1) Dambordslang (Tropidonotus tesselatus),
2) Adderkleurige Zwemslang (Tropidonotus viperinus). ⅖ v.d. ware grootte.

De Dambordslang bewoont een groot deel van het gebied van haar inheemsche verwant, maar blijft meer tot het zuiden en oosten van ons werelddeel beperkt en dringt niet verder noordwaarts door dan Middel-Europa, waar zij slechts op enkele plaatsen aangetroffen wordt; over ’t algemeen is zij niet veelvuldig. Met uitzondering van de eilanden ontmoet men haar in geheel Italië; van hier strekt haar verbreidingsgebied zich oostwaarts uit tot Klein-Azië, Syrië, de Kaukasus-landen en de kuststreken van de Zwarte, Asowsche en Kaspische zeeën. Zij houdt zich veel in en bij het water op; haar voedsel bestaat uit Visschen en Salamanders. Gevangen exemplaren worden spoedig tam en kunnen lang in ’t leven blijven, als zij hun liefste voedsel in voldoende hoeveelheid ontvangen.

De Adderkleurige Zwemslang (Tropidonotus viperinus) heet zoo, omdat op haar donkergrijze, geelachtig of bruin getinte huid een duidelijk uitkomende, zwartbruine teekening voorkomt, welke dikwijls een merkwaardige overeenkomst heeft met die van de Gewone Adder en van de Aspis. De teekening begint met twee donkere, scheefhoekig vierzijdige vlekken achter den kop, waarop een over den geheelen rug voortloopenden zigzagband volgt, die zich op het laatste deel van den staart in afzonderlijke vlekken verdeelt en hier snel in breedte afneemt. Op elke zijde komt een reeks van ronde, donkere vlekken voor met een kleine, witte of geelachtig witte stip in ’t midden; deze oogvlekken laten nagenoeg gelijke tusschenruimten over, maar vloeien soms ineen en vormen dan figuren, die op een liggende 8 gelijken. De onderzijde is geel, bij het midden van den buik donkergeel, verder naar achteren wisselen zwarte, vierkante vlekken met roodachtig gele vlekken van anderen vorm af; de onderkaak is witachtig geel.

Deze soort vervangt de vorige in het westelijke deel van Zuid-Europa. Zij wordt op Sicilië en Sardinië en in het noordwesten van Italië gevonden, bovendien in enkele oorden van ’t Zuiden van Zwitserland, in de Fransche kuststreken van den Middellandsche Zee, voorts in nagenoeg geheel Spanje en Portugal en op de Balearen. Vooral in het noordwesten van Afrika komt zij veelvuldig voor.

Deze Slangen maken slechts terloops jacht op Kikvorschen, maar voeden zich hoofdzakelijk met Visschen, waaronder zij eene groote slachting aanrichten.

*

Door haar uitwendigen vorm en de gekielde schubben stemmen de Keeltandslangen (Dasypeltis)—welker eigenaardige, bij geen ander dier voorkomende slokdarmtanden reeds vroeger ter sprake kwamen—met de Zwemslangen overeen; over haar plaats in ’t stelsel heerscht echter verschil van meening. Hare zwakke kaken zijn slechts aan het achtereinde met een gering aantal (4) kleine tanden gewapend. Dit geslacht wordt door slechts twee soorten vertegenwoordigd, waarvan de eene (Dasypeltis abyssinica) West-Afrika, de andere—bij de Kapenaars onder den naam van Eiervreter (Dasypeltis scabra) bekend—Zuid-Afrika bewoont.


Een tweede groep van Colubriden is met gegroefde tanden uitgerust. Bij al hare leden zijn de achterste tanden van de bovenkaak grooter en krachtiger dan de overige en aan hun voorste oppervlakte voorzien met een diepe, gootvormige groeve. Alle mogen derhalve „verdacht” genoemd worden; van verscheidene is reeds proefondervindelijk gebleken, dat haar beet op de Gewervelde Dieren van alle klassen, die haar tot buit dienen, in weinige minuten een doodelijke werking uitoefent. Deze Groeftandigen (Opisthoglypha) kunnen over twee onderfamiliën verdeeld worden: de Land-Groeftandigen (Dipsadinae) en de Water-Groeftandigen (Homalopsinae).

*

Een van de weinig talrijke, Europeesche soorten van Landgroeftandigen, de Katslang (Tarbophis vivax), is de eenige vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht. Haar romp is cilindervormig, de kop eenigszins afgeplat en van achteren duidelijk begrensd, de staart betrekkelijk kort. De kleine oogen hebben een spleetvormige pupil. Op vuil bruinachtig gelen of grijzen grond is zij met uiterst kleine, zwarte stipjes geteekend; op de kopschilden komen bovendien kastanjebruine, op den rug reeksen van zwart- of roodbruine vlekken voor, beginnende met een groote vlek van dezelfde kleur in den nek. Een donkere streep strekt zich van het oog naar den mondhoek uit, een reeks van kleine vlekken over iedere zijde van den romp; de onderdeelen zijn geelachtig wit en bruin gemarmerd. De lengte van deze Slang bedraagt hoogstens 1.08 M.

De Katslang is verbreid over verscheidene van de landen, die de Middellandsche Zee omgeven. Men heeft haar aangetroffen in Istrië, Dalmatië, Albanië, Turkije en Griekenland, maar ook in Egypte, Palestina, Klein-Azië, de bergstreken aan de Zwarte Zee en verder tot aan de Kaspische Zee. Rotswanden, met losse steenen bedekte hellingen, zonnige glooiïngen en oude muren verschaffen haar verblijfplaatsen; zij schuwt echter groote hitte zoowel als gevoelige koude en komt daarom gedurende de heete maanden niet anders dan in de morgen- en avonduren uit haar schuilhoek te voorschijn. Hare bewegingen zijn vlugger dan die van de Adders, maar langzamer en trager dan die van de Gladtandige Slangen. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit Hagedissen. Duméril vond in de maag van een door hem ontlede Katslang een half verteerde Gekko.

Wegens haar bijtlust wordt zij in de landen, waar zij voorkomt, dikwijls voor een Adder gehouden, als zeer vergiftig beschouwd en zoo ijverig vervolgd, dat zij tegenwoordig in Dalmatië reeds tamelijk zeldzaam is geworden. Gevangen exemplaren gewennen zich schielijk aan hun verzorger, maken zonder pruilen gebruik van het voedsel, dat hun wordt aangeboden en blijven daarom bij doelmatige verzorging verscheidene jaren leven. Hare bewegingen hebben veel overeenkomst met die van de Gladde Slang. Zij is zeer ervaren in het klimmen en houdt zich zoo stevig vast aan de takken, die zij eens omstrengeld heeft, dat men haar niet losmaken kan, hoe zeer men haar ook plaagt en tot toorn prikkelt. Haar buit doodt zij door zich er om heen te kronkelen, geheel op dezelfde wijze als de Gladde Slang.

O. E. Eiffe heeft de giftige werking van den beet van de Katslang waargenomen bij een kleine Hagedis, die na verloop van 1½ minuut bezweek. Deze uitkomst kon echter slechts éénmaal verkregen worden, daar andere proeven van dezen aard een negatief resultaat opleverden.

*

Als vertegenwoordiger van de Nachtboomslangen of Takslangen (Dipsas) kiezen wij de prachtig gekleurde en geteekende Dipsas dendrophila, de Oelar-boerong der Maleiers. Bij de glinsterend zwarte grondkleur steken 40 à 90 smalle, naar onderen breeder wordende, lichtgele, ringvormige banden af; de lip- en keelschilden zijn eveneens geel, maar hebben breede, zwarte randen; de buik is effen zwart of geel gemarmerd. Volwassen exemplaren bereiken een lengte van 2 M., waarvan ongeveer een vierde op den staart komt.

De Oelar-boerong is een bewoner van alle Nederlandsch-Indische eilanden, maar komt ook voor op het Maleische Schiereiland en Singapore. Op Java ontmoet men haar in alle wouden (hoewel niet in grooten getale) en zelfs in den plantentuin te Buitenzorg. Bijtlustig als al hare verwanten, maakt zij zich bij de nadering van een vijand onmiddellijk tot den aanval gereed, kronkelt zich, gelijk de Gifslangen, tot een schijf ineen, beweegt trillend den staart heen en weer, buigt den kop zoo ver mogelijk naar achteren, zwaait hem naar links en naar rechts onder aanhoudend uitsteken en terugtrekken van de tong, ontrolt eindelijk eensklaps het voorste deel van den romp, doet in scheve richting een stoot naar voren, maar mist, door het licht verblind, zeer dikwijls haar doel. Op Java vreest niemand haar, daar ieder weet, dat haar beet niet gevaarlijk is; daarentegen wordt een van hare verwanten voor uiterst vergiftig gehouden.

*

De Holschubbigen (Coelopeltis) zijn Groeftandigen van gerekten, krachtigen lichaamsbouw, welker rolronde romp bekleed is met schubben, die ieder een overlangsche groeve vertoonen. De duidelijk begrensde, groote en hooge kop is in de teugelstreek met een diepe groeve voorzien; de oogen zijn groot en hebben een ronde pupil.

De eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht is de Hagedissenslang (Coelopeltis lacertina), die een lengte van 1.58 M. bereikt, waarvan 35 cM. op den staart komt. De olijfbruine grondkleur van de bovendeelen zweemt bij jonge dieren min of meer naar roodbruin; donkerbruine, geel gezoomde figuren van zeer verschillenden vorm versieren den kop, kleine, langwerpige, zwartachtige vlekken met gele randen de bovenzijde van den romp en den staart; de laatstbedoelde vlekken vormen gewoonlijk vijf overlangsche reeksen en zijn op zulk een wijze gerangschikt, dat iedere reeks met de naburige reeksen afwisselt. Op de schubben van de beide buitenste, overlangsche reeksen van iedere zijde vindt men bovendien een meer of minder groot aantal witachtige of geelachtige vlekken; deze vereenigen zich soms tot een onafgebroken golflijn; bij andere exemplaren is er slechts een smalle zoom van over. De onderzijde van romp en staart is geelachtig wit of bruinachtig geel. Bij deze soort komen vele kleurverscheidenheden voor.

