Een der merkwaardigste plekjes van onzen vaderlandschen bodem is het kleine eilandje Urk. Gelegen midden in de Zuiderzee, heeft het sedert eeuwen te kampen gehad met de woede der golven en stormen, waaraan het meer dan eenig ander der in de Zuiderzee gelegen eilanden is blootgesteld, en, alhoewel het in dien strijd geenszins ongedeerd is gebleven, zoo ziet de reiziger, die van de Lemmer naar Amsterdam de zee oversteekt, het zich nog altijd als een groene heuvel hoog boven het watervlak verheffen, en de schipper vindt ligtelijk geloof, als deze hem verzekert, dat het eene rots is.
Inderdaad is die meening onder hen, die de Zuiderzee bevaren, algemeen verbreid, en zelfs zoude, volgens eenen schrijver1, die, door de nabijheid zijner woonplaats, beter dan menig ander in de gelegenheid was, om met de ware gesteldheid bekend te zijn, de bodem van Urk uit graniet bestaan, terwijl een ander2, die het eiland zelf bezocht, uitdrukkelijk zegt, dat de bodem van het westelijk of hooger gelegen gedeelte rotsachtig is.
Echter was reeds Wagenaar de waarheid meer nabij geweest, toen hij, in zijne beschrijving van Urk3, zeide, dat het westelijkste gedeelte hoog zand is, en dat daarin vele zware steenen worden gevonden. Nog juister had zich een onbekend schrijver4 uitgedrukt, zeggende: „de grond is steenachtig en laat met reden vermoeden, dat dezelve gevormd is uit granietblokken, wier tusschenruimten zijn aangevuld met aarde.” Wanneer hij echter hierop laat volgen: „overal is het strand bezaaid met grootere en kleinere steenen, waarvan sommige met goud- en zilverdeeltjes bezwangerd, echter niet rijk genoeg om ze daaruit te halen,” dan ontstaat er eenige gegronde twijfel aangaande zijne geognostische en mineralogische kennis, en rijst het vermoeden, of hij ook de glinsterende goudgele en zilverwitte glimmerblaadjes der granieten en glimmerschiefers daarvoor heeft aangezien.
Intusschen mogt men, uit het door hem en Wagenaar medegedeelde, reeds met meer dan waarschijnlijkheid, het besluit afleiden, dat een deel van Urk tot de diluviale formatie behoort, gelijk dan ook door Dr. Acker Stratingh5 gedaan is, terwijl de gerolde blokken van graniet en andere plutonische gesteenten, welke in die formatie zoo veelvuldig worden aangetroffen, door hun groot aantal aanleiding hebben gegeven tot het zoo algemeen verspreide volksgeloof, dat Urk eene rots is.
Doch er was nog een ander punt, hetwelk opheldering vorderde. Reeds lang namelijk was het bekend, dat er op Urk een aantal zoetwaterputten gevonden worden. Het bestaan van zoetwaterbronnen op een zoo klein eilandje, en derhalve in de onmiddelijke nabijheid der zee, is op zich zelf reeds merkwaardig, doch hier komt bij, dat men vindt opgeteekend, dat het water in eene dier putten, te gelijk met het tij der zee, rijst en daalt, en zelfs dat het daarin hooger of lager zoude staan, al naar gelang van den waterstand op de rivier de IJssel bij Kampen6.
Hoe gebrekkig na ook deze verschillende berigten waren, zoowel aangaande den bodem van het eiland als aangaande de daarop voorkomende zoetwaterputten, zoo mogt men er toch met eenigen grond uit afleiden, dat een nader onderzoek niet onvruchtbaar zoude wezen, en dat Scheltema7 met regt reeds voor vele jaren geklaagd had: „het eiland Urk is te weinig door natuurkundigen bezocht.”
Toen ik in de lente van het vorige jaar eenigen tijd te Enkhuizen doorbragt, besloot ik derhalve een bezoek op dit eiland af te leggen, ten einde in de eerste plaats zijne geognostische gesteldheid nader te leeren kennen, doch tevens van die gelegenheid gebruik te maken, om zoowel door het verzamelen van voorwerpen, als door het inwinnen van berigten bij de inwoners, eenige bekendheid te erlangen aangaande de planten en dieren, welke dit kleine plekje gronds bewonen.
Den 29sten Maart begaf ik mij, voorzien van de noodige werktuigen tot meten en boren, daarheen, in gezelschap van drie jongelieden, door wier welwillende hulp het mij mogelijk was in een kort tijdsbestek veel af te doen, want reeds den 31sten daaraanvolgende keerden wij van daar terug.
