Het belangrijkste kenmerk van de Slangen is de merkwaardige beweeglijkheid der aangezichtsbeenderen, die het buitengewoon sterk verwijden van den bek mogelijk maakt. Verscheidene andere Kruipende Dieren komen, zooals reeds gebleken is, met haar in vorm overeen; eerst nadat men deze heeft buitengesloten, mag men als kenmerk eenige waarde hechten aan den langwerpigen, wormvormigen, door een stevig, zoogenaamd schubbenkleed omsloten romp, die zoomin van voren, bij den kop, als van achteren, bij den staart, eenige bijzonder in ’t oog loopende begrenzing vertoont. Volgens de overtuiging van de hedendaagsche dierkundigen is de groep der Slangen een eigenaardig ontwikkelde zijtak van de orde der Geschubde Reptiliën; het verschil tusschen haar en de tot dusver behandelde Kruipende Dieren wettigt geen scherpere scheiding, dan die, welke in de plaatsing dezer wezens in verschillende onderorden opgesloten ligt.
De kop van de Slangen is nooit zeer groot, in den regel echter breeder dan het daarop volgende deel van den romp, van dezen slechts bij weinige soorten zeer scherp gescheiden, maar toch duidelijk herkenbaar, van boven gezien eivormig of driehoekig, gewoonlijk in verticale richting samengedrukt, d. i. van boven en van onderen afgeplat. De mondspleet strekt zich dikwijls zoover uit, dat de mondholte zich nog achter de uiterste grenzen van den kop schijnt voort te zetten. De gehooropeningen zijn steeds afwezig. De oogen zijn ongeveer boven het midden van de mondspleet, aan de zijden van den kop en dicht bij den rand van de bovenkaak gelegen. De neusopeningen zijn steeds vooraan, dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van de spits van den snuit geplaatst. De bekleeding van den kop verschilt in meerdere of mindere mate van die van den romp. Een eigenlijke hals is niet aanwezig; de romp begint bijna onmiddellijk achter den kop en gaat eveneens op een van buiten bijna onmerkbare wijze in den min of meer verlengden en hierdoor spits- of stomp-kegelvormigen staart over. De gezamenlijke lengte van romp en staart is het twintig- à negentigvoud van de dikte. De kop, de romp en de staart zijn met een stevige huid bekleed, die een samenhangend geheel vormt; men kan er duidelijk een lederhuid en een deze bedekkende opperhuid aan onderscheiden. De lederhuid is niet overal even dik; ook is zij niet effen; maar met verhevenheden bezaaid met vrij uitstekenden achterrand, zoodat plooien ontstaan in den vorm van schubben, die elkander dakpansgewijze bedekken. Daar de opperhuid ook deze verdubbelingen van de lederhuid volgt, zich op de naar buiten gerichte oppervlakte verdikt en daarentegen dunner wordt daar, waar zij in de plooien doordringt, komen de schubben duidelijker uit. Naar den vorm onderscheidt men: „schubben,” welker lengte de breedte overtreft, dikwijls in ’t midden een overlangsche kiel bezitten en vooral aan de rugzijde van het dier voorkomen;—voorts „schilden,” die meestal een zes- of vierhoekige gedaante hebben, dikwijls breeder zijn dan lang en vooral op den kop en aan den buik waargenomen worden. Eigenaardig voor de slangen zijn de „groefschilden”, die gewoonlijk ten getale van twee paar achter elkander aan de „kingroeve” gelegen zijn en de twee „onderlipsschilden”, die meestal in het midden achter het „kinschild” liggen, en, aan weerszijden vóór de groefschilden geplaatst, de begrenzing van de kingroeve van voren voltooien.
De kleur en de teekening van de huid bieden een buitengewoon groote verscheidenheid aan, zoodat hiervan niets in ’t algemeen gezegd kan worden. Er zijn effen gekleurde en bont gevlekte, met ringen, traliën, strepen, banden, stippels en wolken geteekende Slangen. Enkele soorten hebben een zeer bescheiden voorkomen, andere prijken met de prachtigste tinten. Altijd echter harmonieeren teekening en kleur min of meer met het terrein, dat door de Slang als verblijfplaats wordt gekozen. Hoewel de kleur en de teekening niet willekeurig veranderd kunnen worden, zijn zij toch slechts binnen zekere grenzen bestendig, want, wel beschouwd, vertoonen beide veelvuldige variaties, bij enkele soorten meer, bij andere minder. Zoo draagt onze Adder bv. wel een dozijn namen, omdat vroegere onderzoekers de verscheidenheden, die zij opmerkten, als afzonderlijke soorten meenden te moeten beschouwen en benoemen. In vele gevallen hebben leeftijd en geslacht hierop meer invloed, dan men gewoonlijk aanneemt.
De eenvoudigheid en gelijkmatigheid van den lichaamsbouw is in overeenstemming met den bouw van het beenderenstelsel. Dit bestaat n.l. alleen uit schedel, wervelkolom en ribben, want de rudimentaire heupbeenderen en voetstompjes, die bij enkele familiën voorkomen en de achterste ledematen der overige Reptiliën vervangen, zijn er slechts onduidelijke sporen van. Toch verdienen zij onze aandacht, wijl hieruit blijkt, dat de Slangen in vroegere tijdperken uit vierpootige, hagedisachtige dieren ontstaan moeten zijn. Het belangrijkste deel van het skelet en tevens dat, waarvan de bouw en de vorm het eigenaardigst zijn, is de schedel. De tusschenkaaks- en de neusbeenderen zijn onbeweeglijk met elkander verbonden, daarentegen zijn de bovenkaaks-, de vleugel- en de gehemeltebeenderen bij de meeste Slangen zeer beweeglijk en kunnen zoowel naar de zijden als naar voren verschoven worden. Een niet minder groote verschuiving kunnen de bestanddeelen van de onderkaak ondergaan. Het tepelbeen hangt slechts door banden en spieren met den schedel samen en draagt aan zijn uiteinde het staafvormige vierkantsbeen, waaraan de onderkaak door een gewricht verbonden is. Deze bestaat gewoonlijk uit twee volledig vaneengescheiden, staafvormige helften, die van voren slechts door rekbare, losse vezels onderling vereenigd zijn. Deze inrichting stelt de Slang in staat haar bek aanmerkelijk te verwijden en een veel grooteren buit te verzwelgen dan met oog op de grootte van de mondopening bij gesloten bek mogelijk schijnt. Op den schedel volgt onmiddellijk de romp, daar er bij de Slangen geen onderscheid tusschen hals-, borst-, lende- en heiligbeenwervels bestaat. Reeds de 2e, 3e of 4e wervel achter den schedel draagt, evenals iedere volgende wervel van den romp, een paar ribben, die zich van de verder achterwaarts gelegen paren slechts door een iets geringere grootte onderscheiden. Bij den schedel te beginnen, hebben alle wervels ongeveer denzelfden bouw. De ribben bewijzen aan de Slangen een eigenaardigen en buitengewoon belangrijken dienst, daar zij tot op zekere hoogte de ontbrekende ledematen vervangen. Zij eindigen aan de buikzijde in een spierlaag, die met de groote buikschilden samenhangt, en drukken, als zij van voren naar achteren bewogen worden, de vrij uitstekende achterranden dezer schilden tegen de oppervlakte, waarover het dier zich beweegt; men vindt hier dus een zeer groot aantal hefboomen, die, hoewel zij geen pooten zijn, toch een soortgelijken arbeid verrichten. De ribben worden aan den staart al kleiner en kleiner en komen aan de laatste wervels in ’t geheel niet meer voor. Het aantal wervels loopt bij Slangen van verschillende soort en ongelijke grootte zeer uiteen; het schijnt slechts bij uitzonderingen minder dan 200 te bedragen en stijgt bij enkele soorten tot boven 430. Alle Slangen missen het borstbeen; men bemerkt bij haar geen spoor van een schoudergordel of van voorste ledematen.
Niet minder opmerkelijk dan het geraamte is het gebit. De tanden kunnen een belangrijk verschil in maaksel vertoonen, hetwelk aanleiding geeft tot de onderscheiding van familiën en onderfamiliën. Tanden vindt men niet alleen aan de boven- en onder-, maar dikwijls ook aan de tusschenkaaks-, meestal ook aan de gehemelte- en vleugelbeenderen. Steeds zijn zij aan het hen dragende been vastgegroeid en worden vervangen, zoodra het noodig is, doordat een nieuwe tand zich achter of naast den ouden ontwikkelt. Men onderscheidt drieërlei soort van tanden: massieve, gevoorde, (die aan de convex gekromde voorzijde voorzien zijn met een diepe, gootvormige groeve, welke zich van den wortel tot aan de spits uitstrekt) en holle (die aan de voorzijde bij den oorsprong een gat en vóór de spits een spleetvormige opening vertoonen, met elkander in gemeenschap staande door een „giftkanaal”, dat den geheelen tand doorboort). Alle zijn haakvormig naar achteren gekromd en zeer spits, kunnen slechts voor het bijten en vasthouden van den buit dienen en zijn ongeschikt om een prooi te verscheuren of om voedsel te kauwen. De massieve tanden zijn kegelvormig; het harde tandbeen, waaruit zij bestaan, is met een dunne emaillaag bedekt; de gevoorde tanden zijn te beschouwen als onvoltooide doorboorde tanden, daar het gifkanaal ontstaan is door de vereeniging der randen van een vroeger aanwezige groeve.
Voor de levenswijze der Slangen zijn de klieren in den kop van zeer groot belang; bij de giftige soorten der onderorde kunnen zij een buitengewoon sterke ontwikkeling bereiken. In ’t geheel heeft men zes paar klieren en één onparige klier opgemerkt. Hoewel zij bij hetzelfde dier niet altijd voltallig aanwezig zijn, heeft iedere Slang er toch steeds verscheidene: de voorste ondertongsklieren, de achterste ondertongsklieren, de neusklier, de traanklieren, de onderste en de bovenste wang- of lipklieren en eindelijk de gifklieren. De laatstgenoemde, die zich bijna altijd achter en onder de oogen en boven de bovenkaak bevinden, zijn langwerpig en zeer groot; bij enkele soorten strekken zij zich zoover naar achteren uit, dat zij voor een deel op de ribben rusten. Zij bestaan uit een bladerig weefsel en bevatten een groote holte. Bovendien onderscheiden zij zich van alle overige genoemde klieren door haar lange afvoerbuis, die langs de buitenste oppervlakte van de bovenkaak naar voren loopt, om hier vóór en boven den giftand uit te monden in de vliezige scheede, die deze tand omgeeft, zoodat het gif door het in den tand aanwezige kanaal kan afvloeien. De gifklier is omhuld door een zeer dikke spierlaag, die (met de kauwspier) dient om haar samen te drukken. Zulke gifklieren komen voor bij alle Slangen met doorboorde tanden; die van de Groeftandigen zijn niet met een dichte spierlaag bedekt; zij kunnen hoogstens door de voorste slaapspier een weinig samengedrukt worden en zijn dus minder geschikt om het gif in de wonde te brengen.
