Hoe buitengewoon schielijk de spijsvertering plaats heeft, kan men bij gevangen exemplaren waarnemen. Niet langer dan vier dagen duurt het, vóór het grootste Zoogdier, dat men hun als voedsel gewoon is te geven, op de haren na, die met den drek verwijderd worden, volkomen in het bloed van de Slang is opgenomen. Hoewel zij dan weer eetlust toont, kan zij zonder bezwaar weken en zelfs maanden lang honger lijden, althans indien een onachtzame verzorger haar niet reeds vóór dien tijd te lang heeft laten vasten.
Sommige Reuzenslangen zijn levendbarend; andere leggen eieren, waaruit de jongen eerst na verloop van geruimen tijd te voorschijn komen. De moeder bevordert de ontwikkeling van de kiem op een wijze, die bij geen ander Kruipend Dier werd opgemerkt. Bij gevangen exemplaren heeft men herhaaldelijk waargenomen, dat het wijfje de eieren met haar lichaam bedekt en in zekeren zin uitbroedt. De levendbarende soorten bekommeren zich om het kroost, dat zij ter wereld brengen, even weinig als de andere Reptiliën om hunne eieren. De jongen die bij de geboorte bijna 1 M. lang zijn en zoo dik als een duim, beginnen onmiddellijk de levenswijze hunner ouders, hoewel zij aanvankelijk tot kleine troepen vereenigd blijven, die nog geruimen tijd een gemeenschappelijke woonplaats behouden, hetzij op den grond of in de boomen. Bij gevangen Pythons, heeft men opgemerkt, dat de groei gedurende de 4 eerste levensjaren het snelst is, daarna langzamer en na het 14e jaar onmerkbaar wordt; hieruit leidt men af, dat Reuzenslangen van 6 à 7 M. lengte minstens 28 jaar oud zijn.
De Reuzenslangen zijn, naar bij gevangen exemplaren niet zelden gebleken is, wel bewust van hun sterkte en laten zich eerder dan vele andere Slangen, tot drift vervoeren. Toch ontwijken zij in den regel den mensch en vallen hem slechts bij uitzondering aan. Hoewel zulk een aanval misschien af en toe in de vrije natuur voorkomt, blijkt echter uit geen enkel volkomen betrouwbaar bericht, dat Reuzenslangen menschen kunnen verslinden. Geen Zuid-Amerikaansche jager, geen schrandere, in de jacht ervaren inboorling van Afrika is ernstig bevreesd voor deze dieren, die ijverig vervolgd worden, omdat men hun vleesch, hun vet en hun huid op velerlei wijzen gebruikt. Het vleesch wordt alleen door de inboorlingen gegeten; aan het vet schrijft men algemeen geneeskracht toe; de huid wordt tot allerlei versierselen verwerkt. De jager doodt de Reuzenslang meestal met het geweer. Een schot hagel in den kop is hiervoor overvloedig voldoende; daar deze Slangen veel minder taai van leven zijn dan men van deze dieren van haar grootte en lichaamskracht zou verwachten.
Tijgerslang (Python molurus). 1/10 v. d. ware grootte.
De Reuzenslangen, die reeds eenigen tijd in gevangenschap hebben verkeerd, zijn beter geschikt om naar Europa verzonden te worden, dan de sinds kort van hun vrijheid beroofde exemplaren. De eerstgenoemde kunnen bij behoorlijke verzorging jaren lang in ’t leven blijven. Zoowel in Europa als in Noord-Amerika vinden zij altijd willige koopers in de eigenaars van menagerieën; daar een beestenspel zonder Reuzenslang een van zijne grootste aantrekkelijkheden zou missen. Met angst en beving zien „boeren, burgers en buitenlui” den „dierentemmer”, nadat hij een van zijne onovertrefbare voordrachten over de geheele dierenwereld heeft gehouden en het onvermijdelijke drinkgeld ingezameld heeft, een lange kist openen en hieruit de in wollen dekens gehulde Boa voor den dag halen, haar over zijn schouder hangen, om zijn hals slingeren, kortom, met dit monster op zulk een wijze omgaan, dat enkele toeschouwers er kippenvel van krijgen.
Wanneer men de minder belangrijke groep der Woelboa’s (Erycinae) buiten rekening laat, kan men de familie van Aarsklauwslangen in twee onderfamiliën splitsen: de Python-slangen (Pythoninae) en de Boa-slangen (Boinae). De eerstgenoemde zijn kenbaar aan hare met tanden gewapende, bij alle overige Slangen tandelooze tusschenkaaksbeenderen. Evenals de Boa-slangen hebben zij een grijpstaart (deze komt bij de Woelboa’s niet voor). Van de Erycinae en Boinae verschillen zij door het bezit van een dubbele reeks van schilden aan de onderzijde van den staart, die men ook bij nagenoeg alle overige leden der onderorde aantreft. De Python-slangen zijn geheel tot de Oude Wereld beperkt en vooral op de Molukken, Nieuw-Guinea en Australië sterk vertegenwoordigd.
Het grootste deel van Indië wordt bewoond door de Peddapoda der Bengaleezen, die ook wel Tijgerslang wordt genoemd (Python molurus); zij vertegenwoordigt het geslacht der Rotsslangen, welks leden slechts de voorste helft van den bovenkop met regelmatige schilden, de achterste helft daarentegen met schubben bedekt hebben. De staart is een echte grijpstaart.
Men heeft Tijgerslangen gemeten, die 6 M. lang waren; grootere exemplaren zullen, zoo zij al bestaan, waarschijnlijk buitengewoon zelden voorkomen; de meeste gaan een lengte van 3½ M. niet te boven. De kop is grijsachtig vleeschkleurig, op de kruin en het voorhoofd licht olijfbruin, de rug lichtbruin, op het midden met geelachtig grijze tint, de onderzijde witachtig; een olijfbruine streep loopt van het neusgat door het oog en achter den mondhoek naar beneden; een vlek van dezelfde kleur en van driehoekigen vorm bevindt zich onder het oog, een groote, donkere, Y-vormige of (in plaats van deze) een onvertakte, langwerpige vlek op den achterkop en den nek. De rug prijkt met een reeks van groote, langwerpig vierzijdige, roodachtig bruine vlekken, die zwart gezoomd zijn en een getanden of rechtlijnigen rand hebben; sommige zijn in het midden hooggeel; langs de zijden komen kleinere, overlangsche vlekken voor.
Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich over het geheele Voor-Indische schiereiland tot aan den Himalaja uit. Op Java wordt zij vervangen door den Dubbelgestreepten Python (Python bivittatus) en de Netslang (Python reticulatis), die beide ook wel Oelar-sawa of Rijstvelden-slang worden genoemd.
Onder de bewoners van Indië zijn ook thans nog verhalen over deze Slangen in omloop, die aan de sprookjes der ouden herinneren. Uit de nog altijd onvolledige berichten van de natuuronderzoekers en reizigers, die zich beijverd hebben om volkomen betrouwbare feiten mede te deelen, blijkt voldoende, dat de Zuid-Aziatische „Draken” volstrekt niet gevaarlijker zijn dan hunne Amerikaansche verwanten, nagenoeg dezelfde levenswijze hebben, duidelijk de voorkeur geven aan het verblijf in moerassige gewesten, op overstroomde rijstvelden, kortom, in de nabijheid van het water, hoewel zij droge, rotsachtige oorden niet vermijden en hier zoowel als daar jacht maken op kleine Zoogdieren en Vogels. Zeer groote exemplaren vergrijpen zich, naar men zegt, soms aan jonge Muntsjaks en Zwijnsherten, hetgeen waarschijnlijk aanleiding gegeven heeft tot de verhalen, die ons willen doen gelooven, dat de Slangen dieren van de grootte onzer Edelherten verzwelgen. Wel behooren de genoemde Herkauwers tot de familie van de Herten, maar zij bereiken nog niet eens de afmetingen van een Ree. Bovendien moet men hierbij in ’t oog houden, dat de in Zuid-Azië levende Dwergmuscusdieren niet slechts door de inboorlingen, maar ook door de Europeanen gewoonlijk „Herten” worden genoemd. Kleine Zoogdieren maken het hoofdvoedsel van deze Slangen uit en slechts oude, volwassen exemplaren vergrijpen zich nu en dan aan biggen of aan de jongen van kleine soorten van Herten. Groote Zoogdieren en menschen loopen nooit gevaar door haar verslonden te worden en zelfs de inboorlingen verzekeren, dat de Pythons niet eens kinderen bedreigen. Mijns inziens hebben de soms voorkomende aanvallen van deze Slangen op menschen nooit opzettelijk, maar bij vergissing plaats. Een dergelijk avontuur is den oppasser Cop in den Londenschen dierentuin overkomen. Hij hield een van zijne hongerige Pythons een Hoen voor, zooals hij bij het voederen dezer dieren gewoon was te doen; de Slang wilde het grijpen, miste het, waarschijnlijk doordat zij weldra zou vervellen en de doorzichtigheid van de huid vóór hare oogen, gelijk in dergelijke gevallen regel is, grootelijks was afgenomen; zij greep daarentegen den linkerduim van den oppasser en wikkelde zich in ’t volgende oogenblik om zijn arm en hals. Cop was alleen, maar verloor zijn tegenwoordigheid van geest niet; hij trachtte met de andere hand het dier bij den kop te vatten om het tot loslaten te nopen; ongelukkig had de Slang het hoofd van den oppasser omstrengeld, zoodat deze zijn doel niet kon bereiken en genoodzaakt was op den vloer van het hok te gaan liggen, in de hoop hier krachtiger met zijn aanvaller te kunnen worstelen. Gelukkig schoten toen, nog juist te rechter tijd, twee oppassers den man te hulp, dien zij niet zonder inspanning bevrijdden van het volhardende dier, dat zijn slachtoffer anders misschien het lot van Laokoon had doen ondergaan.
De voortplanting van de Zuid-Aziatische Pythons heeft men bij gevangen exemplaren voor het eerst kunnen nagaan in den „Jardin des Plantes” te Parijs. Daar legde een Pythonwijfje op 6 Mei 1841 achtereenvolgens 15 eieren in 3½ uur en vereenigde ze tot een hoop, waarover zij zich op zulk een wijze ineenrolde, dat de windingen van haar lichaam gezamenlijk een plat gewelf vormden, welks hoogste punt door den kop werd ingenomen. De Slang bleef bijna twee maanden in deze houding; den 3en Juni kwamen 8 jongen van ongeveer 50 cM. lengte te voorschijn; deze bereikten, zonder eenig voedsel te gebruiken, in de eerstvolgende 16 dagen een lengte van ongeveer 80 cM., vervelden voor de eerste maal tusschen 13 en 18 Juli, deden dit nog viermaal tot December van genoemd jaar en begonnen na de eerste vervelling te eten. In ’t eerst gaf men haar Musschen, die zij op de gewone wijze dooddrukten; later kregen zij rauw vleesch en kleine Konijnen. Daar haar zooveel voedsel werd gegeven, als zij verlangden, ontwikkelden zij zich zeer voorspoedig; reeds in December van haar geboortejaar was haar lengte 1.50 à 1.55, van één zelfs 2 M. Het laatstgenoemde exemplaar was op den leeftijd van 20 maanden 2.34 M. lang en had in de 6 eerste levensmaanden ruim 13, gedurende het tweede levensjaar 22 KG. voedsel gebruikt.
De Pythons worden dikwijls gevangen en zijn bij sommige volken van Zuid-Azië, o.a. bij de Chineezen, geen onwelkome gasten; op de vaartuigen en in de huizen, waar men ze laat begaan, houden zij zich ijverig met de vangst van Ratten bezig.
Van de vier Afrikaansche Pythonslangen zullen wij er twee beschrijven.
De Natalsche Python (Python natalensis) is tot het oostelijke deel van Zuid-Afrika beperkt. De grondkleur van de bovenzijde is op het voorste derde gedeelte van het lichaam fraai geelbruin, overigens donker olijfbruin; de onderzijde heeft een bevallige, roodachtig witte kleur; een groot deel van den bovenkop wordt ingenomen door een zwartbruine vlek; een reeks van kettingvormig met elkander verbonden, langwerpig vierhoekige, ongelijkmatig gerangschikte vlekken van zwartbruine kleur strekt zich over de geheele bovenzijde uit en zet zich (als een donkere streep tusschen twee gele, overlangsche banden) ook over den staart voort.
