DE PLANTENGROEI.

Dat op een zoo klein eilandje, midden in zee en van alle zijden open en bloot liggend, de plantengroei slechts weinig ontwikkeld is, kan niemand verwonderen. Bepaaldelijk geldt zulks van de overblijvende planten, boomen en heesters, die er slechts spaarzaam worden aangetroffen en wel alleen op het hoog liggend gedeelte, te midden der huizen, waar zij nog eenige beschutting tegen den wind vinden. Daar ontmoet men voor de woningen hier en daar eenige lindeboomen, wilgen en populieren, wier toppen echter zelden boven de daken uitsteken. In een paar ommuurde tuintjes zijn ook enkele appel- en peerenboomen, en zelfs een wijnstok. Doch alle deze gewassen dragen de blijken van in hunnen groei door den wind belemmerd te zijn. In een dier tuintjes worden ook aardappelen en eenige moesgroenten gekweekt, ofschoon met weinig gevolg, zoodat dan ook in de behoeften der eilanders aan voedselgewassen door invoer van elders moet worden voorzien.

De geheele overige bodem is met gras begroeid. Het hoog liggend gedeelte wordt als algemeene weide gebezigd, terwijl het laag liggend alleen hooi levert. Tusschen het gras staan een aantal andere jaarplanten verspreid, welker soorten echter nog verschillen naar gelang van de groeiplaats. Men kan vier zulke groeiplaatsen onderscheiden, welke in de volgende lijst bij verkorting zijn aangeduid, namelijk:

1o. het hoog liggend of diluviale gedeelte;

2o. het nieuw aangespoelde stuk gronds nabij de haven;

3o. het alluviale gedeelte, met uitzondering van:

4o. dat gedeelte, hetwelk het laagst gelegen is, en tot voor korten tijd een moeras was.

Het getal der op Urk in het wild groeijend gevonden planten, en welke veilig beschouwd kunnen worden, als, met zeer weinige uitzonderingen, de geheele phanerogame flora uitmakende, bedraagt 86. Daarvan hebben twee, wegens gemis der bevruchtings-organen, niet kunnen bepaald worden. De overige zijn:

Gramineae Alopecurus bulbosus Lin., dil., alluv.
* Agrostis maritima Lam., alluv.
Phalaris arenaria Smith, dil.
Phragmites communis Trin., moeras.
Cynosurus cristatus Lin., dil.
Poa distans Willd, alluv.
*
Poa
,,
maritima Smith, alluv.
Poa
,,
procumbens Curt., dil.
Bromus pratensis Smith, dil.
Holcus mollis Lin., dil.
Schoenodorus liliaceus Dumort., dil.
Festuca duriuscula Lin., dil., alluv.
Festuca
,,
bromoides Smith, alluv.
Lolium perenne Lin., alluv.
Lolium
,,
arvense Smith, dif.
Hordeum marinum Lin., dil.
* Rottboellia incurvata Lin., dil.
Cyperaceae * Scirpus maritimus Lin., moeras.
Carex flava Lin., moeras.
Carex
,,
stellulata Schreber, moeras.
Alismaceae * Triglochin maritimum Lin., alluv., moeras.
Juncaceae Juncus squarrosus Lin., alluv.
Juncus
,,
trifidus Lin., alluv.
Najadeae * Ruppia rostellata Koch, moeras.
Urticaceae Urtica dioica Lin., dil.
Urtica
,,
urens Lin., bij de haven.
Chenopodeae Atriplex laciniatum Lin., alluv.
Atriplex
,,
patulum Lin., alluv.
* Salsola kali Lin., alluv.
* Salicornia herbacea Lin., alluv.
* Chenopodium maritimum Lin., dil., alluv.
Polygoneae Polygonum aviculare Lin., alluv.
Polygonum
,,
minus Lin., alluv.
Rumex crispus Lin., dil.
Plantagineae Plantago major Lin., dil.
*
Plantago
,,
maritima Lin., dil., alluv.
Plantago
,,
Coronopus Lin., dil., alluv.
Plantago
,,
lanceolata Lin., dil.
Plantago
,,
media Lin., bij de haven.
Plumbagineae * Armeria maritima Willd., alluv.
Compositae * Aster Tripolium Lin., alluv., moeras.
Bellis perennis Lin., dil., bij de haven.
Achillea millefolium Lin., dil., alluv.
* Artemisia maritima Lin., alluv.
Senecio vulgaris Lin., dil., bij de haven.
Arctium tomentosum Hayne, bij de haven.
Onopordium acanthium Lin., alluv.
Carduus lanceolatus Lin., dil., alluv., bij de haven.
Leontodon taraxacum Lin., dil.
Aspargia hispida Hoffm., alluv., bij de haven.
Aspargia
,,
autumnalis Hoffm., dil.
Picris hieracoides Lin., alluv.
Sonchus arvensis Lin., dil.
Sonchus
,,
asper Oeder, alluv.
Sonchus
,,
oleraceus Lin., dil.
Rubiaceae Galium Aparine Lin., bij de haven.
Convolvulaceae Convolvulus arvensis Lin., dil.
Solaneae Solanum nigrum Lin., alluv.
Hyoscyamus niger Lin., alluv.
Primulaceae * Glaux maritima Lin., alluv.
Umbelliferae Eryngium maritimum Lin., alluv.
Crassulaceae Sedum acre Lin., bij de haven.
Ranunculaceae Ranunculus acris Lin., dil.
Ranunculus
,,
repens Lin., alluv.
Cruciferae Coronopus vulgaris Dec., dil., alluv.
Iberis nudicaulis Lin., alluv.
* Lepidium latifolium Lin., alluv.
Thlaspi Bursa pastoris Lin., dil., alluv.
Erysimum officinale Lin., alluv.
Sinapis nigra Lin., dil.
Caryophyllaceae * Arenaria marina Smith, dil., alluv., moeras.
* Honkenya peploides Ehrh., alluv.
Cerastium vulgatum Lin., dil.
Cerastium
,,
arvense Lin., dil.
Alsine media Lin., dil.
Malvaceae Malva rotundifolia Lin., dil.
Geraniaceae Erodium cicutarium Smith, dil., alluv.
Geranium molle Lin., bij de haven.
Rosaceae Potentilla anserina Lin., dil., alluv.
Papilionaceae Ononis spinosa Lin., dil.
Trifolium pratense Lin., dil.
Trifolium
,,
procumbens Lin., dil.
Trifolium
,,
repens Lin., alluv., bij de haven.
Lotus corniculatus Lin., alluv.

