk dichtstuk in onderscheidene maandwerken van vroegere dagen aan.

Op den 29 December 1849 verjaarde Van Duijlls vijftigjarige Predikdienst, die op den 4 Maart 1850 door de ringbroeders en meer andere gasten van rang en aanzien in zijne woning plegtig gevierd werd.

De gemeente bood aan den grijzen Christen-Leeraar, onder meer andere geschenken eenen in zilver gemonteerden prachtbijbel aan, versierd met symboolen, op de Godsdienst toepasselijk.

Een in de kalligraphie begaafd jongeling Jonkheer Rom Kraijenhof vervaardigde ter eere van den nestor der Evangeliedienaars een voortreffelijk penneschrift op het halve eeuwfeest van ’s mans Predikambts vervulling toepasselijk, in hetwelk het genie en de smaak van den kunstenaar doorstralen.

Ten slotte moet hier worden aangeteekend, dat Vianen aan den Predikant Van Duijll het leggen van de Schipbrug over de rivier de Lek te danken heeft, die de stad met het daar tegen over liggend grondgebied der Provincie Utrecht verbindt.

Toen Van Duijll bij de grondlegging van de Wilhelmina’s Sluis te Vianen, zich mede onder de door den nu wijlen den Inspecteur Generaal van den Waterstaat, den Heer Jan Blanken Jansz. tot het bijwonen dier plegtigheid genoodigden bevondt, had hij de eer, aldaar mede den Gouverneur der Provincie Utrecht, Baron Van Tuijll van Serooskerken, onder de genoodigden te ontmoeten. Deze zich beklagende over de moeijelijkheid en langwijligheid der overvaart over de rivier de Lek vóór de stad Vianen, merkte Van Duijll aan, dat het dan nu welligt het oogenblik zoude zijn, om dit bezwaar door het leggen eener Schipbrug uit den weg te ruimen, daar al de autoriteiten tegenwoordig waren, die deswege een voorstel aan Z. M. den Koning, Willem I konden doen.

Zulks gaf aanleiding tot een mondgesprek tusschen den Heer Gouverneur van Zuid-Holland, Graaf Van der Duijn van Benthorn en Maasdam, nu mede ten grave, en welgemelden Inspecteur Generaal, bij hetwelk mede het advies der daar bij tegenwoordige Heeren Mr. Maurits Cornelis van Hall, President der Arrondissements-Regtbank te Amsterdam en Mr. Willem Boudewijn Donker Curtius van Tienhoven, destijds Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal, en President van het Hoog-Geregtshof, nu van den Hoogen Raad der Nederlanden, werd ingeroepen.

Het voorstel werd met algemeene stemmen goedgekeurd, de voordragt werd met spoed en aandrang aan den Koning gezonden en in Maart 1840 rolden reeds de rijtuigen en gingen de voetgangers over den nu gelegden Schipbrug; aan Van Duijll intusschen mag men de mérite van het à propos dank weten, welke hem door niemand betwist kan worden.

SECTE DER AFGESCHEIDENEN.

Er bestaat te Vianen, zoo als op zoo vele andere plaatsen in ons vaderland, eene gemeente van Christelijke Afgescheidenen; zonder zich in Godsdienstige geschillen in te laten, behoort men eenen ieder in zijne gevoelens te eerbiedigen, wij vermelden hier alzoo ook deze gemeente, aan welks hoofd de brave C. Glinderman staat, die des zondags avonds in vromen zin zijne medebroeders te leeren en te stichten tracht.

GODSDIENST DER ROOMSCH KATHOLIJKEN.