Bij de Assala, Tenne of Hieroglyphenslang (Python sebae), die over geheel West- en Middel-Afrika verbreid is, beslaat een donkerbruine of zwartachtige pijlvlek bijna den geheelen bovenkop, zoodat er aan weerszijden slechts een smalle, geelachtig witte streep overblijft. De romp vertoont op geelachtig grijzen grond bruinachtige vlekken, ook dwarsbanden, die, evenals de vlekken, uitgaan van de donkere, overlangsche streep, waardoor het lichtgele veld, dat de onderzijde inneemt, begrensd wordt.
De naam „Afgodslang”, die gewoonlijk dient tot aanduiding van de Boa constrictor, komt—zooals reeds door Bosmann opgemerkt en door reizigers uit lateren tijd bevestigd werd—eigenlijk aan de Assala toe. Eenige volksstammen aan de kust van Guinea bewijzen haar goddelijke eer; volgens sommigen is dit de reden van een dergelijk huldebetoon aan de Reuzenslangen in Zuid-Amerika door de hier levende afstammelingen van Afrikaansche negers. In de Nieuwe Wereld zou dus de aanbidding van een Slang vroeger niet bestaan hebben, maar met het volk, dat haar vergoodt, ingevoerd zijn.
Naar het schijnt, worden de Natalsche Python en de Assala in het door hen bewoonde gebied nergens veelvuldig aangetroffen, hoewel zij er evenmin tot de zeldzaamheden behooren; uit de door menschen bewoonde streken hebben zij de wijk genomen naar veiliger oorden. Oude exemplaren van 6 of meer M. lengte komen zeer zelden voor. Het zou kunnen zijn, dat het aantal dezer Slangen grooter is dan men meent, daar zij zich meestal schuil houden in moeielijk toegankelijke, met hoogopschietende kruiden en struiken begroeide terreinen en, evenals hare verwanten, in den regel eerst na zonsondergang op roof uitgaan. Gewoonlijk stilt de Assala haar honger met Hazen, Aardeekhoorntjes, Ratten en andere op den bodem levende Knaagdieren. Waarschijnlijk zijn, behalve deze Zoogdieren, verscheidene op den grond verkeerende Vogels het meest aan hare vervolgingen blootgesteld. In de maag van een Assala vond ik een Parelhoen. Drayson bericht iets dergelijks van de Natalsche Reuzenslang. Eens zag hij een kleinen Trap herhaaldelijk opvliegen en bemerkte, toen hij dien kant uitreed, dat de Vogel hardnekkig vervolgd werd door een Python, die het echter geraden achtte zich zoo schielijk mogelijk te verwijderen, toen de Trap door een schot werd neergeveld. De ijverige jager, die reeds lang gewenscht had een Reptiel van deze soort te vangen, achterhaalde het na een kortstondige jacht en slaagde er in het met een stokslag te dooden of althans te verdooven.
De Soedaneezen weten zeer goed, dat de Assala niet gevaarlijk is en gebruiken bij de jacht op dit dier geen ander wapen dan een knuppel; een enkele, krachtige slag op den kop van het dier is voldoende om het te dooden. Zijn vleesch wordt in Oost-Soedan met evenveel smaak gegeten als dat van den Krokodil; men kruidt het met zout en roode peper; het is sneeuwwit van kleur, maar na het koken nog zoo taai, dat wij het bijna niet konden kauwen; het smaakt goed, min of meer als het vleesch van Hoenderen. Naar het schijnt, stellen de Soedaneezen nog meer prijs op de bonte huid; deze wordt door hen en door de negers uit het gebied van den Witten en den Blauwen Nijl op zeer smaakvolle wijze tot allerlei versierselen verwerkt, die vooral tot verfraaiïng van messcheeden, amuletrollen, brieftasschen, geldzakjes en dergelijke voorwerpen dienen. Het Python-vet wordt door sommige volken, door de Hottentotten e.a., zeer heilzaam geacht en zorgvuldig bewaard; de zieken, die het innemen, vertrouwen vast op de geneeskracht van dit middel en ondervinden er daarom dikwijls gunstige gevolgen van.
Assala (Python sebae). ⅛ v. d. ware grootte.
In de dierentuinen en beestenspellen krijgt men de Afrikaansche Reuzenslangen, vooral de Assala, weinig minder vaak te zien dan hare Amerikaansche verwanten. Naar het schijnt, geraken zij even licht als deze aan haar verzorger gewoon, die haar bij doelmatige behandeling niet minder lang in ’t leven kan houden.
De meeste eigenlijke Reuzenslangen behooren tot de reeds vroeger omschreven onderfamilie der Boa-slangen (Boinae); deze omvat niet minder dan 20 geslachten met 52 soorten, die voor ’t meerendeel de Nieuwe Wereld bewonen; de overige soorten worden op Madagaskar en Mauritius, Australië, Nieuw-Guinea en de Molukken, enkele in dorre zandstreken van de Oude Wereld aangetroffen.
*
Geen der Reuzenslangen is meer algemeen bekend (althans bij name) dan de Koning- of Afgodslang (Boa constrictor), een der fraaiste leden van de geheele onderorde. Hoewel op haar huid slechts weinige, eenvoudige kleuren voorkomen, vormen deze een zeer sierlijke en bevallige teekening. De grondkleur is fraai roodachtig grijs; over den rug loopt een breede, hoekige, overlangsche streep, bestaande uit groote, bruine vlekken, die een twintigtal geelachtig grijze, eironde velden insluiten; de kop vertoont drie donkere, overlangsche strepen. Dit dier kan een lengte van 6 M. bereiken en, volgens sommige berichtgevers, nog wel langer worden. „Eertijds,” zegt de Prins Von Wied, „hebben exemplaren van 20 à 30 voet en misschien nog wel grootere bestaan; in geheel onbewoonde streken worden zij thans nog” (1825) „gevonden. Zij zijn zoo dik als een mansdij en kunnen een Ree vangen en dooddrukken.” Ook Schomburgk spreekt van Reuzenslangen van 6 à 10 M. Geen der genoemde onderzoekers heeft echter zulk een exemplaar gemeten: beide gronden hun meening blijkbaar geheel op berichten van inboorlingen, welker geloofwaardigheid niet boven allen twijfel verheven is.