Uit deze lijst blijkt, dat het groote meerendeel der op Urk voorkomende phanerogame planten tot die soorten behoort, welke zeer algemeen door het gansche land verbreid zijn. Alleen die, welke met een * geteekend zijn, en ongeveer een vijfde van het geheel uitmaken, kunnen beschouwd worden als kenmerkend voor eenen in de nabijheid van de zee gelegen bodem. Onder de familien, die hier volstrekt niet vertegenwoordigd worden, verdienen genoemd te worden de Liliaceae, Euphorbiaceae, Labiatae, Boragineae, Ericaceae en Campanulaceae, terwijl van de Umbelliferae en van de Rosaceae van elk slechts eene soort voorkomen.

DE MENSCHELIJKE EN DIERLIJKE BEVOLKING.

De bevolking van Urk is inzonderheid daarom merkwaardig, dat het een zuiver nagenoeg geheel onvermengd ras is, dat gerekend kan worden van de oude bewoners van het eiland schier onveranderd af te stammen, want de Urkers trouwen bijna altijd met vrouwen van hun eiland, en slechts hoogst zelden gebeurt het, dat vreemdelingen zich aldaar nederzetten en hunne nakomelingen een blijvend bestanddeel der bevolking worden. Ook hebben allen die overeenkomst, welke hen als leden eener familie kenmerkt, dat is: zonder dat juist de een bepaald op den ander gelijkt, is er toch in den algemeenen ligchaamsbouw, in de gelaatstrekken, in de kleur van het haar, van de oogen enzv. iets, dat telkens aan hunne gemeenschappelijke afstamming herinnert.

Over het algemeen zijn het stevig gebouwde, wel gemaakte menschen, met breede schouders en heupen, blond haar en blaauwe oogen. Onder de vrouwen treft men er vele aan, die aanspraak op schoonheid kunnen maken. Vooral munten zij uit door blankheid van vel en door groote donker blaauwe oogen met lange wimpers en fraai gebogen wenkbraauwen, minder door hunnen overigen ligchaamsvorm, die iets plomps en mannelijks heeft. Jammer is het ook dat zeer vele inwoners nog de sporen dragen der pokkenepidemie, welke hier in 1844 met groote hevigheid geheerscht heeft, ten gevolge van de gebrekkige vaccinatie, waaraan de inwoners zich vroeger zelden wilden onderwerpen, totdat zij door eene droevige ervaring van hare nuttigheid overtuigd werden.

Daar men, zoo ergens in ons vaderland, dan op Urk hopen mag, de onvervalschte type aan te treffen van deszelfs vroegere bewoners, zoo is het van eenig belang het maaksel des schedels van de Urkers te vergelijken met dat der schedels van andere Nederlanders en van andere Europeanen. Ik heb gelegenheid gehad drie schedels, uit het kerkhof van Urk afkomstig, te onderzoeken. Twee daarvan was ik verschuldigd aan de welwillendheid van den hoogleeraar G. Vrolik. Blijkens den toestand der kiezen en tanden is de eene dezer schedels (No. 3 in de bijgevoegde tafel) die van een jong nog niet volwassen mensch, vermoedelijk van een vrouwelijk individu, terwijl de andere (No. 2) aan een volwassen persoon, waarschijnlijk van meer dan middelbaren leeftijd, heeft toebehoord. Beide schedels zijn voorzien van onderkaken, doch deze schijnen niet werkelijk daartoe te behooren, maar die van andere schedels te zijn, welke waarschijnlijk in de nabijheid lagen. De derde der door mij onderzochte schedels (No. 1) is afkomstig uit de vroegere verzameling van den hoogleeraar Sandifort, waaruit hij in der tijd voor het ontleedkundig museum der hoogeschool alhier is aangekocht. Het is blijkbaar de schedel van een bejaard persoon. De kroon- en pijlnaden zijn geheel vergroeid. De onderkaak ontbreekt.

Het zal ter naauwernood behoeven gezegd te worden, dat het getal der onderzochte schedels veel te gering is, om daaruit eenige zekere besluiten af te leiden aangaande den schedelvorm der Urkers in het algemeen, en bepaaldelijk omtrent de punten, waarin deze van die bij de overige Nederlanders en bij andere natiën afwijkt. Echter kunnen de in de tafel opgeteekende maten aan hen, die later eene ruimere gelegenheid tot voortzetting dezer vergelijking mogten hebben, eenige nuttige wenken opleveren.