De leer van het Christendom schrijft liefde en verdraagzaamheid voor; men leze Joh. 13, vs. 34 en 35, 1 Cor. 13 en zoo vele andere toepasselijke bijbelteksten; van dit grondbeginsel uitgaande en den braven en godsdienstigen Roomsch Katholijken even hoogschattende, als den Hervormden, die de leer van Jezus volgt en in beoefening brengt, wordt bij deze door mij ook aangeteekend, dat de Roomsch Katholijke Pastoor, de eerwaarde Heer A. G. van Dam zijne gemeente leert en sticht, dat hij het heilig altaar bedient, zoo als het den Leeraar en Priester voegt, en den weg der zaligheid verkondigt aan allen, die in den Verlosser gelooven en zich aan de voeten van het kruis nederleggen.

GODSDIENST DER ISRAËLIETEN.

Ook de Godsdienstoefening der Israëlieten verdient vermeld te worden; er bevinden zich in Vianen acht Joodsche huisgezinnen, die op hunnen Sabbath in eene daartoe wel ingerigte Synagoge, nog onlangs vernieuwd, uitgebreid en verbeterd, bijéénkomen: aan het hoofd dier Synagoge staat de Voorzanger Olman, die bij zijne geloofsgenooten niet alleen, maar ook bij alle Christenen geëerd en geacht is.

OPVOEDING EN ONDERWIJS DER JEUGD.

De onderwijzer Stuart.

De opvoeding en het onderwijs zijn verre van in het stadje Vianen verwaarloosd te worden; dezelve zijn toevertrouwd aan mannen van verstand en begaafdheid, die voorzeker niet behoeven achter te staan voor leermeesters, die men in grootere steden aantreft. De Kostschool, aan welks hoofd de kundige Stuart staat, behoort in de eerste plaats genaamd te worden; de Nederduitsche, Fransche, Engelsche en Hoogduitsche talen worden op dezelve grondig onderwezen, terwijl de Wiskunde, die voortreffelijke wetenschap, die de voedstermoeder van zoo vele andere nuttige kundigheden is, op vaste en onwrikbare gronden steunt, en alzoo te regt door de Franschen met den naam van les sciences exactes bestempeld wordt, inzonderheid het lievelings vak is van den Hoofdonderwijzer, die de bijzondere begaafdheid bezit, dezelve mede te deelen aan de zoodanige, wier verstand en bevatting daarvoor rijp zijn geworden, want het zegt weinig, in eenige wetenschap ervaren te zijn, wanneer men die ervarenheid niet op zijne leerlingen weet over te brengen, zoodanig dat dezelve er diep van doordrongen zijn, te regt zegt daarom een Latijnsch schrijver «Scire tuum nihil est, nisi quod tu scis, etiam sciat alter,» een spreekwoord, in het welk wel veel waarheid, maar weinig zuivere latiniteit doorstraalt, en waarvan de beteekenis is, dat het niets afdoet, of de meester het al weet, maar dat deze moet zorgen, dat ook de discipel er mede bekend worde. Trouwens niet vele worden er onder de jongelingschap, al is dezelve op andere punten niet onbedreven, gevonden, die voor de school van Euclides kunnen worden opgeleid. Gepaste hulde alzoo aan hem, die de gronden der mathesis en algebra stelselmatig te onderwijzen weet, en alzoo dat gedeelte der nederlandsche jeugd, hetwelk voor het elders gegeven wordend hooger onderwijs, in al dat geen, waardoor men den krijgsman en den zeeheld vormt, bestemd is, daartoe opleidt: hoe menig dapper veldheer en manhaftig vlootvoogd, zal het, na verloop van eene halve eeuw, wanneer grijsheid en lauweren zijnen schedel sieren, niet aan Stuart te danken hebben, dat hij de gronden tot de vervulling van zulk eene gewigtige bestemming bij hem gelegd heeft, en welligt treft men zelfs onder de schooljeugd, die ten huidigen dage te Vianen de lessen van den begaafden Stuart hoort, reeds menig bevattelijk knaapje aan, dat nog, na verloop van eeuwen, van zich als van eenen De Ruijter of Turenne zal doen gewagen. Voorwaar het wordt niet genoegzaam opgemerkt, wat de maatschappij verschuldigd is aan hen, die de jeugd vormen en tot hooger doel opleiden.

