Zandadder (Vipera ammodytes). ½ v. d. ware grootte.

Zandadder (Vipera ammodytes). ½ v. d. ware grootte.

Dat niet alle gevallen zoo gunstig afloopen, blijkt uit de mededeelingen van Erhard. „Voor de Grieksche wijngaardeniers, die gewoonlijk barrevoets hun arbeid verrichten en meer bepaaldelijk voor de kinderen wordt de Zandadder niet zelden noodlottig. Haar gif heeft een veel heviger werking dan dat van de Italiaansche Aspis-adder, zoodat van haar beet in ’t warme jaargetijde voor een kind of een zwak mensch doodelijke gevolgen te duchten zijn. Gelukkig is zij zeer traag. Daar zij nooit uit eigen beweging aanvalt, maar alleen bijt, wanneer men bij toeval op haar trapt, zou men haar onschadelijk kunnen noemen, indien de menschen, ondanks hun vrees voor deze Slang, zich niet met echt Grieksche onbezonnenheid aan hare beten blootstelden.”

Een van de grootste, gevaarlijkste en meest bekende Adders van de tropische en gematigde gewesten van Afrika is de Pofadder (Vipera arietans). Zij bereikt een lengte van 1.47 à 1.63 M.; de laatstgenoemde maat zal wel nooit door deze soort overschreden worden. Niet ten onrechte wordt zij een van de leelijkste van alle Slangen genoemd; dit geldt echter slechts van haar vorm, niet van haar kleur. Günther zegt: „Men heeft de Adders de Padden onder de Slangen genoemd; deze vergelijking wordt het best gerechtvaardigd door op de Pofadder te wijzen.” Werkelijk herinnert deze Slang door haar platten en breeden kop met ver uitpuilende oogen en door haar wanstaltig dik lichaam aan een Pad. Tot op zekere hoogte varieeren haar kleur en teekening; bijzonder in ’t oogvallend zijn deze afwijkingen echter niet, wanneer men bedenkt, dat de Pofadder, evenals iedere andere Slang, kort na de vervelling de zuiverste kleur vertoont. De aanvankelijk helder zandgele grondkleur van den romp wordt tot aan de volgende vervelling allengs donkerder; dit geschiedt in sommige gevallen sterker dan in andere. De rug prijkt met hoefijzervormige, donkere banden, waartusschen lichte velden overblijven; ook op den kop komen dergelijke teekeningen voor. De onderzijde is lichtgeel met zwarte vlekken.

De Pofadder bewoont geheel Afrika bezuiden 17° N.B.; aan de westkust is zij algemeen, in het zuidoosten nergens zeldzaam, in het binnenland waarschijnlijk overal verbreid, nader bij de zuidspits komt zij minder overvloedig voor.

De naam van deze Slang is ontleend aan het hevige gesis, dat zij voortbrengt, zoodra zij gestoord of, wat op ’t zelfde neerkomt, tot gramschap vervoerd wordt. Zij blaast zich dan gewoonlijk zoo sterk op, dat de omvang van haar romp bijna verdubbelt. Tevens verheft zij den kop tot 30 cM. boven den bodem, volgt met gloeiende oogen iedere beweging van den naderenden tegenstander en wacht het gunstige oogenblik af om den kop naar voren te werpen.

Over het leven van de Pofadder in vrijen toestand is weinig bekend; misschien levert het niet veel opmerkelijks op. Zij onderscheidt zich door haar traagheid, beweegt zich uiterst langzaam en maakt alleen als zij bijten zal, een bliksemsnelle beweging in de richting van haar prooi, waarbij het lichaam meestal min of meer om zijn as draait. Over dag ligt zij gewoonlijk stil in de struiken of in het lange gras verborgen, des nachts kruipt zij rond en komt dan met het doel om Muizen te vangen dikwijls in de nabijheid van woningen, hetwelk niet zelden aanleiding geeft tot ongelukken. Een vrouw in de Transvaal, die in het donker naar buiten ging, trapte bij het verlaten van haar huis op een vóór de deur liggende Pofadder, werd gebeten en stierf in den loop van den volgenden dag. Nog meer gevaar levert deze Slang op voor het grazende, kleine vee of voor Jachthonden, daar zij zich te weer stelt, als zij door struiken gedekt is.

De voeding, waarschijnlijk ook de voortplanting van de Pofadder, zal wel niet veel verschillen van die der overige Adders. Ook zij maakt uitsluitend jacht op allerlei soorten van klein wild, waarschijnlijk vooral op Ratten, Muizen, Aardeekhoorntjes en dergelijke Knaagdieren; nu en dan vangt zij ook wel een Vogel, die onbedachtzaam zijn gevaarlijken vijand nadert.