De overige schedels, waarvan de maten mede in de tafel zijn opgeteekend, zijn allen van personen van middelbaren leeftijd, en berusten in het ontleedkundig museum alhier. Die van Nederlanders zijn nagenoeg allen afkomstig van lijken, welke vroeger ten behoeve der ontleedkundige lessen uit Amsterdam gezonden zijn. Het zoude dus voorzeker gewaagd zijn daarin de type te willen vinden van het maaksel des Nederlandschen schedels, daar nergens de bevolking meer gemengd is, dan in eene groote koopstad.

De laatste der schedels (No. 25) is voor de kennis van den schedelbouw der oude bewoners van ons vaderland van een bijzonder gewigt. Hij is namelijk te gelijk met een aantal andere schedels en menschenbeenderen gevonden in den Wageningschen berg, en door den heer Graaf Nahuys aan het ontleedkundig museum ten geschenke gegeven1. De beenderen van den eigenlijken schedel zijn, met uitzondering van een paar gaten, die er welligt door de spade bij het uitgraven in ontstaan zijn, nagenoeg geheel gaaf, doch de gelaatsbeenderen ontbreken.

De hieronder vermelde toestand, waarin deze menschelijke overblijfselen gevonden zijn, maken het meer dan waarschijnlijk, dat daar ter plaatse eene begraafplaats geweest is van eenen zeer ouden volksstam, en het zal zoo aanstonds blijken, dat dit door het maaksel des schedels bevestigd wordt

De genomen maten zijn de volgende:

1o. De omvang (o), gemeten om het voorhoofd over de tubera frontalia, de slapen, en zoo verders om het meest uitpuilende gedeelte van het achterhoofd.

2o. De welvingslijn (w), eene kromme lijn, gaande van den neuswortel over het voorhoofd en de kruin naar het achterhoofd en eindigende aan de protuberantia occipitalis.

3o. De lengte (l), van het midden van het voorhoofd tusschen de tubera frontalia tot aan het meest uitpuilende gedeelte van het achterhoofdsbeen.

4o. De hoogte (h), bepaald door den schedel, na verwijdering der onderkaak, op eene tafel te plaatsen, op het hoogste punt des schedels eene liniaal te leggen, waarvan de loodregte afstanden aan weerszijden tot aan de oppervlakte der tafel werden gemeten. De gemiddelde dezer beide maten gaf dan de hoogte aan.

5o. De voorhoofdsbreedte (v), gemeten aan het smalste gedeelte van het voorhoofdsbeen.

6o. De achterhoofdsbreedte (a), zijnde tevens de grootste breedte des schedels, of de afstand tusschen de meest uitpuilende plaatsen der beide wandbeenderen.

7o. De gelaatsbreedte (z), gemeten van het meest uitpuilende gedeelte van den eenen arcus zygomaticus naar dat des anderen.

8o. De grondvlaksbreedte (t), zijnde de afstand tusschen de buitenvlakten der tubercula articularia op de helft hunner hoogte.

9o. De afstand (p) tusschen de protuberantia occipitalis en de spina palatina.

De daaruit afgeleide verhoudingen zijn:

1o. De verhouding tusschen den omvang (o) en de welvingslijn (w). Deze verhouding drukt den graad van welving des schedels uit.

2o. De verhouding tusschen de hoogte (h) en de lengte (l).

3o. De verhouding tusschen de voorhoofdsbreedte (a) en de lengte (l).

4o. De verhouding tusschen de voorhoofdsbreedte (v) en de achterhoofdsbreedte (a).

5o. De verhouding tusschen den afstand van de beide tubercula articularia (t) en de lengte der loodregte daarop staande lijn (p), welke den afstand uitdrukt der protuberantia occipitalis tot aan de spina palatina.

6o. De verhouding tusschen de geringste voorhoofdsbreedte (v) en de grootste breedte van het gelaat (z).

Eindelijk is in de laatste kolom nog de grootte van den Camperschen gelaatshoek opgeteekend.

Zonder in alle de bijzonderheden te treden, waartoe deze metingen aanleiding geven, willen wij ons alleen bepalen bij eenige hoofdpunten der vergelijking van de Urksche schedels met de overigen. Die vergelijking is echter des te minder zeker, naar gelang het uit de cijfers in de tafel blijkt, dat de drie schedels zelve onderling tamelijk veel verschillen. Zoo b. v. is de graad van welving (o : w) van den schedel No. 1 beneden, die van No. 2 boven den gemiddelden welvingsgraad. De hoofdoorzaak hiervan ligt daarin, dat bij No. 1 het voorhoofd zeer laag en sterk terugwijkend is, terwijl daarentegen het voorhoofd van No. 2, hoewel evenmin hoog, toch veelmeer naar voren gewelfd is. Bij No. 3 is deze verhouding nog gunstiger, en het voorhoofd tevens tamelijk hoog, doch de welvingsgraad heeft hier niet kunnen bepaald worden, uit hoofde van het ontbreken der protuberantia occipitalis.

Bij de beide schedels van volwassenen (No. 1 en 2) zijn de wenkbraauwbogen sterk ontwikkeld. Aan de derde zijn deze slechts flaauw zigtbaar.

Ook de verhouding tusschen de hoogte en lengte (h : l) is in de drie gevallen te zeer uiteenloopend, dan dat zich hieruit iets laat besluiten.