De onderwijzer van Weigerden.

Niet minder hulde behoort te worden toegebragt aan den begaafden Van Weigerden, die aan het jongere, aankomende geslacht onderwijs geeft in de nederduitsche taal, de schrijf- en cijferkunst: het moge gezegd zijn, dat de wezenlijke waarde van den man van verdiensten niet moet worden afgemeten naar den rang, dien hij in de maatschappij bekleedt. De geringste dorps-schoolmeester kan soms beter voor zijn vak berekend zijn, dan de geleerdste Professor voor het zijne; alles hangt af van de methodus docendi en van de begaafdheid, om zijn talent aan anderen te kunnen mede deelen, en dit talent bezit Van Weigerden in den hoogsten graad. Voeg hierbij de maat van beschaving, tot welke de beoefening der fraaije letteren hem heeft opgevoerd en welke niet weinig toebrengt tot de zedelijke opvoeding zijner scholieren; men behoeft slechts eene wijle tijds in ’s mans school vertoefd te hebben, om niet te hebben opgemerkt, welke orde in dezelve heerscht en hoe de onderwijzer de geschiktheid bezit, om met minzaamheid, maar tevens onder den invloed van waardig gezag de kinderen bevattelijk te leeren lezen, schrijven en rekenen; wat zoude een scholarch van hoogeren rang met kweekelingen kunnen aanvangen, wier eerste gronden niet doelmatig gelegd waren, trouwens de heer Van Weigerden op den Weesdijk te Vianen, is aan het hoofd van de stads-school niet op zijne plaats en gewis verbeidt hem eene waardigere bestemming; het bewijs ook, dat zulks eenmaal het geval moet worden, is daarin gelegen, dat ouders uit den hoogstbeschaafden stand aanvankelijk reeds aan hem de opvoeding en het onderwijs hunner kinderen hebben toevertrouwd, die zulks in zijne woning, die daartoe bijzonder goed is ingerigt, als kost-jongelieden genieten; het spreekt alzoo wel van zelve, dat de instructie zich hier niet tot het leeren lezen, schrijven en rekenen bepaalt, maar zich mede uitstrekt tot het onderwijs in het Fransch, Engelsch en Hoogduitsch, de Aardrijkskunde en de Geschiedenis, terwijl eene godsdienstige en zedelijke opvoeding mede niet verzuimd worden. De heer Van Weigerden heeft eene bijzondere begaafdheid, om in het publiek te spreken; zijne redevoeringen in de afdeeling der maatschappij tot Nut van het Algemeen getuigen hiervan, en nog onlangs gaf hij, als afgevaardigde ter vergadering der Commissie voor het lager onderwijs te Arnhem bij een gekomen, aan den maaltijd te dier gelegenheid gehouden, het bewijs, dat de taal voor de vuist hem mede niet vreemd is, want een toast door hem op het welzijn van Gelderlands hoofdstad ingesteld trok zoodanig de aandacht der aanwezende gasten, dat de archivarius van Gelderland mogt vragen, «wie was die spreker?» waarop de eenvoudige en nederige man antwoordde: «een schoolmeester uit Vianen

De kostschoolhouderessen Bullot en la Cave.

Het voortreffelijk Instituut voor het onderwijs van Jonge Jufvrouwen in talen, huishoudkunde en vrouwelijke handwerken, gepaard aan eene godsdienstige en zedelijke opvoeding, door de Jonkvrouwen Bullot en La Cave gehouden, biedt aan ouders, ook elders woonachtig, eene geschikte gelegenheid aan, om derzelver dochteren tot nuttige leden der maatschappij op te leiden, en wanneer zulks derzelver bestemming mogt zijn, brave echtgenooten en zorgvuldige moeders te doen worden.

KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.

Concert de Harmonie.