Alle kustlanden van de Middellandsche Zee benevens Portugal, Arabië en Perzië worden door de Hagedissenslang bewoond. Erber vond haar in geheel Dalmatië overal tamelijk veelvuldig. „In de vrije natuur, waar zij onder struiken op Muizen, Hagedissen of Vogels loert, zou men haar dikwijls niet opmerken, als zij haar aanwezigheid niet door een krachtig gesis verried. In de nabijheid van Zara ving ik het grootste dier van deze soort, dat eveneens door een hevig gesnuif mijn aandacht had getrokken. Ik vervolgde het van den eenen struik naar den anderen en kon het gelukkig nog bij den staart vatten, toen het in een gat van den grond sloop. Beschadigen wilde ik de Slang niet; haar onbeschadigd uit den grond trekken was niet mogelijk, daar zij altijd naar beneden trok. Het ging ook niet aan, haar los te laten en vervolgens uit te graven, daar dit in den steenachtigen bodem geen gemakkelijk werk zou zijn geweest. Zoo bleef ik dan, de Slang voortdurend stijf bij den staart trekkend en haar in onrust houdend, twee volle uren zitten. Duim voor duim liet het dier zich terugtrekken, totdat het zich eindelijk snel naar buiten kronkelde. Zijn eerste werk was, onder hevig gesis mij in ’t gelaat te springen, waartegen ik mij natuurlijk verweerde; onmiddellijk daarna ledigde het zijn maag, waaruit een sinds kort verzwolgen Wielewaal, vier Muizen en twee Smaragdhagedissen te voorschijn kwamen; weinige uren na deze vermoeiende bezigheid stierf het.”

Volgens Fischer bewoont de Hagedissenslang woeste, dorre streken en voedt zich met kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren en zelfs Sprinkhanen. Het gif van deze Slang doodt binnen 3 of 4 minuten Hagedissen, Vogels en Vorschen; het werkt in de eerste plaats op de ademhaling, daarna op de hartwerking en brengt ten slotte een volslagen verlamming teweeg. Voor grootere dieren, Honden b.v., bleek de beet niet gevaarlijk te zijn; de mensch heeft er nog minder last van, omdat de werking van het gif zich eerst na verscheidene minuten begint te openbaren; bovendien bijt de Slang slechts zelden.

*

Boomslangen, welker achterste bovenkaakstanden gegroefd zijn, komen in de warme landen van beide halfronden in voor hen geschikte oorden zeer talrijk voor. Bijna alle worden door de inboorlingen voor zeer vergiftig gehouden en daarom gevreesd en geschuwd; de ervaring en een zorgvuldig onderzoek van haar gebit hebben echter bewezen, dat haar beet den mensch volstrekt niet schaadt. Deze Slangen wekken door haar schoone gedaante en bevallige bewegingen in hooge mate de belangstelling van den onbevooroordeelden onderzoeker, ook van de Siameezen, zooals blijkt uit den dichterlijken naam „Zonnestraal”, dien zij aan een dezer Slangen geven.

De buit der Boomslangen schijnt uit zeer verschillende dieren te bestaan. Zij eten Hazelmuizen, kleine Vogels, bij voorkeur echter allerlei Hagedissen en Amphibiën, die met haar hetzelfde terrein bewonen.

Tot de Groeftandige Boomslangen behoort het in Zuid-Amerika levende, maar ook in West-Indië en op Madagaskar vertegenwoordigde geslacht der Groene Slangen (Philodryas); een der meest verbreide soorten is de 82 cM. lange Groene Slang (Philodryas viridissimus), die in Guyana en het tropische gedeelte van Brazilië overal gevonden wordt. Dit dier heeft een middelmatig grooten, platten kop, een zijdelings samengedrukten romp en een langen staart. Schitterend is het effen groen van de bovenzijde, iets doffer dat van de onderdeelen.

„In het midden van den zomer,” schrijft Günther, „werden twee Zuid-Amerikaansche Groene Slangen aan den Zoölogischen Tuin te Londen te koop aangeboden. Hun levenswerkzaamheid was ondanks de destijds zeer hooge temperatuur zeer gering; zij hielden zich zoo stijf, dat men ze met eenigen schroom aanraakte om het slanke lichaam niet te breken. In haar hok bewogen zij zich langzaam naar een hoek, hieven hier het voorste deel van haar lichaam omhoog en bleven bewegingloos in deze houding liggen. „Groene Slangen kan men niet in ’t leven houden”, was het oordeel van den oppasser, die, naar het scheen, reeds vele leden van verwante Indische soorten had verzorgd. De takken en twijgen, waarmede hij steeds haar hok had voorzien, wilden zij niet als rustplaats gebruiken. Daar het groene kleed van deze Slangen recht gaf tot het vermoeden, dat zij zich alleen op levende en bebladerde planten op haar gemak zouden gevoelen, werden twee flink ontwikkelde hortensia’s in haar hok geplaatst. Nauwelijks was dit geschied, of een van de Slangen wendde haar kop naar de planten en scheen achtereenvolgens iederen tak, ieder blad te onderzoeken. Plotseling, zoodat men haar beweging nauwelijks met het oog kon volgen, schoot zij op een van de heesters toe, kronkelde zich eenige malen door de twijgen en rolde zich ten slotte ineen op een plaats, waar haar lichaam bijna geheel op groene plantendeelen kon rusten. Dit alles was zoo snel gebeurd, dat ik, naar de eene Slang kijkend, niet bemerkt had, dat haar gezellin op dezelfde wijze in den anderen heester een schuilplaats had gevonden; hoe klein de ruimte ook was, kon ik haar eerst na eenig zoeken te midden van de bladen onderscheiden. Sedertdien tijd verkeeren beide exemplaren in blakenden welstand; men heeft ze nooit meer op den bodem gezien; slechts nu en dan steekt een der Slangen het voorste deel van ’t lichaam boven de plant uit en gelijkt dan veel op een groenen, onbebladerden tak.”

*

Nog duidelijker zijn de Zweepslangen of Snuffelslangen (Dryophis) voor het leven te midden van de boomen ingericht. De romp en de staart zijn buiten verhouding lang en slank; de zeer lange en smalle kop eindigt in een spitsen, niet zelden slurfvormig verlengden snuit; de mondspleet strekt zich tot ver achter de oogen uit; deze zijn groot en hebben een horizontale, spleetvormige pupil; de kleine neusgaten zijn zijdelings geplaatst. Alle bekende soorten van dit geslacht bewonen de keerkringsgewesten van Azië.

Donkere Zweepslang (Dryophis pulverulentus). ⅔ v. d. ware grootte.

Donkere Zweepslang (Dryophis pulverulentus). ⅔ v. d. ware grootte.

De Zweepslangen dragen haar naam niet ten onrechte; zij kunnen werkelijk het best vergeleken worden met het koord van een zweep, zóó slank, zóó buitengewoon lang is haar romp. In verband met dezen lichaamsbouw houden zij zich steeds te midden van de groene deelen der boomen op en gevoelen zich nergens anders op haar plaats. Op den bodem zijn hare bewegingen onbeholpen en langzaam, in de boomkroon even bevallig als behendig. Zij maken jacht op Vogels, Hagedissen en Boomvorschen, in haar jeugd ook op Insecten; haar vraatzucht en bijtlust zijn buitengewoon groot; onverwachts schieten zij toe op ieder wezen, dat in haar nabijheid komt en bijten in ieder voorwerp, dat haar voorgehouden wordt; toch geeft men ze hier en daar als speelgoed aan kinderen.

De Donkere Zweepslang (Dryophis pulverulentus), die op Ceylon en op de Anaimalai-bergen van Zuid-Indië op ongeveer 570 M. hoogte leeft, is op bruingrijzen grond van boven en van onderen purperkleurig gemarmerd en met donkerbruine stippels geteekend. Daar de huid tusschen de schubben deels wit, deels zwart is, zal het dier, als het zich strekt, met onderling afwisselende ringbanden van deze kleuren geteekend zijn; een bruine teugelstreep reikt tot aan het oog. Van de totale lengte, die 1.67 M. kan bedragen, komt twee vijfde op den staart.


De Watergroeftandigen (Homalopsinae) verschillen van hare op het land levende verwanten door de plaatsing der neusgaten, die naar de bovenzijde van den snuit verschoven zijn, en door den vertikalen stand van de spleetvormige pupil hare kleine oogen. Zij bewonen het zuiden van China, Oost-Indië, de Molukken, Nieuw-Guinea en het noorden van Australië en leven nagenoeg voortdurend in het water; slechts nu en dan vindt men een enkel exemplaar op vlakke gedeelten van den oever liggen. Verscheidene Indische soorten zwemmen de rivieren af tot in zee en gedragen zich hier als echte Zeeslangen. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit Visschen en zwemmende Schaaldieren met zachte huid. Deze volstrekt niet opvliegende of bijtlustige, kortom aanvallige dieren zijn goedaardiger dan de meeste Colubriden en zouden tot sieraad kunnen strekken voor onze aquariën, indien er kans bestond ze levend over te brengen. Alle leden van deze onderfamilie brengen (evenals alle overige in ’t water levende Slangen) levende jongen ter wereld.