Daarentegen duidt de verhouding der achterhoofdsbreedte tot de lengte (a : l) bij alle drie de schedels aan, dat de laatste vrij groot is, terwijl de eerste (bij de volwassenen) de gemiddelde maat bij de overige schedels slechts zeer weinig overtreft.

Een nog meer in het oog vallend verschil levert de breedte van het voorhoofdsbeen op, hetwelk bij alle drie de schedels smaller dan gewoonlijk is, en, daar de achterhoofdsbreedte de gewone grootte heeft, zoo is de verhouding (v : a) tusschen deze beide breedten dan ook tamelijk veel afwijkend van de gemiddelde, en hebben de schedels, van boven op gezien, eene iets scherper wigvormige gedaante, waartoe de platheid en geringe welving van het achterhoofd medewerkt. Ook geeft deze geringere breedte van het voorhoofdsbeen, gepaard aan de, de gemiddelde grootte iets te boven gaande, breedte van het gelaat, waarvan de verhouding is uitgedrukt door v : z, aan het geheele aangezigt iets vols en ronds, hetwelk inzonderheid dat der beide schedels van volwassenen kenmerkt, doch bij de derde, welke, gelijk reeds is opgemerkt, waarschijnlijk aan een jonger vrouwelijk voorwerp heeft toebehoord, in merkelijk minderen graad wordt waargenomen.

Tot deze volheid en rondheid van het gelaat werkt mede de breedte van de onderkaak. Wel is waar ontbreekt deze, gelijk reeds gezegd is, aan de door mij onderzochte schedels, doch eensdeels had ik gelegenheid dit op te merken bij het trouwens gering getal van mannen, die zich, tijdens mijn bezoek, op het eiland bevonden2, anderdeels echter mag men daartoe ook besluiten uit de meer dan gewone breedte van het grondvlak des schedels, terwijl ook de verhouding tusschen die breedte en den afstand der protuberantia occipitalis van de spina palatina (t:p), althans bij de beide volwassenen, hetzelfde aanduidt.

Eindelijk teeken ik hier nog als eene bijzonderheid aan, dat bij den schedel No. 1 de voorvlakten der bovenkaaksbeenderen onder de oogholten niet hol, gelijk gewoonlijk, maar vlak, ja zelfs veeleer bol zijn. Deze afwijking is echter hoogstwaarschijnlijk slechts eene uitzondering, want bij de beide andere schedels wordt zij geenszins aangetroffen.

Het is van eenig gewigt afzonderlijk stil te staan bij den schedel No. 25, ten einde dezen te vergelijken met dien der Urkers. Deze vergelijking zal leiden tot het besluit, dat er tusschen beiden slechts weinig overeenkomst bestaat.

Vooreerst kenmerkt zich deze schedel, van boven gezien, door zijnen fraaijen eironden vorm. Niet alleen is de breedte van het voorhoofd grooter in verhouding tot dien van het achterhoofd, maar bovendien bevinden zich de uitpuilende gedeelten der wandbeenderen meer naar beneden en naar voren, en vertoont zich het achterhoofd dien ten gevolge merkelijk langer en meer gewelfd. Verders verdient de groote lengte van dezen schedel de opmerking. Zij overtreft die van alle de overige schedels, terwijl daarentegen de hoogte en desgelijks de breedte zoowel van het achterhoofd als van het grondvlak iets beneden de middelmatige blijven. Het voorhoofd is tamelijk laag en de welvingsgraad dan ook niet meer dan middelmatig, in weerwil van het sterk achterwaarts uitpuilend achterhoofd.

Uit het geheele maaksel van dezen schedel laat zich met eene schier aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid besluiten, dat hij heeft toebehoord aan eenen persoon van den keltischen volksstam. Dit maaksel toch beantwoordt geheel aan dat, hetwelk door Retzius3, die gelegenheid gehad heeft verscheidene dergelijke schedels uit oude grafheuvels te onderzoeken, als kenmerkend voor den keltischen schedel beschreven is.

Dat het verschil met de schedels der bewoners van het eiland Urk tamelijk groot is, valt dadelijk in het oog. Doch er zijn nog drie andere punten, waardoor zich deze oude schedel niet alleen van de Urksche, maar ook van die der meeste thans levende Europeanen, welke ik heb kunnen onderzoeken, onderscheidt.

Vooreerst door de voorwaartsche plaatsing van het punt, waar de kroon- en pijlnaden elkander ontmoeten. Gewoonlijk valt dit punt nagenoeg zamen met de kruin of het hoogst gewelfde deel van het hoofd. Bij dezen schedel ligt de kruin ongeveer 55 streepen meer achterwaarts.

