VIJFDE HOOFDSTUK.

IETS OVER DE VOORMALIGE GEWOONTEN, ENZ. DER TEXELAARS.

In vroegere tijden schijnt men op Texel veelal de kleederdragt gevolgd te hebben, die elders in ons vaderland, vooral onder de landbouwende klasse, in zwang was.

In de 11de eeuw, droegen de mannen zoowel korte als lange broeken, eene soort van wambuis (wammes), een’ plat ronden hoed, klompen of hoozen, en, bij feestelijkheden, puntschoenen. De vrouwen kleedden zich met een laag om den hals uitgesneden jak, waaraan de rok met koperen haakjes was vastgehecht, en eene muts (mopmus) die op de schouders nederhing, en waarover zij, buitenshuis een’ zwarten kaper zetteden, welke laatste thans niet meer in gebruik is.

Later werd de kleeding ook gebezigd als een zigtbaar kenteeken van de meerdere of mindere fortuin dezer Eilanders. De rijksten waren toen kenbaar aan eene, aan de voorzijde opgetoomde, en aan den achterkant, nederhangende slipmuts, die aan het boveneinde in eene punt uitliep, waaraan eenen, op den rug nederhangenden staart, verbonden was. De rok sloot naauw om het lijf, en werd met eene rij knoopen van den hals tot onder toe gesloten. Voorts een korte, doch ruime broek, boven de knieën vastgehecht, benevens hoozen en puntschoenen.

Der vrouwen kleeding was niet onbevallig, doch min of meer stijf. Een geribt mutsje, dat niet al het hoofdhaar bedekte, eene japon, die van boven over de borst, en van onderen opensloeg, op dat het fraai gestikte keurslijf en den sierlijk gewerkten rok, te meer zouden uitkomen, benevens gekleurde kousen en schoenen, welke laatsten door kruisbanden werden vastgebonden, maakten toen het gewaad eener niet onbemiddelde burgervrouw uit.

In de 14de eeuw hadden de landlieden eene zeer eenvoudige kleeding, bestaande in een kort naauwsluitend buis, een’ langen broek, en schoenen, wier punten bijna een half voet lang waren. De korte broek bleef evenwel ook nu nog in gebruik, terwijl het hoofdhaar kort afgesneden en het hoofd met een klein rond hoedje bedekt werd.

Van tijd tot tijd, toen de beschaving meer veld won, en, als een natuurlijk gevolg, meer behoeften kweekte, maakte de kleederdragt der onderscheidene standen, daartoe gedwongen door de Mode, telkens weder plaats voor andere, (niet altijd smaakvoller) kleedij, tot dat eindelijk die der 16de eeuw, hier lang heeft stand gehouden; doch eindelijk op hare beurt, door de latere en hedendaagsche is verdrongen.—Een boer uit dien tijd, droeg een’ gekleurd’ hemdrok of wambuis, daarover een overrok, bovenjak genoemd; eenen ruimen flodderbroek, een rond, laag gebold hoedje met breeden rand, en puntschoenen met striklinten of gespen.—De boerin, wier hoofd vroeger met een linnen mutsje was bedekt, droeg toen een kapsel, versierd met een’ zilveren of gouden haarnaald. Het jakje, vroeger algemeen van sarge, bestond nu uit zijde of laken, en prijkte met eenen leggenden of ook staanden, gepluisden kraag1, die tot vóór op de borst nederhing. De scharlaken bovenrok, was omboord met gewerkt geel zijden passement. De kousen waren gekleurd; meestal bruin of blaauw gespikkeld, en de schoenen, even als die der mannen met striklinten of gespen vastgemaakt.—Voorts zij hierbij aangemerkt, dat de kleur der linten, of die der andere kleedingstukken, het leggen der strikken, enz. de onderkenningsteekenen waren, tusschen gehuwden, ongehuwden en weduwen.

Bij feesten, of op hoogtijden, bestond de kleeding, zoo van mannen als vrouwen, uit zwarte stoffen.

Maaltijden, die dikwerf den naam van braspartijen verdienden, waren aan de orde van den dag. Bij elk feest werd ruim gegeten en gedronken.—Gedurende, en ook na deze maaltijden, dronk men Haarlemsch, Delftsch of Hamburger bier, alsook onderscheidene wijnsoorten, voorts hippocras en de thans weinig of niet bekende malvezij, azoijs, enz. Inzonderheid werden de kruiden-wijnen, na den maaltijd, warm gedronken, ter bevordering eener goede spijsvertering, welke dan ook hoogst noodig schijnt te zijn geweest.