Onder de zintuigelijke organen staan ongetwijfeld die van het gevoel, en meer bepaaldelijk de tastzintuigen, bovenaan. De van oudsher gevreesde tong, die door onkundigen ook thans nog voor het aanvalswapen van de Slangen wordt gehouden, dient niet als smaakorgaan, maar uitsluitend voor het tasten en is hierdoor juist van buitengewoon groot belang voor het dier. Zij is zeer lang en dun, van voren in twee draadvormige, spitse helften gespleten en met een hoornachtig laagje bedekt. Zij ligt verborgen in een onder de luchtpijp voorkomende, gespierde scheede, die op korten afstand vóór deze, dicht bij de spits van de onderkaak, zich opent. De tong kan geheel in deze scheede teruggetrokken, maar ook ver buiten den bek uitgestoken worden en onderscheidt zich door een buitengewone beweeglijkheid. Door een inham van de bovenkaak, die zelfs bij gesloten mond nog als een opening zichtbaar is, kan de tong zich gemakkelijk en snel afwisselend naar buiten en naar binnen begeven. Het oog is, na de voor ’t tasten zoo uitstekend geschikte tong, het bruikbaarste orgaan voor het doen van waarnemingen, hoewel het zeer zeker minder volkomen is dan bij de overige Reptiliën. Een belangrijke eigenaardigheid van dit orgaan is zijn schijnbare onbeweeglijkheid, waardoor het een glazig uitzicht verkrijgt. Een doorzichtig vliesje neemt de plaats van de beweeglijke oogleden in en is bij wijze van een horlogeglas in een plooi van den rand der ronde oogholte vastgehecht; de hierdoor begrensde doos bevat den oogbol en staat aan haar binnenzijde door het wijde traankanaal in gemeenschap met de neusholte. De buitenste laag van dit doorzichtig vliesje, het verhoornde deel van de opperhuid, wordt verwijderd, als het geheele lichaam vervelt; gedurende het tijdperk tusschen de eene vervelling en de andere neemt de doorzichtigheid van de huid, die het oog bedekt, allengs af. De pupil is bij de dagslangen rond, bij de Nachtslangen langwerpig: soms dwars, soms verticaal geplaatst.
De eigenaardige bewegingswijze van de Slangen is een gevolg van haar lichaamsbouw, die, gelijk licht te begrijpen is, tot op zekere hoogte ook een verklaring levert van haar levenswijze; daar de begaafdheden der dieren, indirect althans, uit hun lichaamsbouw voortvloeien. Hoewel de Slangen meer dan de meeste overige leden harer klasse den naam „Kruipende” Dieren verdienen, is haar bewegingsvermogen veelzijdiger dan menigeen meent. Het kruipen geschiedt niet uitsluitend op een vlakken bodem, maar ook bij een helling naar boven en naar beneden, bij de stammen der boomen omhoog en naar alle richtingen in de kroon, voorts over den waterspiegel, op den bodem van het water en tusschen beide door; zij kruipen, klimmen, zwemmen en duiken dus, en doen dit alles nagenoeg even vlug en behendig. Het kruipen gaat niet met verticale krommingen, maar met horizontale golvingen van het lichaam gepaard. Het klimmen is eigenlijk niets anders dan een opkruipen bij loodrechte vlakken. Een boomstam, die door een Slang omstrengeld kan worden, levert voor haar volstrekt geen moeielijkheden op, tenzij de schors zeer glad is: zij schuifelt naar boven met schroefvormige windingen van het lichaam, dat natuurlijk voortdurend slangsgewijze bewogen wordt, en doet dit zeer snel, daar zij het naar beneden glijden met de scherpe achterranden der buikschilden voorkomen kan. Op de takken kronkelt zij zich bijna even veilig en snel voort als op den vlakken bodem, vooral wanneer de twijgen talrijk zijn. Geheel op dezelfde wijze gaat zij bij het zwemmen te werk, hoewel in dit geval ongetwijfeld de staart de belangrijkste rol vervult. Vermoedelijk kunnen alle soorten van Slangen zwemmen; zij, die niet in ’t water leven en het gewoonlijk niet opzoeken, worden echter door de beweging in deze voor haar vreemde middenstof, naar het schijnt, spoedig vermoeid.
De snelheid van de Slangen werd dikwijls overdreven voorgesteld en schijnt door het telkens wisselen der kronkelingen grooter dan zij is; slechts weinige menschen geven zich de moeite de zaak nauwkeuriger te onderzoeken. Lenz zegt: „Geen slang beweegt zich zoo vlug, dat men haar niet met een flinken pas, zonder hard te loopen, kan bijhouden. Zij komt naar verhouding langzamer vooruit dan Hagedissen, Vorschen, Muizen en dergelijke dieren. Het snelst is haar beweging op mos en korte heide, waar de veerende onderlaag medehelpt, minder snel op den naakten grond. Het kruipen over een stuk vensterglas kost haar zeer veel moeite. Langs steile bergwanden schiet zij vliegensvlug naar beneden, soms zoo snel, dat het niet mogelijk is te bepalen, tot welke soort zij behoort en hoe groot zij is.”
Bij de ademhaling van de Slangen, die geregeld, zonder tusschenpoozing, geschiedt, merkt men duidelijk de beweging van de ribben op, die beurtelings opgeheven worden en dalen. Toch is zij over ’t geheel genomen niet zeer krachtig en wordt eerst bij toenemenden toorn versneld. Een heesch, lang aanhoudend gesis, dat de ontbrekende stem vervangt, verraadt deze gemoedstoestand. In verband met den langwerpigen vorm van het lichaam is slechts één van de longen goed ontwikkeld, de andere is zeer klein of ontbreekt geheel.
Behalve de tastzin (en bij enkele soorten het gezicht) zijn alle zinnen van de Slangen zwak. Het orgaan voor den tastzin is de tong. Hoewel deze een geheel andere rol speelt dan de ouden zich voorstelden, is zij van ’t hoogste belang, zoo zelfs, dat een Slang, die de tong mist, geen voedsel meer gebruikt, niet in ’t leven gehouden kan worden. Een feit is het, dat iedere Slang, die niet rust, onophoudelijk en in alle richtingen de tong beweegt om de voorwerpen in haar nabijheid te onderzoeken, dat zij nooit drinkt of zich te water begeeft, zonder vooraf den waterspiegel met de tong aan te raken; op dezelfde wijze onderzoekt zij den reeds gedooden buit vóór het verzwelgen, en zoo mogelijk ook haar slachtoffer, vóórdat zij het dooddrukt of vergiftigt. Wanneer er reden bestaat voor de vrees, dat de prooi, die zij op het oog heeft, haar zal ontsnappen, geeft zij toch vóór den aanval, door vele malen achtereen de tong uit te steken en weer terug te trekken, de bedoeling te kennen om de gewone onderzoekingen te verrichten. Het telkens weer terugtrekken van de tong geschiedt blijkbaar met het doel om haar door bevochtiging gevoeliger te maken.
De ervaring leert, dat de Slangen, ondanks haar dikke huid, zelfs voor een zwakke aanraking gevoelig zijn. Evenals andere Reptiliën, vinden zij warmte aangenaam, daar zelfs die, welke ’s nachts werkzaam zijn, over dag haar schuilplaats verlaten om zich het genot te verschaffen van door de zon beschenen te worden.
Toch mag men zeggen, dat er over ’t algemeen sterke prikkels noodig zijn om bij de Slangen gevoel te wekken. Eerder dan van gevoeligheid kan men bij haar van gevoelloosheid spreken. De Slangen zijn even taai van leven als de andere Reptiliën en verdragen martelingen, die hooger ontwikkelde wezens schielijk zouden dooden. De bewegingen van Slangen, die gewond of zelfs aan stukken gehouwen zijn, wekken de verbazing van den onderzoeker: een afgehouwen kop van een Adder beweegt de tong op de gewone wijze en kan ook bijten en het gebeten dier vergiftigen.
Uit alle bekend geworden feiten kan men afleiden, dat het gezicht bij alle Slangen, met uitzondering van eenige Boomslangen, zwak en onbeduidend is, hoewel de glans en de grootte van het oog het tegendeel doen vermoeden. Woedende Slangen, zoowel vergiftige als niet-vergiftige, bijten zelfs naar een schaduw, en missen dikwijls het voorwerp, waarop zij doelen, indien het niet groot is.
Van de uitdrukking van het slangenoog heeft men meer ophef gemaakt dan de zaak verdient. „Sprekend, zooals weinige oogen van dieren zijn,” meent Linck, „spiegelt zich in ’t oog van de Slang niet slechts haar inborst af, maar ook de gemoedsstemming, waarin zij op een gegeven oogenblik verkeert. Rustig en zacht, doch niet zonder glans, is het bij de vreedzame leden der onderorde, onheilspellend bij die, welker wapens wonden, doch niet dooden kunnen; dreigend is het bij het woedende dier; vreeswekkend is de gloed van het oog der Adder, die met de spits van hare tanden den dood veroorzaakt. Iets vreemds verkrijgt echter het oog, zelfs van de zachtaardigste Slang, door de glasachtige huid, die zich er over heen welft en ook door de geringe veranderlijkheid van de pupil, die zich slechts moeielijk en met zichtbare, plotselinge rukken vergroot en vernauwt.” De laatste opmerking is volkomen juist, de eerste laat ik geheel voor rekening van den aangehaalden schrijver, die zooals meermalen geschiedt, in het oog iets waarneemt, wat hij er zelf in heeft gelegd. Het oog van de Slang heeft niets bijzonders, behalve het glazige uitzicht; de dreigende en onheilspellende uitdrukking is minder een eigenschap van het oog zelf dan een gevolg van zijn ligging onder de schubben en schilden, die het overschaduwen; deze zijn bij de Slangen, die ’s nachts werkzaam zijn, bijzonder ontwikkeld, steken een weinig vooruit en brengen denzelfden indruk teweeg als b.v. de vooruitstekende wenkbrauwbeenderen van een Roofvogel.
Voor zoover wij er over kunnen oordeelen, is de scherpte van het gehoor nog geringer dan die van het gezicht; uitwendig is er van het gehoororgaan der Slangen niets te zien; eerst na het verwijderen van de schubben aan de zijden van den kop bemerkt men er iets van, daar de korte gehoorgangen geheel onder de huid verborgen liggen. Het trommelvlies, de trommelholte en de Eustachiaansche buis ontbreken. Proefnemingen hebben geleerd, dat de Slangen zich om verschillende muzikale tonen weinig bekommeren, tenzij deze in de lucht of in den bodem sterke trillingen teweeg brengen.
Niet minder moeielijk is het, zekerheid te verkrijgen over de mate van ontwikkeling van den reukzin. Boettger, die vele Slangen met ether- of chloroformdamp verdoofde, voordat hij ze in den spiritus bracht, nam onmiddellijk na het werpen van het propje watten, waarop de vluchtige vloeistof gedroppeld was, in de glazen flesch, onder de hierin aanwezige Slangen een hevige opgewondenheid waar. Zelfs de traagste Adder begon zich krachtig te bewegen en zocht naar een uitweg om aan den bedwelmenden damp te ontkomen. Dit doet vermoeden, dat de reukzin bij de Slangen niet geheel ontbreekt. Een duidelijker bewijs voor deze stelling is gelegen in het door Fr. Werner waargenomen feit, dat een Ringslang te midden van een groot aantal soorten van Amphibiën, zelfs in een donkere ruimte, zonder zich te vergissen steeds die soorten van Kikvorschen koos, welke haar lievelingsvoedsel uitmaken. Daar de smaakzin hierbij niet in ’t spel kan komen, moet deze verrassende uitkomst wel aan de werking van den reukzin toegeschreven worden.