Laat men ten tweede uit dit ontmoetingspunt der naden eene loodlijn vallen op het grondvlak des schedels, dan komt deze gewoonlijk nog eenige streepen binnen den voorsten rand van het foramen magnum, gelijk bepaaldelijk ook van de Urksche schedels geldt. Bij dezen ouden schedel valt deze lijn niet minder dan 45 streepen buiten dezen voorrand. Dit hangt echter mede voor een groot deel af van de achterwaartsche stelling van het foramen magnum, gelijk uit het volgende tafeltje blijkt:

Van het midden van het voorhoofdsbeen tot aan den voorrand van het foramen magnum. Van het meest uitpuilend gedeelte van het achterhoofdsbeen tot aan den achterrand van het foramen magnum.
Oude keltische schedel 115 str. 68 str.
Schedel van een' Urker No. 1 109
str.
,,
73
str.
,,
Schedel
,,
van
,,
een'
,,
Urker
,,
N
,,
o
.
2
110
str.
,,
79
str.
,,
Schedel
,,
van
,,
een'
,,
Urker
,,
N
,,
o
.
3
102
str.
,,
76
str.
,,

Eindelijk ten derde onderscheidt zich ook het foramen magnum zelf door den veel meer langwerpigen vorm, gelijk blijkt uit de volgende maten:

Lengte. Breedte.
Oude keltische schedel 40 str. 28 str.
Schedel van eenen Urker No. 1 35
str.
,,
31
str.
,,
Schedel
,,
van
,,
eenen
,,
Urker
,,
N
,,
o
.
2
38
str.
,,
34
str.
,,
Schedel
,,
van
,,
eenen
,,
Urker
,,
N
,,
o
.
3
37
str.
,,
31
str.
,,

Uit een en ander mag men veilig afleiden, dat de bewoners van het eiland Urk hoogst waarschijnlijk van geenen keltischen oorsprong zijn, hoewel het voorzeker zeer gewaagd zoude wezen reeds nu eenen stap verder te gaan, dan deze ontkennende uitkomst. Wij moeten daartoe eerst het licht, door verdere onderzoekingen verspreid, afwachten.

De oudste mij bekende opgave der bevolking van het eiland dagteekent van 16374. Toen bedroeg zij 300 inwoners, waarvan er in datzelfde jaar niet minder dan 149 door eene besmettelijke ziekte werden weggenomen, zoodat het cijfer tot 151 daalde. In 1750 was het weder geklommen tot 3895, waarvan 216 tot het mannelijk en 173 tot het vrouwelijk geslacht behoorden. De verhouding der beide geslachten was derhalve toen 100:80. In 1789 bestond de bevolking uit 520 personen6.

Sedert de invoering der registers van den burgerlijken stand, is de gang der bevolking de volgende geweest:

Jaarlijksche toename.
In 1814 615 inwoners.
In
,,
1819
630
inwoners.
,,
3 0,48 proc.
In
,,
1822
642
inwoners.
,,
4 0,62
proc.
,,
In
,,
1825
739
inwoners.
,,
32 4,33
proc.
,,
In
,,
1830
789
inwoners.
,,
10 1,27
proc.
,,
In
,,
1835
857
inwoners.
,,
14 1,63
proc.
,,
In
,,
1836
882
inwoners.
,,
25 2,84
proc.
,,
In
,,
1837
907
inwoners.
,,
25 2,76
proc.
,,
In
,,
1838
945
inwoners.
,,
38 4,02
proc.
,,
In
,,
1839
985
inwoners.
,,
40 4,06
proc.
,,
In
,,
1840
1011
inwoners.
,,
26 2,57
proc.
,,
In
,,
1841
1025
inwoners.
,,
14 1,37
proc.
,,
In
,,
1842
1091
inwoners.
,,
66 6,05
proc.
,,
In
,,
1843
1105
inwoners.
,,
14 1,27
proc.
,,
In
,,
1844
1115
inwoners.
,,
10 0,90
proc.
,,
In
,,
1845
1133
inwoners.
,,
18 1,60
proc.
,,
In
,,
1846
1137
inwoners.
,,
4 0,35
proc.
,,
In
,,
1847
1152
inwoners.
,,
15 1,30
proc.
,,
In
,,
1848
1175
inwoners.
,,
23 1,96
proc.
,,
In
,,
1849
1194
inwoners.
,,
19 1,61
proc.
,,
In
,,
1850
1205
inwoners.
,,
11 0,91
proc.
,,
In
,,
1851
1232
inwoners.
,,
27 2,20
proc.
,,
Gemiddelde jaarlijksche toename 2,15 proc.

Van de 1232 inwoners, die er op den laatsten December 1851 geteld zijn, behoorden 629 tot het mannelijke en 603 tot het vrouwelijke geslacht. De verhouding dier beide cijfers is dus thans als 100:95,9. Het verschil tusschen de bevolking op den laatsten December 1813 of den aanvang van 1814 en die op den laatsten December 1851, bedraagt 617. In hetzelfde tijdperk zijn geboren 1391 kinderen, waarvan 716 tot het mannelijke en 675 tot het vrouwelijke geslacht behoorden, en dus tot elkander in verhouding stonden als 100:94,3. Gestorven zijn 720 personen, zoodat het getal der geborenen dat der gestorvenen met 671 overtreft, en men dus mag aannemen, dat in dienzelfden tijd 54 personen het eiland verlaten hebben, en elders gestorven zijn.

Het getal der huwelijken, in hetzelfde tijdvak voltrokken, bedraagt 270, hetgeen tot het cijfer der geboorten staat als 1:5,15. Of er onder die geboorten ook onechte voorkomen, is mij niet berigt, doch wel, dat geen der huwelijken geregtelijk is gescheiden.

Uit een en ander blijkt, dat de bevolking op Urk buitengewoon snel toeneemt en dat die toeneming vooral in den laatsten tijd zeer versneld is, gelijk blijkt uit het volgende overzigt.