In de 16de eeuw vorderde het gebruik, dat men bij den maaltijd drie plegtige bekers dronk: één, ter eere Gods, één, ter eere van de H. Maagd, en één, ter eere van de H. Engelen; welk drietal bekers, het klaverblad werd genoemd, en waarvan het rijmpje: „Drie glaasjes zijn drie teugen”, enz. zijn oorsprong ontleende. Ook moest hij, die eenen beker zou ledigen, tot zijnen tafelbuur zeggen: „Wacht heil”! waarop deze dan antwoordde: „Drink heil”! terwijl men, vooral bij zeer plegtige maaltijden, niet vergeten zoude om de Schaal van Nivelle te drinken.

De voornaamste gelegenheden, waarbij men die maaltijden hield, waren vooral de huwlijksplegtigheden, waarbij de wederzijdsche verwanten en vrienden mildelijk werden onthaald. Daarbij werden raadsels opgegeven, en vermaakte men zich met onderscheidene spelen, terwijl zang en dans vooral niet werden vergeten, evenmin als het uitbrengen van toasten, die meestal betrekking hadden op eenen gelukkigen en vruchtbaren echt. De huwelijken werden meestal door een’ Geestelijke voltrokken. Deze nam van de hand des Bruidegoms een’ ring, dien hij aan den voorsten vinger van de regterhand der Bruid stak, waarbij de Bruidegom zeide: „Met dezen ring geve ik u mijn’ mannelijken trouw”. Daarna nam de Geestelijke ook van de hand der Bruid een’ ring, dien hij aan den voorsten vinger van de regterhand des Bruidegoms stak, waarbij de Bruid zeide: „Ik beloof u mijn’ trouw te zullen onderhouden”. Zulk een paar, werd een door den heiligen echt vereenigd paar genoemd, ter onderscheiding van zulke huwlijksvereeniging, welke, zonder kerkelijk of wereldlijk gezag gesloten zijnde, een getrouwd paar werd geheeten. Wanneer eene vrouw moeder was geworden, vierde men deze gebeurtenis almede met eenen maaltijd, waarop al de bevriende geburen werden genoodigd; terwijl zulks mede plaats vond, als het kind gedoopt (gekerstend) was, en de kraamvrouw haren kerkgang deed. De maaltijd, welke bij die gelegenheid gehouden werd, heette het Begankenismaal. De doopplegtigheid werd, vooral door de meer gegoeden, met veel statie gevierd. De doopeling werd (zoo als dit nog op het eiland Marken plaats heeft) met linnen windsels omwonden, en, naar gelang van het meerder of minder vermogen der ouders, met een fraai en kostbaar doopkleed (sprei) bedekt, naar de kerk gedragen. Vooruit gingen eenige bloedverwanten, elk met eene waskaars in de hand; deze werden gevolgd door een persoon, die eenen overdekten en met zout gevulden schotel droeg; dan volgde de vader en de doopheffer. Na afloop der plegtigheid keerde men in dezelfde orde weder huiswaarts, waar een wel voorziene disch hen wachtte. Het overige van den dag werd in gulle vrolijkheid gesleten.

Ook bij begrafenissen hield men maaltijden; doch in stede van dáár elkander op eene voegzame wijze bezig te houden met de overdenking van de broosheid des levens, gaf men zich bij zulke gelegenheden, die toch uit haren aard treurig zijn, over aan buitensporige overdaad. Van alle oude gewoonten zijn de zoogenaamde doodmalen het langst in gebruik gebleven. De dragers werden veelal in eene herberg onthaald, waarbij het doorgaans vrij ruw toeging.

Bij de begrafenissen plaatste men, na de ter aarde bestelling van het lijk, een houten kruis op het graf, dat daarop gedurende twee dagen staan bleef. De kerken dienden vrij algemeen tot begraafplaatsen, terwijl de graven doorgaans of overwulfd of met een zerk overdekt werden, waarop de naam en, bij aanzienlijken, ook het familiewapen of eigendomsmerk werd gebeiteld. Na de Hervorming zijn deze gebruiken grootendeels verdwenen.2 Nog na de 16de eeuw, bestond hier de gewoonte om den eersten Meidag op eene vrolijke wijze te vieren. Men onthaalde elkander op eene soort van kruidenwijn, Meidrank geheeten; er werden Meiboomen geplant, om welken men hand aan hand danste en onderscheidene liederen zong: in één woord, de wederkomst der Lente, baarde allerwege de luidruchtigste vreugd.