De Toonkunst wordt te Vianen met eenen bijzonderen goeden uitslag beoefend; de kundige en smaakvolle Pianist Dietz, die tevens onderwijs in het fluit- en vioolspelen geeft, heeft sedert verscheidene jaren begaafde discipelen en discipelinnen gevormd, uit welke sommige door eigene oefening het inderdaad tot eenen zekeren trap van volmaaktheid gebragt hebben, zoodanig, dat aan hen de naam van Virtuozen niet mag ontzegd worden; dat daardoor het orkest op het wekelijksch winter-concert, in de fraaije zaal, die het logement de Roos ten sieraad strekt, gehouden wordende, bijzonder wel bezet is, spreekt van zelve; het personeel, door hetwelk dit orkest gevormd wordt, versterkt zich van tijd tot tijd door dilettanten, die zich van elders te Vianen zijn komen neerzetten, zoodat het doorgaans aan geen genoegzaam getal deelnemende ontbreekt, om eene Symphonie van Beethoven of eene Cavatine van Mendels-Sohn Bartholdy met den besten uitslag uit te voeren, terwijl ook de vokale muzijk, doorgaans het lievelings-talent van het schoone geslacht, een genoegzaam getal zangeressen oplevert, om de koren te vervullen.

Dat aan zulk een geheel de naam van Harmonie met regt kan gegeven worden, spreekt van zelve, en het is dan ook daarom, dat Vianen het Concert de Harmonie onder deszelfs. lievelings-uitspanningen mag tellen.

De afdeeling der maatschappij tot Nut van het Algemeen.

In dezelfde zaal, van welke wij boven gewaagden, en die wij voor de beoefening der Toonkunst, als aan Euterpe toegewijd, mogen beschouwen, vergaderen maandelijks de Leden, uitmakende de afdeeling van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, voorwaar eene meer deftige bijeenkomst, alwaar de taal der wijsheid, door meer bedaagden uitgesproken, gehoord wordt; daar worden verhandelingen gedaan en bijdragen geleverd, niet minder belangrijk, dan die, welke men elders in geleerde genootschappen hoort, daar beklimt nu en dan een begaafd dichter, die ter zijner tijd in de raadzaal den evenaar der geregtigheid weet te houden, het spreekgestoelte en doet ons aan Tollens, Van den Bergh of Ten Kate denken, en niet zelden ook herinneren ons de natuurkundige proeven, door luchtpomp of electriciteit en de kunst, om ligchamen uit de onderscheidene rijken der natuur beurtelings af te scheiden, of te zaam te verbinden, te weeg gebragt, dat er ook mannen in Vianen worden gevonden, die met regt den naam van Physici dragen mogen.

Ten bewijze, dat ook het onderwijs in de teekenkunst te Vianen in goede handen is, moge strekken het fraaije litographische plaatje, van hetwelk de teekening is vervaardigd door den heer Van Lom, die dezelve welwillend aan schrijver dezer heeft afgestaan. Gebruik makende van ’s mans heuschheid heeft men dan ook geen’ oogenblik geaarseld, die teekening in steendruk te doen brengen en tegenover den titel als een belangrijk sieraad te plaatsen.

Geneesheeren, Heel- en Vroedmeester en Artsenijmengers.

De genezing van ziekten, benevens de hulp door de Heel- en Vroedkunde aan lijders en bijstand behoevende vrouwen toe te brengen, is in Vianen meer dan genoegzaam gewaarborgd; het stadje telt twee kundige artsen, de heeren Wincler, vader en zoon; de eerste in de praktijk grijs geworden, de laatste met den besten uitslag zijns vaders voetstappen drukkende, beiden waardige zonen van Hippocrates, die zachtzinnigheid, aan kloekheid in de behandeling der aan hunne zorg toevertrouwde zieken weten te paren.

Als Heel- en Vroedmeester, zoo voor de stad, als voor het platte land in den omtrek, mag de heer C. A. G. van Effen genoemd worden; als Priester van Lucina verstaat hij grondig zijnen Baudelocque, als wondheeler zijnen Strohmeijer; in deze laatste betrekking deed hij veel ondervinding op in de militaire hospitalen, gedurende den tiendaagschen veldtogt.