Van 1638 tot 1750 of in 112 jaren van 1:2,6.
Van
,,
1750
tot
,,
1789
of
,,
in
,,
39
jaren
,,
van
,,
1:1,3.
Van
,,
1789
tot
,,
1825
of
,,
in
,,
36
jaren
,,
van
,,
1:1,4.
Van
,,
1825
tot
,,
1852
of
,,
in
,,
27
jaren
,,
van
,,
1:1,7.

Sedert de invoering der registers van den burgerlijken stand is de bevolking verdubbeld, terwijl zij van 1638 tot 1852 of in 214 jaren achtmaal grooter is geworden. Waarschijnlijk zullen er zeer weinige plaatsen in ons vaderland zijn, welke in dit opzigt met Urk kunnen wedijveren.

Ongelukkiglijk zijn de middelen van bestaan niet in gelijke mate toegenomen. Het bijna eenige bestaansmiddel is de vischvangst op de Noord- en Zuiderzee. In 1750 bezigden de Urkers 46 vischschuiten, terwijl zij bovendien nog 2 koffen bezaten. Tegenwoordig bedraagt dit getal wel is waar 125 vaartuigen, wier gezamenlijke tonnemaat ongeveer 3400 tonnen is, doch, terwijl de bevolking in dien tijd toegenomen is van 1:3,2, is het getal visschersvaartuigen slechts vermeerderd in de verhouding van 1:2,7, terwijl het mij niet gebleken is, dat hun gemiddelde tonnemaat grooter is dan vroeger, en er thans geene koffen meer op het eiland thuis behooren.

De vischvangst begint in Februarij en eindigt doorgaans in November. Het zijn vooral schol, schelvisch, tong, tarbot en kabeljaauw, die met kornetten gevangen en meestal te Amsterdam, doch ook op andere plaatsen langs de Zuiderzee gelegen verkocht worden. Is de tijd der visscherij echter voorbij, dan vangt ook, inzonderheid in strenge winters, de tijd van gebrek aan, en dan gebeurt het niet zelden, dat meer dan de helft der inwoners op kosten der provinciale kas moet onderhouden worden, daar het getal der gegoeden in de gemeente zelve uiterst gering is.

Alle de woningen en andere gebouwen zijn gelegen op het hoogere gedeelte, gelijk op de kaart is aangeduid. Dit herinnert nog geheel aan den ouden tijd, toen onze voorouders hunne woningen op eene dergelijke wijze enkel op de natuurlijke hoogten des bodems of op terpen bouwden. In de plaatsing dier woningen heerscht zeer weinig regelmaat, zoodat zij tamelijk verward door elkander staan, en er slechts hier en daar eenige der huizen nevens elkander gebouwd zijn, welke dan eene korte reeks vormen. Alle deze tusschenruimten zijn met gras begroeid, waardoor het geheele dorpje het voorkomen heeft van eene weide, waarin men hier en daar een huis heeft neder gezet. Deze huizen, meerendeels van slechts ééne verdieping, zijn ten deele van steen, ten deele van hout gebouwd op de wijze, die in vele Noordhollandsche dorpen gebruikelijk is. De beide kerken, die der Hervormden,—een klein doch net gebouw, in 1786 op kosten der stad Amsterdam opgerigt,—en die der Christelijk afgescheidenen,—voor een paar jaren gebouwd,—staan geheel afzonderlijk en van de overige huizen verwijderd. De grond van het eiland is voor drie vierde bijzonder- en voor het overige vierde gedeelte gemeente-eigendom. De veestapel bestaat uit 85 runderen, 18 kalveren en 4 paarden. Deze runderen worden vooral om de melk gehouden. Vleesch wordt er door de eilanders slechts zeer weinig gegeten; ook is er geen enkele vleeschhouwer, doch tien bakkers, terwijl zoowel het rogge- als tarwebrood zeer goed en smakelijk zijn. Brood, aardappelen en visch maken dan ook de hoofdvoedsels der bevolking uit. Moesgroenten worden er schier niet gegeten; het weinige dat daarvan gebruikt wordt, wordt van Enkhuizen aangevoerd.

De kleeding der mannen bestaat uit een zeer wijd wambuis van blaauw karsaai en een zwarte broek van dezelfde stof, waarop van voren twee groote zilveren gebeeldhouwde knoopen of zilveren muntstukken prijken. Zij dragen zwarte wollen kousen en lage schoenen, blaauwe wollen ronde mutsen op het hoofd, en een roode puntdoek om den hals.

De kleeding der vrouwen, rok en borstrok, is van dezelfde stof vervaardigd. Zij dragen een zwart keurslijf met eenen zoogenaamden kroplap en eenen rooden doek om den hals, terwijl twee zilveren spelden met groote knoppen in het haar zijn gestoken, doch zonder oorijzers.

De gezondheidstoestand der eilanders is over het algemeen vrij voldoende. In weerwil van hun moeijelijk beroep, bereiken velen eenen hoogen ouderdom. De meest algemeene ziekten zijn van eenen rheumatischen en catarhalen aard, terwijl velen, vooral kinderen, ook aan ingewandswormen lijden, iets, dat bij de algemeenheid van het vischdiëet, en bij de waarschijnlijkheid van den overgang der entozoa uit de visschen in den mensch, opmerkelijk is en een nader onderzoek verdient. Tusschenpozende koortsen komen slechts zelden voor.