Ook bekleedde oudtijds het beulingmaal eene der voornaamste plaatsen onder de eigenaardige gewoonten der Texelaars. Ziehier, wat een ooggetuige daarvan verhaalde.

„Eens was ik met mijn vriend en verder gezelschap door den boer van het landgoed te beuling verzocht, hij ontving ons, zittende in een lederen armstoel. Hij stond niet op, maar zijn stoel verschuivende, zeide hij aan de dames: „[ontbrekende tekst] ik zou je deuze stoel wel geven, maar mij dunkt, hij staat mij het best.” „Wij zetten ons daarop aan tafel. Het eerste geregt bestond in een opgehoopten schotel met boterhammen zonder meer; het tweede, in eenige kluiven spek, en daarover drie gebraden eendvogels. Dit werd gevolgd door een schotel met gort, gemengd met stroop, varkensbloed en wat reuzel, aan dobbelsteentjes gesneden en in de pan gebakken, en daarover een schotel van dezelfde eetwaren in darmen gestopt, en op den rooster gebraden; hierop volgde een ontzaggelijke bak met rijstenbrij, die, zoo als verhaald werd, des ochtends ten vier uren reeds van het vuur genomen was, en vervolgens in het hooi had staan meuken. Het nageregt was wederom boterhammen, die, gemaakt van platte beschuit en tarwebrood, dominéesstukken genoemd werden.—Zoodanige maaltijd wordt bij deze Eilanders voor eene vrolijke uitspanning gehouden, doch na den eten vertelde de boer mij, met aandoening, dat men nu niet meer zoo vrolijk was, als in voorleden tijden; ja, Mijnheer! zeide onze gastheer, dan aten wij ons zoo rond, dat wij in het veld op den rug moesten gaan leggen, met den mond open, om adem te scheppen, zoo als mij dikmaals gebeurd is.”

(Men bedenke dat de tijd, waarvan die boer sprak, nu reeds meer dan twee eeuwen verleden is.)

Deze beuling-partijen bestaan hier nog, hoezeer het vieren derzelven niet buitensporig (zoo als van ouds) genoemd kan worden. Zij bestaan alleen in het opdisschen van de zoogenaamde Beuling-Gort, zamengesteld uit gort, stroop, rozijnen, kluitjes varkens-reuzel en vet, met een weinig varkensbloed en nagelgruis er in, en voorts van de beuling, welke uit die zelfde deelen zamengesteld, in schoongemaakte varkensdarmen gestopt is, en die, na gekookt en in stroo gemeukt te zijn, wordt opgedischt.—Ook in dit opzigt heeft de meerdere beschaving der Texelaren het hare toegebragt, om het belagchelijke van de van ouds bestaan hebbende beulingsfeesten, welke in zwelgerijen ontaardden, weg te nemen.

Ook was men gewoon elkander op Vastenavond feestelijk te onthalen, en den Vastenavondstijd in gulle vreugd te slijten. Dat gebruik houdt nog steeds, ofschoon op eene andere wijze, stand, inzonderheid bij de R. K.

Bij het bouwen van kerken en andere Godshuizen, werden onderscheidene geschenken gegeven, hoofdzakelijk bestaande in gezaagde eikenhouten planken, wagenschotten geheeten, of ook wel in geschilderde glazen of koperen kerksieraden, als kroonen, zandloopers, enz.—Geschilderde glazen, waren vooral voorname geschenken, die door zoogenaamde glasmalen gevolgd werden.

Tijdens de 14de eeuw werd hier, gelijk elders, eene belasting geheven welke den naam van Schot droeg. Deze benaming bleef op Texel lang in gebruik. Het Schot was eene belasting op inkomsten, bezittingen en personen, welke bij hoofdelijken omslag geheven werd door de Schepenen en Raden, die bij meerderheid van stemmen der Schotgevende of Schotdragende burgers werden gekozen, en die men Schotgaarders en Schotzetters heette; terwijl de omslag zelf, Schotzetting werd genoemd.—In deze Schotzetting werden om de drie, vijf of zeven jaren, de noodige veranderingen gebragt, terwijl de inning derzelve niet zelden van ergelijke tooneelen verzeld ging. Geestelijken en onvermogenden waren er van verschoond.3