*

Tot het geslacht der Waterslangen (Homalopsis) behoort de Boa-waterslang (Homalopsis buccata), die door haar uiterlijk eenigszins aan een Boa herinnert, maar slechts 1 M. lang wordt. De rug is met kleine, gekielde schubben bekleed en prijkt met breede, donkerbruine, zwart gezoomde dwarsbanden, die met smalle, lichtbruine tusschenruimten afwisselen. De kop is van boven met hoekige figuren, aan weerszijden met een donkerbruine overlangsche streep versierd; aan weerskanten van de witachtige onderzijde van den romp komt een overlangsche reeks van bruine vlekken voor; de onderzijde van den staart is eveneens bruin gevlekt. Deze soort bewoont Achter-Indië, het Maleische Schiereiland en de Groote Soenda-eilanden; zij is vooral op Java veelvuldig, waar men haar Oelar-ajar noemt, evenals andere in zoet water levende Slangen, onverschillig of zij tot het geslacht Homalopsis of tot het geslacht Tropidonotus behooren.


De Giftandigen (Proteroglypha) vormen de derde en laatste reeks van de groote familie der Colubriden. Zij kenmerken zich door het bezit van gegroefde tanden aan het voorste gedeelte van het bovenkaaksbeen; bij sommige geslachten komen in dit been geen andere tanden voor dan deze, bij de overige worden zij gevolgd door eenige kleinere, massieve, ongevoorde tanden. Alle leden van deze groep, geen enkele uitgezonderd, zijn vergiftig. Zij worden in twee onderfamiliën gerangschikt: de Slangadders (Elapinae), die door haar lichaamsbouw voor het verblijf op den grond of in boomen geschikt zijn, en de uitsluitend in zee levende Zeeslangen (Hydrophiinae).


De Slangadders (Elapinae), zoo genaamd, omdat zij door haar gestalte op niet-vergiftige leden van haar familie gelijken, zijn kleinkoppige Slangen met een korten, tamelijk spits eindigenden staart; haar lange romp is op de dwarse doorsnede nagenoeg cirkelvormig of door het uitpuilen van het midden van de rugzijde afgerond driehoekig. De neusgaten zijn aan de zijden van den afgeronden snuit gelegen; de teugelschilden ontbreken altijd; de kop is op regelmatige wijze met groote schilden bekleed; overigens is de bedekking van het lichaam zeer verschillend.

Deze onderfamilie, die zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld vertegenwoordigd is, ontwikkelt op het oostelijk halfrond de grootste verscheidenheid van vormen. De talrijke Gifslangen van Australië behooren alle tot deze groep. Gelukkig bewoont geen van hare leden ons werelddeel. Zij omvat bijna de helft van alle Gifslangen en daaronder verscheidene van de allergevaarlijkste. Op weinige uitzonderingen na leven alle Slangadders op den grond; enkele zijn echter ook in staat om boomen te bestijgen, hoewel zij dit, naar het schijnt, niet dikwijls doen. Alle maken jacht op kleine gewervelde Dieren; haar buit bestaat vooral uit onschadelijke Slangen, maar ook uit Hagedissen. De grootste overvallen haar slachtoffer van uit een hinderlaag, maar vervolgen het soms ook over een korten afstand, wanneer zij het niet dadelijk kunnen grijpen; na den beet wachten zij de uitwerking van het gif af. De kleinere Slangadders schijnen haar prooi op te sporen, te vangen en eerst gedurende het verzwelgen te vergiftigen. De mededeelingen over haar voortplanting zijn nog zeer onvolledig; wat men er van weet, wettigt het vermoeden, dat de ontwikkeling van de kiem na het leggen der eieren haar beslag krijgt.

*

Hoewel men misschien mag aannemen, dat de Slangadders over ’t algemeen bij de niet-vergiftige leden harer familie in kleurenpracht achterstaan, zijn er toch ook, die in dit opzicht naar den prijs kunnen dingen. Het is zelfs niet onmogelijk, dat men de schoonheidsprijs aan de Pronkadders (Elaps) zou moeten toekennen, al namen alle Reptiliën aan den wedstrijd deel.

Dit geslacht, waarvan de meeste soorten in de warmste gewesten van Amerika thuis behooren en de weinige overige Afrika bewonen, bestaat uit kleine, maar lang uitgerekte, eenigszins plompe Slangen met rolronden romp, platten, van achteren niet zeer duidelijk begrensden kop en korten staart. De mondopening is zeer klein en de onderkaakshelften kunnen slechts weinig uiteenwijken.

Aan het bovenkaaksbeen komen achter de groote tanden, die voor het vergiftigen van de prooi dienen, geen massieve tanden voor. Over de aanwezigheid van giftanden heeft langen tijd eenige twijfel bestaan; daar bij sommige soorten geen gifkanaal of gifgroeve aan den tand gevonden werd en bij andere soorten van hetzelfde geslacht wel. Hoewel volgens de laatste onderzoekingen de Pronkadders niet tot de gevaarlijkste Gifslangen gerekend moeten worden, is toch het bewijs geleverd, dat het gif van deze dieren even krachtig werkt als dat van andere, met gevoorde of doorboorde tanden uitgeruste Slangen van gelijke grootte.

Een van de prachtigste soorten is de Koraalroode Pronkadder (Elaps corallinus), een Slang van 60 à 70 cM. lengte, waarvan ongeveer 10 cM. op den staart komt. De schitterend vermiljoenroode grondkleur van dit dier heeft een buitengewoon sterken, op den buik iets dofferen glans. Aan den romp wordt zij op tamelijk regelmatige wijze afgebroken door 16 à 19 zwarte, het geheele lichaam omgevende, ongeveer 10 à 14 mM. breede ringen, die nagenoeg gelijke tusschenruimten overlaten en aan haar voor- en achterrand door een smallen, groenachtig witten ring zeer zuiver gescheiden zijn van de rood gekleurde gedeelten. Alle roode en groenachtig witte ringen zijn zwart gestippeld, daar iedere schub hier een zwarte spits heeft. De voorste helft van den kop is blauwachtig zwart; op de achterhoofdschilden begint een groenachtig witte dwarsband, die zich achter het oog naar beneden ombuigt en de geheele onderkaak kleurt; hierachter ligt een zwarte halsband. De staart is gewoonlijk niet rood van kleur, maar vertoont op zwarten grond ongeveer 8 witachtige ringen en heeft een korte, witte spits. Van deze kleursverdeeling komen, naar het schijnt, weinig afwijkingen voor.

De Koraalroode Pronkadder bewoont de groote wouden en kreupelhoutbosschen bij Rio de Janeiro, Cabo Frio en aan den Parahyba; zij komt echter evenzeer in West-Indië en Argentinië en veel verder westwaarts in Ecuador, Bolivia en de laag gelegen gewesten van het noordoosten van Peru voor. Op geheel opene plaatsen treft men haar zeldzamer aan, hoewel zij soms ook hier en zelfs in de nabijheid van woningen gevonden wordt. Het schijnt, dat zij in moerassen niet voorkomt en boven alle andere terreinen de voorkeur geeft aan zandgrond of aan den koelen, vochtigen bodem van wouden, waar planten, rottende afgevallen bladen en dergelijke stoffen haar een schuilplaats verschaffen. „De jager, die deze wouden doorkruist, welker bodem met een dikke laag van plantaardige overblijfselen bedekt is, blijft,” zegt de Prins Von Wied, „verbaasd en verheugd staan, zoodra hij te midden van het groen, de vuurroode ringen van deze fraaie Slang ontwaart; alleen de onzekerheid over het gevaar, waaraan hij zich blootstelt, doet hem aanvankelijk schroomen, zijn hand naar het fraaie dier uit te strekken. Het bleek ons echter spoedig, dat men zonder gevaar deze Slangen kan opnemen en levend in den zak vervoeren. Haar voedsel bestaat uit kleine Gewervelde Dieren: de geringe wijdte van mond en keel veroorlooft haar niet een grooteren buit te verzwelgen.”

„Vaak komt het voor, dat Brazilianen den vreemdeling op deze fraaie Slang opmerkzaam maken, daar ook zij over den ongewonen gloed harer kleuren verrukt zijn; evenals de meeste Slangen, wordt dit dier door hen voor vergiftig gehouden; vele lieden meenen zelfs, dat het een andere kleine Slang in den hals draagt, waardoor de beet wordt toegebracht.” De oorsprong van het laatstgenoemde verhaal is niet moeielijk te raden: waarschijnlijk heeft men deze Slang dikwijls waargenomen bij het verzwelgen van haar prooi, die uit Slangen, Ring- en Woelhagedissen en andere kleine Reptiliën bestaat. Ook weet men thans, dat de Brazilianen te recht de Koraalroode Pronkadder vergiftig noemen.

Volgens een mededeeling van Seba wordt een andere soort van Pronkadder—de Schootslang of Meisjesslang (Elaps hygiae)—door vrouwen en meisjes in Zuid-Afrika in het warme jaargetijde als verkoelend middel gebruikt; zij wikkelen zich dit dier om den hals, daar het niet bijt. Ook de Prins Von Wied schijnt iets dergelijks gezien te hebben, daar hij opmerkt: „Als men deze fraaie Slang, nadat zij gedood is, om den donkeren hals van een Neger of van een Indiaan gewikkeld ziet, wordt men herinnerd aan de bonte, van vogelveeren vervaardigde halssnoeren, die de bewoners van Hawaii droegen, toen Kapitein Cook hen bezocht.”

Van de prachtige kleur dezer Slangen krijgt men geen juiste voorstelling door het beschouwen van de exemplaren onzer musea. Als men haar de huid aftrekt, verbleeken de fraaie, roode ringen zeer spoedig; ook de in spiritus bewaarde exemplaren verliezen hun rood hoe langer hoe meer en na verloop van eenige jaren geheel en al. Uit het feit dat de vloeistof een lichtroode kleur aanneemt, schijnt te blijken, dat de bedoelde huidkleurstoffen door den alcohol opgelost worden.