Wat de verstandelijke beschaving der eilanders betreft, zoo wordt daaromtrent door hen, die in de gelegenheid zijn geweest nader met hen bekend te worden, een gunstiger getuigenis afgelegd, dan men, bij de beperkte gelegenheid, die hiertoe onder hen bestaat, daar op de school slechts de eerste kundigheden, lezen, schrijven en rekenen worden onderwezen, zoude meenen te mogen verwachten. Gedurende de wintermaanden, wanneer alle werkzaamheden stil staan, houden velen zich met lezen bezig, en bovendien komen de mannen door hun bedrijf dikwerf op andere plaatsen, en in aanraking met velerlei soort van menschen. Anders is het met de vrouwen. Daaronder zijn er zeer velen, die nimmer aan den vasten wal zijn geweest, en die derhalve van de geheele wereld niets anders kennen dan het kleine plekje gronds, waarop zij geboren zijn. Zij gevoelen daarvoor dan ook eene groote gehechtheid, welke zelfs geenszins verdwijnt, wanneer zij in de gelegenheid geweest zijn iets meer van de wereld te zien, zoodat het veeleer schijnt, alsof door de vergelijking Urk in hare oogen slechts winnen kan. Eene jonge vrouw, die vroeger als dienstmaagd in Amsterdam had gewoond, doch later naar haar eiland was teruggekeerd, merkte aan: „dat daar, wel is waar, de huizen en vooral de winkels veel fraaijer, maar toch de straten erg vuil zijn.”

Aangaande hunne zedelijke ontwikkeling kan ik weinig mededeelen, dan alleen, dat deze zich vooral uit door een sterk opgewekt godsdienstig gevoel, waarvan het alleen te betreuren is, dat het heeft aanleiding gegeven tot veel twist en tweedragt onder de bevolking, die, vroeger geheel tot de kerk der Hervormden behoorende, thans in twee gemeenten van nagenoeg gelijke sterkte is gesplitst, die elk hunnen eigen predikant hebben.

Ook verdient nog te worden opgeteekend, dat geen der huizen van schellen of kloppers voorzien zijn en evenmin des nachts gesloten worden. Ook zoude op het eiland diefstal eene geheel ongehoorde zaak zijn, ofschoon wij er moeten bijvoegen, dat, naar men zegt, die eerbied voor den eigendom zich minder uitstrekt tot datgene, wat de zee op hun strand werpt.

Vroeger was op het eiland een vrij groot aantal honden, doch sedert men op elken hond eene belasting van twee gulden heeft gelegd, is dit aantal zeer verminderd, en bedraagt thans niet meer dan vier. Een dier honden behoort aan den blinden omroeper, die hier van eene groote handschel voorzien is. Deze hond is voor zijnen meester geheel onmisbaar geworden, want, altijd denzelfden weg volgende, geleidt hij dezen, die hem aan een' band vasthoudt, door alle de kronkelpaadjes tusschen de verward staande woningen heen.

Eertijds zouden er ook vele konijnen in het wild geleefd hebben7, iets, dat opmerking verdient, omdat deze dieren er thans bezwaarlijk hunne holen in den harden leemgrond zouden kunnen graven, hetgeen tot het vermoeden leidt, dat een gedeelte van den diluvialen bodem vroeger, toen het eiland eene grootere uitgebreidheid had, uit zand heeft bestaan.

Thans zijn de eenige wilde viervoetige dieren ratten en muizen, die trouwe doch lastige begeleiders van den mensch, waar hij zijne woning ook vestigt. Men zeide mij, dat deze dieren hier zeer talrijk zijn, en dat daaraan ook het groote aantal van katten moet worden toegeschreven, hetwelk door de inwoners gehouden wordt.

In de omringende zee leven vele zeehonden (Phoca vitulina), die des nachts op de Staart van het eiland komen slapen en ook zeer dikwijls de daar uitgezette haringfuiken berooven, waarin zij echter niet zelden zelve gevangen worden.

Behalve de door de inwoners gehouden hoenders, vindt men er musschen (Passer domesticus Gessn.), spreeuwen (Sturnus vulgaris L.), leeuwrikken (Alauda arvensis L.). Deze zijn de eenige soorten van vogelen, die op het eiland eijeren leggen en broeden. Kievieten (Vanellus cristatus Meijer en Wolf), tureluurs (Totanus calidris Bechst.), lijsters (Turdus musicus L.), watersnippen (Scolopax Galinago L.), regenwulpen (Numenius Phaeopus Letham), en verschillende soorten van meeuwen (Larus L.) bezoeken wel het eiland op hunne zwerftogten, doch broeden er niet. Hetzelfde geldt van de bergeenden (Anas tadorna L.) en zwarte zeeëenden (Anas nigra), die ik in Maart in groote schoolen in de omringende zee zag zwemmen.

Als eene opmerkenswaardige bijzonderheid zij hier nog vermeld, dat, volgens mededeeling van den vuurtorenwachter, het zeer gewoon is, dat de vogels des nachts op het licht van den vuurtoren aanvliegen en, in hunne vaart stuitend tegen de harde 9 streepen dikke spiegelglazen des lantaarns, dood nedervallen, of op den omgang al pikkende tegen het glas blijven zitten, totdat zij met de hand gegrepen worden. Op eenen enkelen nacht had de wachter 147 vogels op die wijze gevangen, meest leeuwrikken, lijsters en spreeuwen. De katten op het eiland doen hier ook hun voordeel mede, want, daar er steeds eenige vogels naar beneden tuimelen, zoo wordt de vuurtoren elken nacht omsingeld door een aantal dezer dieren, welke op hun deel aan den buit wachten.