Pofadder (Vipera arietans). ⅕ v.d. ware grootte.

Pofadder (Vipera arietans). ⅕ v.d. ware grootte.

Een woedende Pofadder levert een schrikwekkend schouwspel op. „Eens”, verhaalt Drayson, „zag ik een wijfje van deze soort op het toppunt van woede. Zij was met hare jongen door eenige Kaffers uit haar schuilhoek, een omgevallen boomstam, opgejaagd en was blijkbaar van zins zich te verdedigen. De Kaffers besloten de geheele familie te dooden, maar waagden het niet in de nabijheid van het woedende dier te komen. Toevallig kwam ik kort na het vinden van het Slangennest bij de toen nog besluitelooze mannen, leidde den aanval, liet hen groote steenen aanbrengen en met deze den strijd aanvangen. Na weinige minuten was het doldriftige dier met zijne jongen gedood; alle werden op een hoop hout gelegd en verbrand, om te verhoeden, dat een der barrevoets loopende mannen, toevallig op een adderkop trappend, zich zou wonden aan de giftanden, die nog lang na den dood hun doodelijke werking behouden”.

Drayson noemt het een opmerkelijk feit, dat in Zuid-Afrika, waar het krioelt van Vergiftige Slangen, deze dieren zoo zelden een ongeluk veroorzaken. Voor een groot deel is dit misschien een gevolg van de vreesachtigheid der Slangen; de Pofadder evenwel behoort niet tot die soorten, welke haar heil in de vlucht zoeken, als een mensch haar nadert: over dag laat zij dit na uit traagheid en des nachts uit domheid of boosaardigheid, of omdat zij te zeer overtuigd is van de onfeilbaarheid harer wapens. Meestal echter reist men in Zuid-Afrika te paard of in een wagen en is hierdoor beter nog dan de inboorling door zijn scherpzichtig oog tegen de Slangen beveiligd; bovendien zijn de gevaarlijkste soorten van Slangen eerst na zonsondergang wakker en wordt de reis slechts zelden gedurende den nacht voortgezet. In ’t open veld overnachtend, wordt het kamp omringd met een kring van vuren, die de Vergiftige Slangen wel is waar aanlokken, maar toch het binnenste van het kamp tegen hen beveiligen; daar de dieren, naar mij bij ervaring gebleken is, wijselijk omkeeren, als zij zeer dicht bij de vlam gekomen zijn.

Van alle Adders, die men tot dusver in gevangenschap heeft gehouden, neemt de Pofadder misschien het gemakkelijkst voedsel aan. Het is niet moeielijk de eischen, die zij aan het leven stelt te bevredigen. Een warm hok, welks vloer met zand of kiezelsteentjes bestrooid is en af en toe een voor haar geschikte buit zijn voldoende. Men ziet haar daarom zeer dikwijls in dierentuinen.

*

Geen der Vergiftige Slangen heeft naast de Aspis meer de aandacht van de ouden getrokken dan de Egyptische Cerastes of Gehoornde Adder (Cerastes cornutus), behoorende tot een gelijknamig geslacht, dat zich van het vorige onderscheidt door de kleine, halvemaanvormige neusgaten, het soms aanwezige, soms ontbrekende, stekelige hoorntje boven het kleine oog, maar vooral door de schubben, die aan de zijden van den romp op schuinsche rijen staan en ieder voorzien zijn met een stompe, korte kiel, die den top van de schub niet bereikt. De bedoelde, veelvuldig voorkomende en meest bekende soort bereikt een lengte van hoogstens 65 cM. en verraadt zich op het eerste gezicht als een kind der woestijn, daar de kleur van haar schubbenkleed als ’t ware een afspiegeling is van die van het zand; zij is meer of minder levendig geel met bruinachtige tint en prijkt met bruine, hoekige of rondachtige dwarsvlekken.

Gehoornde Adder (Cerastes cornutus). ½ v. d. ware grootte.

Gehoornde Adder (Cerastes cornutus). ½ v. d. ware grootte.

Het beeld van den Cerastes komt in de heilige schrijftaal van de oude Egyptenaars veelvuldig voor, daar zijn oorspronkelijke naam „Fi” later gebruikt werd om de klank F voor te stellen.