Gedurende dit tweedaagsch verblijf, gelukte het mij reeds een tamelijk goed inzigt te verkrijgen van de geognostische gesteldheid des bodems van het eiland. Intusschen bleven er nog eenige vragen onbeantwoord, eensdeels uithoofde van het korte tijdsbestek, anderdeels omdat de gebezigde grondboor slechts eene lengte van 3,5 el had, en bovendien, na eenige boringen in den zeer vasten en harden leemgrond, geheel onbruikbaar was geworden8. Welkom was mij derhalve mijne onderwijl gevolgde benoeming tot correspondent der Hoofdcommissie voor de Geologische kaart van Nederland, waarin ik eene aanleiding vond, om aan die Commissie het voorstel te doen van eenige gelden beschikbaar te stellen, om op Urk nog op sommige door mij aangewezen punten gravingen te doen bewerkstelligen, in welk voorstel door de Commissie dadelijk met bereidwilligheid werd toegestemd.
Deze gravingen werden verrigt onder de leiding—en ten deele ook in de tegenwoordigheid—van mijnen vriend den heer P. Backer de Wit, Apotheker te Enkhuizen, en verders onder het toezigt van den op Urk woonachtigen vuurtorenwachter A. Schraal, die zich tevens belastte met het verzamelen van monsters der gronden, telkens met verschil van O,1 el in diepte, en bovendien van alle grootere en kleinere steenen en andere voorwerpen, die bij de gravingen gevonden mogten worden.
Ten einde den graad van juistheid der later mede te deelen uitkomsten te kunnen beoordeelen, volgt hier eene optelling van de plaatsen, waar geboord of gegraven is, met vermelding van de bereikte diepte onder den beganen grond. Deze plaatsen zijn door letters aangeduid op de bijgevoegde kaart.
Eerste boring (a) tot op 1,4 el diepte.
Tweede boring (b) tot op 1,5 el diepte.
Deze twee boringen op het hoogste punt (9,2 el boven A. P.) des eilands, achter de kerk der Hervormden, en op slechts 10 ellen onderlingen afstand, moesten beide gestaakt worden, omdat de boor op eenen granietsteen stuitte.
Derde boring (c) tot op 3 ellen diepte, aan de westelijke helling van het hooger liggend gedeelte, waar de bodem 3,5 el boven A. P. is gelegen.
Vierde boring (d) tot op 3,5 ellen, in het lager liggend gedeelte, nabij de grens van het hooger gelegene. De hoogte des bodems boven A. P. bedraagt aldaar 0,7 el.
De gravingen zijn alle, slechts met uitzondering van die op het punt D, voortgezet totdat het binnendringen van het welwater de verdere graving verhinderde, daar op Urk geene middelen voorhanden waren, om dit water te lozen.
Bij de eerste en diepste graving (A), aan de westelijke helling van het hooger gedeelte, 4,3 el boven A. P. gelegen, was dit het geval, toen men tot eene diepte van 5,8 el was doorgedrongen.
Bij de tweede (B), op het driehoekig aangespoeld stuk gronds, tusschen den vuurtoren en de haven, bereikte men eene diepte van 1,9 el.
De derde (C), vierde (D) en vijfde (E) graving, alle in het lagere gedeelte des eilands, drongen tot eene diepte van 1 el en 1,1 el, terwijl men eindelijk op het zesde of laatste punt (F), op den zoogenaamden Staart, waar de hoogte boven A. P. niet meer dan 0,2 el bedraagt, de graving reeds op 0,3 el staken moest.
Wat de flora van het eiland betreft, zoo waren natuurlijk op het tijdstip, waarop ik het eiland bezocht, nog slechts weinige planten voorhanden. In deze leemte is echter later door den heer P. Backer de Wit voorzien, die zich op mijn verzoek, met dit doel, driemalen naar Urk heeft begeven, namelijk op den 24sten Mei, den 14den Junij en den 26sten Julij, en mij de door hem verzamelde meerendeels bloeijende planten heeft overgezonden.
De berigten aangaande de dierlijke bevolking zijn door mij, voor het grootste deel, ontleend aan de mededeelingen der bewoners. Alleenlijk de optelling van de aan het strand gevonden schelpen van Mollusken berust op eigene bevinding.