Koraalroode Pronkadder (Elaps corallinus). ⅔ v. d. ware grootte.

Koraalroode Pronkadder (Elaps corallinus). ⅔ v. d. ware grootte.

Bij het Aziatische geslacht der Buikklieradders (Adeniophis) zijn de gifklieren buitengewoon sterk ontwikkeld, aan weerszijden strekken zij zich over een derde gedeelte van de lengte van den romp uit; zij zijn dus in de lichaamsholte gelegen, waardoor de ligging der overige ingewanden een belangrijke wijziging ondergaat.

De meest bekende soort van dit geslacht, de Buikklieradder (Adeniophis intestinalis), is 57 cM. lang en zeer bont van kleur; zij komt in Birma, op het Maleische Schiereiland en op de eilanden van den Oost-Indischen archipel, van Sumatra tot aan de Philippijnen, veelvuldig voor.

*

Boengaroem of Boengar noemen de Indiërs eenige groote en uiterst gevaarlijke Gifslangen van hun vaderland. Deze naam, tot Bungarus vervormd, dient in de wetenschap tot aanduiding van een 8 soorten omvattend geslacht, welks leden Oost-Indië en Zuid-China bewonen en de volgende eigenschappen met elkander gemeen hebben. De kleine, eivormige kop is weinig breeder dan de hals en eindigt in een stompen snuit, de romp is op de dwarse doorsnede cirkelvormig of afgerond driehoekig, tot aan den staart nagenoeg gelijk van dikte; de staart is betrekkelijk kort. De mondopening is klein, de onderkaak een weinig korter dan de bovenkaak en met zwakkere tanden gewapend dan deze. Achter de giftanden, die aan de bolle voorzijde een duidelijke groeve vertoonen, maar in verhouding tot de grootte van het dier zeer klein zijn, vindt men 1 à 3 kleine, massieve tanden.

De Pama of Boengaroem-Pama der Indiërs, de Oelar-boelang der Javanen (Bungarus fasciatus), de grootste soort van haar geslacht, bereikt een lengte van 1.75 M.; de romp is op zwarten of blauwzwarten grond geteekend met 25 à 35 gele ringen van ongeveer gelijke breedte, die nagenoeg op gelijken afstand van elkander verwijderd zijn; de blauwzwarte kop heeft een bruinen snuit; een vale streep begint op het midden van het achterhoofdsschild en loopt aan weerszijden scheef naar onderen en naar achteren, waardoor een halsband ontstaat.

Een tweede soort, de Paragoeda of Pakta-poela (Bungarus caeruleus), bereikt een lengte van hoogstens 1.29 M. Haar kleur en teekening zijn zeer ongelijk. In den regel is de bovenzijde blauwzwart of donkerbruin en met een meer of minder groot aantal witte dwarsbanden geteekend, welker breedte meestal niet grooter is dan de lengte van een schub van den rug; soms zijn zij door kleine, witte vlekken vervangen; de onderzijde is wit.

De Pama werd in geheel Voor-Indië, Assam, Birma, Siam, het zuiden van China, op Sumatra en Java waargenomen; de Paragoeda schijnt meer tot Voor-Indië beperkt te zijn en is reeds zeldzaam in Birma, maar komt vooral in Bengalen en aan de kust van Malabar veelvuldig voor. Beide soorten houden zich in droge streken op en maken hier jacht op kleine Zoogdieren en Reptiliën, vooral op andere Slangen en Hagedissen. Cantor zegt, dat zij, ondanks haar ronde pupil, zich over dag dikwijls in hare schuilhoeken verbergen, den zonneschijn vermijden, de schaduw opzoeken en zich op onvaste wijze bewegen; soms maken zij zonder eenige aanleiding zeer onstuimige bewegingen. Sir Joseph Fayrer daarentegen zegt uitdrukkelijk, dat zij dagdieren zijn. Zij vluchten in den regel bij de nadering van een mensch, tenzij deze haar tot toorn prikkelt; in dit geval kunnen zij even gevaarlijk worden als iedere andere vergiftige Slang van gelijke grootte. Vóór den aanval buigen zij, evenals de Adders, den kop ver achterover, strekken daarna in scheeve richting den halven romp naar voren en trachten haar vijand te bijten. De Indiërs beweren, dat de beet van deze Slangen steeds den dood ten gevolge heeft en vreezen haar zeer; wegens de kortheid van de giftanden is echter in dit geval de kans op een gunstigen afloop iets grooter dan na den beet van een Brilslang.

De gevaarlijkheid van den beet der Boengaren is door proefnemingen duidelijk gebleken. Een Hoen, dat door een zeer afgematte Pama gebeten werd, stierf onder stuiptrekkingen na verloop van 25 minuten. Een groote, forsche Hond kreeg van een Paragoeda een beet in de dij, schreeuwde luid op het oogenblik, dat hij gewond werd, hoewel de wonde ternauwernood zichtbaar was, liep daarna echter rond, schijnbaar zonder eenige last te ondervinden; 25 minuten na den beet waren de beide achterpooten verlamd. Gedurende het tweede uur braakte het gewonde dier herhaaldelijk en geraakte meer en meer in een staat van verdooving; het viel overzijde, begon ongeregeld te ademen en stierf voordat het uur om was.

Pama (Bungarus fasciatus). ¼ v. d. ware grootte.

Pama (Bungarus fasciatus). ¼ v. d. ware grootte.

Hoevele van de talrijke gevallen van vergiftiging door slangenbeten, die ieder jaar in Indië voorkomen op rekening van de Boengaren moeten worden gesteld, is moeilijk uit te maken; waarschijnlijk tast men niet mis door haar na de Brilslang de gevaarlijkste van alle vergiftige Slangen van Oost-Indië te noemen. „Op Java,” schrijft Schlegel, „verschuilen zij zich in aardholen, of zelfs onder de gebouwen ter wille van de Muizen en Ratten, die, aldaar huizende, haar tot een gemakkelijken buit verstrekken. Dit heeft zelfs in het lage gedeelte van Batavia plaats en daar zij ook wel eens onder de bedden kruipen, zoo heeft men gevallen, dat menschen, daaronder tastende zonder te zien, van zoodanige Slangen gebeten werden. Haar beet schijnt meestal en wel in zeer korten tijd den dood ten gevolge te hebben.”

*

Toen de Portugeezen zich op Ceylon vestigden, maakten zij er kennis met een zeer eigenaardige Slang, die door de inboorlingen Kover Kapel werd genoemd, sanskritsche woorden, die „Koning der Slangen” beteekenen. De bedoelde naam klonk ongeveer als Cobra de Capello of „Slang met den hoed”, bij verkorting Hoedslang, welke verbastering meer algemeen in gebruik komend, den vroegeren naam van het dier in vergetelheid heeft gebracht. Zij wordt ook gebezigd tot aanduiding van verwante Slangen in Afrika. Hier had een nog zonderlinger vervorming van den reeds verbasterden naam plaats; de Hollandsche kolonisten in Zuid-Afrika noemden het dier naar den klank van de Portugeesche woorden, waarmede zij het hoorden bestempelen, Koperkapel. Evenals de Indische, waren de Afrikaansche „Hoedslangen” reeds sinds overouden tijd bekend; meer bepaaldelijk had de in Noord- en Oost-Afrika levende soort reeds bij de Oud-Egyptenaren grooten roem verworven.—De naam Cobra de Capello is bovendien een zinspeling op een eigenaardigheid van dit dier en van zijne verwanten. Het kan den hals schijfvormig verbreeden door zijwaartsche beweging van de 8 voorste paren ribben, die langer dan gewoonlijk en bijkans niet gekromd zijn. Dit geschiedt, wanneer het voorste deel van het lichaam opgericht wordt; de kop is dan steeds naar voren omgebogen, zoodat de Slang van achteren gezien een groote, ronde hoed schijnt te dragen. Van voren beschouwd, maakt de door ribben uitgespannen schijf veeleer den indruk van een schild; uit dien hoofde zou de naam „Schildadder” het dier nog beter passen dan de naam „Hoedslang”. De wetenschappelijke geslachtsnaam van deze dieren (Naja) is aan de volkstaal in Indië ontleend; op Ceylon worden zij Negu (spreek uit: Neezjoe) genoemd.

Stel u een Hoedslang voor, die, verschrikt en geprikkeld door het zien van een vijand, van een mensch, soms langzaam, soms snel den verstoorder van haar rust nadert. Het voorste derde gedeelte van haar lichaam heeft zij opgericht, haar schild uitgebreid; in deze fiere houding houdt zij zich tot den aanval of althans tot tegenweer gereed. Het opgeheven lichaamsdeel blijft steeds rechtstandig; daarachter is iedere spier in werking. Wie bij dit schouwspel bedenkt, dat de beet van deze Slang even snel den dood veroorzaakt als die van de Ratelslang of van de Lanskopslang, zal beseffen, waarom de Naja te allen tijde de aandacht van den mensch getrokken heeft.

Brilslang (Naja tripudians). 1/10 v. d. ware grootte.

Brilslang (Naja tripudians). 1/10 v. d. ware grootte.