Het niet goed onderscheiden van verwante soorten heeft dikwijls aanleiding gegeven tot een onjuiste omschrijving van het verbreidingsgebied der Koningslang, dat een geringere uitgebreidheid schijnt te hebben dan er gewoonlijk aan toegekend wordt. Het strekt zich ten noorden van Rio de Janeiro en Cabo Frio, over het midden en noorden van Brazilië, geheel Guyana, Venezuela en eenige der kleine Antillen uit; westwaarts omvat het de bovenste gedeelten van het Amazonas-gebied tot aan de Andes van Peru en Ecuador. Volgens den Prins Von Wied en Schomburgk houdt deze Slang zich uitsluitend op in droge, heete gewesten, in wouden en kreupelhoutbosschen. Zij bewoont holen in den grond en rotskloven, schuilhoeken tusschen boomwortels en dergelijke verblijfplaatsen. Niet zelden wordt zulk een woning door 4, 5 of meer van deze dieren gemeenschappelijk gebruikt. Soms beklimmen zij boomen en beloeren van hier hun prooi. In tegenstelling met hunne verwanten, die zich bij voorkeur in ’t water ophouden, blijven zij altijd op het droge.
Koningslang (Boa constrictor). ⅛ v. d. ware grootte.
Indien men de Koningslang gedurende den nacht kon bespieden, zou men waarschijnlijk van haar aard en levenswijze een geheel andere voorstelling verkrijgen dan wij er nu van geven. Hoewel zij ook over dag een goede gelegenheid om buit te behalen niet ongebruikt laat, begint haar eigenlijke jachttijd ongetwijfeld eerst, als de schemering valt. Dit blijkt duidelijk genoeg uit de wijze, waarop zoowel vrije als gevangen exemplaren zich gedragen. Alle reizigers, die bij het doortrekken van de Zuid-Amerikaansche wouden Koningslangen ontmoetten, verklaren eenstemmig, dat deze dieren op dezelfde plaats bleven of, indien zij zich bewogen, dit zeer traag deden; zij vluchtten eerst, als hun vijand zoo dicht bij hen was, dat hij hen met een knuppel had kunnen doodslaan. Schomburgk ontdekte op een van zijne tochten een groote Afgodslang, die, hoewel zij hem en zijn Indiaanschen gids stellig reeds sinds eenigen tijd had gezien, toch niet gevlucht, maar onbeweeglijk op dezelfde plaats gebleven was. „Indien dit voorwerp vroeger mijn aandacht had getrokken”, zegt de reiziger, „zou ik het voor het uiteinde van een vooruitstekenden tak gehouden hebben. Ondanks de tegenwerpingen en de vrees van mijn begeleider en den onwil van mijn Hond, was ik snel besloten om althans een poging te doen tot het bemachtigen van dit dier. Een flinke stok, die als aanvalswapen moest dienen, was spoedig gevonden. Nog altijd verhief de kop van de Slang zich boven de struiken: voorzichtig trachtte ik dicht genoeg bij haar te komen om met mijn wapen een bedwelmenden slag te kunnen toebrengen; juist toen ik dit doen wilde, verdween het dier tusschen het groene loover en kon ik uit het eigenaardige geritsel en de beweging der varens opmaken, dat het de vlucht had genomen. Wegens de dicht opeengegroeide planten was het vervolgen van de Slang niet mogelijk; ik kon echter zien, welke richting zij nam; spoedig kwam zij weer bij den rand van de wildernis, waarlangs ik liep, om in haar nabijheid te blijven. Eensklaps hield de ritselende beweging van het varenkruid op en kwam de kop van de Slang, die waarschijnlijk naar zijn vervolger uitkeek, boven het groene gebladerte te voorschijn. Een goed gemikte slag trof den kop van de Slang met zooveel kracht, dat zij bedwelmd neerstortte; ik liet haar den tijd niet om weer tot bewustzijn te komen, maar sloeg nog verscheidene malen. Als een Roofvogel op een Duif schoot ik toe, ging met de knieën op mijn buit liggen en kneep hem, met beide handen den hals omvattend, de luchtpijp dicht. Op mijn geroep kwam, nu het gevaar geweken was, de Indiaan mij te hulp, hij gebruikte een van mijne bretels om er een strik van te maken, die hij boven mijn hand om den hals van het dier legde en vervolgens zoo stijf mogelijk dichttrok. De krampachtige kronkelingen van de Slang werden door het dichte struikgewas gestuit, zoodat zij het overmeesteren van den buit niet zoo sterk bemoeielijkten, als anders het geval had kunnen zijn”.
De Prins Von Wied zegt, dat men in Brazilië de Koningslang gewoonlijk met een knuppel doodslaat, of door een schot hagel neervelt. Ervaren jagers in Brazilië lachen, wanneer men hun vraagt, of deze Slang ook gevaarlijk is voor den mensch; dit praatje wordt alleen door het onwetende volk verhaald en geloofd. Haar voedsel bestaat uit allerlei kleine Zoogdieren en Vogels, vooral Agoetis, Pakas, Ratten en Muizen. Dat zij eieren niet versmaadt, kan men afleiden uit het feit, dat gevangen exemplaren er verlekkerd op zijn. Oude dieren durven, naar men zegt, ook wel dieren aanvallen van de grootte van een Hond of een Ree. De Prins Von Wied sprak een Braziliaanschen jager, wiens Hond het slachtoffer werd van een Afgodslang. Op het geschreeuw van dit dier afgaande, zag hij het in den poot gebeten en omstrengeld door een groote Slang, die het zoo sterk samendrukte, dat het uit den hals bloedde.
In de vrije natuur verslinden de Koningslangen ongetwijfeld geen andere dieren dan die, welke zij zelf gevangen en gedood hebben, doch geen aas; gevangen exemplaren kunnen echter langzamerhand ook aan het laatstgenoemde voedsel gewend worden. Zoo voederde Effeldt zijne Boa’s steeds met doode Ratten, omdat de levende te veel last veroorzaakten. Deze spijs werd door de Slangen nooit versmaad en scheen haar zelfs nog beter te smaken, wanneer zij reeds eenigszins tot ontbinding was overgegaan. Hieruit zou men kunnen afleiden, dat deze dieren voor reukprikkels ongevoelig zijn.
Dat de Koningslangen zich soms ook in de gevangenschap voortplanten, is o. a. in „Artis” gebleken. Hier heeft Westerman een zijner Boa’s achtereenvolgens verscheidene levende jongen en verscheidene eieren ter wereld zien brengen.