De heer Van Effen is tevens Apotheker, als zoodanige sluiten zich aan hem aan de heeren Brouwer, Vos van Zalingen en Meijlinck, alle hun vak volkomen meester en met Apollo kunnende zeggen, «herbarum subjecta potentia nobis».

Letterkunde, Boekhandel, Leesbibliotheek, en Leesgezelschappen.

Begeert gij voedsel voor uwen geest? Wilt gij lezen? Treedt dan in den welvoorzienen boekwinkel van den gedienstigen en in zijn vak niet onbedrevenen Diepenbroek; hij zal u geven, wat gij begeert, ingeval gij het boek wilt koopen, en is hetzelve al niet bij hem voorhanden, want toch alle boeken kan men in den boekwinkel van een klein stadje niet verlangen, hij zal het voor u uit het naburig Utrecht, of van elders ontbieden. Zijne Leesbibliotheek geeft u daarenboven eene ruime keus en houdt u au courant van de literatuur van den dag. Bij al deze gelegenheden, om nuttig uwen tijd te besteden, en u verpozing van andere werkzaamheden te verschaffen, voegen zich mede ten voorschreven einde, twee leesgezelschappen, onder het bestier van den Predikant Van Duijll en den Notaris Broekman; hunne welberadene keus voor alles, wat de moderne letterkunde betreft, waarborgt de medeleden een aangenaam en nuttig tijdverdrijf.

HET POSTKANTOOR.

De correspondentie van en op Vianen is tamelijk belangrijk; de dagelijksche consumtie, in al wat tot levens onderhoud vereischt wordt, geeft tot veel nering aanleiding; winkelwaren van allerlei aard toch moeten van elders ontboden worden. Voeg hierbij menige tak van nijverheid, die hier gedreven wordt, meer dan eene fabrijk, die hier en in den omtrek gevestigd is, terwijl inzonderheid de Regering en de Hoofd-ambtenaren, die hier hunne functien uitoefenen bijna postdagelijks met de residentie en andere steden in ons Vaderland corresponderen. Vandaar dan ook, dat de directie van het Postkantoor te Vianen gedurende een gedeelte van den dag ijverig werkzaam is, om het publiek te bedienen; zulks geschiedt met eene bijzondere accuratesse, en wanneer de post is aangekomen, zal geen inwoner van Vianen een half uur naar zijnen brief of brieven behoeven te wachten. Het beheer van het Postkantoor is opgedragen aan den hoogstbeleefden en welwillenden Directeur den heer Mr. H. M. van Eck, daarin geadsisteerd door zijnen geagreëerden den heer Heijman, en hetgeen boven van de promptitude op dat Postkantoor staat opgeteekend, zal dan ook de lofvermelding van voornoemde heeren uitmaken.

FABRIEKEN.

Oliën- en Smeerfabriek van J. P. Jannette Walen en Comp.

In de maand December 1848, werd in Vianen door J. P. Jannette Walen, onder de firma Van Walen en Comp., opgerigt eene fabriek van Oliën en Smeren. Aan deze fabriek is naderhand bij brevet van Zijne Majesteit, Koning Willem III toegekend den titel van Koninklijk Nederlandsche en de vergunning geschonken, het Koninklijk Nederlandsch wapen te voeren. De genoemde oliën en smeren zijn bestemd ten gebruike van stoomwerktuigen, spinnerijen, ijzergieterijen en alle soorten van vervoermiddelen, voorts worden in dezelve vervaardigd harts-oliën, gezuiverde hartsen, zoo mede fijnere oliën voor Horologiemakers, enz. enz.