Gemakkelijker dan over alle andere verrichtingen van zintuigen, behalve die van het tastzintuig, kunnen wij een denkbeeld verkrijgen van den omvang van den smaakzin, omdat wij met zekerheid kunnen beweren, dat dit vermogen zoo goed als geheel ontbreekt. Dit blijkt zoowel uit het maaksel van de tong als uit proeven, die met levende dieren genomen zijn. Aristoteles, overigens zulk een uitmuntend waarnemer, had ongelijk, toen hij beweerde, dat de Slangen de grootste lekkerbekken zijn onder de dieren; even onjuist is zijn mededeeling, dat zij bij ’t gebruik van wijn geen maat houden en zich bedrinken. Waarschijnlijk doet men de Slangen geen onrecht aan door aan te nemen, dat zij onder de zoo laag ontwikkelde Reptiliën de laagst ontwikkelde zijn. Hoewel zij bij haar jacht een zekere list toonen, jegens vijanden zich soms schijnbaar verstandig, jegens haar verzorger eenigszins voorkomend gedragen, openbaren zij echter in geen enkele omstandigheid meer verstand dan andere Kruipende Dieren: zij zijn niet slechts stompzinnig, maar ook stomp van geest.
In alle werelddeelen komen Slangen voor, in het eene echter veel meer dan in het andere. De wetten, volgens welke de verbreiding der overige Reptiliën plaats heeft, gelden ook voor haar: hoe hooger de breedtegraad is, des te schielijker neemt zoowel het aantal soorten als het aantal individuen af; deze getallen zijn echter voor verschillende plaatsen, die op denzelfden breedtegraad liggen, volstrekt niet gelijk.
Van de 635 soorten van Slangen, die Günther in het jaar 1858 opnoemde, leven 40 in het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld, 80 in ’t Ethiopische Rijk, 240 in het Oostersche, 50 in het Australische, 75 in het Noord-Amerikaansche en 150 in het Zuid-Amerikaansche Rijk.
Behalve een rijkelijke voeding, verlangen de Slangen geschikte rust- en schuilplaatsen en vermijden daarom gewesten, waar zij deze niet vinden. Over ’t algemeen kan men ook van de Slangen zeggen, dat zij des te talrijker zijn in een streek, naarmate deze meer afwisseling aanbiedt. Zelden komt het voor, dat zij in een gewest geheel ontbreken; zij bewonen de woestijn zoowel als het woud, bergstreken zoowel als vlakten. Een vochtige warmte bevalt haar beter dan droge hitte; toch bieden zij ook hieraan beter weerstand dan men zou verwachten. Het gemis van pooten belet haar niet een geschikte verblijfplaats te bereiken: deze op den vlakken grond, gene op steile hellingen, sommige in moerassen, andere in het water van meren en rivieren, eenige in de zee, enkele zelfs onder den grond, niet weinige in boomkronen. Het oord, waar zij zich eens gevestigd hebben, verlaten zij niet licht, met andere woorden, hare omzwervingen blijven tot een zeer klein gebied beperkt. Wel doen ook zij soms kleine reizen, trekken over rivieren en andere wateren om zich aan den tegenovergestelden oever of op eilanden te vestigen, begeven zich uit het woud of uit de steppe naar dorpen en steden, over ’t algemeen echter houden zij niet van omzwerven, maar kiezen zich een standplaats, bij voorkeur zulk een, die een geschikte schuilplaats bevat; in den omtrek loeren zij op buit. Er is eenige reden om aan te nemen, dat zij alleen gedurende den paartijd en bij ’t naderen van den winter zich vrijwillig van haar standplaats verwijderen. Tot het verlaten van de door haar bewoonde streek worden zij gedwongen, wanneer hier veranderingen plaats vinden, waardoor zij hare schuilhoeken verliezen of de gelegenheid om te jagen of de mogelijkheid om zich door de zon te laten verwarmen. In den regel houden ook zij zich ver van menschelijke woningen op; dit geschiedt echter alleen, omdat de mensch haar door vervolging uit de nabijheid van de door hem bewoonde oorden verdrijft; want, wel verre van de nabuurschap van haar aartsvijand te vreezen, dringen zij zich dikwijls op zeer ongewenschte wijze aan hem op. Ook bij ons ontmoet men niet zelden Slangen in tuinen midden in steden; dikwijls is het moeielijk te verklaren, hoe zij er gekomen zijn; misschien zijn zij ontgleden aan Ooievaars op weg naar hun nest, of met een lading brandhout overgebracht. In zuidelijke streken brengen zij zeer tegen den zin van de bewoners soms bezoek aan de huizen. Vooral de Slangen, die een nachtelijke levenswijze hebben, dus juist de gevaarlijkste, zijn hierdoor dikwijls buitengewoon lastig.
In landstreken, die het geheele jaar nagenoeg hetzelfde uitzicht vertoonen, kunnen de Slangen voortdurend ongeveer op dezelfde wijze hare behoeften bevredigen; deze oorden moeten haar een voldoende hoeveelheid voedsel, een prettige temperatuur en water om te baden leveren. Een natuurlijk gevolg hiervan is, dat zij het geheele jaar door ongeveer dezelfde levenswijze hebben. Deze zal daarentegen afwisseling vertoonen overal, waar een merkbaar verschil tusschen de jaargetijden bestaat. In alle gewesten, die een kouden winter of een heet en droog seizoen hebben, zijn de Slangen genoodzaakt zich tegen den invloed van de koude of van de droogte te beschutten. Alle Slangen, die het noordelijk deel van onzen gematigden gordel bewonen, zoeken vóór den aanvang van den winter diepe schuilhoeken op en brengen hier het ongunstig jaargetijde in verstijfden toestand door. Hetzelfde verschijnsel komt voor in de landen onder den keerkring, misschien alleen bij die soorten, welke, zoo niet in ’t water, dan toch in vochtige oorden leven en last hebben van de droogte. Enkele soorten komen bijeen om in elkanders gezelschap winterslaap te houden; misschien geschiedt dit alleen, omdat geschikte schuilhoeken schaars en moeielijk te vinden zijn, zoodat eenige weinige slaapplaatsen voor verscheidene, over een bepaald gebied verstrooide Slangen moeten dienen.
Bij warm, stil weder ziet men op onze breedte in Maart weder Slangen, die haar winterkwartier verlaten hebben om zich door de zon te laten verwarmen en waarschijnlijk ’s avonds weer naar denzelfden schuilhoek terugkeeren. Aan jacht en voortplanting denken zij dan echter nog niet, want hun eigenlijk zomerleven vangt eerst in het begin van April aan. Toen zij zich in den herfst ter ruste begaven, waren zij vet; als zij in de lente weer te voorschijn komen, is ongeveer de helft van haar vet verbruikt.
Verreweg de meeste niet-vergiftige Slangen zijn dagdieren, vele van de verdachte Groeftandige Slangen en nagenoeg alle Gifslangen daarentegen nachtdieren. De eerstgenoemde zoeken, zoodra de duisternis invalt, hare schuilhoeken op, brengen hier in trage rust den nacht door en komen eerst geruimen tijd na zonsopgang weer voor den dag. Hoewel de Gifslangen zich over dag dikwijls vertoonen, verkeeren zij dan steeds in een toestand van slaperige rust; zij beginnen hare werkzaamheden eerst, als de avondschemering aanvangt. Wanneer men op plaatsen, waar Gifslangen veelvuldig voorkomen, des nachts een vuur aansteekt, zal het spoedig blijken, dat het adderengebroedsel tot de nachtdieren behoort. Van alle kanten komt het op het schijnsel van ’t vuur af, zoodat de jager, die zich over dag te vergeefs beijverde om op deze plaats een enkele Adder, Aspis of Zandadder te vangen, ’s nachts een rijken buit kan verkrijgen. Ieder, die Gifslangen in gevangenschap houdt, ondervindt, dat deze dieren, zoo niet uitsluitend, dan toch in den regel ’s nachts eten, dat zij vrijwillig niet anders dan ’s nachts werkzaam zijn en op roof uitgaan.
Zonder eenige uitzondering voeden alle Slangen, welker levenswijze men heeft leeren kennen, zich met andere dieren, hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend, met die, welke door henzelf gevangen of gedood zijn. De wijze, waarop zij haar buit overmeesteren, is zeer verschillend. Sommige, waarschijnlijk wel de meeste, gaan op de loer liggen en overvallen plotseling het slachtoffer, dat in de nabijheid komt; zij brengen het een doodelijken beet toe en wachten, totdat de werking van het gif zich openbaart, of vatten de prooi en verslinden haar, soms dadelijk, soms nadat zij haar vooraf hebben doodgedrukt.
Al naar de soort en de grootte der Slangen zijn de dieren, waarop zij jacht maken, zeer verschillend. Naar men zegt, kunnen de reuzen uit deze onderorde werkelijk dieren ter grootte van een Ree verzwelgen: Falkenstein en Pechuel-Loesche b.v. haalden uit het lichaam van een door hen geschoten Python een nagenoeg volwassen Draaihoorn-antilope, die wel is waar, tot ieders bevreemding, den kop miste, maar waarvan overigens geen enkel been gebroken was. De overige Slangen zijn met een kleineren buit tevreden en verslinden vooral Knaagdieren, kleine Vogels, allerlei Reptiliën (de Schildpadden misschien uitgezonderd) en Visschen; de lagere dieren dienen waarschijnlijk alleen tot voedsel aan de Worm-, Dwerg- en Dikkopslangen en misschien aan de jongen van verscheidene soorten, die op lateren leeftijd op Gewervelde dieren jacht maken. Hoewel het aantal gegevens over de voeding der Slangen nog zeer onvoldoende is, mag men het er voor houden, dat iedere soort in meerdere of mindere mate de voorkeur geeft aan een bepaalde diersoort en zich, zoo mogelijk, geheel tot deze bepaalt. Dat enkele Slangen vogeleieren eten, wordt reeds bericht door Plinius, wiens mededeelingen door later waargenomen feiten gedeeltelijk bevestigd worden. Hieruit blijkt ten duidelijkste, dat sommige Slangen werkelijk eieren stelen, wegvoeren, verzwelgen, in hun lichaam stukdrukken en verteren. Vooral de Afrikaansche Keeltandslangen, de Eiervreters van de Nederlandsch sprekende kolonisten (Dasypeltis scaber), en de leden van het Indische geslacht Elachistodon zijn, naar het schijnt, geheel voor het gebruiken van dit voedsel ingericht. Hare tanden zijn rudimentair, maar de onderste doornuitsteeksels van de voorste wervels hebben een merkwaardige wijziging ondergaan. Bij beide geslachten zijn deze uitsteeksels buitengewoon sterk verlengd en eindigen in een naar voren gericht, met email overtrokken, tandvormig haakje, welke haakjes ten getale van omstreeks zeven het met hen vergroeiende deel van den slokdarm doorboren en zoodoende een rij van echte slokdarmtanden vormen, die bij geen ander dier voorkomen. Zoodra het ei in dit deel van het spijskanaal doorgedrongen is, verkeert de bek reeds weer in gesloten toestand, zoodat van den vloeibaren inhoud van den nu verbrijzelden dop niets verloren kan gaan. Behalve Gewervelde Dieren, eten sommige Slangen ook ongewervelde, enkele misschien zelfs Weekdieren en Schaaldieren.