Wat de in de zee rondom Urk levende dieren betreft, zoo zal men hier wel geene volledige opgave daarvan verwachten. Alleen vermeld ik nog de op het strand gevonden schelpen van weekdieren. Zij zijn: Mya arenaria Lin., Tellina solidula Lam., Cardium edule Lam., Mytilus edulis Lam., Buccinum undatum Lin. en Littorina litorea Fer. Van deze is de eerste soort verreweg de talrijkste. Eindelijk zijn de steenen der glooijing, die tijdens den vloed overstroomd worden, bezet met eene menigte zeepuisten, Balanus sulcatus Lam., die desgelijks ook vaak op de groote steenen van het rif worden aangetroffen, daar, waar deze digt onder de watervlakte liggen.


1 Uit den begeleidenden brief van den heer Nahuys aan den Hoogleeraar Schroeder van der Kolk ontleen ik het volgende.

„In het jaar 1845 liet de Baron van Lijnden van Hemmen te Wageningen, nabij den oprid van den Wageningschen berg, bij het Leksies veer, niet ver van den zoogenaamden eersten Christen tempel, aan de helling van de Rijnzijde van den berg, een gedeelte van dezen zinken, om hetzelve tot een strook bouwland aan te leggen. Bij die gelegenheid werden aldaar ook vele menschenbeenderen gevonden, hetwelk te meer verwondering baarde, omdat het geheel onbekend was, dat aldaar ooit eene begraafplaats geweest was. Dit vernemende, werd mijne belangstelling opgewekt, en in de nabijheid (te Oosterbeek) zijnde, verzocht ik den Baron van Lijnden de toestemming om aldaar oudheidkundige onderzoekingen te mogen doen en des noodig eenige vergravingen te mogen doen bewerkstelligen, hetgeen mij door gemelden eigenaar niet alleen welwillend werd toegestaan, maar zelfs werden eenige arbeiders ter mijner dispositie gesteld, om mij bij het doen van onderzoekingen aldaar behulpzaam te wezen.

„Hierop begaf ik mij van Oosterbeek naar gemelde plaats met den Baron van Wassenaar tot Catwijck en met den heer Spiering uit Tiel. Op het terrein komende overtuigde ik mij niet alleen, dat overal menschenbeenderen op den omgezetten grond waren, maar de werklieden, die aldaar arbeidden, lieten ons eenige schedels zien, en verhaalden ons, dat er nog veel meer gevonden waren, welke zij ook maar weder onder den grond gestopt, en sommige aan den rentmeester gegeven hadden. Ik liet op verscheidene plaatsen, vooral in den nog ongeroerden grond, graven, in de hoop sporen te zullen vinden, hetzij door voorwerpen of stukken van dezelve uit het dagelijksch leven, of anderzins, ten einde of het tijdperk te kunnen bepalen, in welke deze grond tot begraafplaats gediend had, of tot welken volksstam deze schedels en beenderen behoorden. Ik werd echter hierin zeer te leur gesteld, dewijl ik niets vond, waaruit ik iets bepaalds kon afleiden, want enkele stukken (drie of vier) van potscherven van germaanschen vorm en bakkelij, en de wijze, waarop deze in den grond lagen, gaven mij geen aanleiding genoeg om daarop gevolgtrekkingen te bouwen, zelfs niet om daaruit veronderstellingen te maken, vooral omdat ik dergelijke scherven op vele plaatsen aldaar in den omtrek gevonden had.

Twee zaken nogthans trokken bijzonder mijne aandacht; vooreerst de wijze waarop ik de lijken of liever de beenderen en schedels vond liggen, te weten er was geen blijk, dat deze in een kist, noch van hout, noch van steen, begraven waren geweest; integendeel zag men bij eene doorsnede van den grond, dat die lijken op den grond gelegd waren, rondom omgeven met houtskool, aan de eene zijde, even als van boven, maar gedekt met puin, en daarover de aarde of het zand. Meer naar boven van den berg werden ze boven elkander gevonden, doch in onregelmatige rigting. Ten tweede de vorm der schedels, welke nagenoeg van allen dezelfde was, en mij hoogst zonderling voorkwam.”

Tot hiertoe heb ik vergeefs getracht nog meerdere van deze schedels en beenderen te erlangen, doch er bestaat hoop op eenen lateren meer gelukkigen uitslag, door de mij vriendelijk toegezegde hulp van de heeren Baron Constant de Rebecque, den tegenwoordigen eigenaar des Wageningschen bergs, en O. G. Heldring, predikant te Hemmen. Ik voeg dus hier alleen nog bij, dat de laatste mij heeft berigt, dat hij eenmaal eene steenen wigge, waarschijnlijk van Keltischen oorsprong, heeft in handen gehad, welke op den Wageningschen berg gevonden was.

2 Nagenoeg de geheele mannelijke bevolking was toen ter vischvangst op zee. Het gelaat der vrouwen heeft over het algemeen eenen minder ronden, meer ovalen vorm.

3 Muller's Archiv, 1849. s. 573.

4 Chronyk van Amsterdam, zijnde eene korte en zakelijke beschrijving enzv., Dl. II. bl. 391.—Van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek, Dl. XI. bl. 400.

5 Wagenaar, Tegenw. Staat, Dl. VIII. bl. 629.

6 Aanteekening gevoegd bij de kaart van Schilling.

7 Chronijk van Amsterdam enzv. Dl. II. bl. 392.