Dat het debiet van deze artikelen en de verzending van dezelve, zoowel naar vele oorden in ons Vaderland, als buiten hetzelve aanzienlijk is, spreekt van zelve; de fabriek vereischt veler handen arbeid en verschaft aan menigen handwerksman den kost, zoodat men dezelve als eene belangrijke bron van welvaart voor de stad Vianen mag beschouwen.

Hoepmakerij of fabriek van Hoepels van den heer Johan Cambier.

Even buiten de stad Vianen is door den heer Johan Cambier, sedert een aantal jaren, eene fabriek van hoepels opgerigt. Deze fabriek heeft bijzonder veel vertier. Het fabrikaat wordt, even als dat uit de bovenvermelde, zoowel binnen- als buitenlands verzonden, zoodat ook deze fabriek onder de nijvere volksklasse, veel welvaart verspreidt.

De Vrouwen-Vereeniging Arbeid en Liefde, bestierd door de Jonkvrouwen Fabricius en Wincler.

Ziet gij daar, in dat huishoudelijk vertrek die jeugdige echtgenoote, te midden van zoo vele edele maagden, rondom den gezelligen arbeidsdisch gezeten, en zich vlijtig onledig houdende met het vervaardigen van kleedingstukken voor behoeftige vrouwen en kinderen.

Thans tot dit weldadig doel bij één vergaderd zijn het nu niet meer de bevallige dochteren van Terpsichorè, die zoo onlangs nog in de danszaal op ligte brozen door rappe jongelingen ten reie werden geleid; het zijn de deugdzame en van menschenliefde doordrongene kinderen van Tabittha Dorkas, die waardige discipelinne der apostelen, die in de heilige schrift staat aangeteekend, als vol zijnde van goede werken en aalmoesen, die zij uitdeelde.

Hoe verheven is niet het oogmerk, hetwelk zij trachten te bereiken; arbeid en liefde zijn hare leuze; zij arbeiden vlijtig voort, ten einde te kunnen geraken tot die uitoefening van liefde, die het verlangen is van hare harten; de zegen des Heeren rust op haar! De schamele weduwe, het naakte weesje worden door haar gekleed, en in de hutten der armen weergalmt het lied der dankbaarheid en der vreugde, ter harer eere gezongen.

Op welk een eerbiedwaardig standpunt staat niet de vrouw, wanneer zij zich harer bestemming waardig gedraagt, voorzeker aan haar, die zoodanig eene bestemming bereikt heeft, mag Engelenwaarde worden toegeschreven.

Op zulke vrouwen mag worden toegepast hetgeen Schiller zingt:

«Ehret die Frauen, sie flechten und weben

Himmlische Rosen in ’s irdische Leben.»

Verre van ons die wufte dochteren Eva’s, die alleen met ervaring weten te spreken van het jongste blijspel, hetwelk zij hebben bijgewoond, die aan eene dubbelzinnige charade eene juiste uitlegging weten te geven, en, vervuld met den roman van den dag, van niets dan van ijdele begoochelingen droomen kunnen, terwijl zij de wezenlijke pligten verzuimen, die aan het meisje, zoo als het zijn moet, zijn opgelegd.

Maar zulke dochteren worden in Vianen niet aangetroffen; eenvoudigheid van zeden en reine deugd kenmerken dezelve, en de jeugdige schoone, die in den gezelligen kring, in beschaafdheid van manieren en goeden toon uitmunt, kan men niet zelden in hare woning aantreffen, eene verstandige bezorging van het huishoudelijke pligtmatig ter harte nemende, en, wanneer het pas geeft, zich werkzaamheden getroostende, over welke eene hoovaardige salet-juffer zich schamen zoude. Moge nimmer eenige verbastering van zeden eene treurige ommezijde van dit Tafereel zien geboren worden, maar daarvoor waarborgt ons de goede genius, die hier ter stede over de opvoeding der jeugd steeds wakende is.

VRIJMETSELAARS-LOGE.