Tot in den laatsten tijd hebben zelfs natuuronderzoekers niet geschroomd de uitdrukking „betoovering” te gebruiken voor de wijze, waarop de Slangen een buit bemachtigen. Men heeft n.l. opgemerkt, dat sommige dieren, b.v. Muizen en Vogels, geen vrees toonen, als zij Slangen naderen en hierdoor gemakkelijk gevangen worden; ook heeft men gezien, dat Vogels met kenteekenen van den grootsten schrik om Slangen fladderden, die hun kroost of henzelf bedreigden, ten slotte een verkeerde beweging deden en eveneens gegrepen werden. Daar nu, zoo schijnt men geredeneerd te hebben, het instinct, waardoor het dier gewaarschuwd wordt tegen de gevaren, die het bedreigen, in beide gevallen gefaald heeft, moet het genoemde verschijnsel aan de werking van een bovennatuurlijke kracht toegeschreven worden. Deze onderstelling heeft in ’t geheel geen reden van bestaan; wel zijn de feiten op zich zelf beschouwd juist, maar de daaruit afgeleide gevolgtrekkingen deugen niet. Uit mijne tallooze herhaalde waarnemingen blijkt de ware toedracht van de zaak; zij komt eenvoudig hierop neer, dat de dieren het groote gevaar, waarmede de Slang hen bedreigt, niet kennen. Niet ieder Zoogdier—zij het een onnoozel Konijn of een oude geslepen Rat—, niet iedere Vogel—zelfs niet altijd de wantrouwige, door vele ervaringen wijs geworden Musch—weet wat een Slang is. Indien zij al op haar letten, naderen zij haar plomp nieuwsgierig, bekijken of besnuffelen haar, laten toe, dat de Slang haar met de tong betast en deinzen eerst dan een weinig terug, als dit orgaan haar op de een of andere gevoelige plaats krieuwelt. Oude sterke Ratten, die men bij groote Slangen brengt, toonen volstrekt geen vrees, maar geven soms een bewijs van driestheid, dat men van haar niet verwacht zou hebben. Een Rat, die ik aan een gevangen Ratelslang als slachtoffer aanbood, bekommerde zich in ’t geheel niet om het dreigende geratel en gesis van de Slang, maar vrat, toen zij honger kreeg, een gat in het lichaam van het vergiftige dier, dat hierdoor ellendig om ’t leven kwam. Een andere, even ongedwongen verklaring kan gegeven worden van het angstig fladderen van verscheidene Vogels om hun nest, wanneer zij een Slang zien naderen. Iedere natuuronderzoeker weet, dat zwakke Vogels in zulke gevallen dikwijls gebreken veinzen en hiermede in den regel iederen niet bijzonder ervaren vijand, zelfs den verstandigen mensch, om den tuin leiden. Het zullen verschijnselen van dezen aard zijn geweest, die men aan „betoovering” heeft toegeschreven.
Daar de Slangen haar voedsel niet verscheuren en soms dieren verslinden, die tweemaal zoo dik zijn als haar kop, wordt voor het verzwelgen van den buit een aanzienlijke krachtsinspanning vereischt en heeft deze verrichting langzaam plaats. Bijna altijd pakken zij den buit bij den kop aan, houden hem met de tanden vast, schuiven de eene zijde van den kop vooruit, slaan de haakvormig naar achteren gekromde tanden een eind verder weer in de prooi, handelen vervolgens op dezelfde wijze met de zooeven voor het vasthouden dienende helft van den kop, welker taak intusschen door de andere wordt vervuld en halen op deze wijze, beurtelings met de linker en met de rechter tandenreeksen, haar buit verder naar binnen, totdat deze geheel en al door het keelgat gestuwd is. De buitengewoon groote drukking brengt een zeer overvloedige afscheiding van speeksel teweeg; dit vergemakkelijkt de beweging van de prooi door de mondholte, die allengs tot de uiterste grenzen van rekbaarheid wordt uitgezet. Gedurende het verzwelgen van een zeer grooten buit wordt de kop op wanstaltige wijze uitgezet en ieder been van het kaakskelet zoo ver mogelijk verschoven; zoodra echter de prooi er door is, herkrijgt de kop spoedig zijn gewonen vorm. Het gebeurt wel eens, dat Slangen dieren grijpen en trachten te verslinden, welker omvang voor haar ongeloofelijk rekbaar kaakskelet te groot is; in dit geval liggen zij uren lang op dezelfde plaats met den buit in den bek, de luchtpijp zoover naar voren bewogen, dat de ademhaling ongehinderd kan plaats hebben. Soms zijn al hare pogingen vruchteloos en gelukt het haar niet de prooi door te slikken; dan verwijderen zij de tanden weer uit haar slachtoffer en werpen dit weg door den kop te schudden. Geheel onjuist is de bewering, dat de Slang den eens gegrepen en verzwolgen buit niet meer kan uitspuwen en soms aan een te groot stuk stikt.—De Gifslangen pakken haar slachtoffer eerst, nadat het bezweken is, met de kaken aan; zij doen dit dan met een zekere voorzichtigheid, men zou bijna geneigd zijn van teederheid te spreken. Bij het doorslikken gebruiken zij hare giftanden niet, maar leggen deze zooveel mogelijk tegen het gehemelte aan, door de bovenkaaksbeenderen, die de giftanden dragen, naar achteren te draaien; de onderkaakshelften spelen in dit geval bij het doorslikken de hoofdrol.—De spijsvertering geschiedt langzaam, maar is zeer krachtig. De onverteerbare overblijfselen van de prooi, vooral veeren en haren, worden door de kloak verwijderd, slechts in enkele omstandigheden, waarschijnlijk alleen door zwakke of ziekelijke Slangen, als ballen uitgespuwd. De Slangen verzwelgen een groote hoeveelheid voedsel te gelijk, maar kunnen daarna weken en zelfs maanden lang vasten.
Duméril, die zijn geheele leven aan de studie van de Slangen wijdde, greep eens op een wandeling een Adder, in de meening dat hij een onschadelijke Adderkleurige Zwemslang (Tropidonotus viperinus) voor zich had; hij werd gebeten en verkeerde verscheidene dagen in levensgevaar. Dit feit kan niet genoeg in herinnering gebracht worden, omdat het duidelijk bewijst, hoe onbetrouwbaar de uitwendig waarneembare kenmerken ter onderscheiding van vergiftige en niet-vergiftige Slangen kunnen zijn. Het is onmogelijk, door uitwendig onderzoek iedere Gifslang, zonder kans op vergissing, als zoodanig te herkennen. Dit geldt echter niet voor alle soorten of familiën; daar de Zeeslangen, Ratelslangen en Adders ook uitwendig tot op zekere hoogte kenbaar zijn; maar juist de Gewone Adder, die het geoefende oog van een onderzoeker als Duméril bedroog, behoort tot het laatstgenoemde geslacht! Deze opmerking moet noodzakelijk aan een beschrijving van de Slangen voorafgaan, om hen, die zich met de studie van de Slangen willen bezighouden, tegen het roekeloos aanvatten van deze gevaarlijke dieren te waarschuwen.
Als men bedenkt, hoe groot het aantal menschen is, die ieder jaar door Gifslangen hun leven verliezen, hoe vele, zelfs, in onze streken, aan haar een langdurige ziekte te wijten hebben, begrijpt men den schrik, dien ieder onervaren mensch bij het zien van een Slang bevangt; dan worden ook de over Slangen handelende verhalen, sagen en fabels, die bij volken uit vroegeren en lateren tijd voorkomen, ons duidelijk. Vooral uit tropische gewesten komen dikwijls schrikbarende berichten over sterfgevallen tengevolge van slangenbeten. Volgens statistische bescheiden verliezen alleen in Indië ieder jaar nagenoeg 20.000 menschen door deze Reptiliën het leven. Deze groote getallen schijnen evenwel geloofwaardiger dan zij zijn. In werkelijkheid zijn zij het uitvloeisel van een mystificatie op groote schaal. Mannen, die als onderzoekers en jagers een grondige bekendheid met Indië hebben opgedaan, weten geen mededeelingen te doen, die eenige bevestiging, hoe onvolledig dan ook, van de bedoelde officieele opgaven leveren kunnen. R. Garbe verhaalt, dat er, nadat hij in de eerste dagen van zijn verblijf in Indië eenige Gifslangen had gezien, meer dan een jaar voorbijging, voordat hij op zijne tochten er weer eens een ontmoette, die hij met een stokslag doodde. Van de gevreesde dieren in Indië in ’t algemeen sprekend, zegt hij eenvoudig: „Al deze dieren zijn in de werkelijkheid niet zoo boosaardig als in de boeken over natuurlijke geschiedenis.” Geloofwaardige geneeskundigen op Java, Sumatra en Hongkong, waarheidslievende planters en reizigers in Nederlandsch-Indië, Cochinchina, Kambodsja en op Ceylon hebben schriftelijk en mondeling verklaard, dat de genoemde statistieke opgaven onjuist zijn en dat daaraan niet de geringste bewijskracht kan worden toegekend.
Waarschijnlijk zal men in andere landen, waar de Gifslangen talrijk zijn, door dergelijke nasporingen, als op Java verricht werden, zoo niet tot gelijke, dan toch tot weinig afwijkende uitkomsten geraken. Dit blijkt o.a. uit hetgeen door Tschudi van Brazilië, door Hasse, Büttikofer, Pechuel-Loesche en anderen van Afrika, door Mackleay van Australië bericht wordt. Allen verklaren eenstemmig, dat het gevaar van door vergiftige Slangen gebeten te worden in deze deelen van haar verbreidingsgebied betrekkelijk gering is.
