TWEEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Overwonnen!

„Vader, Moeder, hoort eens! Zoeterwoude is door de Watergeuzen in brand gestoken en, als ik het wel gehoord heb, dan zijn de Spanjaarden daar op de vlucht gegaan. Nu zal er spoedig een einde aan onze ellende komen!”

Met dit bericht, dat eene duif gebracht had, kwam Cornelis des Zaterdags binnenstuiven.

„Dan ga ik op de wallen kijken,” zeide Van Keulen. „Daar moet ik het mijne van hebben!”

Weldra waren Van Keulen en Cornelis op straat.

„Van Keulen! Van Keulen!” klonk het achter hen.

Barend en Cornelis keken om, en daar kwam Van der Morsch met de banier van zijne rederijkerskamer aanzeulen.

„Wat gaat ge doen, Morsch?” vroeg Barend.

„Wat ik ga doen? Wel, onze banier op de wallen planten. Wie maar eene vlag in huis heeft, doe als ik,” was het antwoord.

„Gauw, Cornelis, loop naar huis en haal de nieuwe vlag, die ik kort voor het beleg voor onze schuit heb laten maken, en breng eenen stevigen stok mee,” zeide Barend.

„Ik zal den verrejager medebrengen, Vader, dan kan de Spanjool dat ding nog eens goed bekijken, eer hij aan den haal gaat!”

„Dat is goed, jongen, doe dat!”

Vlugger dan anders het geval was, gingen de twee vrienden te zamen naar den wal, en achterhaalden Van Schaeck, die uit gebrek aan eene vlag, een beddelaken had genomen en daar met zwarte verf twee gekruiste sleutels op geklad had.

„Ieder vogeltje zingt, zooals het gebekt is, Morsch.” sprak Van Schaeck toen hij zag, dat de rederijker om zijn vreemd vaandel begon te glimlachen.

Dat was een leven en een gejoel op de wallen, zooals er in tijden niet geweest was! De magerste aangezichten en de ziekelijkste trekken werden door het lachje der hoop, dat zich om iederen mondhoek genesteld had, nog vriendelijk en vroolijk gemaakt.

Met zwak gejuich werd iedere nieuwe vlag geplant en daarna bekeken.

Die van Van Schaeck klapperde en wapperde vroolijk door de lucht en had vast wel het meeste bekijks.

Maar eensklaps werd het gejuich luider aangeheven.

Ziet, daar klimt Cornelis met de mooie vlag van zijnen Pleegvader tegen eene der roeden van den nabijstaanden molen op.

Het kost moeite boven te komen. De jongen is er door het honger- en gebreklijden, niet sterker op geworden en de vracht is tamelijk zwaar; want de verrejager moet ook mede naar boven.

Eindelijk is hij op den top geklommen.

Met veel moeite sjort hij den verrejager aan de molenroede vast, draait hem in het rond, en .... de mooie, nieuwe vlag van den Utrechtschen veerschipper klappert hoog in de lucht.

„Gij zijt nog heel wat mans, Cornelis!” sprak Van der Morsch. „Als ik gegeten heb, zal ik een mooi gedicht op u maken!”

„Wel ja,” zeide Cornelis, „als we zoo laag bij den grond bleven, dan zou de Spanjool nog wel gaan denken, dat we niet meer klimmen konden. Dat kan hij dan nu toch beter zien!”

Langzamerhand werden de wallen ontvolkt, doch de vlaggen bleven wapperen.

„Komt ge mede, Cornelis?” zeide Gonda, die ook eens was komen kijken.

„Ja, Gon! Mooi, nietwaar?” antwoordde Cornelis op de vlag van zijnen Pleegvader wijzende.

„Ja, het is mooi, Kees! Och, mocht die goede Gerrit dat ook nog eens beleefd hebben, dan zou hij zijne vlag wel op dien anderen molen hebben gestoken,” zeide Gonda en een paar heete tranen rolden langs hare wangen.

„Ge moet nu niet gaan schreien, Gon! Leeuwke is dood en hij wordt niet levend, al huilt ge een jaar lang! Toe, wees maar vroolijk! Ge zult het goed bij ons hebben, en de eerste maal, dat ik uit Utrecht met ons beurtschip terugkom, breng ik u van mijne spaarduiten eenen mooien mantel meê met eene huik er op, zoo mooi, als die van Burgemeesters Anna!”

„Och, Cornelis, ik weet wel, dat gij het goed met mij meent. Mijne Pleegouders houden ook veel van me; maar Gerrit, ziet ge, Gerrit....”