Het verbreidingsgebied van deze Adder strekt zich uit over geheel Noord-Afrika, met uitzondering van Marokko, en over Steenachtig en Gelukkig Arabië; het reikt echter voorbij den woestijngordel. Zij leeft hoofdzakelijk in de woestijn, over dag steeds geheel onder het zand verborgen op plaatsen, waar wijd en zijd in ’t rond geen water te vinden is; haar kruipen veroorzaakt door het over elkander wrijven der schubben een hoorbaar gedruisch. Dat zij een nachtslang is vermoedde reeds Bruce; daar ook hij de ervaring opdeed, dat zij ’s nachts op het kampvuur afkomt. Op geen van mijne jachttochten in de woestijn of de steppe heb ik er een gezien; des nachts echter heb ik mij dikwijls aan haar geërgerd. Men moet ervaren hebben, wat het zeggen wil, een dagreis in de woestijn achter den rug te hebben, om te begrijpen, hoe zeer men dan naar rust verlangt. Van ’s morgens vroeg tot tegen den middag en van ’s namiddags tot zonsondergang heeft men op den rug van een weerbarstigen Kameel gezeten, de aanhoudend droge lippen met den lauwwarmen, stinkenden inhoud van de waterzakken bevochtigend, de kwellingen van den honger tot zwijgen brengend met een weinig rijst, met moeite weerstand biedend aan de hitte van den dag en met smachtend verlangen uitziend naar het nachtleger in het zand: eindelijk wordt de plaats bepaald, waar het reisgezelschap den nacht zal doorbrengen. De Kameelen worden ontladen; over een ondiepe kuil in den grond, die door het afgraven van de bovenste zandlaag verkregen is, wordt een tapijt gelegd: ieder stopt zich een pijp en gaat zitten bij het hoogopvlammend vuur, dat intusschen is aangestoken. Ieders gemoed verkeert in een behagelijke stemming; zelfs de kok, die ons schraal avondmaal begint gereed te maken, neuriet zijn eentonig lijfdeuntje. Plotseling wordt dit door een luiden vloek afgebroken. „Wat is er aan de hand, jongen?”—„Dat Allah ze verderve, haar en haar vader en haar gansche geslacht en ze verbanne naar den diepsten afgrond der hel! Een Slang, Heer; maar zij braadt al in ’t vuur!”—Het geheele kamp komt in rep en roer; ieder wapent zich met een tang, gaat zitten op een baal goederen of op een kist en wacht hier de ongenoode bezoekers af. Daar komen ze aankruipen, soms wel bij dozijnen. Wie had kunnen denken, dat er in den omtrek zoovele Gehoornde Adders leven!—Voorzichtig gaat nu eens deze, dan weer gene met een ijzeren tang in de hand het giftige gedierte na, pakt het te rechter tijd in den nek en knijpt den tang stijf dicht, opdat de buit hem niet zal ontkomen. Midden in het helder brandende vuur werpt hij den vervloekten zoon der hel en bespiedt met boosaardig genot zijn doodsstrijd.

Waarmede de Gehoornde Adder te midden van de woestijn zich eigenlijk voedt, is moeilijk te zeggen. Mogelijk maken op plaatsen, waar geen Muizen zijn, Hagedissen haar voornaamste voedsel uit. Zeker weet men, dat zij ook op Vogels jaagt.

In de gevangenschap schikt de Gehoornde Adder zich even goed als een van hare verwanten. Verbazend lang kan zij vasten: zonder bezwaar kan zij een half jaar lang zonder voedsel blijven. In de kooi zoowel als in de vrije natuur woelt zij, indien hiervoor gelegenheid bestaat, haar geheele lichaam onder het zand, zoodat slechts de oogen, de beide hoorntjes en misschien hier en daar nog eenige plaatsen van de ruglijn zichtbaar blijven. Door eigenaardige, zijwaartsche bewegingen van de ribben, door den romp afwisselend te verbreeden en samen te trekken en bij elke verbreeding het zand op zijde te schuiven, bedelven zij zich; deze bewegingen volgen echter zoo snel opeen, dat voor het in den grond kruipen meestal niet meer dan 10, hoogstens 20 seconden noodig zijn. Het is niet onwaarschijnlijk, dat kleine Vogels de maar eventjes boven het zand uitstekende hoorntjes voor het uiteinde van een Worm of van een larve aanzien en voor deze vergissing met hun leven moeten boeten.

*

Een andere in Egypte voorkomende Adder—de Efa (Echis carinata)—, die tot het geslacht der Zandrateladders behoort, zou op het eerste gezicht licht met den Cerastes verward kunnen worden: bij beide is het lichaam betrekkelijk slank en vormen de schubben op de zijden van den romp schuinsche, op het midden van den rug rechte reeksen. In hoofdzaak stemt de Efa met de leden der beide vorige geslachten overeen; zij verschilt van hen vooral door de bekleeding van de onderzijde van den staart, die uit één reeks van schilden bestaat, terwijl deze bij de overige Adders twee reeksen vormen.