In de oostelijke gewesten van Zuid-Amerika wordt van de gedoode Boa’s op velerlei wijze partij getrokken. Het vleesch wordt, naar men zegt, door de negers gegeten, het vet als een beproefd geneesmiddel bij vele ziekten gebruikt; de gelooide huid dient voor het vervaardigen van laarzen, zadelbekleedingen en dergelijke artikels; ook wikkelen de negers een boa-huid als middel tot het afweren van verschillende ziekten om hun lichaam.
De naar Europa vervoerde, levende Afgodslangen worden gewoonlijk in strikken gevangen, die men voor hare schuilplaatsen aanbrengt. Men kan zien, dat een hol bewoond is, aan de gladheid van den ingang, waar het dikke, zware lichaam steeds sporen achterlaat; voor deze opening wordt een strik gezet. Het gevangen dier doet geweldige pogingen om zich te bevrijden en kronkelt zich sterk; zelden loopt het echter gevaar van zich te worgen, daar het tegen drukking en stooten tamelijk goed bestand is, hoewel verwondingen dikwijls zijn dood veroorzaken. Dit bleek o.a. bij de door Schomburgk gevangen Afgodslang, die, uit haar bezwijming ontwaakt, den volgenden morgen vergeefsche pogingen deed om de banden te verscheuren, waarmede zij voorzichtigheidshalve aan de palen van de hut was bevestigd. Een schot maakte een einde aan deze worsteling.
In de pakhuizen van de Braziliaansche planters en kooplieden bewijst de Afgodslang goede diensten door het verslinden van Muizen en Ratten; zij wordt hier bijna als een huisdier beschouwd en zoo weinig gevreesd, dat men niet schroomt met haar in dezelfde ruimte te verkeeren en, zoo noodig, zelfs den nacht door te brengen. Daar zij met weinig voedsel tevreden is en maanden lang zonder bezwaar kan vasten, is het niet moeielijk haar te verzenden; zij wordt eenvoudig in een groote kist gepakt, die men dichtspijkert en met eenige luchtgaten voorziet; onderweg wordt naar haar niet omgezien. Het dier is ten gevolge van deze onheusche behandeling en van den honger, dien het heeft moeten lijden, gewoonlijk zeer slecht geluimd, wanneer het na aankomst op de plaats van bestemming eindelijk zijn nauwe gevangenis verlaat. Het toont dan veel neiging tot bijten; soms blijft het een geruimen tijd pruilen en het voedsel weigeren. In den regel vermindert echter zijn prikkelbaarheid weldra. Nadat het begonnen is te eten, geraakt het langzamerhand aan zijn oppasser gewend en laat zich ten slotte diens behandeling welgevallen. Om gezond te blijven heeft het een ruim en warm hok noodig met stammen en takken om er in te klimmen en een in den vloer bevestigden, grooten waterbak, waarin het kan baden. De kisten, die in de beestenspellen als woningen voor Reuzenslangen dienst doen, zijn hiervoor volstrekt niet geschikt; de wollen dekens, waarin men ze wikkelt, met het doel om ze te verwarmen, brengen soms meer nadeel dan voordeel te weeg. Meer dan eens heeft men n.l. opgemerkt, dat gevangen Reuzenslangen, misschien wel door honger gedreven, haar deken inslikten. Een Afgodslang van den Berlijnschen dierentuin behield de ingezwolgen wolmassa 5 weken en 1 dag in haar maag; zij dronk in dezen tijd zeer veel en gaf duidelijke blijken van onpasselijkheid; eindelijk begon zij ’s nachts tusschen 11 en 12 uur het onverteerbare weefsel uit te spuwen; de oppasser hielp haar bij dezen arbeid, die voorspoedig ten einde werd gebracht.
*
In dezelfde landen als de Afgodslang ontmoet men ook de beroemde Anakonda (Eunectes murinus), die een geheel andere levenswijze heeft dan de genoemde „Landboa” en het geslacht der Waterboa’s vertegenwoordigt. Zij heeft een zeer eigenaardige kleur, waarvan weinige afwijkingen voorkomen. De bovendeelen zijn donker olijfkleurig zwart en van den kop tot aan het einde van den staart bezet met twee reeksen van ronde of rondachtige, zwartbruine vlekken; op den hals en bij het begin van den staart staan zij paarsgewijs, overigens afwisselend, soms zeer dicht bij elkander; zelfs vloeien enkele ineen. De zijden van den kop zijn olijfkleurig grijs, de benedenranden van de kaken meer geelachtig; van boven de oogen tot aan den achterkop reikt een breede, vuil geelroode, aan de bovenzijde zwart begrensde streep; hierbij steekt een zwartbruine streep, die, van het oog uitgaande, over den mondhoek scheef naar beneden loopt en vervolgens weer eenigszins naar boven gebogen is, duidelijk af. De onderdeelen van het dier zijn op lichtgelen grond met zwartachtige vlekken bezaaid, die op sommige plaatsen twee afgebrokene, overlangsche lijnen vormen. Aan weerszijden van het lichaam komen twee reeksen van ringvormige oogvlekken voor; deze zijn geel met zwarten rand.
De Anakonda is de grootste van alle Reuzenslangen der Nieuwe Wereld. Een door Günther gemeten Slang van deze soort was 29 voet (8.29 M.) lang. I. von Fischer heeft exemplaren van 7.13 en 7.58 M. lengte gemeten. Kappler zegt, dat een door hemzelf geschoten en gemeten Anakonda, zonder kop en staart 26 Rijnlandsche voeten, in ’t geheel dus bijna 30 voet lang was en een man van middelmatige statuur in dikte evenaarde. Zooveel is zeker, dat de Anakonda kolossale afmetingen kan bereiken en in dit opzicht, met de Indische Netslang, alle overige leden van haar onderorde overtreft.