Bij alle verscheidenheid van vorm, lichaamsbouw en levenswijze hebben de Gifslangen in hare giforganen een kenmerk, waaraan zij zonder fout—en door eenigermate geoefende onderzoekers ook met vrij geringe moeite—van de niet-vergiftige Slangen onderscheiden kunnen worden. Alle hebben n.l. aan de bovenkaak groote, doorboorde tanden, die bij sommige alleenstaan, bij andere van kleinere, massieve tanden vergezeld zijn. Bij de over dag werkzame Gifslangen is deze giftand steviger aan het bovenkaaksbeen bevestigd, dan bij die, welke ’s nachts wakker zijn; bij deze, zoowel als bij gene is hij echter niet met een wortel, maar slechts door verbeenend bindweefsel met het bovenkaaksbeen verbonden. De giftand zelf kan eigenlijk niet bewogen worden: dat de Adders hem tegen het gehemelte aanleggen kunnen, is een gevolg van de beweeglijkheid van het bovenkaaksbeen, dat stevig aan den tand is vastgehecht. In den regel is aan iedere zijde van de bovenkaak slechts één giftand volkomen ontwikkeld. Daar er echter aan elk bovenkaaksbeen steeds verscheidene (1 à 6) meer of min volledig ontwikkelde reserve-tanden gevonden worden, kan het voorkomen, dat twee van deze, in elke groeve één, op denzelfden trap van ontwikkeling verkeerend, te gelijker tijd in functie treden. De reserve-tanden zijn niet stevig aan het been gehecht; de meest ontwikkelde is altijd het naast bij en achter den giftand geplaatst. Aan weerszijden van den giftand merkt men een vliezige plooi van het tandvleesch op, waardoor een scheede wordt gevormd, welke den tand omsluit, wanneer de kaken in den toestand van rust verkeeren. Van alle overige tanden onderscheiden de giftanden zich door hun aanzienlijker grootte en duidelijk priemvormige gedaante; bij alle Gifslangen zijn zij volgens hetzelfde grondplan gebouwd. Behalve een bij den oorsprong aanwezige, aanvankelijk met een bloedrijk weefsel gevulde holte, die voor de voeding van den tand dient en bij alle slangentanden zonder uitzondering voorkomt, bevat iedere giftand nog een overlangsch kanaal, dat steeds aan de bolle voorzijde van den tand gelegen is en hier twee openingen vertoont. De eene opening, die een afgeronden vorm heeft, bevindt zich dicht bij de basis van den tand. Wanneer bij het openen van den bek het bovenkaaksbeen, en hierdoor ook de giftand, opgericht wordt, komt de bedoelde opening van het gifkanaal tegenover het einde van de afvoerbuis van de gifklier te liggen, waardoor het gif in den hollen tand zal doordringen; de onderste opening, die boven de spits van den giftand ligt, is spleetvormig. Bij de meeste Gifslangen zijn deze beide openingen door een fijne spleet met elkaar verbonden en is het gifkanaal van voren dus niet geheel gesloten; bij de overige soorten is het gifkanaal volkomen gesloten en wordt de spleet hoogstens door een fijne lijn vervangen. Hiernaar onderscheidt men „gevoorde” en „gladde” giftanden. Deze wapens hebben, al naar de soort en de grootte van het individu, een verschillende lengte; alle Gifslangen, die over dag jagen, bezitten betrekkelijk kleine, alle, die een nachtelijke levenswijze hebben, betrekkelijk groote giftanden. Bij onze Adder bereiken de giftanden een lengte van 3 à 4, hoogstens van 5 mM., bij de Lanskopslang worden zij 25 mM. lang. Zij zijn zoo hard en broos als glas, maar buitengewoon spits, en dringen daarom even gemakkelijk als een scherpe naald in zachte voorwerpen, zelfs in zacht leer door; van harde glijden zij daarentegen dikwijls af, of breken, wanneer de stoot, die de Slang er mee toebrengt, krachtig is. Als een van deze tanden verloren is gegaan, komt de onmiddellijk daarachter gelegen reserve-tand er voor in de plaats; zulk een wisseling schijnt echter ook zonder eenige uitwendige oorzaak met een zekere regelmatigheid plaats te vinden, ieder jaar éénmaal, misschien vaker.
Iedere gifklier scheidt een betrekkelijk geringe hoeveelheid vocht af: die van een bijna 2 M. lange Ratelslang hoogstens 4 à 6 druppels; een klein gedeelte van zulk een druppel is trouwens voldoende om in het bloed van een groot Zoogdier binnen weinige minuten een noodlottige verandering teweeg te brengen. De gifklier is overvuld met gif, wanneer de Slang in geruimen tijd niet gebeten heeft; het gif heeft in dit geval een krachtiger werking dan wanneer de voorraad gif gering is; het vernieuwen van den verbruikten voorraad heeft echter zeer schielijk plaats; ook het versch bereide gif is in de hoogste mate schadelijk.
Het gif zelf kan met speeksel vergeleken worden, of verdient dezen naam geheel; het is zoo helder als water, dun, doorzichtig, licht geelachtig of groenachtig van kleur; het zakt naar den bodem, wanneer het bij water wordt gevoegd, maar vermengt zich er ook wel mede tot een zwak troebele vloeistof; het kleurt blauw lakmoespapier rood en heeft dus een zure reactie. Het bevat, volgens Mitchell’s onderzoekingen, een eiwitachtige stof (het werkzame bestanddeel), een dergelijke stof van gecompliceerder samenstelling, die geen werking uitoefent, een gele kleurstof en een niet nader te bepalen bestanddeel, voorts vet en vrij zuur en eindelijk zouten, waarin een zeker gehalte aan chloor en phosphorus. Het gif verdroogt gemakkelijk; het vormt een vaste korst, wanneer het op een voorwerp wordt gestreken en gelijkt dan op een glanzig vernis; jaren lang behoudt het zijne noodlottige eigenschappen.
In de laatste jaren hebben Weir Mitchell en E. Reichert talrijke proeven met slangengif genomen. Volgens hen is de behandeling van de wonde met overmangaanzure kali de beste geneeswijze; in mindere mate zijn voor dit doel ijzerchloride en jodiumtinctuur aan te bevelen; ook door het gebruik van bromiumpreparaten werden goede uitkomsten verkregen. De plaatselijke verschijnselen na den beet zijn meestal buitengewoon hevig: in de eerste plaats heeft een sterke zwelling plaats door het uittreden van vocht of bloed uit de haarvaten; hierop volgen ettering en koudvuur. Bij een langzamer verloop zijn ook aan andere lichaamsdeelen zeer duidelijk vergiftigings-verschijnselen waar te nemen; de overgang van bloed uit de haarvaten in het celweefsel strekt zich zeer ver over het geheele lichaam uit en gelijkt op dien, welke in sommige gevallen van bloedvergiftiging optreedt. Men heeft opgemerkt, dat dit bloed de eigenschap van te stollen verloren heeft en dat de roode bloedlichaampjes eigenaardige veranderingen ondergaan hebben.
De dood door slangengif kan volgens de bedoelde onderzoekers op verschillende wijzen verklaard worden; de oorzaak kan zijn een verlamming van die deelen der hersenen, welke de ademhaling regelen, of een hartverlamming, of bloeduitstorting in het verlengde merg, misschien ook wel een groote verandering van de roode bloedlichaampjes.
Slechts wanneer de maag ledig is, wordt het ingeslikt gif in het bloed opgenomen; gedurende de spijsvertering evenwel wordt het door de werking van het maagsap onschadelijk gemaakt.
Welke bloedontledende stof eigenlijk in het slangengif aanwezig is, weet men nog niet, hoewel hierover verscheidene onderzoekingen zijn ingesteld; onze kennis van het gif bepaalt zich tot zijn uitwendig voorkomen en zijn werking.
In ’t algemeen kan hiervan nog gezegd worden, dat de vergiftigings-verschijnselen des te heviger zijn, naarmate de Slang grooter en de temperatuur van de omgeving hooger is; bovendien bestaat er eenig onderscheid tusschen de werking van het gif van verschillende Slangen. Hoe sneller en volkomener de bloedsomloop van het gebeten dier is, des te schielijker openbaren zich de gevolgen van den beet; warmbloedige dieren blijven na zulk een verwonding minder dikwijls gespaard en sterven na een korter tijdsverloop dan Reptiliën, Amphibiën of Visschen; de ongewervelde dieren schijnen er minder nadeel van te ondervinden. Twee Gifslangen van dezelfde soort kunnen elkander bijten, zonder dat er vergiftiging plaats vindt. Woedende Slangen bijten dikwijls zichzelf in den staart, zonder hierdoor te lijden. De uitslag is geheel anders, wanneer de vergiftige Slangen, die elkander bijten, tot verschillende soorten behooren; in een dergelijk geval heeft het gif op de slachtoffers in vele gevallen dezelfde uitwerking als op andere dieren.
Naar men beweert, zijn enkele Zoogdieren en Vogels tegen de werking van het slangengif op een voor ons onbegrijpelijke wijze bestand; o.a. wordt dit van den Mol, den Bunzing en den Egel bericht. Het is echter zeer de vraag, of de gevolgtrekkingen, die uit de talrijke proeven van den slangenkenner Lenz afgeleid worden, werkelijk op goede gronden berusten; daar nieuwere proeven—b.v. die, welke door C. Struck bij Egels genomen zijn—lijnrecht tegenovergestelde uitkomsten opleverden. Een Egel, die door een Gifslang aan de lip gebeten werd, bezweek. De Mungo, die ook tegen slangengif bestand heet te zijn, zal wel degelijk sterven aan de gevolgen van een flinken beet.
Over ’t algemeen openbaart de werking van het slangengif zich bij alle dieren min of meer op dezelfde wijze, hoewel de verschijnselen, die op den beet volgen, verschillen kunnen of althans ongelijk schijnen te zijn. Daar ook in onzen tijd ongelukkig maar al te vaak gevallen van vergiftiging van menschen door Slangen voorkomen, zijn wij niet alleen met de zichtbare gevolgen van den beet, maar ook met het lijden en de gewaarwordingen van den vergiftigde nauwkeurig bekend. Op het oogenblik van de verwonding gevoelt het slachtoffer gewoonlijk een hevige, onvergelijkelijke pijn, die snel als een elektrische schok door het geheele lichaam trekt; in vele gevallen echter komt in zoover het tegendeel voor, dat de gebetene een gewaarwording krijgt, alsof hij zich aan een doorn geprikt heeft. De onmiddellijk daarop volgende vermoeidheid in alle lichaamsdeelen, een buitengewoon snelle krachtsvermindering, aanvallen van duizeligheid en telkens herhaalde flauwten zijn de eerste onbedriegelijke kenteekenen van de plaats hebbende verandering van het bloed; zeer dikwijls komen brakingen voor (ook van bloed), bijna even dikwijls diarrhee, soms bloedingen uit mond, neus en ooren. De krachtsvermindering openbaart zich verder door een bijna onweerstaanbare slaperigheid en het merkbaar afnemen van de hersenwerkzaamheid; vooral de verrichtingen van de zintuigen worden veel zwakker, zoodat b.v. volslagen blindheid en doofheid kunnen optreden. Naarmate de krachten afnemen, vermindert het gevoel van pijn, zoodat, wanneer het einde van den vergiftigde nadert, deze geen pijn meer schijnt te gevoelen, maar in een doffe bewusteloosheid verzonken is. Niet altijd echter lijdt de patiënt op deze wijze: dikwijls wordt hij uren achtereen door de hevigste pijnen gekweld en is zijn zenuwstelsel zoo overprikkeld, dat iedere beweging, ieder gedruisch in zijn omgeving hem onverdragelijke smarten veroorzaakt. Op het erbarmelijk gejammer van den gebeten mensch, op het uren lang aanhoudend, klagend gehuil van den gebeten Hond, volgt ook dan een toestand van bewusteloosheid, waarin de lijder betrekkelijk kalm den laatsten adem uitblaast.
