Het is de derde October van het jaar vijftienhonderd eenentachtig, dus zeven jaar geleden, dat Leiden ontzet werd.
Weer heerscht overal vreugde en vroolijkheid.
Niet het minst is zulks het geval ten huize van Barend Cornelisz. Van Keulen, die ter belooning zijner goede diensten, door den Magistraat beloond werd met eene vaste veerschippers-betrekking op Utrecht.
Zie, daar zit hij aan het boveneind van de tafel, waarop de hutspot staat te dampen, en te wachten op den aanval der hongerige gasten.
Hij ziet er welgedaan uit, en is in die zeven jaar niet heel veel veranderd, evenmin als Gijsbert Cornelisz. Van Schaeck, die vlak naast hem zit en druk met hem keuvelt over de gebeurtenissen van den bangen zomer van ’vierenzeventig.
Tegenover Van Schaeck zit een oud man met lang, grijs haar en eenen blos van gezondheid op de volle wangen. Geestigheid en vriendelijkheid kijken hem de oogen uit, vooral nu hij spreekt met eene flinke, blonde deerne, die aan tafel zijne buurvrouw is, en die aan hare rechterzijde een krachtig jonkman als bruidegom naast zich heeft.
„Cornelis, jongen, pas op, dat de oude rederijker u de kaas niet van uwe boterham haalt, en met de bruid wegloopt,” zeide Jonker van der Does, die zich niet te voornaam achtte, ook hier aan de vreugd deel te nemen.
„Och, Edele Heer, laat vriend Van der Morsch maar begaan,” antwoordde de kloeke jonkman, in wien ge onzen Cornelis wel zult herkend hebben, lachend. „Ik gun den ouden man zijn geluk!”
„Oude man,” schertste Van Schaeck. „Weet ge wel, wat ge daar zegt? Een rederijker wordt nooit oud, die blijft altijd jong. Straks zal ik u dat rijmpje eens laten lezen, dat hij gemaakt heeft op den pot, dien ik in Lammen vond! Het is prachtig! Vriend Van der Morsch, ik zeg er u nogmaals dank voor!”
„Dat zegt hij, omdat hij het nog niet heeft,” antwoordde Van der Morsch. „Maar wacht, ik zal het op staanden voet maken!”
„Och, heb daar even geduld mee, Van der Morsch, tot na den eten! De hutspot staat koud te worden op tafel,” zeide Van Keulen, en hierop namen de gasten allen plaats.
„Aan alles komt een eind,” zeide Torenvliet, na afloop van het maal, „dat zei de jongen ook, en hij begon met zijnen drinknap de zee leêg te scheppen! We zijn nu allen verzadigd, en daarom ben ik er voor, dat Van der Morsch ons zijn pot-liedeke geven zal!”
„Hier is het al, goede luiden,” antwoordde de vroolijke, oude man en las van een strookje papier, dat hij onder het eten bekrabbeld had, het volgende voor:
„Doen Godes hand, dreef den Vijand
Bij nacht uit Lammen-schans,
Creegh Schaeck deez Pot, riep aan Boizot,
Gij moocht over Lammen thans!”
„En als ge me nu een pleizier wilt doen, Van Schaeck, dan moet ge dat versken tot mijne gedachtenis, zóó op den pot laten zetten, dat het er niet uit kan!”
„Dat doe ik,” riep Van Schaeck, „maar dan moet ge er nog een maken, dat ik niet op den pot behoef te zetten!”
„Neem dan dit,” zeide Van der Morsch. „Ik meende het u eerst te geven, maar ik vond het minder mooi.
„Den Prijs comt Godt, die door Boizot;
Leiden verlost heeft;
En Schaeck deez Pot, in Lammen tot
Teken met Cost geeft.”
„Bijlo, ge zijt een rederijker van het bovenste plankske, Van der Morsch,” schertste van der Does.
Nog altijd was er drukte en vroolijkheid op straat; want overal werd feest gevierd! De zon was reeds ondergegaan en niemand dacht er nog aan, de feestvreugde te staken. Maar, waar er ook vreugde was, nergens zeker meer dan bij onzen vriend Van Keulen, en ook dáár zou men vooreerst nog aan geen heengaan gedacht hebben; want de wijn, dien van der Does op het dubbele feest aan zijne nederige vrienden gegeven had, stemde allen tot vroolijkheid.
Eindelijk stond Jonker van der Does op en zeide: „Eer ik heenga, wil ik u allen mijnen hartelijken dank brengen voor het genoegen, dat ik in uw midden smaken mocht! Ik hoop, dat ik u allen nog menigmaal zoo vroolijk bij elkander mag zien en, dat het u allen welga! Éénen dronk wil ik echter nog instellen! Daar straks heeft onze kloeke en vernuftige rederijker, Van der Morsch, ons laten drinken op de gezondheid en het welzijn van de bruid, de blonde Gonda! En we hebben geklonken, dat de roemers rinkinkelden! Nu echter wijd ik dezen boordevollen beker op het geluk van den nieuwen vrachtschipper op Woubrugge! Leve Cornelis Joppensz.!”
„Leve de nieuwe vrachtschipper op Woubrugge,” riepen de anderen hunne bekers ledigende.
Cornelis was verrast; hij had den Magistraat wel om dat veer gevraagd, doch op zijn verzoek was nog geen antwoord gekomen.
„Beter laat dan nooit, Cornelis! Bedank den Heer van der Does,” fluisterde Gonda hem in het oor.
Cornelis deed dat en kort daarop was het feestmaal geëindigd.
Een paar weken later had de nieuwe schipper zijne schuit even aan den wal bij het Rhinenburgsche bierhuis vastgesjord, toen een man aankwam en zeide: „Ik vaar mee!”
„Goed, man! Naar Leiden?” vroeg Cornelis.
„Neen, ik ga maar mee tot Leiderdorp. Maar ben-je niet een nieuwe schipper?”
„Jawel, sedert veertien dagen! Vóór dien tijd was ik bij schipper Van Keulen, die op Utrecht vaart!”
„Ben-je dan die jongen van de Lammen-schans, die verleden week getrouwd is en die dit veer gekregen heeft, om de diensten aan de stad bewezen, staande het beleg?”
„Ik heb ten minste het veer gekregen en ik ben verleden week getrouwd ook!”
„Zoo, ja! Men moet maar eenen goeden kruiwagen hebben, al zeg ik het zelf. Ik heb ook veel gedaan voor de stad en ik kreeg niemendal. Ik heb de Koppieren-kade doorgestoken, en....”
„Zijt gij dan Schooneman?”
„Precies! Maar ik dutte toen ik wakker moest zijn.”
„Ja, man, met dutten als men waken moet, komt men niet ver. Zoo we dat in ’74 niet begrepen hadden, dan zouden we het nooit zoo ver gebracht hebben,” zeide Cornelis.
Zoo pratende kwamen ze eindelijk te Leiderdorp. Schooneman ging aan den wal, doch toen de schuit alweer wegvoer, keek hij ze na en zeide zuchtend: „Gelijk heeft hij, wie vooruit wil komen, moet niet dutten, als het geen tijd van slapen is. Die Leidenaars hebben door te waken maar een stout stuk bedreven, dat is zoo, en al ben ik er ook slecht afgekomen, toch ben ik er grootsch op, dat Leiden in mijn Vaderland ligt. Zulke steden zijn er niet veel, al zeg ik het zelf.”