„Nu, Gerrit, wat is er van?”

„Ik hield zooveel van hem, omdat hij zooveel van Moeder en van ons allen hield. Hij was zoo goed, zoo flink!”

„Ja, dat was hij! Maar gij moet er grootsch op wezen, dat hij, en nog zóó jong, voor het Vaderland en Leiden gestorven is!”

„Neen, Cornelis, daarop kan ik niet grootsch zijn. Ik hield veel te veel van hem,” hernam Gonda en liet opnieuw aan hare tranen den vrijen loop.

Cornelis had op zijne manier willen troosten, doch het was hem slecht van de hand gegaan en daarom verzon hij wat anders en zei: „Maar, ik heb er toch ook eene heel vracht Spanjolen voor doodgeschoten, hé? En misschien nog veel meer laten verdrinken!”

„Brengen die dooden Gerrit dan terug, Cornelis?”

„Neen, maar .... maar.... Kunt ge nu alleen naar huis gaan, Gon, dan ga ik eens luisteren, wat er afgelezen wordt, want ik hoor de stadhuisklok kleppen,” zeide Cornelis, die niet meer wist, wat hij zeggen moest.

„Ja, ga maar,” was het antwoord.

„Die meid doet ook zulke rare vragen,” bromde hij bij zichzelven, en vervolgde intusschen zijnen weg.

„Is er al wat afgelezen, Vader?” vroeg Cornelis.

„Neen, jongen, nog niet! Maar stil, daar komt Van Hout!”

Het kleppen der klok hield op en Van Hout kondigde het volgende af:

„Vrome en goede burgers van Leiden! De Magistraat en de Bevelhebber van Der Does maken bekend:

Ten eerste, dat alle vrouwen, jongens en meisjes, en alle mannen, die onbekwaam zijn om de wapenen te dragen niet op de stadswallen mogen komen, en dat al de anderen, die een hals- en zijdgeweer dragen, op hun hoefslag moeten zijn, of op die plaatsen, waar de Overheid zulks verordineert.

Ten tweede, dat alle degenen, die den voorleden nacht gewaakt hebben, dezen nacht weer de wacht moeten betrekken.

Ten derde, dat alle degenen, die de wacht hebben, niet van de wallen mogen gaan, tenzij zulks door de Overheden mocht verordineerd worden.

Ten vierde, dat al de schippers en schuitenvoerders zorgen moeten, dat hunne schepen, schuiten, schouwen en tentsnebben, uit het midden der grachten naar de kanten gebracht worden, opdat de inkomenden met hunne schepen, schuiten, schouwen, tentsnebben, galeien en kromstevens den vrijen doortocht hebben mogen, en de burgerij hen in alles vrijelijk kunne helpen!”

Zoodra dit afgekondigd was, verspreidde de menigte zich in de stad om thans weer zonder pruttelen de bevelen der Regeering ten uitvoer te brengen.

Dat was overal eene drukte en beweging van belang; want de hoop gaf krachten.

De avond was reeds gevallen, doch Leiden, dat in verscheidene weken, gedurende den nacht, geene beweging op straat vernomen had, waakte nu voor een groot gedeelte.

Men kon zoo zien, dat er iets bijzonders stond te gebeuren. Overal werd gefluisterd, gesnapt en gepraat.

Op de wallen was het echter niet woeliger dan gewoonlijk; want de schildwachten, die daar den vorigen nacht ook al gestaan hadden, waren bij den grooten honger, die hen kwelde, ook afgemat en wakens-moede.

Het was niet erg donker, want nu en dan viel het licht der maan tusschendoor de wolken.

Tusschen de Hoogewoerds- en Koepoort stond Cornelis op zijn roer geleund en tuurde onafgebroken in ééne richting, terwijl hij binnensmonds prevelde: „Jawel, daar is nu dat nare Lammen nog! Wie weet hoeveel dagen wij er nog met eene ledige maag en slappe knieën op kijken moeten! Ben ik nu al niet bijna als een oud manneke, krom van de jicht en zwak als een kind? Hm, hm, dat Lid van den Magistraat had vanmiddag mooi zeggen: „Mannen, daar achter die Schans ligt brood! Zullen we het daar laten liggen en hier van den honger sterven, of zullen we eerst den Spanjool wegpoetsen en dan eten gaan halen?” Gaan halen, dat zou zeker die Gillis Jonkert doen, die dadelijk begon te vertellen, dat hij geresolveerd was om te gaan! Wel zeker! die Gillis Jonkert met zijne stijve kuiten zou den Spanjool wegpoetsen! Ze loopen nog al gauw ook, die heeren Spanjaarden! Maar wacht, daar gaat er een met een lichtje uit Lammen! Wat zou die moeten gaan zoeken? Het is toch nu geen weer om zonder lantaarn den weg niet te kunnen vinden!”