Lust het u, wanneer gij tot de ingewijden behoort, in statigen ommetogt in uwen mystieken pelgrimsmantel gewikkeld, niet ongelijk aan eenen bedevaartganger naar het heilige graf, of een Maltheser Ridder, met uwe medebroeders den verloren acaciatak te helpen opzoeken, of eene wijle tijds tusschen de kolommen J. en B. te vertoeven; welaan begeef u dan, wanneer het feest is, en de altaren voor deugd en menschenliefde rooken, naar het tot een verheven doel wel ingerigt gebouw op den Kortendijk en klop daar, met uw diploma in de hand, drie maal drie malen aan de deur van den gewijden tempel; gij zult welkom zijn; men zal uw verlangen aan den Grootmeester der Orde te kennen geven, men zal u begeleiden tot aan de voeten van den throon, op welken hij met gepaste waardigheid zetelt, en gij wordt, nadat men zich van uwe identiteit als broeder zal vergewist hebben, met hartelijke welwillendheid tot de werkzaamheden toegelaten, terwijl u handschoenen en schootsvel, blank en rein, als het symbool van zuiverheid der bedoelingen, benevens winkelhaak en truweel zullen worden aangeboden. Gij ontmoet dan, als deelgenoot aan de geheimen, die weleer die van Isis en Osiris waren, in den heiligen broederkring, menigen inwoner van het stadje, dien gij vroeger onopgemerkt, in deszelfs straten zijt voorbijgegaan, of hier of elders hebt ontmoet, hij drukt u hartelijk de hand, terwijl gij straks met hem en de overige gasten aan den feestdisch het «in diesen heiligen Hallen kennt man die Rache nicht» of het «par trois fois trois mes frères» zult aanheffen.

Broederliefde! verheven woord! woord van gewigtige beteekenis! Zijt gijl. mijne broeders! allen daarvan wel diep doordrongen?! Zorg, ik bezweer het u, dat dit woord voor uw lieden geen ijdele klank zij, zorg, dat gij niet vreezen moet, dat schietlood en compas u beschuldigend in de handen zullen beven, en het alziend oog, dat in den gevel des tempels prijkt, en uwe werken gadeslaat, zich van u zal afwenden en de hamerslagen, die anders welluidend weergalmen, dof zullen klinken, en dof zullen weerkaatst worden.

Broederliefde! woord des vredes! moge uwe stem, in deszelfs verhevene en eigendommelijke beteekenis steeds gehoord worden, daar, waar de star in het oosten flonkert, moge geen eenig broeder zich zijner roeping onwaardig gedragen! Moge aan niemand hunner verwijtend worden toegefluisterd «procul hinc, procul ite profani!» moge een ieder hunner het heilig woord steeds onbevangen durven uitspreken en de arbeiders aan den tempel van dien koning, uit de gewijde geschiedenis, die door zijne wijsheid de geheele wereld met verbazing vervulde, zich, door zuivere en onvervalschte broedermin, de goedkeuring van den opperbouwmeester van het heelal waardig maken!

LOGEMENTEN.

Wanneer de reiziger, die soms te Vianen deszelfs nachtverblijf zoude willen houden, in de stoomboot of op de diligence, met Frontin mogt hebben gezongen:

«Qu’on est heureux de trouver en voyage,

Un bon souper et surtout un bon lit.»

zal hij, wanneer hij, in de Roos, het Zwijnshoofd, het Hof van Brederode, of het Roode Hert, zijnen intrek mogt hebben genomen, aan zijnen wensch voldoening erlangen, en, hoezeer hij in die logementen wel niet die comforts zal aantreffen, welke te Baden-Baden zum Zähringer Hof, te Londen in het Hôtel Mivart, te ’s Gravenhage in den Ouden Doelen, of te Antwerpen au Grand Laboureur gevonden worden, niettemin, wanneer hij eenen smakelijken avondmaaltijd heeft gehouden, of op een goed bed uitgerust, van de billijke prijs der gemaakte vertering zeer tevreden zijn en zijne reis vrolijk en opgeruimd vervolgen.