„Deze Slang,” bericht de Prins Von Wied, „leeft meestal in het water en kan het in de diepte zeer lang uithouden; zij komt echter dikwijls aan den oever om zich door de zon te laten verwarmen en haar buit te verteren. Met den stroom drijft zij de rivier af, houdt zich met visschen bezig of vleit zich op een rotsblok neder, vanwaar zij op Waterzwijnen, Agoetis, Pakas en dergelijke dieren loert. In de Belmonte-rivier zagen mijne jagers de vier pooten van een Zoogdier, dat zij voor een dood Zwijn hielden, boven den waterspiegel uitsteken; toen zij naderbij gekomen waren, merkten zij een reusachtige Slang op, die een groot Waterzwijn met verscheidene windingen van haar lichaam omstrengeld en gedood had. Oogenblikkelijk losten zij twee schoten op het monster en kreeg het van den Botokoede een pijl in het lichaam. Nu liet de Slang haar prooi los en vluchtte; ondanks hare wonden, geschiedde dit zoo snel, alsof haar niets overkomen was. Mijne lieden vischten het nog versche, pas gedoode Waterzwijn op en keerden terug om mij kennis te geven van het voorgevallene. Daar ik zeer gesteld was op het bezit van de merkwaardige Slang, zond ik de jagers onmiddellijk weer uit om haar te zoeken; alle moeite was echter vruchteloos. De hagelkorrels hadden door het water hun kracht verloren; de pijl werd gebroken teruggevonden aan den oever, waar de Slang hem had losgeschuurd.”
De Anakonda verkeert dikwijls op den bodem van ’t water, waar zij ligt te rusten of hoogstens den kop boven den waterspiegel verheft, om te zien, wat er aan den oever voorvalt; soms zwemt zij met den stroom mede de rivier af en loert op iedere soort van buit. De oeverbewoners haten haar zeer wegens hare rooverijen: Schomburgk schoot er een, die kort te voren een groote, tamme Muscuseend gegrepen en deze reeds doodgedrukt had; op een plantage vernam hij, dat de Anakonda soms ook viervoetige huisdieren, b.v. Zwijnen buitmaakt. Andere onderzoekers bevestigen deze mededeelingen. „Terwijl wij,” verhaalt Bates, „in de haven van Antonio Malagueita voor anker lagen, werd ons een onwelkom bezoek gebracht. Omstreeks middernacht werd ik gewekt door een hevigen slag tegen de zijde van mijn boot, gevolgd door het gedruisch van een in ’t water vallend, zwaar lichaam. Zoo spoedig mogelijk stond ik op, om te zien wat er gebeurd was; alles was echter reeds weer rustig geworden; alleen de Hoenderen in onze voorraadskorf, die aan de eene zijde van het schip, ongeveer 2 voet boven het water hing, waren onrustig en kakelden. Ik kon niet gewaarworden, wat hiervan de oorzaak was. Daar mijne manschappen aan den oever waren, keerde ik naar de kajuit terug en sliep tot aan den volgenden morgen. Toen ik ontwaakte, zag ik alle Hoenderen op het dek rondloopen en vond bij nader onderzoek in de korf een groote opening. Een paar Hoenderen ontbraken. Senhor Antonio verdacht van den diefstal een Anakonda, die, naar hij zeide, eenige maanden geleden in dit deel van de rivier gejaagd en een groot aantal Eenden en Hoenderen geroofd had. Aanvankelijk was ik geneigd de juistheid van zijn verklaring te betwijfelen en aan een Kaaiman te denken, hoewel wij er sedert eenigen tijd geen meer in den stroom gezien hadden; eenige dagen later kwam echter de juistheid van Antonio’s verklaring aan het licht. De jonge lieden van de naburige volksplantingen kwamen bijeen om op het roofdier jacht te maken, begonnen het op geregelde wijze te vervolgen, onderzochten alle kleine eilandjes aan beide zijden van den stroom en vonden ten slotte de Slang bij de uitmonding van een slijkerig riviertje in de zonneschijn liggen. Nadat zij haar met werpspiesen gedood hadden, kreeg ik haar den volgenden dag te zien en vond, na meting, dat het niet eens een buitengewoon groot exemplaar was, daar het bij een lengte van 6 M. slechts een omvang van 40 cM. had.”
Juist van de Anakonda wordt bericht, dat zij soms menschen aanvalt. Schomburgk doet hierover het volgende verhaal: „Te Morokko (een zendingspost in Guyana) had iedereen den mond vol van den aanval van een Reuzenslang op twee bewoners van deze plaats. Een daar woonachtige Indiaan was weinige dagen geleden met zijn vrouw den stroom opgevaren om jacht te maken op Vogels. Een opgevlogen Eend was, door een schot getroffen, op den oever neergevallen. Toen de jager zijn buit wilde opzoeken, werd hij plotseling door een groote Komoeti-slang (Anakonda) aangevallen. Daar hij geen enkel wapen had om zich te verdedigen (het geweer had hij in de schuit achtergelaten), riep hij zijn vrouw toe, hem zijn groot mes te brengen. Nauwelijks was de vrouw hem te hulp gesneld, of ook zij werd door het monster aangegrepen en omstrengeld; hierdoor kreeg de Indiaan echter gelukkig zooveel ruimte, dat hij den eenen arm gebruiken en de Slang verscheidene wonden toebrengen kon. Het hierdoor verzwakte dier liet zijne slachtoffers varen en nam de vlucht. Dit is het eenige, mij bekende voorbeeld van een aanval van de Anakonda op een mensch.” Hoogst waarschijnlijk was het de bedoeling van de Slang de Eend te grijpen en niet de Indiaan, waarop zij, door roofzucht verblind, aanviel. Ik acht het echter niet onmogelijk, dat er ook voorvallen te noemen zijn, die de tegenovergestelde meening wettigen.
Wanneer het water, waarin de Anakonda verblijf houdt, uitdroogt, begraaft hij zich onder het slijk en gaat in een toestand van verstijving over. De eerste natuuronderzoeker, die van dit feit melding maakte, was Humboldt. „Dikwijls,” zegt hij, „vinden de Indianen kolossaal groote Reuzenslangen in dezen toestand, die zij, naar verhaald wordt, door plagerij of begieting met water trachten te wekken.” Zulk een winterslaap komt trouwens slechts in sommige deelen van Zuid-Amerika voor, niet in die streken, welke zoomin door koude als door onverdragelijke hitte en droogte voor verscheidene Reptiliën tijdelijk onbewoonbaar worden.
Anakonda (Eunectes murinus).