De Cobra de Capello, ook wel eenvoudig Cobra (in Indië Tjinta-neezjoe) genoemd (Naja tripudians), is 1.4 à 1.8 M. lang; de grondkleur van haar kleed is rungeel en zweemt bij een bepaalde wijze van verlichting naar aschgrauw; daar echter de tusschenruimten der schubben (en dikwijls ook de hoeken van sommige dezer plaatjes) lichtgeel of wit zijn, is de totale indruk van de kleur van het dier bleeker. In den nek hebben lichtgeel of wit zoozeer de overhand, dat de donkerder gedeelten er als vlekken uitzien; juist op deze plaats steekt een teekening, die op een bril gelijkt, duidelijk tegen de lichtere omgeving af. Zij wordt door twee zwarte lijnen gevormd, welke een veld omsluiten, dat, met uitzondering van de zwarte vlekken of ringen, die de glazen van den bril voorstellen, in den regel aanmerkelijk lichter is dan het overige deel van den hoed- of schildvormig verbreeden hals. Aan deze teekening dankt de Cobra den naam van Brilslang, waarmede gewoonlijk ook de overige leden van het geheele geslacht Naja worden aangeduid, al komt bij hen geen brilvormige teekening voor. De buikzijde van de Cobra is vuilwit en op het voorste derde gedeelte van den romp dikwijls met breede, zwarte dwarsbanden geteekend. Op grond van vrij belangrijke kleurafwijkingen onderscheidt men een groot aantal variëteiten, die ook bij de inboorlingen verschillende namen dragen.

De Brilslang bewoont geheel Indië, het zuiden van China, Birma, Siam, het Maleische Schiereiland, de Groote Soenda-eilanden (met uitzondering van Celebes), de Andamanen en Ceylon; westwaarts strekt haar verbreidingsgebied zich uit over Afghanistan, het noordoostelijke deel van Perzië en de zuidelijke districten van Toerkmenië tot aan de Kaspische Zee. In den Himalaja vindt men haar tot op een hoogte van 2500 M. Evenals de meeste overige Slangen, schijnt zij zich niet tot een bepaald terrein te bepalen, maar zich overal te vestigen, waar zij een geschikte schuilplaats en een voldoende hoeveelheid voedsel vindt. Hare liefste woningen zijn verlaten nestheuvels van Termieten, oude muren, opeenhoopingen van steenen of hout, leemen wanden, waarin gaten voorkomen en allerlei andere verhevenheden met holen of overdekte tusschenruimten, die voor schuilhoeken kunnen dienen. Tennent vestigt de aandacht op het feit, dat, behalve een soort van Gladtandige Slang—de Rattenslang (Ptyas Blumenbachii)—, zij het eenige lid van haar onderorde is, dat de nabuurschap van menschelijke woningen niet vermijdt. Zij wordt hierheen gelokt door de voor woonplaats geschikte riolen en misschien ook door hoop op buit, daar Ratten, Muizen en kleine kuikens van haar gading zijn. Zoolang niemand haar stoort, ligt zij gewoonlijk lui en traag voor den ingang van haar schuilplaats, neemt hierin bij de komst van een mensch ten spoedigste de wijk en gaat alleen, na in ’t nauw gebracht te zijn, haar aanvaller te lijf.

„De zwartbruine Brilslang is,” volgens Dr. S. Müller, op de Soenda-eilanden niet zeldzaam. De Soendaneezen op Java bestempelen het jonge dier met den naam van Oraisindoek, d.i. Lepelslang, naar den lepelvormig uitgezetten hals, het oude met dien van Orai-babi, d. i. Varkenslang, naar de zwartblauwachtige kleur gelijk die van een Chineesch Zwijn. De Maleiers in de Padangsche bovenlanden van Sumatra kennen deze Brilslang vrij algemeen onder den haar bijzonder kenmerkenden naam van Oelar-bieloedakh, d. i. Gifspuwende Slang. Door de Bejadjoe Dajakkers op Borneo is ons voor haar de naam Hantiepeh-poera, d. i. Dorpslang opgegeven, omdat men haar dikwerf in bewoonde plaatsen en zelfs binnen de huizen aantreft. Zij kiest bij voorkeur tuinen, velden en weilanden, de oevers van rivieren, opene, met struiken begroeide vlakten en diergelijke tot verblijf; gedurende den dag verbergt zij zich vaak in aardholen, onder oude, omgevallen boomstammen en steenhoopen, in rotsholen, kelders enz., somwijlen ook kruipt zij midden op den dag heen en weder, naar voedsel zoekende. Wordt zij vervolgd, dan tracht zij zich met snelle sprongen door de vlucht te redden, doch is weldra afgetobd. In dit geval richt zij zich plotseling in schier rechtstandige houding op, waarbij haar staart tot steunpunt dient, zet den hals breed uit, blikt met waterpas gerichten kop op den haar bedreigenden vijand, naar wien zij onder een vervaarlijk gesis en voorwaartsche bewegingen met het bovenlijf, een speekselachtig schuim uitwerpt. Haar voedsel bestaat uit Kikvorschen, kleine Hagedisachtige dieren, Muizen en Vogels.”

Alle onderzoekers noemen hare bewegingen langzaam; toch is zij behendiger dan men gewoonlijk meent: zij kan niet slechts zwemmen, maar ook tamelijk goed klimmen. Zoo doodde men aan boord van een schip een Cobra, die er niet anders dan langs den ankerketting heeft kunnen komen. Tennent bericht over een Brilslang, die gevonden werd in de kroon van een palmboom, „aangelokt, naar men beweerde, door het palmsap, dat juist afgetapt werd”, waarschijnlijk echter, omdat zij daarboven Vogels vangen of nesten plunderen wilde. Ook op daken van huizen treft men haar niet zelden aan.

De Cobra eet geen andere dan kleine dieren, naar het schijnt, vooral Reptiliën en Amphibiën; Tennent althans zegt, dat zij jacht maakt op Hagedissen, Vorschen en Padden; volgens Fayrer vangt zij ook Visschen en Insecten. Dat zij voor jonge Hoenderen, Muizen en Ratten gevaarlijk kan worden, werd reeds gezegd; volgens Fayrer plundert zij ook vogelnesten en tracht vooral uit hoenderhokken en duiventillen eieren te rooven. Zij bekommert zich niet veel om andere Slangen en maakt dus waarschijnlijk geen jacht op deze dieren. Zij drinkt veel, maar kan ook lang zonder nadeel dorst lijden, zooals gebleken is bij gevangen exemplaren, die weken en zelfs maanden achtereen niets te drinken kregen.

Volgens Fayrer legt de Cobra hoogstens 18 witte, langwerpig eivormige eieren met zachte schaal, zoo groot als die van onze Huisduif. Phipson spreekt van 12 à 20 eieren. De Indiërs verhalen, dat men op plaatsen, waar een Brilslang gevangen werd, na verloop van korten tijd ook een tweede exemplaar van deze diersoort ziet verschijnen en schrijven dit toe aan een zekere gehechtheid van het mannetje en het wijfje voor elkander, aan een duurzamen band tusschen de leden van een paar. Iets dergelijks berichten de schrijvers der oudheid van een verwante soort, van de Uraeus-slang of Aspis. De Singaleezen beweren dat de jongen vóór de eerste vervelling (die volgens hen op den 13en levensdag plaats heeft) niet vergiftig zijn.

De Brilslang, die ook thans nog door de Hindoes met heilig ontzag wordt bejegend en waaraan een bijna goddelijke vereering ten deel valt, speelt in hunne godsdienstige overleveringen een belangrijke rol. Zoo wordt verhaald, dat eens, toen Boeddha bij een bezoek aan de aarde in de middagzon lag te slapen, een Cobra met haar schild het goddelijk aangezicht overschaduwde. Bij zijn ontwaken was de god hierover zoo verheugd, dat hij de Slang een buitengewone genade beloofde; hij vergat echter zijn belofte, zoodat de Slang zich genoodzaakt zag hem er aan te herinneren in een tijd, toen de Wouwen een groote slachting aanrichtten onder de leden van haar geslacht. Om de Cobra te beveiligen schonk Boeddha haar den bril, waarvoor de Roofvogels bang zijn. De wijze, waarop de Indische slangenbezweerders met de Cobra omgaan, is wel geschikt om zelfs den ongeloovigen Europeaan een hoog denkbeeld te geven van hun bekwaamheid; de kunst, die zij vertoonen, berust op hun nauwkeurige bekendheid met den aard en de gewoonten van de Slang. Verscheidene schrijvers hebben beweerd, dat de Cobra, evenals haar Afrikaansche zuster, vooraf onschadelijk wordt gemaakt door het uitbreken van de giftanden. Reeds door Davy werd deze bewering ten stelligste tegengesproken; latere onderzoekers scharen zich geheel aan zijn zijde. Het komt misschien wel eens voor, dat de slangenbezweerders aan de dieren, waarmede zij hunne kunsten verrichten, de doodelijke wapens ontnomen hebben, in den regel echter zijn deze aanwezig en zou de Slang er dus gebruik van kunnen maken, daar de wijze, waarop zij afgericht wordt, zeer zeker niet in staat is om haar het bijten af te leeren. De kunstenmaker voorkomt dit gevaar, dat hij dikwijls, doch niet altijd, op een dolkoene wijze uitlokt, uitsluitend door zijn behendigheid en oplettendheid. Het is trouwens geen zeldzaamheid, dat een van deze lieden door een beet van een Brilslang het leven verliest. „De slangenbezweerder,” schrijft Davy, „prikkelt de Cobra door haar te slaan of door snelle, dreigende bewegingen met de hand en kalmeert haar weder door zijn stem, door met de hand langzaam kringen te beschrijven en door zachte, streelende liefkoozingen. Als zij kwaad wordt, weet hij behendig haar aanval te ontwijken, en wacht dan, tot zij weer bedaard genoeg is, om met haar te spelen. Dan brengt hij den bek van het dier aan zijn voorhoofd en strijkt zich er mede langs het gelaat. Het publiek meent, dat de man werkelijk een toovermacht bezit, waardoor hij zonder gevaar met de Slang kan omgaan; de ongeloovige toeschouwer steekt den draak met deze meening en verdenkt den kunstenmaker van bedrog te plegen met Brilslangen, die vooraf van de giftanden beroofd zijn: toch is dit een dwaling en heeft het publiek gelijk. Ik heb zulke Slangen onderzocht en gezien, dat hare tanden gaaf zijn. De slangenbezweerders bezitten wel degelijk een toovermacht, al is het geen bovennatuurlijke, n.l. zelfvertrouwen en moed. Zij kennen de gewoonten en de neigingen van de Slang, weten, dat zij ongaarne haar doodelijk wapen gebruikt en eerst na vele voorafgaande plagerijen zal bijten. Ieder, die even omzichtig en vlug van beweging is als deze menschen, kan hun spel nabootsen; ik heb het meer dan eens gedaan. Met elke Hoedslang kunnen de slangenbezweerders hunne kunsten verrichten, om ’t even of zij pas gevangen werd of lang opgesloten is geweest; zij wagen het echter met geen andere Vergiftige Slang”. De waarheid van de mededeelingen van Davy werd op Ceylon op een treurige wijze bevestigd door den dood van een slangenbezweerder, die bij zijne voorstellingen met buitengewone driestheid te werk ging; hij werd door een van zijne Slangen in de borst gebeten en stierf nog op denzelfden dag.