„Wat bromt gij daar in u zelven?” vroeg op eens eene stem achter hem. Cornelis keek om en herkende Jonker van der Does, die de ronde deed.

„Ik praat met me-zelven, Edele Heer, over het gekke van den Spanjool om in den maneschijn met eene brandende lantaarn te loopen!”

„Doen ze dat dan?”

„Jawel, Edele Heer! Zoo even zag ik het! Kijk, kijk, daar gaat er weer een!”

„Och kom, jongen! Ge zijt immers Cornelis Joppensz., de pleegzoon van schipper Van Keulen?”

„Jawel, Edele Heer!”

„Nu, dan geloof ik, dat ge ditmaal droomt! De wacht uitroepen, als er onraad is, hoor! Ik vertrouw de stilte daar ginds niet!”

Van der Does ging heen.

Al had zijn Bevelhebber hem nu ook al stellig gezegd, dat hij droomde, toch bleef Cornelis’ blik maar op die donkere hoogte, een kwartier uur afstands van de wallen gelegen, gevestigd.

„Mishebben en droomen! Kijk, daar gaat er weer een, nog een, nog een! Wel zes te gelijk! Als dát nu droomen is, dan weet ik het niet! Keesje, Keesje,—òf de Spanjaarden krijgen het op Lammen te benauwd en gaan naar Leiderdorp, òf ze trekken met stille trom af; want ik zie nu wel, dat het geene lantaarntjes zijn! Het zijn de brandende lonten der musketiers! Kijk maar, af en aan komen er telkens nieuwe troepjes en niet een komt weerom!”

Eindelijk werd Cornelis afgelost en mocht hij het wachthuis binnengaan. Hij had natuurlijk aan zijnen plaatsvervanger gezegd, wat hij wel een uur lang gezien had, doch daar er op het oogenblik der aflossing niets meer van dat alles te ontdekken was, geloofde men hem niet.

Des morgens vroeg reeds kwamen enkelen op de wallen om te zien of er niets bijzonders gebeurd was, en aan ieder vertelde Cornelis het geval met de lichtjes, die hij voor lonten hield.

Zij, die dat gehoord hadden, repten zich om het in de stad ruchtbaar te maken en weldra was de wal vol nieuwsgierigen.

„Waar is de jongen, die dat verteld heeft?” vroeg een rijke goudsmid.

„Ja, waar is de jonge borst, die al dat moois weet uit te kramen?” schreeuwde een lange magere kuiper.

„De booze is in zijn harte gevaren en heeft hem leugenen te spreken gegeven,” zeide de Deken van het smidsgilde. „Ik zeg u, en denk aan mijne woorden, die ik op Zondag, den zesden van Zomermaand, sprak: Alles wat de Leidenaars voortaan ondernemen, zal verkeerd uitloopen!”

„Cornelis, ge wordt gezocht!” riep Van Schaeck.

„Heidaar, wie roept me?” gaf Cornelis ten antwoord.

„Ik, Keesje, ik, Gijsbert Cornelisz. Van Schaeck! Ik zeg, dat ze je zoeken!”

„Wie zoekt me dan?” liet Cornelis zich andermaal hooren.

„Ik, jonge borst!” zeide de goudsmid.

„Wat belieft u, Meester?” vroeg de knaap.

„Vertel ons wat ge vannacht meent gezien te hebben!”

Cornelis voldeed aan het verzoek en toen hij had uitgesproken, zei de goudsmid: „Ik geef je zes gulden, manneke, als je naar Lammen durft gaan en daar kijken of de Spanjool weg is!”

„Top, dat doe ik, Meester, dat doe ik! Zeg maar aan Vader waar ik heen ben, dan laat ik er geen gras onder groeien!”

„Wacht wat, manneke,” zeide een. „Als nu de Spanjool er nog eens in is, en gij komt daar aan, wat zult ge dan zeggen?”

„Wel, dan zeg ik, dat ik van den honger de stad uitgeloopen ben.”

„En als zij je dan ophangen?”

„Dat zullen ze niet doen; dat deden ze alleen spionnen; maar wegloopers hebben ze nu al tweemaal naar de stad teruggestuurd, dat weet ge wel!”