De Efa is een kleine, maar sierlijke Slang van hoogstens 60 cM. lengte en een sterk varieerende zandkleur: op een meer of minder lichten, bruingelen grond komen onregelmatige, donkerbruine of zwarte banden, streepjes, stippels of andere teekeningen voor; de onderzijde daarentegen is lichtgeel, effen of bruin gestippeld. Men heeft deze soort aangetroffen in geheel Noord-Afrika, Palestina, Arabië, Perzië, de Aralo-Kaspische steppen en Voor-Indië. Ook zij wordt door de slangenbezweerders voor hunne vertooningen gebruikt.

De Efa, hoe klein zij ook is, behoort tot de prikkelbaarste, opvliegendste en gevaarlijkste Adders. In enkele provinciën van Indië, vooral in Sind, schrijft men aan haar de meeste van de sterfgevallen door slangenbeten toe; vooral de veldarbeiders hebben veel van haar te lijden. Haar grootte in aanmerking genomen, is zij buitengewoon driftig en strijdlustig; zelfs wanneer zij slechts op zelfverdediging bedacht schijnt, is zij steeds geneigd om een tegenstander, hoe groot en sterk deze ook moge zijn, hare giftanden te laten voelen. Door proefnemingen is de krachtige werking van haar gif gebleken; een door haar gebeten Hoen stierf na 4 minuten, een ander binnen ongeveer 2 minuten, een Hond in 4 uren.


De Groefkopadders (Crotalinae) hebben aan weerszijden van den snuit tusschen de neusgaten en de oogen een diepe groeve, een blinden zak, die zoomin met den neus als met de oogen in verbinding staat. Bovendien onderscheiden deze Slangen zich van de Echte Adders door den slankeren vorm van het lichaam en meestal ook door de grootere lengte van den soms voor ’t klimmen geschikten staart. De kop is eivormig of stompdriehoekig, van achteren verbreed, duidelijk van den hals afgezet; de neusgaten zijn aan de zijden van den snuit gelegen; de middelmatig groote oogen hebben een vertikaal geplaatste, spleetvormige pupil. Het schubbenkleed stemt in hoofdzaak met dat van de Echte Adders overeen.

De Groefkopadders, waarvan men ongeveer 60 soorten kent, komen het talrijkst voor in het Oostersche Rijk, ontbreken geheel zoowel in het Ethiopische als in het Australische Rijk en worden in het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld slechts door weinige soorten vertegenwoordigd, die Tartarye, Tibet, Noord-China, Japan en Formosa bewonen; een grooten rijkdom van vormen ontwikkelt deze onderfamilie echter in de Nieuwe Wereld, vooral in Noord-Amerika.

De levenswijze van de Crotalinen komt in hoofdzaak overeen met die van de Adders, hare naaste verwanten; evenals deze, zijn zij volslagen nachtdieren, die den dag slapend of sluimerend doorbrengen en dan in hare schuilplaatsen verborgen blijven, of vóór deze gaan liggen om zich aan den weldadigen invloed der zonnestralen bloot te stellen; het schijnt echter, dat zij, althans sommige van haar, minder traag zijn dan de Echte Adders. Verscheidene soorten van Groefkopadders klimmen; enkele, die aan haar groene kleur als boomdieren kenbaar zijn, brengen haar leven in de twijgen door; andere zijn in ’t zwemmen bijna even bekwaam als de Zwemslangen en maken vooral op Visschen jacht; de meeste echter verlaten den bodem niet en voeden zich met allerlei kleine Zoogdieren en Vogels. Haar voortplantingswijze komt volkomen overeen met die der Viperinen, daar ook bij haar de eieren zich in het lichaam van de moeder zoover ontwikkelen, dat de jongen onmiddellijk na het leggen de eischaal verbreken.

Hoewel de Groefkopadders over het algemeen, wat gevaarlijkheid en boosaardigheid betreft, wel niet veel boven de Echte Adders zullen uitmunten, worden zij meer gevreesd dan alle overige Slangen; werkelijk mag men hare giforganen het hoogst ontwikkeld achten. Het gevaar, waarmede sommige den mensch bedreigen, moge overdreven voorgesteld zijn, eenige, en wel vooral de vreeselijke Lanskopslang en de Boschmeester, schijnen den schrik te rechtvaardigen, die door haar naam verwekt wordt.