Schomburgk zegt, dat de jongen van de Anakonda reeds in den eileider de eischaal verlaten en dat hun aantal dikwijls ongeveer honderd bedraagt. Kappler vond in het lichaam van de door hem gedoode Anakonda „78 vliezige, 6 duim. (ruim 12 cM.) lange blazen; elke blaas bevatte een Slang van 1½ voet lengte en ter dikte van eens menschen duim.” Het schijnt, dat de jongen zich onmiddellijk na de geboorte te water begeven, maar toch nog langen tijd gezellig bijeenblijven en op de boomen van den naburigen oever gemeenschappelijk verblijf houden.
Het dooden van het groote exemplaar, welks afmetingen hierboven opgegeven zijn, wordt door Kappler op de volgende wijze beschreven: „Toen ik in November 1818 in een groot vaartuig, waarmede wij het drinkwater hadden gehaald, dat voor de bezetting van den post Nickerie noodig was, naar dezen post terugvoer, vestigden de roeiers mijn aandacht op een groote Slang, die op den oever lag. Ik zag aanvankelijk niets anders dan een met modder en aangespoelde bladen bedekte verhevenheid; eerst toen de stuurman er met den roeiriem in stak, kon men de gevlekte huid van het dier onderscheiden. Een stoot, zoo krachtig als die, welke het dier ontving, zou voldoende zijn geweest om een mensch de ribben te breken; het monster scheen er niets van gevoeld te hebben. Eerst toen ik het een schot lichten hagel toezond, hief het den kop, die in het midden van de tot een kegel opeengestapelde spiraalwindingen gelegen was, een weinig op, maar liet hem dadelijk weer zakken. Wij lagen vlak bij den wal en waren slechts ongeveer 6 voet van de Slang verwijderd, toen ik voor de tweede maal vuurde. Nu echter schoot de Slang, met een snelheid, die men van zulk een traag dier niet verwacht zou hebben, wel 12 voet omhoog en met opengesperden muil op mij toe, waardoor wij van top tot teen met modder bespat werden. De aanval kwam zoo onverwacht, dat ik hals over kop in het vaartuig tuimelde. De stuurman, een neger zoo sterk als een boom, verweerde zich met een roeiriem; het woedende dier kronkelde zich om dit wapen en beet in het harde hout. Ik was intusschen van den schrik bekomen, had mijn geweer opnieuw geladen, schoot de Slang in den kop en doodde haar onmiddellijk. Met vereenigde krachten trokken wij haar in het vaartuig, waar ik, omdat de negers het dier anders niet medenemen wilden, wel genoodzaakt was het den kop en den staart af te houwen en deze in ’t water te werpen.”
De Anakonda wordt zonder genade gedood, waar men haar ontmoet. Haar groote, dikke huid wordt gelooid en dient dan ter vervaardiging van paardedekken, laarzen en mantelzakken. Het witte vet, waarvan het dier in bepaalde tijden van ’t jaar een groote hoeveelheid bevat, wordt veelvuldig gebruikt; de Botokoeden eten het vleesch, wanneer het toeval hun zulk een dier in de handen voert.
In beestenspellen of in diergaarden ziet men levende Anakondas even dikwijls als Afgodslangen.
*
Aan haar zijdelings samengedrukt lichaam danken vier soorten van Reuzenslangen den naam Zwaardboa’s (Xiphosoma); haar kenmerkt de diepe groeve, die op ieder lipschild voorkomt.
De Hondskopslang (Xiphosoma canina) kan een lengte van 3 à 4 M. bereiken; exemplaren van deze grootte zijn echter zeldzaam. De bovendeelen hebben een fraaie, bladgroene kleur, die op het midden een donkerder tint vertoont, op de zijden met sterk in ’t oog vallende, zuiver witte dubbelvlekken of halve ringen geteekend is en op de onderdeelen in geelachtig groen overgaat. Het veelvuldigst schijnt zij te zijn in het gebied van den Amazonenstroom; noordwaarts is zij tot in Guyana, zuidwaarts over het noorden van Brazilië verbreid. Haar levenswijze komt vermoedelijk overeen met die van de in Suriname algemeene, lichtbruine, donkerbruin gevlekte Tuin-boa (Xiphosoma hortulana), welke zich op boomen, zelfs van plantsoenen, ophoudt en voornamelijk jacht maakt op Vogels. Van de Hondskopslang werd echter ook opgemerkt, dat zij uitmuntend zwemt, niet slechts in zoetwater, maar ook in de zee. Zoo ontmoette Von Spix er een, die over de Rio Negro zwom; een zeeofficier verzekerde aan Duméril, dat hij een Slang van deze soort op de reede van Rio de Janeiro had zien zwemmen.
De Glimslangen (Ilysidae) herinneren door haar vorm aan de Wormslangen; haar kop is klein en afgerond; de grens tusschen kop en romp is uitwendig nagenoeg onmerkbaar; de staart is kort en eindigt in een stompe spits; de mondopening is nauw, de bek (ook het tusschenkaaksbeen) met stevige, onderling gelijke grijptanden gewapend. De kleine oogen hebben een ronde pupil. Evenals bij de vorige familie, zijn ook bij deze kleine, uitwendig zichtbare overblijfselen van achterste ledematen aanwezig. Hare schubben zijn groot en glad.
*
Een van de veelvuldigst voorkomende leden dezer kleine familie is de Koraalroode Rolslang (Ilysia scytale). Zij heeft een prachtige, koraalroode kleur, waarop een groot aantal, langs den rand getande, zwarte ringen of ringvormige dwarsstreepen zeer goed uitkomen. Haar lengte bedraagt 60 à 70 cM.
Dit in Suriname menigvuldig voorkomend slangetje is langzaam van beweging, verwijdert zich nooit ver van haar schuilplaats, die het onder wortels van oude boomen, in gaten van den grond en dergelijke holen vindt. Het maakt jacht op kleine Kruipende Dieren, o.a. op Wormslangen, en brengt jongen ter wereld, die de eischaal reeds verbroken hebben.
Men moet dit dier levend gezien hebben om in te kunnen stemmen met de bewondering door zijn prachtige kleur gewekt; bij de in spiritus geconserveerde exemplaren is zij verbleekt.
*
De Cilinderslangen (Cylindrophis) verschillen van de Rolslangen door het gemis van tanden in het tusschenkaaksbeen en doordat de lichaamshuid zich niet over hare oogen uitstrekt.