Geen der tallooze geneesmiddelen, waarvan men bij vergiftiging door slangenbeten gebruik maakt of maakte, kan de veranderingen tegengaan, die het gif, wanneer het eens in den bloedstroom is opgenomen, in het bloed en in de centrale deelen van het zenuwstelsel teweegbrengt. Gerust kan men de talrijke tegengiften, waarop men vroeger vertrouwde, terzijdestellen. Volgens Weir Mitchell’s zeer nauwgezette onderzoekingen geldt dit ook voor den alcohol. „Het eerste uitwerksel van het slangengif, de plotselinge vermindering van de hartwerking, gaf aanleiding den patiënt het gebruik van groote hoeveelheden alcoholische dranken aan te bevelen, hoewel door dit middel geen der overige, veel schadelijker gevolgen van het venijn worden tegengegaan. Ondanks de algemeen heerschende meening, dat alcohol bij personen, die door Slangen gebeten zijn, een gunstigen invloed oefent, is het thans vrij wel uitgemaakt, dat vele van deze patiënten bezweken zijn door de werking van den alcohol, die hun als geneesmiddel gegeven werd. Er zijn gevallen bekend van menschen, die terwijl zij smoordronken waren door het gebruik van brandewijn, door vergiftige Slangen gebeten werden, en toch door de werking van het gif bezweken.” „Van groot nut bij de behandeling van dergelijke verwondingen zijn alle maatregelen, waardoor de verspreiding van het gif door het geheele lichaam wordt tegengegaan of althans vertraagd. Uit vele gevallen van genezing blijkt, dat er in het organisme werkingen plaats vinden, die het vergiftigde bloed vernieuwen en de beschadigde weefsels herstellen. Dikwijls is mij gevraagd, wat ik zou doen, indien ik door een vergiftige Slang gebeten werd en niet onmiddellijk hulp kon krijgen. In bepaalde gevallen, b.v. als de verwonding aan den vingertop plaats had, zou ik niet aarzelen mij van het vergiftigde lichaamsdeel te ontdoen door amputatie of de wonde met een gloeiend ijzer uitbranden. Indien dit niet kan geschieden, is het raadzaam om, terwijl er hulp gezocht wordt, het gif tot het gebeten lichaamsdeel te beperken, door boven de wonde, dus op een nader bij den romp gelegen plaats, twee banden aan te brengen, die stijf genoeg aangehaald worden, om de circulatie van het bloed te verhinderen. Om de verzwakking van de hartwerking tegen te gaan en den patiënt in staat te stellen, naar huis terug te keeren, kan het op dit tijdstip nuttig zijn van een alcoholischen prikkel gebruik te maken. Ten spoedigste moet de wonde behandeld worden met middelen, die het venijn vernietigen, waarvoor een oplossing van overmangaanzure kali in water aanbeveling verdient. Door de weefsels te drukken en te kneeden, wordt het in aanraking komen van het venijn met het tegengif bevorderd. Tevens is het noodig, de banden losser te maken om het koudvuur te voorkomen. Natuurlijk zal dan eenig venijn in den bloedstroom kunnen geraken; maar na weinige oogenblikken zal men opnieuw de banden kunnen toehalen en moet men nogmaals het plaatselijk werkend tegengif aanwenden. Als een dergelijk middel niet of eerst na geruimen tijd beschikbaar is en de wonde een groote hoeveelheid venijn bevat, kunnen alleen het mes en het gloeiend ijzer afdoende hulp verschaffen. Bemoedigend is echter de herinnering, dat in Amerika een slangenbeet zelden doodelijke gevolgen heeft. Van 9 Honden, die door 9 verschillende Gifslangen gebeten werden, bezweken slechts 2.” Het uitzuigen van de wonde heeft dit voordeel, dat het onmiddellijk kan geschieden; de lijder of ieder ander, die deze bewerking verricht, moet echter zeker zijn van de afwezigheid van wondjes, hoe onbeduidend ook, in de mondholte; daar hierdoor het gif in het bloed zou kunnen doordringen. Te sterk zuigen kan bloeding van het tandvleesch veroorzaken en op deze wijze voor den helper gevaarlijk worden. Volgens Kaufmann verdient bij adderbeten het inspuiten van een 1-percents oplossing van chroomzuur in de wonde de voorkeur boven de (door Lacerda Filho te Rio de Janeiro aanbevolen) 1-percents oplossing van overmangaanzure kali, ofschoon ook deze een nuttige werking scheen te hebben. Op Braziliaansche plantages wordt van het laatstgenoemde middel tegen slangenbeten een dosis van 1½ à 4 cM3 ingespoten, al naar het geval meer of minder ernstig schijnt, naar men zegt, met goed gevolg. In den laatsten tijd wordt voor de behandeling van adderbeten, behalve een oplossing van overmangaanzure kali (2 percent), ook carbol (5 percent) aanbevolen.
Alle Slangen drinken, sommige zuigend, met volle teugen, onder duidelijk zichtbare bewegingen der kaken, andere door met de tong water of dauwdroppels op te nemen, of althans de tong er mede te bevochtigen. Verscheidene soorten verkwijnen zichtbaar en bezwijken ten slotte, wanneer zij geen water krijgen; andere daarentegen schijnen de behoefte aan vocht dagen, ja zelfs maanden lang met eenige weinige druppels te kunnen bevredigen. Belangrijker nog dan het ruien voor het leven der Vogels, is voor het leven der Slangen de vervelling; deze werkzaamheid is een van de eerste, welke het jong na het verlaten van het ei verricht; door het volwassen dier wordt zij ieder jaar verscheidene malen herhaald. De vervelling neemt een aanvang met het losraken van de fijne, doorzichtige opperhuid van de lippen, waardoor een groote opening ontstaat. In de vrije natuur maken de Slangen gebruik van mos, heide en andere planten of van oneffenheden in ’t algemeen om haar „hemd” uit te trekken en loopt de vervelling zeer spoedig af; in de kooi moeten zij zich dikwijls lang tevergeefs inspannen, voordat zij haar doel bereikt hebben en komt het zelden voor, dat zij haar huid afwerpen, zonder deze te scheuren.
Volgens de nasporingen van Lenz heeft de eerste vervelling van de inheemsche Slangen tegen het einde van April of in het begin van Mei plaats, de tweede in ’t laatst van Mei en het begin van Juni, de derde in het laatst van Juni, de vierde in het einde van Juli en het begin van Augustus, de vijfde eindelijk van het einde van Augustus tot het begin van September. Iets dergelijks wordt van de Slangen in tropische gewesten bericht.—Weinige dagen na de eerste vervelling in de lente begint de voortplanting. Na ongeveer 4 maanden zijn de eieren, waarvan het aantal in den regel 6 à 40 bedraagt (bij de Reuzenslangen echter soms wel 100), voor ’t leggen geschikt; de moeder laat ze op een vochtige, warme plaats achter. Bij enkele soorten ontwikkelen de jongen zich in den eileider zoover, dat zij onmiddellijk na het leggen van het ei of reeds in het lichaam van de moeder de eischaal verbreken. Slechts van eenige Reuzenslangen is het bekend, dat zij hare eieren uitbroeden. Bij het verlaten van de eischaal worden de jongen niet door hun moeder geholpen; deze bekommert zich trouwens ook overigens weinig of niet om haar kroost. De Slangen groeien zeer langzaam, maar misschien wel gedurende geheel haar leven, op lateren leeftijd natuurlijk veel minder sterk dan in de jeugd. Waarschijnlijk kunnen zij zeer oud worden.
De Slangen spelen in de dierenwereld een zeer ondergeschikte rol. Eenige zijn ons nuttig door het vangen van Muizen en andere schadelijke Knaagdieren. Het voordeel, dat zij den mensch op deze wijze verschaffen, wordt ruimschoots opgewogen door de schade, die zij, althans de Gifslangen, aanrichten: voor den haat, waaronder de geheele onderorde te lijden heeft, bestaan zeer gegronde redenen. Het is te prijzen, wanneer men de onschadelijke Slangen niet met de vergiftige veroordeelt, vervolgt en doodt; de onderscheiding van de Gifslangen van hare niet-vergiftige verwanten vereischt echter zulk een nauwkeurige bekendheid met de geheele groep, dat het moeilijk te verdedigen zou zijn, niet-deskundigen aan te raden sommige Slangen te sparen. Wel is het geen moeielijke zaak de eenige inheemsche Gifslang van de beide, ons vaderland bewonende, onschadelijke Slangen te onderscheiden; in andere landen van West-Europa wordt echter een Slang aangetroffen, die zooveel op onze Adder gelijkt, dat zelfs de op dit gebied zeer ervaren Duméril, zich in de herkenning van de soort kon vergissen. In alle andere werelddeelen komen Slangen voor, waarvan men ook thans nog niet weet, of zij al dan niet vergiftig zijn. Ieder, die voor de onschadelijke Slangen in de bres wil springen, moet duidelijk doen uitkomen, dat het verzoek om deze dieren te sparen, geen andere dan inheemsche soorten betreft, daar het anders verkeerde gevolgen zou kunnen hebben.
De Slangen spelen een belangrijke rol in de sagen en bovenzinnelijke voorstellingen der volken. Niet slechts in de joodsch-christelijke overlevering, maar in de mythen van ieder volk treden zij op en wekken soms vrees en afschuw, soms liefde en vereering. De Slang gold als zinnebeeld van snelheid, van sluwheid, van de geneeskunde en zelfs van den tijd. Voorheen werd aan Slangen goddelijke eer bewezen en ook thans nog ontmoet men deze eeredienst bij eenige onbeschaafde volken. De Indiërs vereerden haar als zinnebeeld van wijsheid; voor andere volken waren valschheid, list en verleiding in haar belichaamd; nog andere beschouwden de Slangen als vertegenwoordigers van Goden. Daar haar goede en ook wel slechte eigenschappen werden toegedicht, stelde zij soms een god, soms een duivel voor. Men dichtte haar niet slechts eigenschappen toe, die zij niet bezitten, maar ook vleugels, pooten en andere haar ontbrekende lichaamsdeelen, een kroon op den kop en dergelijke tot tooi dienende aanhangselen; de phantasie hield zich meer met haar bezig dan het waarnemingsvermogen. Daar Slangen een buitengewonen indruk maken op de lichtgeloovige menigte, gaven kwakzalvers en ook geneeskundigen zich veel met deze dieren af. Plinius en andere Romeinsche (ook Grieksche) schrijvers vermelden verscheidene geneesmiddelen, tooverdranken en dergelijke artsenijen, waarvoor het lichaam of enkele lichaamsdeelen van verschillende Slangen de grondstoffen leverden. Aan de Grieken en Romeinen danken wij de uit Adders bereide pharmaceutische mengsels, die nog lang na de Middeleeuwen in gebruik zijn gebleven. Nog in de laatstverloopen eeuwen werden de tot het Addergeslacht behoorende Slangen bij honderdduizenden in Europa, vooral in Italië en Frankrijk, voor de apotheken ingezameld. Daar Europa niet genoeg Slangen kon leveren om aan de vraag naar dit artikel te voldoen, werden zelfs uit Egypte Gifslangen in zeer grooten getale aangevoerd. Reeds Antonius Musa, een beroemde arts ten tijde van Keizer Octavianus Augustus, gebruikte Adders als geneesmiddel. Andromachus van Kreta, de lijfarts van dezen keizer, vond het „theriacum” uit, dat nog in de vorige eeuw in bijna alle Europeesche apotheken bereid werd onder toezicht van pharmaceuten en geneeskundigen, die de talrijke, daarin voorkomende stoffen onderzoeken moesten. Vooral Venetië was wegens haar theriacum beroemd. Nog in den tegenwoordigen tijd wordt aan de geneeskracht van het addervet geloof geslagen; goede gevolgen had dit geloof in zoover, als het aanleiding gaf tot een ijverige jacht op Adders en veel bijdroeg tot vermindering van haar aantal.