De meest bekende Groefkopadders zijn de Ratelslangen (Crotalus); van alle overige onderscheiden zij zich door het aanhangsel, dat zij aan het einde van den staart dragen, den zoogenaamden „ratel”, over welks beteekenis men tevergeefs allerlei gissingen heeft gewaagd. Zij bestaat uit een meer of minder groot aantal ineengeschoven, een weinig samengedrukte, hoornachtige, holle kegels; iedere kegel vertoont aan zijn buitenste oppervlakte drie verhevenheden, is met de spits naar het staarteinde gericht en wordt gedeeltelijk overdekt door den daarachter gelegen kegel, die zich aan twee der drie genoemde verhevenheden vasthecht, doch er zoo los mede verbonden is, dat alle kegels bewegelijk zijn en over elkander wrijven kunnen. Blijkbaar is deze ratel een opperhuidsvorming, ongetwijfeld niets anders dan een reeks van overblijfselen van vroegere vervellingen. Met zijn ontwikkeling en groei was men tot voor korten tijd niet voldoende bekend. Bij gevangen Ratelslangen, die men verscheidene jaren achtereen heeft nagegaan, werd wel een vergrooting, maar geen vermeerdering van het aantal leden van den ratel waargenomen; het blijkt dus, dat het aantal leden jaren lang onveranderd kan blijven. De onderstelling van eenige onderzoekers, dat bij de vervelling een nieuw lid gevormd wordt, doordat de opperhuid van het vóór den ratel gelegen deel van de buikzijde van den staart zich omkrult en niet afvalt, maar zich naar de reeds aanwezige kegels vervormt, is in overeenstemming met de waargenomen feiten; niet bij elke vervelling echter schijnen de voorwaarden voor de vorming van een nieuw lid van den ratel aanwezig te zijn. In allen gevalle zijn voor de ontwikkeling van den ratel vele jaren noodig. 15 à 18 kegels aan één ratel behooren reeds tot de groote zeldzaamheden; ook is het niet zeker, dat een dergelijk dier dit aantal nog zal kunnen vergrooten. De meest samengestelde ratel, die men heeft waargenomen, telde volgens A. Günther 21 leden.

De overige eigenaardigheden van de Ratelslangen vallen veel minder in ’t oog. Haar kop is van boven en van voren met meer of minder talrijke, groote schilden, overigens echter, evenals het geheele bovenzijde van den romp, met langwerpig ruitvormige, gekielde schubben bedekt; de onderzijde is met breede schilden bekleed, de hals (evenals bij alle Adders) duidelijk begrensd, de romp is krachtig en (in vergelijking met dien van andere Vergiftige Slangen) tamelijk slank, de giforganen zeer ontwikkeld.

De Ratelslangen komen uitsluitend voor in Noord- en Zuid-Amerika. Zij bewonen bij voorkeur dorre, zandige, of steenachtige woestenijen, vooral zulke, die met lage struiken begroeid zijn; hier houden zij echter meer van de nabuurschap van waterstroomen dan van watervrije plaatsen.

Evenals bij de meeste van hare verwanten, is ook bij de Ratelslangen het geven van een algemeen geldige beschrijving van een soort moeielijk; daar de kleur en de teekening van hare leden buitengewoon vele afwijkingen kunnen vertoonen. Ter onderscheiding van de soorten let men daarom vooral op de schilden van den kop.

De Noord-Amerikaansche Ratelslang (Crotalus durissus) heeft, behalve de groote wenkbrauwschilden boven ieder oog, op het voorste gedeelte van den snuit nog twee paar groote schilden, waartusschen kleinere zijn ingeschoven. De grondkleur van de bovendeelen is dof grijsbruin; de teekening bestaat soms uit drie rijen van groote, onregelmatige vlekken, soms uit dwarsbanden, die van voren en van achteren hoekig begrensd zijn en op den donker gekleurden staart onduidelijk worden; de onderzijde is op geelachtig witten grond met kleine, zwarte stippels geteekend. Zeer oude wijfjes bereiken, naar men zegt, bijna 2 M. lengte; exemplaren van 1.6 M. behooren echter reeds tot de zeldzaamheden.

Het verbreidingsgebied van de Ratelslang strekt zich van de Golf van Mexico noordwaarts tot 46° N.B. uit. Alleen in de westelijke Vereenigde Staten reikt het zoo ver; volgens alle berichtgevers komt deze Slang aan de oostzijde hoogstens tot bij het Champlain-meer voor. „Men mag aannemen”, zegt Geyer, „dat zij niet meer thuis behoort in streken, waar wegens veelvuldige nachtvorsten gedurende den zomer geen maïs verbouwd kan worden”.