De opgaven van het getal inwoners sedert de invoering der registers van den burgerlijken stand ben ik aan den Burgemeester den heer P. Nentjes verschuldigd, even als verscheidene andere mededeelingen, die voor de kennis van het eiland van gewigt zijn.
1 Van Wijk Roelandszoon, Aardrijkskundig Woordenboek, in voce.
2 A. J. van der Aa, in de Vriend des Vaderlands, 1835, IX. bl. 720.
3 Zie zijne Beschrijving van Amsterdam, Dl. III. bl. 84, en De Tegenwoordige Staat der Nederlanden, Dl. VIII. bl. 628.
4 In een artikel in het Nederlandsch Magazijn, 1834, bl. 218, geteekend G. V. S. Vermoedelijk dezelfde, aan wien men ook het artikel over Urk in van der Aa's Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, Dl. XI, bl. 396, verschuldigd is. De daar gebezigde bewoordingen zijn althans dezelfde.
5 Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderlands, 1847, Dl. I. bl. 239, noot.
6 Het oudste berigt dienaangaande vond ik in de kopij van eenen brief van N. Witsen aan G. Cuper, gedagteekend 18 Augustus 1709 en voorkomende onder de nagelaten papieren van wijlen Mr. Jac. Scheltema, thans berustende bij zijnen neef den Hoogleeraar C. A. Bergsma. Witsen schreef daarin: „Men bespeurt mede, dat bij zeer laag water omtrent het eiland Wieringen zoet water uit den grond ontspringt, hetgeen gewisselijk uit de onderaardsche kanalen komt. Ik meen ook aan UEd. gezegd te hebben, dat wij een put op Urk hebben, die met den IJssel rijst en daalt.” Wagenaar (Beschrijving v. Amsterdam, Dl. III. bl. 84,) vermeldt hetzelfde, er echter bijvoegende, dat hem verzekerd is, dat het water dezer put regenwater is, hetwelk van de hoogte afspoelt, en toe- of afneemt naar dat er veel of weinig regen valt. Van der Aa (l. c. p. 725) maakt gewag zoowel van eene rijzing en daling van het water in de putten met het tij der zee, als van eene beantwoordende aan den waterstand in den IJssel. Alleen het laatste wordt vermeld door den ongenoemden schrijver in het Nederlandsch Magazijn. De gronden, waarop deze meeningen steunen, worden door geen hunner aangegeven.
7 Geschied- en Letterkundig Mengelwerk. 1834, D. VI. St. 2. bl. 97.
8 De gebezigde boor was vervaardigd door W. Jenken te Utrecht, en voorzien, in plaats van een' lepel, van eene ter zijde opene buis, eindigende in eene kegelvormig toeloopende schroef met ruime windingen. Deze soort van grondboren heeft het voordeel, dat de spiraalwindingen der schroef de in de buis opgeboorde grond als eene klep afsluiten en bij het ophalen tegenhouden.
Onder de in de Zuiderzee gelegen eilanden is Urk datgene, hetwelk op den grootsten afstand van den vasten wal ligt. De afstand tot aan Enkhuizen bedraagt 20280 ellen, tot aan de Lemmer 20340 ellen, tot aan het vuur bij Kuinre 18840 ellen, en tot aan het Kampereiland en den mond des IJssels 17320 ellen. Het meest in de nabuurschap liggende Schokland is er 11400 ellen van verwijderd1.
Het eiland heeft eenen langwerpigen vorm, liggende de grootste afmeting nagenoeg juist in de rigting van het Zuid-Westen naar het Noord-Oosten. In deze rigting gemeten, bedraagt de lengte van het eiland,—met uitzondering van het smalle aanhangsel aan de Noord-Oostpunt, waaraan men den naam van de Staart heeft gegeven,—1800 ellen, terwijl de breedte, dat is de grootste afmeting van het Zuid-Oosten naar het Noord-Westen, 680 ellen is, en de geheele omtrek omstreeks 4230 ellen, dat is ongeveer drie vierde uur gaans. De oppervlakte bedraagt, volgens de kadastrale opmeting, 80 bunders 5 □ roeden en 62 □ ellen, waaronder 74 bunders 36 □ roeden en 44 □ ellen belastbaar land. Hieronder is niet begrepen het later aangespoelde stuk gronds tusschen den vuurtoren en de haven, waarvan de oppervlakte 67 □ roeden en 50 □ ellen is, zoodat dan de geheele oppervlakte 80 bunders 73 □ roeden en 12 □ ellen beloopt.