„Ga maar, hoor, ga maar,” zeide de goudsmid. „Het is u best toevertrouwd!”

„Maar, Meester, als ik nu tòch eens niet terug kwam? Die zes gulden....?”

„Die zal ik dan aan uwen Pleegvader geven! Dat zeg ik, dat alle luiden het hier hooren!”

„Best, Meester, best! Daar ga ik!”

In een oogenblik was Cornelis den muur af en op weg naar de Lammenschans.

Aller oogen volgden hem, tot ze hem achter de borstwering der schans zagen verdwijnen.

Met gespannen aandacht stonden allen te kijken.

„Daar is hij! Daar is hij,” riep er een.

„Hij zwaait met den hoed,” liet een tweede zich hooren.

„Ik geloof, dat hij wat roept,” merkte een derde aan, en dit was werkelijk ook het geval; want, nadat hij eene poos met zijne muts had staan zwaaien, zette hij ze weer op, en de beide handen voor den mond houdende, schreeuwde hij: „Ze-zijn-weg! Ze-zijn-weg!!”

„Wie weet of de Spanjool hem niet omgekocht heeft,” sprak de goudsmid, „om zoodoende ons allemaal tegelijk in het net te krijgen! Ik vertrouw dat spulletje niet!”

„Dan ga ik er toch op af,” liet Willem Paulusz. Torenvliet hooren; en eenen verrejager halende, sprong hij ook van den muur en wipte over de eene sloot na de andere.

Toen hij dicht bij de schans kwam, waar Cornelis nog altijd stond te schreeuwen en met zijne muts te zwaaien, hoorde hij zich door den knaap toeroepen: „Waarom komen de luiden nu niet?”

„Ze denken, dat de Spanjool je omgekocht heeft en achter de borstwering verborgen is! Maar zeg, is er heusch geen mensch in?”

„Geen mensch,” antwoordde Cornelis. „Het is zooals ik vannacht al vermoed heb. Ze zijn met stille trom afgetrokken!”

„Dat moet ik zien,” antwoordde Torenvliet en kwam de schans binnen.

„Gij hebt gelijk,” zeide hij terugkomende. „Nu ga ik naar den Admiraal van Boisot om het hem te vertellen! Ga zelf naar de stad terug en vertel ze, hoe gij het hier gevonden hebt!”

Torenvliet sprong al verder en verder en bereikte eindelijk de vloot.

„Lammen is verlaten, Heer Admiraal!” riep Torenvliet andermaal.

„Wat zegt hij,” vroeg van Boisot aan de zijnen, „dat Lammen verlaten is?”

„Ja, Heer Admiraal!”

„Onmogelijk! Onmogelijk!” was van Boisot’s antwoord.

Daar kwam de geluksbode aanboord.

„Heer Admiraal, ik verzeker u, dat het waar is! Op Lammen is geene levende ziel overgebleven! Kom gerust verder; want, we wachten u met nijpend ongeduld,” zeide Torenvliet.

„Lammen verlaten! Goddank! Mannen op, aan het werk! Twee galeien moeten al vast vooruit! Wij zullen met de andere schepen onmiddellijk volgen; want, als het eens niet waar was, dan was misschien alles verloren! Ik kàn het niet gelooven! Hier Gijs, breng dien man in de kombuis, en geef hem wat te eten; maar niet te veel, hoor! Zijne maag is het voedsel ontwend, en te veel opeens zou zijn leven kunnen kosten. En gij, jongens! Op, op! Niet gesammeld! Gij hebt het gehoord, we worden met nijpend ongeduld verwacht. Vooruit! Vooruit!”

Zoodra Torenvliet op weg naar de vloot ging, wilde Cornelis ook naar de stad terugkeeren; maar toen hij hiertoe gereed stond, zag hij, dat er nog eenige anderen naar de schans kwamen en daarom besloot hij te blijven.

Het was Hopman van der Laan met zijne vrijbuiters, waaronder Van Keulen, Van der Morsch en Van Schaeck ook waren.

„Cornelis! Cornelis! We komen, jongen, we komen,” riep Van Keulen al uit de verte.

„Met ledige magen en natte kuiten, Cornelis,” spotte Van der Morsch, die zijne oude vroolijkheid scheen teruggekregen te hebben.

Daar stapten ze de schans binnen en de een ging hier en de ander daar.

„Ho, ho, ho! Hier, mannen, hier! Komt dan toch! Hui, mannen, hui!” schreeuwde Van Schaeck en kwam met eenen ijzeren pot aan.

„Wat hebt gij dan toch, malle brasem?” riep van der Laan.