Het liefst bewoont de Ratelslang gewesten, waar rotsachtige, zonnige of in ’t algemeen woeste terreinsverhoogingen aan vruchtbare, grasrijke dalen, rivieren, beken of weiden met bronnen grenzen; alleen wanneer een sterke dauw geregeld de uitgestrekte vlakte verfrischt, vindt men haar in deze streken, anders niet. Voor weersveranderingen is deze Slang zeer gevoelig: zij verandert daarom reeds in den loop van den dag bijna ieder uur van verblijfplaats. Op den fraaien, helderen morgen van een heeten dag baadt zij zich in den dauw en kiest daarna een geschikt plekje uit op een pad of op een breeden steen om zich door de zon te laten verwarmen of drogen. Later, gedurende de middaghitte, zoekt zij droge, beschaduwde plaatsen op, waar zij rustig kan liggen, maar verwijdert zich ook dan niet ver van het door de zon beschenen terrein. Als het verscheidene nachten achtereen niet gedauwd heeft, vindt men haar dikwijls aan den rand van poelen en stroomen; doch alleen als zij aan ’t jagen is, begeeft zij zich werkelijk te water. Voor regen is zij zeer gevoelig. Hare woningen zijn verschillend, al naar zij zich in bebouwde streken of in wildernissen ophoudt. Hier woont zij gezellig in zoogenaamde „herbergen”, daar steeds afzonderlijk; hier neemt zij holen van andere dieren in bezit, daar behelpt zij zich met schuilhoeken. De holen, waarvan zij gebruik maakt, worden gegraven door Prairiehonden, Aardeekhoornen, Ratten, Muizen en zelfs door Oeverzwaluwen, hoewel de laatstgenoemde voor de groote Reptiliën bijna ontoegankelijk schijnen te zijn. De Ratelslang, kan echter met de stevige schubben van kop en romp zeer gemakkelijk in de vaste aarde of in losse zandsteen boren, als hierin reeds een gang aanwezig is, die eenvoudig verwijd moet worden.

In de nabijheid van door menschen bewoonde oorden vindt men haar zelden of nooit in grooten getale, tenzij gedurende den paartijd, in het einde van April of het begin van Mei. Hier houdt zij zich op in spleten en kloven van rotsen, in muren en onder gebouwen, in holle boomen en onder platte steenen, in houtmijten en in takkebossen; zelfs vindt men haar onder den vloer van woningen, in de schuilplaatsen van Ratten en Muizen. Waarschijnlijk hangt de keuze van haar winterkwartier, evenals bij andere Slangen, zeer dikwijls van toevallige omstandigheden af. Het dier, dat door een warmen Octoberdag nog eens uit zijn „herberg” gelokt en door de plotseling invallende koude verrast wordt, ziet zich genoopt, de schuilplaats, die het naast bij de hand is, als winterbed te gebruiken; daarom vindt men in de prairiën dikwijls onder enkele steenen in ’t open veld Ratelslangen, die hier met gevulde maag den winter willen doorbrengen. Haar winterslaap gelijkt volkomen op dien van andere Reptiliën, met dit verschil, dat deze, indien zulks mogelijk is, een droge, afgesloten plaats tot winterkwartier kiezen.

Ratelslang (Crotalus durissus). ¼ v. d. ware grootte.

Ratelslang (Crotalus durissus). ¼ v. d. ware grootte.

De meeste onderzoekers noemen de Ratelslang buitengewoon traag en langzaam van beweging; Palissot de Beauvois zegt zelfs, dat zij minder kwaadaardig is dan de meeste andere Slangen, nooit uit eigen beweging een dier aanvalt, dat zij niet als voedsel noodig heeft, en nooit bijt, tenzij men haar opgeschrikt of aangeraakt heeft. „Dikwijls ben ik haar op een afstand van slechts weinige centimeters voorbijgegaan, zonder dat zij de geringste neiging toonde om mij te bijten. Ik werd haar aanwezigheid steeds vooraf gewaar door het geluid van haar ratel. Terwijl ik mij zonder haast verwijderde, verroerde zij zich niet en liet mij den tijd een stok af te snijden om haar te dooden”. Dit bericht is slechts voorwaardelijk juist, daar het betrekking heeft op de houding van de Slang gedurende haar rusttijd; als zij werkelijk wakker is, gedraagt zij zich anders. „De Ratelslang”, zegt Geyer, „beweegt zich snel, zonder zich zeer te vermoeien, te krommen of te buigen; hierdoor schijnt haar beweging langzamer dan deze blijkt te zijn, wanneer men let op den weg, dien zij in een bepaalden tijd aflegt. Op haar prooi werpt zij zich met toenemende snelheid, zoodat deze ten slotte op die van een Vogel gelijkt. Zoo zag ik eens bij een boerderij in Missouri een Ratelslang uit een boom naar beneden schieten, een jong Hoen bij den vleugel grijpen en zoo snel naar een kale rotspunt dragen, dat ik haar nauwelijks volgen kon. Een gemikte steenworp bracht haar tot stilstand: zij kronkelde zich om haar slachtoffer en liet het met den bek los, maar beet het, toen ik mij stil hield, in den kop. Ten tweeden male door een steen getroffen, liet zij haar buit nogmaals los, vatte hem vervolgens weer bij den vleugel en hief hem tamelijk hoog op, als ’t ware om zich te vermaken met zijn doodsangst. Weldra toonde zij neiging om verder te gaan, werd goed geraakt door een steen, liet het halfdoode Hoen varen en kronkelde zich ineen om haar vijand het hoofd te bieden. Toen doodde ik haar”. Audubon’s beschrijving stemt met dit bericht overeen en maakt ook melding van de geschiktheid van de Ratelslang om te klimmen. Liever nog dan in de boomen, begeeft zij zich te water, hoewel zij de gelegenheid hiervoor waarschijnlijk niet zoekt. Dat zij soms over meren of rivieren zwemt en zich in ’t water zeer snel beweegt, werd reeds veel vroeger door Kalm opgemerkt. „Zij ziet er dan als ’t ware opgeblazen uit en drijft ook als een blaas op den waterspiegel. Het is niet raadzaam haar hier aan te vallen, daar de ervaring leert, dat zij geneigd is om plotseling in het vaartuig te springen”.