Alleen met uitzondering van de op de kaart aangewezen punten, namelijk aan de Zuidzijde nabij de haven en langs een gedeelte der Oostkust, is het geheele eiland door paalwerk en eene steenen glooijing omgeven, ten einde het tegen het geweld der golven te beschermen.
Het bestaat uit twee verschillende gedeelten, waarvan het eene of kleinere, het zuidwestelijk deel uitmakend (op de kaart door wit aangeduid) zich hoog boven de zee verheft, terwijl het andere of grootere (op de kaart licht geharceerd) daarentegen zeer vlak en laag is.
Het hoog liggend gedeelte maakt ongeveer een vijfde van het geheel uit. De Westkust is het hoogst, en van daar daalt de bodem met eene zachte helling noordoostelijk naar het lager liggend gedeelte, en zuidoostelijk naar de havenzijde. Het hoogste punt (a) der westkust ligt juist achter de Kerk op niet meer dan 45 ellen van de zee verwijderd. De hoogte van dit punt boven A. P. bedraagt 9,2 ellen. Bij den vuurtoren (v) op de zuidwestpunt, 150 ellen van a af gelegen, is die hoogte 7,7 ellen. Aan de zee- of westzijde loopt de bodem langs dit geheele gedeelte der kust aanvankelijk met eene zeer steile helling af, vervolgens zachter glooijend tot aan het paalwerk, en zoo onder de steenen glooijing door naar de zee.
Tusschen het havenhoofd en de punt, waarop de vuurtoren staat, is een driehoekig stuk gronds (B) gelegen. Dit behoort oorspronkelijk niet tot dit hoog liggend gedeelte, maar heeft zich eerst in de laatste jaren gevormd, sedert den eersten aanleg der haven in het jaar 1819, uit het daar aangespoelde zeezand.
Het laag liggende gedeelte des eilands, ongeveer vier vijfde van het geheel bedragende, onderscheidt zich dadelijk van het zoo even beschrevene, door dat het nagenoeg geheel vlak is, en zich over het algemeen slechts weinig boven de oppervlakte der zee verheft. Het eindigt aan de Noord-Oostpunt in den reeds genoemden Staart, zijnde eene lange, smalle, eenigzins gebogen strook of zandplaat, welker oppervlakte niet meer dan 0,1 tot 0,2 el boven A. P. ligt, en de bovenzeesche voortzetting is van het rif, dat het geheele eiland omgeeft.
Door de geheele lengte van het laag liggend gedeelte tot aan het begin van den Staart, breidt zich een zandrug uit, nagenoeg evenwijdig met de Noord-Westkust loopend, op eenen afstand van 35 tot 40 ellen van de zee. De breedte dezer rug verschilt van 15 tot 25 ellen, terwijl zij, ter plaatse, waar zij het hoogst is, dat is in de nabijheid van het hoog liggend gedeelte des eilands, zich tot 2,2 el boven A. P. verheft. Volgens mededeeling van den Burgemeester, die thans eenen ouderdom van 70 jaren heeft bereikt, is deze zandrug haar ontstaan verschuldigd aan de Noord-Wester stormen op den 14den en 15den November 1775 en den 20sten November 1776, toen het eiland van die zijde nog slechts gebrekkig tegen de zee beschut was.
Aan weerszijde loopt deze rug glooijend af, en wordt dus de bodem allengs vlakker en lager, het meest aan de Oostzijde, alwaar het middengedeelte tot voor korten tijd een moeras was, dat slechts in den allerlaatsten tijd, door het graven van een afwateringskanaal en de werking van een' kleinen pompmolen, in droog land is herschapen. In 1842 is met deze droogmaking een aanvang gemaakt, en in 1851 heeft men er den eersten hooioogst ingezameld. Vóór 60 jaren was die kom nog diep genoeg om er paling in te visschen, en in 1789 besloeg dit moerassig gedeelte, blijkens eene toen door den Stadslandmeter J. Schilling vervaardigde kaart, waarop het onder den naam van verdronken land staat afgeteekend, eene oppervlakte van 15 morgen en 554 □ roeden Amsterdamsche maat, of 12 bunders 39 □ roeden en 80 □ ellen, derhalve een zesde gedeelte van het geheele eiland.
1 Deze afstanden zijn gemeten op de fraaije en uitvoerige kaart der Zuiderzee, vervaardigd door den Luitenant ter Zee eerste Klasse A. van Rhijn, 1848 en 1849.