Tot geruststelling van ieder, die voor Slangen bevreesd is, kan dienen, dat zij een zeer groot aantal vijanden hebben. Hier te lande maken Katten, Vossen, Marters, Bunzingen, Wezels, Egels en Zwijnen jacht op haar, in zuidelijker gewesten de Civetkatten, vooral de Mangoesten, in Zuid-Afrika ook sommige Hagedissen. Even krachtdadig worden zij vervolgd door Slangenarenden en Schreeuwarenden, Buizerden, Raven, Eksters en Gaaien, Ooievaars en andere Moerasvogels benevens hunne plaatsvervangers uit de Vogelklasse in warme landen. Als de uitmuntendste van alle slangenverdelgers wordt de Secretaris of Kraangier beschouwd; ook andere leden zijner orde ontwikkelen echter in deze richting een grooten ijver; vooral geldt dit van de Edel-, Tand-, Zing- en Slangenhaviken, van de Sperwerarenden, Berghanen, Giervalken, Koningsgieren en Raafgieren. Bovendien zijn vele Hoendervogels en Stapvogels niet gering te schatten als bondgenooten in den strijd tegen de Slangen. Zij alle verdienen de waardeering en de bescherming van den mensch; want voor ’t meerendeel verslinden zij, behalve Slangen, ook de door haar vervolgde schadelijke dieren; het nuttige deel van den arbeid der Reptiliën, die zij buiten staat stellen om kwaad te doen, wordt dus door hen overgenomen.
De meeste Slangen gewennen licht aan het leven in gevangenschap; vele verdragen dit jaren, andere althans maanden lang. Voor het welzijn is warmte, en meer bepaaldelijk vochtige warmte, een volstrekt vereischte; vooral mag in haar hok een bak met water, die als badinrichting dienst kan doen, niet ontbreken. In den eersten tijd moet men haar levende dieren als voedsel geven; als zij er zich aan gewend hebben deze te grijpen en te verslinden, gelukt het dikwijls ook wel, haar te leeren zich met doode dieren te behelpen, en zijn zij later zelfs met stukken vleesch tevreden.
Langzamerhand ontstaat er tusschen de Slangen en haar verzorger een zekere vriendschappelijke verhouding; zij nemen het voedsel aan, dat hij haar met de handen of met een tang voorhoudt, laten zich aanraken, opnemen, ronddragen en zelfs eenigermate africhten. Van werkelijke gehechtheid aan haar meester blijkt echter niets; eerder zou men nog van het tegengestelde gevoel kunnen spreken bij soorten, die sterk, of althans door het bezit van giftanden weerbaar, zijn. De verhouding van den mensch tot de prikkelbare, kwaadaardige Gifslangen, die hij gevangen houdt, wordt slechts bij uitzondering langzamerhand iets minder gespannen. Toch bijten deze dieren soms ook dan nog, als zij reeds maanden lang voor getemd werden gehouden; in ieder geval blijft de omgang met hen steeds gevaarlijk en vereischt zooveel voorzichtigheid, dat ik, op mijn ervaring afgaande, niemand aanraden mag, zich met hen in te laten.
De Wormslangen, zoo genoemd wegens haar vorm en levenswijze, wijken even sterk af van de overige Slangen als de Ringhagedissen van de overige Hagedissen; vroeger werden zij bij de laatstgenoemde onderorde gevoegd. Haar belangrijkste kenmerk is het bezit van tanden in slechts één van beide kaken—hetzij in de onderste, bij de Smalmuiligen (Stenostomidae), of in de bovenste, bij de Hagedisslangen (Typhlopidae)—en de ongeschiktheid van haar bek om verwijding te ondergaan. Steeds zijn bij haar overblijfselen van den heupgordel aanwezig. Men verdeelt ze in twee familiën (hierboven genoemd).
Bij de Hagedisslangen is de grens tusschen romp en kop onduidelijk, de staart kort, het oog klein, door een doorzichtig schildje overdekt, de tong duidelijk gevorkt. Kleine, rondachtige, gladde, dakpansgewijs geplaatste schubben bekleeden het lichaam, met uitzondering van het voorste deel van den kop, dat grootere schilden draagt. Deze familie is over de keerkrings-gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld verbreid; in het Noordelijke Rijk van de Oude wereld wordt zij door een gering aantal soorten vertegenwoordigd, die, naar het schijnt, uitsluitend, Zuidoost-Europa, West-Azië en Japan bewonen. Alle leven onder den grond als de Wormen, waarmede zij zich voeden en planten zich voort door betrekkelijk zeer groote, langwerpige eieren, welker aantal gewoonlijk gering is. De grootste soort, die men kent, wordt ongeveer 70 cM. lang en heeft een middellijn van 3 cM.
Bij het Zwakoog (Typhlops vermicularis), den eenigen Europeeschen vertegenwoordiger van zijn familie, hebben beide einden van het lichaam gelijke dikte; het onderscheiden van den snuit en den staart kost werkelijk moeite; daar men den mond voor de kloakopening zou kunnen houden, tenzij men acht geeft op de grootere schilden, die den afgeronden snuit bekleeden. Het oog schemert als een nauwelijks zichtbaar stipje door het oogschild heen. De kleur is meer of minder glanzig geelbruin, van boven donkerder, van onderen lichter; op den rug en den staart komt een teekening voor, bestaande uit een donkerbruin stipje op iedere schub bij de spits. Lengte hoogstens 33, dikte 0.8 cM.
Van de levenswijze van dit dier, dat in Griekenland en op verscheidene Grieksche eilanden, in Klein-Azië, Syrië, Steenachtig Arabië en de Kaukasuslanden aangetroffen werd, zijn tot dusver geen bijzonderheden van eenig belang bekend.
Sterk vertegenwoordigd is dit geslacht in het Oostersche en Australische Rijk. Als voorbeeld noemen wij Typhlops nigro-albus, een op de Soenda-eilanden levende soort, die door de Maleiers Oelar-balang (Bonte Slang) wordt genoemd. Snelleman noemt haar: „een klein, zeer beweeglijk Slangetje, dat op den grond voorkomt, maar ook opgerold ligt op de bladen van pisangboomen en andere laag bij den grond staande struiken. In Indië wordt deze soort algemeen als zeer schadelijk beschouwd en haar beet voor gevaarlijk gehouden, hoewel zij inderdaad zeer onschuldig is en zich met Insecten voedt.”
Zonder eenigen twijfel hebben de ouden met hunne Draken onze tegenwoordige Reuzenslangen bedoeld. De opmerkelijke grootte van deze dieren, hun spierkracht en de algemeen heerschende vrees voor iedere Slang maakt de overdrijving, waaraan de schrijvers der oudheid zich schuldig hebben gemaakt, verklaarbaar. Van een mensch, die zich bedreigd acht door verschrikkelijke monsters en zich te zwak gevoelt om hen te weerstaan, kan het ons niet bevreemden, dat hij aan de bedoelde wezens een veel aanzienlijker grootte toedicht dan zij werkelijk hebben, en zelfs ledematen, die niet bestaan. De zoogenaamde „aarsklauwen” der Reuzenslangen, die men thans als sporen van achterpooten heeft leeren kennen, werden door de ouden niet opgemerkt; daarentegen begiftigde de phantasie deze door hen zoo gevaarlijk geachte schepselen met vreemdsoortige pooten en wonderbaarlijke vleugels. Het wondergeloof der middeleeuwen breidde de attributen der Draken hoe langer hoe meer uit. In dien tijd was de herinnering aan de Reuzenslangen zoo goed als geheel verloren gegaan en ontwikkelden de onbepaalde voorstellingen der Oostersche sprookjes zich allengs tot gestalten, waarin het oorspronkelijk type bijna geheel onkenbaar is geworden.
Tot overdrijving waren echter niet alleen de ouden geneigd, ook bij hedendaagsche berichtgevers vindt men er vele bewijzen van. Ook thans nog wordt gesproken van Reuzenslangen van 15 M. lengte en schroomt men niet te verhalen van Paarden, Runderen en dergelijke dieren, die door deze monsters aangevallen, gedood en verzwolgen zouden zijn. Hoewel men de mogelijkheid kan onderstellen, dat de Reuzenslangen vroeger een aanzienlijker grootte bereikten dan thans, nu de mensch beter uitgerust is voor den strijd met zijne vijanden en met zijne vreeselijke wapens hun leven verkort, is het aan geen twijfel onderhevig, dat zulke Slangen, als door de ouden beschreven worden, nooit bestaan hebben. Uit eigen ervaring weet ik, hoe buitengewoon moeielijk het is de lengte van Slangen zonder meting bij benadering te bepalen. Niet zelden geschiedt dit reeds foutief bij kleine Slangen, die men rustend voor zich ziet liggen en dus goed kan opnemen. Maar al te vaak zal het bij nader onderzoek blijken, dat een lengte van b.v. één meter ruim een derde hooger was geschat; bij Slangen van 3 M. lengte is de moeielijkheid twee- of driemaal zoo groot en bestaat er nog veel grooter verschil tusschen de werkelijkheid en de schatting. Deze is zelfs gladweg onmogelijk, zoodra het dier zich beweegt. Het kan dus geen verwondering wekken, dat de inboorlingen van zuidelijker landen, met hun levendige phantasie veel verder gaande in overdrijving, afmetingen opgeven, die twee- of driemaal zoo groot zijn als de ware. Dezelfde Indiër of Zuid-Amerikaan, die met den schijn van volkomen betrouwbaarheid over een ongeveer 15 M. lange Reuzenslang spreekt, welke hij beweert zelf gezien of geschoten te hebben, zal den nauwkeurig metenden onderzoeker, die een dier van 6 M. doodde, verzekeren, dat dit exemplaar alle wezens van dezelfde soort, die hij vroeger heeft gezien, in grootte ver overtreft.
De familie der Aarsklauwslangen (Boidae), die de „Reuzenslangen” onder hare leden telt, is kenbaar aan de volgende eigenschappen: De platte van achteren meer of minder duidelijk begrensde, driehoekig of langwerpig eivormige kop heeft meestal een zeer grooten muil; de krachtig gespierde romp is zijdelings samengedrukt, de staart betrekkelijk kort; sporen van achterste ledematen zijn aanwezig: aan weerszijden van de kloakopening komt meestal een hoornachtige aarsklauw voor. De bekleeding van den kop bestaat uit schilden, soms uit schubben; de rugzijde van den romp is bedekt met kleine, zeshoekige schubben, de buikzijde met korte, maar breede schilden, die aan den staart soms een enkele, soms een dubbele reeks vormen. Bij zorgvuldige ontleding van het dier merkt men duidelijke overblijfselen van een uit vier beenderen samengestelden heupgordel op. Massieve tanden komen voor aan beide kaakbogen en aan de gehemeltebeenderen. Het oog is betrekkelijk klein en heeft een vertikaal gerichte pupil.