Een zeer aanschouwelijke beschrijving van de slangenbezwering gaf Rondot: „Tegen 6 uur ’s avonds komt een Indische slangenbezweerder aan boord. Hij is armoedig gekleed, zijn tulband is tot onderscheiding met drie pauweveeren getooid. In zijne zakken draagt hij halsbanden, amuletten en dergelijke voorwerpen, in een plat korfje een Cobra de Capello. Hij maakt op het voordek toebereidselen tot het geven van een voorstelling; wij zetten ons op de banken van het achterdek neer, de matrozen zijn in een kring geschaard.

„Het korfje wordt neergezet en het deksel er af genomen. De Slang ligt ineengekronkeld op den bodem. De kunstenmaker hurkt op eenigen afstand van haar neer en begint op een soort van klarinet een sleepend, droefgeestig, eentonig wijsje te spelen. De Slang ontrolt zich gedeeltelijk, rekt zich uit en rijst omhoog. Zij steunt als ’t ware op den staart, die nog ineengekronkeld in het korfje ligt. Na een poosje wordt zij eenigszins onrustig, maakt bewegingen om, met de tong tastend, haar omgeving te onderzoeken, ontplooit en verbreedt haar schild, geeft haar gramschap te kennen door het voortbrengen van een meer snuivend dan sissend geluid, door het versnellen van de tongbeweging en door zich herhaaldelijk met kracht naar voren te krommen in de richting van haar meester, alsof zij hem wil bijten, schiet intusschen dikwijls omhoog en doet onbehouwen sprongen. Hoe meer zij haar schild beweegt, des te breeder wordt het. De slangenbezweerder houdt de oogen voortdurend op de Cobra gevestigd en kijkt haar buitengewoon strak aan. Nadat op deze wijze ongeveer 10 of 12 minuten voorbijgegaan zijn, vermindert de opgewondenheid van de Slang langzamerhand; eindelijk is zij tot bedaren gekomen en wiegelt heen en weer, alsof zij onder den invloed komt van de allengs verflauwende muziek van haar gebieder; de beweging van de tong blijft echter nog altijd buitengewoon snel. Hoe langer hoe meer schijnt de Cobra in een toestand van slaapdronkenheid en droomerigheid te vervallen. Hare oogen, die aanvankelijk met onheilspellenden gloed op den bezweerder waren gericht staren nu onbeweeglijk naar hem als onder den indruk van een betoovering. De Hindoe, gebruik makend van dezen toestand van wezenloosheid van de Slang, nadert haar langzaam, zonder zijn spel te staken en drukt eerst den neus en dan de tong op haar kop. Dit duurt niet langer dan één oogenblik; de Slang herkrijgt onmiddellijk haar vroegere levendigheid en schiet met razende woede op den bezweerder toe, die ternauwernood den tijd heeft om buiten het bereik van het giftige dier te komen.

„Nadat de man opgehouden heeft te spelen, komt een van de scheepsofficieren bij hem met den wensch om ook te zien, hoe de Hindoe zijne lippen op den geschubden kop van het dier drukt. De arme drommel begint opnieuw zijn eentonig wijsje te spelen en vestigt zijn starenden blik weder op de Cobra. Al zijn moeite is echter tevergeefs. De Slang verkeert in een toestand van buitengewone opgewondenheid; niets is in staat haar te kalmeeren. Zij wil zelfs de korf verlaten, zoodat men genoodzaakt is er het deksel op te doen.

„Het wil er niet bij ons in, dat de Cobra nog in het bezit is van hare giftanden en dat er geen veinzerij schuilt achter de vrees, die de Hindoe voor haar laat blijken. Wij verlangen daarom, dat de man twee Hoenderen door het dier zal laten bijten en beloven hem hiervoor een Spaanschen piaster. Een zwarte kip wordt de Slang voorgehouden. Deze richt de helft van haar lichaam omhoog, bijt het Hoen, na het een oogenblik aangestaard te hebben en trekt onmiddellijk den kop terug. De losgelaten Vogel maakt van zijn vrijheid gebruik door vol schrik de vlucht te nemen, braakt na verloop van 6 minuten, strekt de pooten uit en sterft. Het tweede Hoen, dat tweemaal door de Slang gebeten wordt, sterft na verloop van 8 minuten.”

Graaf Karl von Görtz geeft in zijn „Reis om de Wereld” een eenigszins andere beschrijving van de bedoelde vertooning. De Cobra’s, waarmede hij de slangenbezweerders te Madras kunsten zag verrichten, lagen eveneens in platte korven ineengerold; de hoofdman van de troep vatte ze echter een voor een bij den kop en begon, nadat hij ze eerst vrij op den grond neergelegd had, een oorverscheurende muziek te maken op een wonderlijk soort van klarinet, die aan haar einde met een kleinen pompoen voorzien was. De Slangen richtten den kop en den hals omhoog, keken haar meester stijf in ’t gelaat en breidden haar schild sterk uit, maar gaven geen andere bewijzen van opgewondenheid. Toen de man haar de vuist voor den kop hield, maakte deze een beweging als om te bijten; de bek werd echter niet geopend, ook niet bij het vervangen van de vuist door den top van den neus en het puntje van de tong. De kunstenmaker trachtte de Slangen niet te betooveren door ze stijf aan te kijken; daarentegen hield hij de hand dikwijls achteloos in de nabijheid van de dieren, die hij eindelijk zelfs om zijn hals wikkelde. Er was niets te bespeuren van een dansende beweging der Slangen; deze toonden duidelijk, dat zij nog even boosaardig en woedend waren als gewoonlijk, maar ook, dat zij den slangenbezweerder vreesden. Het was gemakkelijk te raden, dat men ze afgericht had door ze in harde of heete voorwerpen te laten bijten. „Hare giftanden waren gebroken; ik heb mij hiervan persoonlijk overtuigd en de slangenbezweerders erkenden het gewillig.”

„Op de Indische eilanden,” zegt Dr. S. Müller, „wordt de Brilslang volstrekt niet tot ten vermaak strekkende spelen (zoogenaamde dansen enz.) gebruikt. De Slangen, waarmede de priesters op Java somwijlen goochelkunsten, maar verschillend van die der Hindoe’s, ten uitvoer brengen, zijn doorgaans niet giftig. Het zijn gewoonlijk soorten van de geslachten Python en Coluber.”

Behalve de slangenbezweerders houden zich ook de brahminen met de vangst en de africhting van de Brilslang bezig. Volgens de mededeelingen van Johnson onderzoeken de vangers op geschikte plaatsen alle holen in den grond en beginnen te graven bij die met een door het in- en uitkruipen van de Slang gladgeschuurden ingang, daar zij weten, dat deze plaats gewoonlijk oneffen is, wanneer het hol bewoond wordt door dieren, die pooten hebben. Het op deze wijze ontdekte hol van de Slang wordt voorzichtig geopend, totdat men het dier bereikt heeft; dit tracht men met de linkerhand bij den staart te vatten, terwijl de rechter een verder naar voren gelegen deel van het lichaam omspant. Men trekt nu de Slang met de linkerhand zooveel mogelijk door de rechter, totdat deze den nek tusschen duim en wijsvinger heeft. Johnson verzekert, dat hij op deze wijze ook in de open lucht Slangen heeft zien vangen. Zij die zich met dit werk bezig houden, gaan trouwens nooit alleen op de jacht en hebben altijd de benoodigdheden bij zich om een slangenbeet te kunnen behandelen. Zoo draagt een van hen gewoonlijk een vuurpot, bestemd voor het gloeiend houden van een klein ijzeren voorwerp, zoo groot als een tand van een gewone vork en van den vorm van een slangetand, waarmede men, als aan iemand het ongeluk overkomt van gebeten te worden, dadelijk de gewonde plaats uitbrandt, nadat men eerst het bloed er uitgedrukt en uitgezogen heeft, terwijl men tevens door een band om het gekwetste lichaamsdeel te leggen de verbreiding van het gif tegengaat. Anderen bepalen zich tot het plaatsen van een zoogenaamden „slangensteen” op de wonde. Inwendig gebruikt men dikwijls met goed gevolg een aftreksel „gongea” genaamd, van wilde hennep of tabak en bezoargeest.