Het voedsel van de Ratelslang bestaat uit kleine Zoogdieren, Vogels en Amphibiën, vooral Vorschen. Of zij werkelijk soms een door haar gegrepen dier omstrengelt en het zonder te bijten op gelijke wijze als een niet-vergiftige Slang dooddrukt, of integendeel, na het bijten altijd rustig de uitwerking van haar gif afwacht, durf ik niet beslissen; het laatste acht ik echter het waarschijnlijkst. Men zegt, dat zij na een overvloedig maal een buitengewoon sterke, onaangename lucht verbreidt, die niet slechts voor dieren met fijn bewerktuigd reukorgaan, maar ook voor den mensch duidelijk waarneembaar is. Verscheidene onderzoekers ontkennen dit, door anderen wordt het ten stelligste bevestigd. Dat er iets van waar moet zijn, kan men afleiden uit het feit, dat dieren met de aanwezigheid van Ratelslangen bekend worden, zonder ze te kunnen zien; Paarden b.v. worden plotseling schichtig en springen op zij, wanneer zij zulk een Slang op een afstand van verscheidene schreden voorbijgaan.

In het begin van de lente komen de Ratelslangen, na van huid gewisseld te hebben, schitterend met hare levendigste kleuren, levenslustig en met gloeiende oogen, uit hare winterkwartieren te voorschijn. Mannetjes en wijfjes zwerven over de opene, zonnige plekken van het bosch rond; bij een ontmoeting omstrengelen zij elkander en vormen griezelige kluwens, die uit 20, 30 of meer Slangen bestaan. De koppen zijn in alle richtingen naar buiten gekeerd, de kaken opengesperd, een luid gesis en geratel weerklinkt. In deze houding blijven zij verscheidene dagen op dezelfde plaats.—De eieren worden in Augustus gelegd, weinige minuten daarna verbreken de jongen de hen omhullende schaal, zonder dat de moeder zich verder om haar kroost bekommert. „Slechts éénmaal”, schrijft Geyer, „was ik in de gelegenheid om het uitkomen van jonge Ratelslangen waar te nemen. In de maand Augustus bij een bezoek aan een verlaten Mormonen-kolonie aan den Missouri zag ik een oude Ratelslang zich koesteren in de zon vóór den ingang van een hut. Bij mijn komst kroop zij onder den drempel, waar ik een kleine Ratelslang van ongeveer 15 cM. lengte opmerkte. Ik stiet met een stok onder den drempel, hoorde, hoe het oude dier zich ratelend verwijderde, maar zag verscheidene jongen en vond, nadat ik den drempel, een groot blok hout, had weggewenteld, ongeveer 40 eieren tusschen eenige steenen in den drogen grond; vele daarvan waren reeds door de jongen verlaten. De eieren waren verschillend van vorm, iets kleiner dan die van Duiven en vaal van kleur. De pas geboren Slangetjes toonden reeds een opmerkelijken lust tot bijten. Dat de Ratelslang in tijd van gevaar hare jongen in den bek neemt, is stellig een fabel; hier zou zij reden gehad hebben om haar kroost op deze wijze te beschermen; zij deed het niet, maar vluchtte”.