Met uitzondering van de Woel-boa’s (Erycinae)—een uit 6 soorten van middelmatige grootte bestaande onderfamilie, welker verbreidingsgebied zich van Zuid-Europa over Noord- en West-Afrika en in Azië tot Sikhim uitstrekt en die wij verder buiten rekening zullen laten om alleen de Reuzenslangen te bespreken—behooren alle Aarsklauwslangen in de tropische gewesten thuis, overschrijden althans de keerkringen niet ver. Tegenwoordig bewonen zij alle heete en waterrijke landen van de Oude en de Nieuwe Wereld, bij voorkeur groote wouden; veelvuldig zijn zij vooral in boschrijke gewesten, die veel water bevatten; enkele soorten komen echter ook in droge streken voor. Er zijn echte waterdieren bij, die met geen ander doel dan om zich in de zon te koesteren en te slapen de door haar bewoonde rivieren, meren en moerassen verlaten; maar steeds in het water, of althans aan den waterkant, jagen; andere schijnen het water te mijden. De inrichting van de oogen verraadt een nachtelijke levenswijze. Wel ziet men de Reuzenslangen in hare wouden ook over dag zich bewegen en soms jagen; haar eigenlijke werkzaamheid begint echter eerst, als de schemering invalt, en eindigt bij ’t krieken van den morgen. Des daags liggen zij, op de meest verschillende wijzen ineengekronkeld, bij voorkeur op een zonnige plek te rusten. Enkele kiezen als ligplaats een rotsblok, een zandbank of een boven het water uitstekenden tak; andere beklimmen een boom, hechten zich met haar grijpstaart aan den tak, waarop het lichaam als een kluwen ineengekronkeld is of waarvan het als een touw naar beneden hangt; nog andere zoeken een open plek in het woud, een rotsterras of een helling op en strekken haar lichaam geheel of gedeeltelijk lang uit of kronkelen het tot een vlakke spiraal ineen. Alle bewegen zich niet meer dan noodig is, eigenlijk alleen dan, wanneer zij een gevaar duchten of dit trachten te ontwijken, of wanneer zij lang tevergeefs gejaagd hebben en nu een buit opmerken. Plotseling ontrolt zich dan het kolossale dier, om zich met inspanning van al zijn kracht op het begeerde slachtoffer te werpen, dat, door de stevige tanden gegrepen en door het gespierde lichaam omstrengeld, spoedig den laatsten adem uitblaast.
Hoewel de Reuzenslang in staat is een buitengewoon groote prooi te verzwelgen, is de rekbaarheid van hare kaken toch volstrekt niet onbegrensd. De vreeselijke geschiedenissen, die van haar verhaald en geloofd worden, zijn onwaar: geen enkele Reuzenslang kan een volwassen mensch, een Rund, een Paard, een groot Hert door haar slokdarm stuwen; reeds het doorslikken van een dier ter grootte van een Ree is, zelfs voor de grootste leden dezer familie, een zeer moeielijke arbeid. Geheel uit de lucht gegrepen is het praatje, dat een Reuzenslang bij het verzwelgen van groote dieren wacht, totdat het deel, dat zij niet kan inslikken, door ontbinding verweekt is, en de daarbij gevoegde opmerking, dat het speeksel van de Slangen de rotting zeer bespoedigt. Zeker is het, dat deze dieren, evenals alle overige Slangen, na een overvloedig maal in een toestand van traagheid vervallen, welke aanhoudt, totdat de vertering grootendeels afgeloopen is.
De wijze waarop een Reuzenslang een prooi beloert, besluipt, doodt en verzwelgt, wordt door verschillende afbeeldingen, die Mützel naar de natuur geteekend heeft, aanschouwelijk voorgesteld. Tot toelichting diene de volgende op eigen waarneming berustende beschrijving: Zoodra een Reuzenslang, die meestal ’s nachts, doch ook wel over dag of in de schemering jaagt, gedurende haar rust een onbezorgd naderenden buit opmerkt, verheft zich haar kop boven den stompen kegel, die door de spiraalwindingen van haar lichaam gevormd wordt. De pupil, die onder den invloed van ’t licht tot een smalle spleet was ingekrompen, verwijdt zich, de tong geraakt in beweging, wordt beurtelings uitgestoken en teruggetrokken, nu eens naar deze, dan weer naar een andere zijde gericht; ook uit de beweging van het puntje van den staart blijkt, evenals bij loerende Katten, dat het verlangen naar een prooi in de Slang levendig is geworden. Mützel heeft een Boa constrictor in dezen toestand voorgesteld. Zorgvuldig bespiedt de Slang haar slachtoffer. Nadat dit eenigen tijd, soms lang, soms kort geduurd heeft, ontrolt zij zich en begint haar prooi te besluipen, zooals men in de afbeelding van den Anakonda kan zien. Langzaam wordt het voorste deel van het lichaam voorbij de kronkelingen geschoven, die gedurende den rusttoestand naast en boven elkander liggen; langzaam, doch aanhoudend volgen andere deelen van den wormvormigen romp. Alle spieren zijn in werking, alle ribben zijn tegen den grond gedrukt om de zware massa vooruit te schuiven: tastend onderzoekt de nooit rustende tong het te volgen pad, terwijl de oogen voortdurend op den buit gericht zijn; meer en meer nadert het roofdier zijn doel. Het slachtoffer is onbewust van het dreigende gevaar; daar het de steeds dichterbijkomende Slang niet herkent, als de vreeselijke vijand, die eenige oogenblikken later de oorzaak zal worden van zijn dood. Verbluft door het nog nimmer voorgekomen schouwspel, dat waarschijnlijk zijn nieuwsgierigheid prikkelt, blijft het zitten en doet hoogstens eenige stappen of maakt eenige sprongen, als ’t ware om de Slang niet te hinderen bij het vervolgen van haar weg. Het komt weer tot rust en blijft kalm, terwijl de roover, wiens opgewondenheid meer en meer toeneemt, in de onmiddellijke nabijheid van den begeerden buit door het bijtrekken van den romp den hals in kronkels legt om dezen de noodige lengte voor den aanval te geven. Niet zelden blijft het slachtoffer zelfs dan nog zitten, als de spitsen van de gevorkte tong zijn lichaam aanraken. Dikwijls heb ik gezien, dat Konijnen, als ’t ware om deze begroeting te beantwoorden, ook van hun zijde nieuwsgierig de Slang besnuffelden. Eensklaps schiet de slangekop vooruit; eerst dan wordt de bek geopend; voordat het slachtoffer weet, in welk gevaar het verkeert, is het gegrepen en door één of twee ringen van de Slang omstrengeld. Dit geschiedt zoo bliksemsnel, dat de toeschouwer vaak geen juiste voorstelling kan verkrijgen van de ware toedracht der gebeurtenis. De Slang grijpt het dier en rolt in ’t zelfde oogenblik het voorste gedeelte van haar lichaam op, door den kop met den buit naar voren te richten en met beide zoovele kringen te beschrijven, als zij kronkelingen om haar slachtoffer wil leggen. Vóór het einde van de seconde, bij welker aanvang de stoot plaats had, is de doodelijke omstrengeling van den gegrepen buit reeds een voldongen feit. Zelden hoort men hem schreeuwen; zoo dit voorkomt, wordt het geluid waarschijnlijk op geheel passieve wijze voortgebracht door de lucht, die tengevolge van de vreeselijke drukking op de longen uit de luchtpijp ontwijkt. Hoe onweerstaanbaar deze drukking is, blijkt uit de gelaatstrekken van het omstrengelde dier. De oogen treden uit hunne kassen, een pijnlijke trek verwringt de lip, krampachtig trillen de (toevallig niet omstrengelde) achterpooten. Reeds na weinige oogenblikken echter verliest het slachtoffer zijn bewustzijn; al naar het een meer of minder taai leven heeft, begint de verflauwing van den hartslag vroeger of later; ten slotte staat het hart stil en is het einde daar. Nadat de Slang zich overtuigd heeft van den dood van haar slachtoffer, ontwikkelt zij langzaam hare kronkelingen en onderzoekt nu met de tong den buit, in den regel zonder hem geheel los te laten. Nooit heb ik gezien, dat zij vóór het verzwelgen met de prooi speelde, zooals de ouden beweerd en enkele berichtgevers uit lateren tijd herhaald hebben. Het kwam mij altijd voor, dat het betasten met de tong ten doel had de geschiktste aanvangsplaats voor het verzwelgen van de prooi te zoeken. De bedoelde plaats is de kop; wanneer deze het eerst in den bek komt, zal het groote stuk, dat onverdeeld doorgeslikt moet worden, den geringsten weerstand bieden. Na een langdurige onderzoeking met de tong, wordt het geworgde dier op nieuw gegrepen en met zoo wijd mogelijk opengesperden bek neemt de moeitevolle arbeid van het verzwelgen een aanvang. Beurtelings wordt de eene en de andere kaakhelft vooruitgeschoven, de reeks van achterwaarts gekromde tanden telkens op nieuw in de prooi gedrukt om haar vast te houden, die van den anderen kant vervolgens door een voorwaartsche beweging van de kaakhelft losgemaakt en verderop weer ingehaakt. Door deze vele malen herhaalde, kleine rukken wordt langzamerhand het lijk naar binnen gewerkt. Men ziet intusschen de beide onderkaaksbeenderen eerst van achteren, later ook van voren meer en meer uiteenwijken, waarbij de hen vereenigende banden sterk uitgerekt worden. Van den vroeger slanken vorm van den kop bemerkt men niets meer, slechts het bovenste deel behoudt ongeveer zijn oorspronkelijke gedaante: de huid van onderkaak en keel zet zich verbazend uit, en vormt ten slotte, zoo als door de afbeelding van bladz. 53 wordt toegelicht, een wijden zak met een stijven ring aan zijn bovensten rand, welke aan den totebel van den Pelikaan herinnert. Naarmate de onderkaak zich uitzet, treedt de luchtpijp verder naar voren. Alle speekselklieren scheiden een overvloed van vocht af en bevochtigen de haren of veeren van het slachtoffer, voor zoover dit reeds in het achterste deel van de mondholte is doorgedrongen. Bij het verzwelgen van groote dieren vereischt de doorgang van de schouderbladen of van de vleugels een sterk vermeerderde inspanning. Zoodra de Slang deze moeielijkheid overwonnen heeft, gaan de overige lichaamsdeelen van de prooi opmerkelijk snel door ’t keelgat naar binnen. Nu herkrijgt de kop zijn gewonen vorm. De uiteengerukte gewrichtsvlakten komen weer bij elkaar en nadat de Slang eenige malen den muil geopend en gesloten heeft, als om te gapen, is alles weer in orde. Van buiten kan men duidelijk zien, hoe opeenvolgende spierwerkingen de prooi intusschen verder en verder door den slokdarm stuwen, totdat zij in de maag is aangekomen.