De woningen op Texel bestonden vóór de 14de eeuw meestal uit twee vertrekken, waarvan het eene deels tot woning, deels tot stalling diende; terwijl het andere tot bergplaats voor hooi en anderen voorraad strekte. Later werden zij derwijze veranderd, dat de stalling voor het vee afgeschoten werd van dat gedeelte der huizing, dat nu uit twee of meer woonvertrekken bestond. Voorts werd door het aanbrengen van vensters in de voorgevels, het uitzigt op de straat bezorgd, iets, waardoor de woningen niet alleen een fraaijer aanzien verkregen, maar ook luchtiger, vrolijker en gezonder werden.—Het groote voorhuis der 14de eeuw, werd nu vervangen door zijkamers of zoogenaamde kantoortjes, waaruit men het uitzigt op de straat had. De houten gebouwen werden sedert de 16de eeuw meest door steenen huizen vervangen, en ook in het huisraad begon toen meer smaak te heerschen. Porcelein en vooral Delftsch aardewerk; smaakvolle gebeeldhouwde kasten, tafels, kisten en andere gemakken, benevens net gewerkt geweven behangsel, tapijten, enz. leverden allen als om strijd de bewijzen op, dat de smaak door toenemende beschaving en welvaart, meer gekuischt en veredeld werd.

Ook ten opzigte der soorten van spijzen, en de wijze van bereiding, oefende de loop der tijden zijnen beschavenden invloed uit. Eenige weinige soorten van groenten en vruchten, rund- en varkensvleesch, benevens een dronk bier maakten in de 8e eeuw de gewone spijzen der morgen-, middag- en avondmalen uit. Later, in de 9de eeuw, leerde men ook den Rijn- en Moezelwijn kennen, terwijl men sedert de 11de en 12de eeuw veelvuldig gebruik maakte van onderscheidene bieren. De 13de en 14de eeuw, kenteekende zich ook door eene vermeerdering van spijzen. Wild en tam gevogelte, hazen, konijnen en hertenvleesch, walvisch- en robbenspek, en vooral walvischtong, behoorden tot de lekkernijen; alle hier bekende zee- en riviervisch, bevers en ander klein wild, werden met onderscheidene groenten en eijeren, algemeen gebruikt.—De zoogenaamde delices besloegen, vooral sedert de 15de eeuw, eene voorname plaats op ieder gastmaal. Buiten- en Inlandsche aard- en boomvruchten, benevens onderscheidene soorten van gebak, werden toen reeds bij het dessert rondgediend, zoodat een en ander de duidelijkste sporen oplevert, dat ook in dit opzigt, de meerdere beschaving in den lande, aan de onderscheidene gebruiken en gewoonten der Texelaars den weg van ontwikkeling en vooruitgang aanwees.4


1 Zoodanige kraag, behoort thans nog tot het zoogenaamde Marker-Trouwpak.—

2 Ook op het eiland Marken bestond deze gewoonte; als een overblijfsel daarvan kunnen beschouwd worden, de eigendomsmerken die de Markers nog heden op hunne klompen en op andere zaken snijden.—Ook van de voorschreven kleederdragt vindt men op dit eiland nog vele overblijfselen.

3 Aangaande het zoogenaamde Abtskoorn, deelde men ons het volgende mede:

Het Abtskoorn was eene belasting op sommige huizen aan den Burg, in oude tijden geheven door de geestelijkheid, in welke tijden door de Eigenaars dier huizen aan de Geestelijkheid jaarlijks moesten leveren 1, 2, 3, à 4 Loopen koren, naderhand werd voor ieder Loopen koren ƒ 1.— betaald, en was dit privilegie in het bezit van de Heeren Van Brienen, welke Heeren echter sedert 25 à 30 jaren, dit regt, hetwelk nu vervallen is, niet meer hebben gevorderd.

4 Men zie ook, ten opzigte van Texel’s vroegeren toestand, zoo als die bepaaldelijk was bij den aanvang der 18de eeuw: Reizen door een gedeelte van Europa, Klein-Azië, enz. gedaan door Johan Ægidius van Egmond van der Nijenburg en Johannes Heijman, uitgegeven door Johannes Wilhelmus Heijman, te Leiden bij Abraham Kallewier, 1757.—Welk werk mij goedgunstig ten gebruike werd afgestaan door mijnen vriend, den Heer J. Visser, te Eiland Marken.