Fayrer heeft gedurende drie opeenvolgende jaren een reeks van onderzoekingen ingesteld, om de werking van het gif der Indische Slangen en meer bepaaldelijk der Brilslang te leeren kennen. Als proefdieren werden bij voorkeur Honden en Hoenderen, maar bovendien Paarden, Runderen, Geiten, Zwijnen, Katten, Mungo’s, Konijnen, Ratten, Wouwen, Reigers, Hagedissen, onschadelijke en vergiftige Slangen, Vorschen, Padden, Visschen en Slakken gebruikt. Het bleek, dat het gif van de Brilslang op al deze dieren werkt en dat de werking buitengewoon hevig en meestal ook merkwaardig snel is. Tegenmiddelen van den meest verschillenden aard werden onderzocht; zij beantwoordden in ’t geheel niet of slechts in zeer geringe mate aan de verwachting. Het bleek, dat beten, die een groot bloedvat treffen, onvoorwaardelijk den dood ten gevolge hebben. Met volkomen zekerheid werd de onjuistheid aangetoond van de meening, dat het slangengif alleen dan werkt, wanneer het onmiddellijk in het bloed komt, maar dat het integendeel ook door alle slijmvliezen opgenomen wordt en zelfs van uit de maag in het bloed kan geraken.

Bij menschen openbaren de gevolgen van den slangenbeet zich dikwijls op een andere wijze dan bij dieren; terwijl b.v. de mensch in dit geval zoo koud wordt als een lijk, heeft men bij Honden juist het tegendeel, n.l. een koortsachtigen toestand, opgemerkt. Daar in Indië betrekkelijk vele lieden door Brilslangen gebeten worden en hierdoor meestal ook het leven verliezen, is men met het verloop der ziekte bij vergiftigde menschen voldoende bekend.

De inboorlingen van Indië, vooral de slangenvangers en bezweerders, maken gebruik van vele geneesmiddelen bij slangenbeten. Een daarvan, dat zeer sterk aanbevolen wordt, achten wij vermeldenswaardig, hoe weinig baat men er ook bij zal vinden. Het is de „slangensteen,” die op Ceylon „pemboe keloe” wordt genoemd en welks gebruik de Singaleezen waarschijnlijk overgenomen hebben van de slangenbezweerders, die van de kust van Koromandel overkomen. „Meer dan één goed gestaafd geval van genezing door dezen steen,” zegt Tennent, „werd mij medegedeeld door ooggetuigen. In Maart 1854 zag een mijner vrienden, terwijl hij met een regeeringsbeambte in de buurt van Bintenne door den dsjungel reed, een Tamil, die met een anderen persoon van den tegenovergestelden kant kwam, plotseling in het woud springen en met een Cobra de Capello terugkeeren, die hij met beide handen aan den kop en den staart gegrepen had en vasthield. Hij riep zijn metgezel te hulp om de Slang in een sluitkorfje te pakken, maar ging hierbij zoo onhandig te werk, dat het dier hem in den vinger beet en dit lichaamsdeel eenigen tijd met de tanden vasthield, alsof het niet in staat was den kop terug te trekken. Het bloed vloeide uit de wonde en de gebetene scheen onmiddellijk de hevigste pijn te lijden. Dadelijk opende de vriend van den lijder zijn gordel en haalde er twee slangensteenen uit, ieder ter grootte van een kleinen amandel, donkerzwart van kleur en buitengewoon glad van oppervlakte; op iedere wonde werd een van deze steenen gelegd; zij bleven er aan kleven en zogen al het bloed op, dat uit de wonden vloeide; ongeveer 3 of 4 minuten bleven zij op hun plaats, terwijl de metgezel van den lijder diens arm van den schouder tot bij den vinger drukte en kneedde; eindelijk vielen zij vanzelf af. Naar het scheen, was de pijn toen geweken. De patiënt bewoog de hand, trok zich aan de vingers, totdat de gewrichten kraakten en vervolgde zijn weg, zonder eenige bezorgdheid te toonen.”

Volgens Johnson is de bereiding van de slangensteenen een geheim van de brahminen, die hieraan belangrijke inkomsten te danken hebben. Voor onze scheikundigen is de samenstelling van dit geneesmiddel echter geen geheim gebleven. Zij hebben aangetoond, dat het uit gebrande beenderen, kalk en een verkoold hars bestaat, welke stoffen vele tusschenruimten overlaten, die door capillaire werking vloeistoffen, en dus ook bloed of gif, in zich kunnen opnemen. Dat zulk een voorwerp bij de behandeling van slangenbeten een gunstigen invloed kan oefenen, valt niet te betwijfelen; stellig is deze echter van geringere beteekenis dan die van een laatkop; gevallen van genezing door slangenbeten zooals het hierboven aangehaalde, kunnen derhalve slechts voorgekomen zijn bij licht gewonde en zwak vergiftigde patiënten.

Hoewel de berichten over het ontzettend groot aantal in Indië voorkomende sterfgevallen door slangenbeten geen volkomen vertrouwen verdienen, valt het niet te betwijfelen, dat ieder jaar vele menschen door het gif van de Cobra het leven verliezen. Men zou kunnen meenen, dat het bezit van zulk een gevaarlijk wapen het dier, dat er mede uitgerust is, in vele gevallen vrijwaart tegen de aanvallen zijner vijanden en hun aantal beperkt. Deze gevolgtrekking schijnt echter onjuist te zijn. De Indiërs noemen een tamelijk groot aantal kleine roovers uit de klasse der Zoogdieren op—waarvan de Mungo in de eerste plaats vermelding verdient—, die, naar gezegd wordt, een verdelgingsoorlog voeren tegen vergiftige Slangen. Bovendien wordt bericht, dat men een belangrijke vermeerdering van het aantal Slangen heeft opgemerkt in alle gewesten, waar veel jacht wordt gemaakt op Pauwen en andere wilde Hoenderen en deze bijgevolg in talrijkheid zeer afnemen. Hieruit zou dus blijken, dat deze groote en fiere Vogels met de Brilslangen op dezelfde wijze handelen als onze tamme Hoenderen met de Adders. Op Ceylon worden, naar men beweert, vele Slangen verdelgd door Herten, die, met alle vier pooten te gelijk opspringend, ze onder hunne hoeven verpletteren.

Soortgelijke voorstellingen als door de Indische slangenbezweerders gegeven worden, kan men op elken feestdag op de openbare pleinen van Kairo zien. Doffe, maar ver hoorbare tonen, voortgebracht op een grooten kinkhoren, vestigen de aandacht op een man, die voornemens is aan de zonen en dochters van de „roemrijke hoofdstad en moeder der wereld” een voor hen buitengewoon aantrekkelijk schouwspel te verschaffen. Weldra heeft zich een kring gevormd om den „hauï” en de vermakelijkheid neemt een aanvang. Een schunnig gekleede jongen speelt de rol van hansworst, een Mantelbaviaan vertoont zijne kunsten en de levensgezellin van den straatartist gaat rond om het kleine kopergeld in te zamelen, dat het karige loon is voor hetgeen ten tooneele wordt gevoerd. Het merkwaardigste nummer van het program moet nog worden vertoond: het zal ieder overtuigen, dat de man, die door velen met eenige vrees wordt beschouwd, werkelijk tooverkunsten machtig is.

Bedrijvig loopen en springen de kunstenmaker, de hansworst en de Aap rond: telkens moet nog het eene of andere voorwerp verschoven, of aangebracht worden. Eindelijk neemt de „hauï” een van de lederen zakken, waarin hij al zijne benoodigdheden bergt, werpt hem te midden van den kring, opent de strik, die hem tot dusver gesloten hield, neemt in plaats van den kinkhoren de „soemara”, een instrument, dat door muziekhatende demonen uitgevonden schijnt te zijn, en begint een eentonig wijsje te spelen. Er komt leven en beweging in den zak; deze komen al nader en nader bij de opening, ten slotte ziet men de kleine eivormige kop van een Slang zich er boven verheffen. Op den kop volgen de hals en het bovenlijf, die dezelfde houding aannemen als zij bij de Brilslang hebben; vervolgens kronkelt het dier zijn geheele lichaam uit den zak en begint dadelijk in een kring, die door den bezweerder in zekeren zin omschreven wordt, zich langzaam op en neer te bewegen; het kleine kopje wiegelt fier op den tot een schild verbreeden hals, de fonkelende oogen volgen iedere beweging van den man. Een algemeene ontzetting bevangt de toeschouwers, daar allen weten, dat deze Slang de te recht gevreesde „Haje” is; bijna niemand weet, dat de goochelaar zonder gevaar met de gramschap van dit dier kan spotten, daar hij de voorzorg heeft genomen het van de giftanden te berooven. Op soortgelijke wijze als wij dat van den dierentemmer in het beestenspel gewoon zijn, laat de „hauï” de Slang in alle richtingen draaien, om te toonen hoe tam zij is, vat haar bij den hals, spuwt haar in ’t aangezicht of bespat haar met water en drukt haar plotseling, zonder dat de toeschouwer er iets van bespeurt, op een bepaald punt in den nek. Op hetzelfde oogenblik strekt de Slang zich tot haar volle lengte uit en wordt stijf als een stok. Door de drukking op het ruggemerg in de nekstreek is zij in een toestand van verstijving gebracht. Verklaarbaar wordt ons hierdoor het verhaal uit Exodus: „En Aaron wierp zijn staf neder voor Pharao’s aangezicht en voor het aangezicht zijner knechten en hij werd tot een Slang. Pharao riep nu ook de wijzen en de guichelaars, en de Egyptische toovenaars deden ook alzoo met hunne bezweeringen. Want een iegelijk wierp zijnen staf neder en zij werden tot Slangen”.