Gewoonlijk wordt de Roode Slang, de Oelar-riboe der Maleiers (Cylindrophis rufa), als voorbeeld van dit geslacht gekozen. Deze van Birma tot Cochin-China over het Maleische Schiereiland en den geheelen Oost-Indischen archipel verbreide, vooral op Java veelvuldige, 78 à 83 cM. lange Glimslang heeft een bruine of zwarte kleur. Een band om den hals is, evenals de onderzijde van den staart, koraalrood; overigens is de onderzijde wit met onregelmatige, zwarte dwarsbanden.
De leden van dit geslacht leven onderaardsch, graven gangen, komen slechts nu en dan aan de oppervlakte en voeden zich met Insecten, Wormen en Wormslangen. Ook zij brengen hunne jongen levend ter wereld.
Linnaeus verdeelde alle hem bekende Slangen over de geslachten Boa, Coluber en Crotalus; tot het eerste bracht hij de Reuzenslangen, tot het derde de Adders en de Ratelslangen, tot het tweede de overige Slangen. Onze indeeling komt in vele opzichten met die van den grondlegger der wetenschappelijke dierkunde overeen; wij vereenigen in één familie (Colubridae) alle Echte Slangen, de vergiftige zoowel als de onschadelijke.
Een volle eeuw is noodig geweest om de natuuronderzoekers tot het inzicht te voeren, dat een rangschikking, waarbij in de eerste plaats gelet wordt op de giftigheid of onschadelijkheid der Slangen, onnatuurlijk en onwetenschappelijk is. Een consequente toepassing van dit middel tot indeeling is trouwens niet mogelijk, daar er vele overgangsvormen bestaan, Slangen over welker giftige eigenschappen men in het onzekere verkeert. Alle Groeftandigen n.l. komen wel is waar door den bouw van haar lichaam met de Gladtandigen overeen, maar gelijken door het maaksel en de verrichtingen harer tanden in zoover op de Echte Gifslangen, dat de door haar toegebrachte wonden voor kleine dieren bepaald doodelijk, voor menschen en groote Zoogdieren echter niet gevaarlijk zijn. De gegroefde tanden verschillen van de doorboorde alleen door hun minder ver voortgeschreden ontwikkeling en de hieruit voortvloeiende geringere geschiktheid voor het vergiftigen van de prooi. Van beide is de grondvorm volkomen gelijk; zij volgen denzelfden ontwikkelingsgang; hun werking berust op hetzelfde beginsel. Ook aan de zoogenaamde gifklier kunnen wij als klassificatie-kenmerk geen waarde toekennen, nu het gebleken is, dat de gifklier van de Adder en de achterste bovenlipklier van de Ringslang en hare verwanten, wat plaatsing en bouw betreft, overeenstemmen.
Koraalroode Rolslang (Ilysia scytale). ½ v. d. ware grootte.
Om een gemakkelijk overzicht te geven van de familie der Colubriden, die alle overige familiën van Slangen in omvang verre overtreft en de kern van de geheele onderorde uitmaakt, verdeelen wij haar in drie onderling evenwijdige reeksen: de Gladtandigen, de Groeftandigen en de Giftandigen. De Gladtandigen (Aglypha) hebben slechts één soort van tanden, die zoomin een groeve vertoonen, als een kanaal bevatten. Bij de Groeftandigen (Opisthoglypha) is minstens één van de achterste bovenkaakstanden aan de voorzijde met een overlangsche groeve voorzien; zij mogen als „verdachte” Slangen aangemerkt worden; van eenige leden dezer groep is het reeds gebleken, dat zij in geringe mate vergiftig zijn. Van de Giftandigen (Proteroglypha) hebben de voorste bovenkaakstanden een gifgroeve of gifkanaal; alle hiertoe behoorende Slangen zijn giftig; haar beet is meestal ook voor den mensch gevaarlijk. Bij vergelijking van deze drie reeksen, valt een merkwaardige overeenstemming tusschen de haar samenstellende geslachten in ’t oog, zoodat men deze in iedere reeks naar de levenswijze harer leden splitsen kan in een groep van landbewoners en een van waterdieren; deze groepen worden voor ’t meerendeel als onderfamiliën beschouwd.
De Gladtandigen, die gezamenlijk één onderfamilie uitmaken (Colubrinae), kenmerken zich door een slanken romp, die in alle richtingen even buigzaam is, een meer of minder duidelijk begrensden, kleinen, langwerpigen, goed gevormden kop en een spits eindigenden staart; de buitenste laag van de opperhuid bestaat uit gladde of gekielde schubben, die dakpansgewijs de rugzijde van den romp bedekken, en uit groote schilden aan de buikzijde. Boven vele andere Slangen munten zij uit door vlugheid en opgewektheid. Men merkt bij haar een voor dit slag van dieren betrekkelijk groote schranderheid op. Misschien mag men haar in dit opzicht den hoogsten rang in de onderorde toekennen; in alle gevallen behoeven zij bij de Reuzenslangen niet veel achter te staan.
De leden dezer onderfamilie, die een duizendtal soorten omvat, zijn over de geheele wereld verbreid, daar zij, hoewel in geringen getale, zelfs dicht bij den poolcirkel gevonden worden en ook in Australië, met inbegrip van de eilanden in den Stillen Oceaan, althans door eenige soorten vertegenwoordigd zijn. Hunne verblijfplaatsen zijn zeer verschillend. Vele soorten houden van vochtige streken en van water, andere daarentegen geven aan droge terreinen de voorkeur. De meeste zijn, zooals hun ronde pupil reeds doet vermoeden, hoofdzakelijk dagdieren, die zich, als de nacht aanbreekt, naar hunne schuilplaatsen begeven. Niet weinige echter gaan in de schemering op roof uit, of zoeken, hiertoe in staat gesteld door hun spleetvormige, verticale pupil, de hun tot voedsel dienende Hagedissen, gedurende den nacht in hare schuilhoeken op. Tusschen vele soorten bestaat een niet onbelangrijk verschil in levenswijze, zooals reeds af te leiden valt uit de ongelijkheid van de terreinen, waarop zij jagen; ook zij hebben echter vele eigenaardigheden gemeen. Zij kunnen zich op verschillende wijzen flink bewegen; betrekkelijk snel kronkelen zij zich over den bodem voort; alle kunnen zwemmen, sommige zelfs merkwaardig vlug; ook in ’t klimmen zijn zij meer of minder goed ervaren, enkele doen dit zelfs uitmuntend.