„Hutspot, Heer Hopman, eenen ketel hutspot! Mensch, mensch, wat is dat heerlijk!” en terwijl hij dit zeide, was hij al bezig met zijn mes stukjes vleesch uit den pot te halen en naar binnen te werken.

„Heidaar, Schaeckje, ik lust ook wel een brokske,” riepen de anderen en vielen op den pot aan, die weldra zoo ledig was, alsof de knapste keukenmeid hem had schoongemaakt.

„Dien pot neem ik tot eene gedachtenis mede,” zeide Van Schaeck.

Daar steeg een nieuw gejuich op.

De twee galeien, die vooruit gezonden waren, kwamen aan de schans en de Zeeuwsche vrijbuiters werden door de Leidsche onder tranen en handdrukken verwelkomd.

De eerste honger was weldra gestild; want vooral op van der Laans raad, gebruikte men het aangebrachte met mate.

De Aanvoerders der galeien gaven van Boisot het afgesproken sein, dat alles in orde was, en de geheele vloot zette zich in beweging.

De wallen stonden vol mannen en vrouwen, kinderen en grijsaards.

Zij, die elkander vroeger haast niet gekend hadden, vielen snikkende elkaêr om den hals.

Te acht uren in den morgen kwam de vloot binnen.

Men sprong van den kant af in het water en liep de schepen te gemoet.

De Zeeuwsche vrijbuiters, zoowel als hunne Bevelhebbers, kwamen handen te kort om brood en haring uit te reiken, ja, sommigen wierpen het van de schuit, hun, die op den kant stonden, maar in de handen.

„Leiden ontzet! Leiden ontzet! God zij geloofd!” juichte er hier een.

„Leiden ontzet! Haring en brood! God zij geprezen!” klonk het daar.

„Ha, brood, brood!” kreesch gindsch eene schorre stem, terwijl de spijze niet gegeten, maar verslonden werd.

„Brood, brood!” hoorde men er weer een door de straten roepen, terwijl hij zich naar huis spoedde om hem of haar, die de woning niet kon verlaten, van den overvloed mede te deelen.

„Brood, brood! Leiden ontzet! God zij geloofd!” dat bruiste, als een verward koor, langs plein en gracht, door straat en steeg, van poort tot poort.

„Brood, brood! Leiden ontzet! Leve van Boisot! Leve de Zeeuwsche vrijbuiters! Leve de Prins van Oranje! Leve....”

—Stil, wat is dat? Hoort! de klok luidt!—

—Is er brand?—

—Bom-bom; bom-bom!—

Het is de Zondag-kerkklok! Op mannen en vrouwen, jongen en ouden, op, naar de kerk!

Nog nooit was de Sint-Pieter zóó vol geweest! De vaste plaatsen werden vergeten; men was tevreden met het kleinste plekje, als men God maar danken kon.

Daar beklom Petrus Cornelius den kansel!

Hij sprak, hoe God almachtig eene groote en wondervolle verlossing aan de benauwde stad geschonken had, dat hij de vijanden had achterwaarts gekeerd en doen vallen en vergaan voor Zijn aangezicht!

De Leeraar zweeg en de gemeente zong toen eenen psalm.

Maar, dat was geen zingen, dat die schare daar deed!

„Stil, stil, al was het dan ook niet mooi,—Hij, die het verstaan moest, verstond het tòch, tusschen de tranen en de snikken in.”

De kerk was uit; de tranen waren opgedroogd; overal was vreugde, behalve hier en daar, waar een te gulzige eter met den dood lag te worstelen.

Vrijbuiters en musketiers, poorters en dorpers, Hervormden en Roomschen, aanzienlijken en geringen, rijken en armen, alles liep in bont gewoel door elkander.

Nog dienzelfden dag kreeg Prins Willem, terwijl hij in de kerk te Delft was, het bericht, dat Leiden ontzet was, en des Maandags-avonds daaraan volgende, was hij reeds binnen de bevrijde stad.

Nadat de Prins den Magistraat gewijzigd en de Leidenaars tot loon voor hunnen heldenmoed de keus had gegeven tusschen eene Hoogeschool of eenige jaren vrijdom van belastingen, verliet hij de stad. De Leidenaars kozen de Hoogeschool.

Maar er werd meer gedaan! Van alle kanten werden liefdegaven gezonden, om de behoeftige Leidenaars tegen den naderenden winter van het noodige te voorzien; want waarlijk, heel Nederland had gewichtige redenen om mede te juichen: „Leiden ontzet! God zij geloofd!”