De hier bedoelde Slang was onder den naam van „Aspis” reeds bij de Grieken en Romeinen beroemd; voor de oude Egyptenaars, die haar „Oera” („de rechtstandige”) noemden, was zij het zinnebeeld van waardigheid; haar beeltenis ziet men aan de tempels, in steen gehouwen aan weerszijden van den wereldbol; een nabootsing van haar gestalte was het versiersel, dat de koning als teeken van zijn hoogen rang en oppermacht aan het voorhoofd droeg; van haar oud-Egyptischen naam is de nieuwere aanduiding „Uraeus” afgeleid. Hoe het raadselachtige Nijlvolk er eigenlijk toe gekomen is om haar zoo hoog boven alle andere dieren te verheffen, moeten wij in ’t midden laten: misschien heeft de eigenaardige houding, die zij soms aanneemt, hiertoe aanleiding gegeven, of de dienst, dien zij aan den landbouw bewijst door het verdelgen van Ratten en Muizen, of anders de vreeselijke werking van hare giftanden. Bijna iedere Romeinsche of Grieksche schrijver weet ons iets van de Aspis mede te deelen, van hare gewoonten en levenswijze, van de vereering, die haar ten deel viel, van het gebruik, dat van haar werd gemaakt. Ieder van hen mengt trouwens in zijne berichten waarheden en fabelen, persoonlijke herinneringen en verdichtselen dooreen.

De Uraeusslang, Aspis, Haje of Egyptische Brilslang, die door de kolonisten in Zuid-Afrika ook wel Spuwslang wordt genoemd (Naja haje), is nog iets grooter dan haar Aziatische verwante, daar de lengte van een volwassen exemplaar 2.25 M. kan bedragen. Van haar kleur kan geen algemeen geldige beschrijving gegeven worden, evenmin als van die der Brilslang. De meeste Aspiden, en meer bepaaldelijk de Egyptische, zijn aan de bovenzijde effen stroogeel en hebben lichtgele onderdeelen, hoewel hier in de halsstreek verscheidene breede, donkerder dwarsbanden voorkomen, welke ieder zich over eenige buikschilden uitstrekken. Er zijn echter tal van verscheidenheden: de bovendeelen kunnen alle tusschen stroogeel en zwartbruin gelegen nuances vertoonen, terwijl ook aan de onderdeelen zeer verschillende, hoewel meestal iets lichtere kleuren waargenomen zijn. Enkele van deze variëteiten heeft men wel als afzonderlijke soorten beschouwd; de veranderlijkheid van de Uraeusslang is echter zoo groot, dat men, volgens Günther, soms exemplaren ontmoet, welke men ternauwernood van een Brilslang kan onderscheiden. Wanneer men alle Aspiden als leden van één soort aanmerkt, omvat het verbreidingsgebied van dit gevaarlijke dier geheel Afrika ten zuiden van den Atlas. In de Nijllanden komt het op geschikte plaatsen zeer veelvuldig voor; in Tunis en Zuid-Marokko ontmoet men het in kleinen getale, in geheel Zuid-Afrika is het algemeen, aan de westkust ontbreekt het nergens; in de binnenlanden hebben Livingstone en alle reizigers van den nieuwsten tijd het herhaaldelijk waargenomen, of het als inheemsch hooren aanduiden. De verblijfplaatsen van de Aspis zijn ongelijk. In het boomlooze Egypte bewoont zij het bebouwde land en de woestijn; zij zoekt tusschen puinhoopen en in rotsspleten een schuilplaats of gebruikt het hol van een Renmuis of van een Springmuis tot woning; in Soedan en in Zuid-Afrika houdt zij zich in het met struiken begroeide land of in de steppe op, waar zij overal gelegenheid vindt om zich te verbergen; in de gebergten (die zij volstrekt niet vermijdt) vindt zij schuilplaatsen genoeg onder groote rotsblokken of zelfs in het dichte struikgewas, dat hier den bodem bedekt. Zij is nergens zeldzaam, hoewel men haar niet zoo dikwijls ontmoet, als men zou kunnen verwachten.

De Egyptenaars vreezen de Haje zeer en dooden haar, waar hun dit mogelijk is. Hoewel zij in den regel bij ’t zien van een mensch ten spoedigste vlucht, zal zij zich, wanneer iemand haar in ’t nauw brengt, onmiddellijk oprichten en te weer stellen; ook in andere gevallen geeft zij zeer duidelijke bewijzen van prikkelbaarheid en woede. Niet zelden bepaalt zij zich tot zelfverdediging; soms echter gaat zij aanvallenderwijs te werk. „Een van mijne vrienden,” schrijft Anderson, „was bezig met het opzoeken van een zeldzame plant; op eens schoot een Aspis op zijn hand toe. Hij had den tijd niet zich om te draaien, maar liep achteruit zoo snel hij kon. De Slang volgde hem echter op den voet en zou hem ingehaald hebben, indien de jacht eenige seconden op deze wijze voortgeduurd had. In ’t zelfde oogenblik echter struikelde hij over een mierenhoop en viel ruggelings op den grond. Terwijl hij lag, zag hij de Slang pijlsnel voorbijschieten.”

De Haje komt, naar ’t schijnt, door de wijze waarop zij zich beweegt, en haar geschiktheid hiervoor volkomen overeen met de Brilslang. Behendig kruipt zij over den bodem, gaat dikwijls en uit eigen beweging te water, zwemt zeer goed en klimt als haar verwante.

De buit van de Aspis bestaat uit allerlei kleine dieren, vooral uit Veld-, Ren- en Springmuizen, Vogels, die op den grond leven en hunne jongen, Hagedissen, andere Slangen, Vorschen en Padden. Hoewel zij over ’t algemeen schadelijke dieren verslindt, kan de dienst, dien zij hierdoor den mensch bewijst, bezwaarlijk van groote beteekenis zijn, zoodat de ijverige vervolging, die zij tegenwoordig overal te verduren heeft, volkomen gerechtvaardigd is.

Iedere Egyptische kunstenmaker vangt zelf de Aspiden, die hij voor zijne voorstellingen noodig heeft en doet dit op een zeer eenvoudige wijze. Gewapend met een langen, stevigen stok van mimosa-hout, „naboet” genaamd, begeeft hij zich naar het terrein, waar de gewenschte buit zich ophoudt en doorzoekt alle schuilplaatsen, waarvan de Hajes gebruik maken, totdat hij er een te zien krijgt. Aan het eene einde van den stok is een handvol lompen vastgemaakt; dit einde houdt hij de Slang voor, zoodra zij zich dreigend opricht en aanstalten maakt om van de verdediging tot den aanval over te gaan. Woedend bijt zij in de lompen, dadelijk trekt de jager met een vlugge beweging den stok terug om het dier de tanden uit te breken. Nooit echter bepaalt hij zich tot één dergelijke poging, maar fopt en plaagt de Slang zoo dikwijls, totdat zij vele malen gebeten heeft, hare giftanden stellig kwijt geraakt en tevens geheel uitgeput is. Nu drukt hij haar kop met den stok stijf tegen den grond, komt voorzichtig nader, pakt haar bij den hals, drukt op de hem bekende plaats van den nek (waardoor zij in een soort van stijfkramp vervalt) en onderzoekt haar bek om te zien, of werkelijk de giftanden afgebroken zijn.

Over het leven van de Haje in de gevangenschap heeft Günther uitvoerige en belangwekkende berichten gegeven, op grond van waarnemingen door hem gedaan in den Londenschen dierentuin. De beide prachtige exemplaren van de zwarte variëteit van de Uraeusslang moeten, daar zij levendig van aard en groot zijn, een vrij ruim hok bewonen. Men heeft de glazen wanden tot op een derde van de hoogte met olieverf ondoorzichtig gemaakt, zoowel om de Slangen, die anders wegens haar prikkelbaarheid voortdurend in een toestand van opgewondenheid zouden verkeeren, meer rust te verschaffen, als om haar, wanneer zij onrustig worden, eerder te nopen zich op te richten en over het donkere deel van het glas heen te kijken. Zij doen dit nu altijd bij de geringste aanleiding. Wanneer zij bij zulk een gelegenheid of bij de voedering te dicht bij elkander komen, is een gevecht onvermijdelijk: het lichaam wordt dan hoog opgericht, de hals zoover mogelijk uitgebreid; ieder tracht hooger te zijn dan de tegenpartij, intusschen doen zij voortdurend haar best elkander te bijten. Verwondingen komen opmerkelijkerwijze bij een dergelijken twist niet voor; toen echter eenigen tijd geleden een derde exemplaar in hetzelfde hok werd gebracht, had er een strijd plaats, waarbij de nieuweling gebeten moet zijn, daar deze den volgenden morgen dood gevonden werd. De dieren, die men in het hok van deze Slangen brengt, worden door haar gedood, zelfs wanneer zij er niets van eten. De bijtbeweging geschiedt buitengewoon snel; hoewel men de Slang met het dier in aanraking zag komen, zou men toch kunnen meenen, dat het niet gebeten werd, totdat men het eenige weinige seconden later na kortstondige stuiptrekkingen ziet bezwijken. De bek wordt bij ’t bijten slechts zeer weinig geopend; de wonde is eerder een schram dan een steek. De Hajes gaan dikwijls en gedurende geruimen tijd in ’t water liggen; ’s winters kruipen zij echter geheel onder het tapijt van haar hok.”

Tot de Hoedslangen behoort ook nog de Zuid-Aziatische (ook op de Soenda-eilanden voorkomende) Reuzenhoedslang (Naja bungarus), het vreeselijkste, althans het grootste lid van haar geslacht, die de voor een Gifslang buitengewoon groote lengte van 3.38 à 4.26 M. bereikt. Het voor verbreeding geschikte deel van den hals is bij haar naar verhouding kleiner dan bij de overige Hoedslangen; de kleur varieert zeer; de bovendeelen zijn in den regel olijfgroen, de onderdeelen bleekgroen.