„De ergste vijand van de Ratelslangen is een zeer strenge winter, vooral wanneer deze vroeg en plotseling invalt. Uitgestrekte overstroomingen gedurende het voorjaar zijn voor haar niet minder nadeelig, zoo ook bosch- en steppenbranden. Het is wel eens gebeurd, dat geheele districten door strenge winters, overstroomingen of brand verlost zijn geraakt van de Ratelslangen, die zich hier vroeger in grooten getale ophielden”. Volgens vele berichten, ook uit lateren tijd, zijn de Zwijnen in dezelfde richting werkzaam. „Zoodra een Zwijn een Slang ziet”, bericht Brown, „schiet het er luid knorrend op toe, zet haar, nog voordat zij heeft kunnen bijten, een poot op den nek, stampt met de overige pooten en vreet het verpletterde dier op. De Indianen zijn met de vijandschap tusschen de Zwijnen en de Slangen zeer goed bekend; meer dan eens heb ik een Indiaansche vrouw bij de kolonisten om een stuk versch varkensvleesch hooren vragen, dat zij zich bij het bessenplukken om de hand wilde binden, om zich tegen de beten van Ratelslangen te beveiligen. Het zou zelfs kunnen zijn, dat de dikke speklaag het Zwijn tegen het doordringen van het gif in het bloed behoedt”. Een beter beschuttingsmiddel acht Pechuel-Loesche de slijkkorst, waarmede het Zwijn zich bij het wentelen in modderpoelen bedekt en de door vuil en hars aaneenklevende borstels, die de huid als ’t ware met een pantser voorzien. Wanneer evenwel het dier werkelijk krachtig genoeg gebeten wordt, sterft het.

Volgens Geyer hebben de Wezels, Opossums en Dassen ten onrechte den naam van Ratelslangen-verdelgers gekregen. „Niet minder onbetrouwbaar zijn de verhalen over de jacht, die de Roofvogels op Ratelslangen maken. Behalve de Buizerd of de Gier zijn de Roofvogels te zwak om met goed gevolg dezen strijd te voeren. Een Valk met gaffelstaart, die een ijverig vervolger van Ratelslangen heet te zijn, trof ik veelvuldig aan op plaatsen, waar ik zelden een Ratelslang zag; het is echter wel mogelijk, dat deze Vogel jonge Slangen verslindt. Zeer vele Ratelslangen worden op de landwegen gedood, zoowel toevallig als opzettelijk. Zij komen hier om zich in de zon te koesteren, gaan in het wagenspoor liggen en worden onder de wielen verpletterd. Ieder geeft zich gaarne de moeite van het paard te stappen om het aantal dezer leelijke dieren te verminderen. In hun nabijheid heb ik een zekere huivering nooit kunnen overwinnen, hoewel ik dikwijls Ratelslangen ontmoet en er vele gedood heb, slechts éénmaal, n.l. in de punt van den schoen, gebeten en dus nooit gewond werd. Wie in Amerika voor een Ratelslang uit den weg gaat, doet dit slechts met de bedoeling om een steen of een stok te zoeken om haar te dooden. Zij wordt dus niet zeer gevreesd; zelfs kleine knapen gaan haar te lijf. Deze onophoudelijke vervolging heeft haar doel niet gemist; in de bewoonde gewesten van Noord-Amerika behooren Ratelslangen tot de zeldzaamheden.” Volgens Castelnau worden in alle gewesten, die men in kultuur wil brengen, vooraf groote klopjachten gehouden om er de Ratelslangen zooveel mogelijk uit te roeien. Bij een dergelijke jacht werden, naar dezelfde reiziger bericht, in de buurt van het Georges-meer op één dag 400 exemplaren gedood. Volgens Geyer schuwen de aasetende dieren het lijk van de Ratelslang, met uitzondering van een soort van Kevers. Onder de blanke bewoners van Amerika vindt men enkele waaghalzen, die Ratelslangen met de bloote hand aanvatten. Een zoon van den beroemden generaal Clarke, die deel uitmaakte van de karavaan, waarmede Geyer het Rotsgebergte bezocht, had steeds zijne zakken vol met ratels. Zoodra hij een Ratelslang zag, liep hij haar na, zette haar den linkervoet op den kop, rukte haar met de rechterhand den ratel af en liet haar vervolgens los; toch werd hij nooit gebeten. Meer ontzag hebben de inboorlingen voor de Ratelslang. De Sioux, Dacotas of Nadowessiërs dooden haar niet, maar roemen haar list en beschouwen een ontmoeting met haar als een gunstig voorteeken. Wegens deze slangenvereering hebben hunne erfvijanden hun den naam „Naddowessjoe” gegeven, die Ratelslang beteekent. De naam Sioux is eenvoudig de laatste lettergreep van dit woord. Bij geen der andere Indianenstammen komt de bedoelde religieuse slangenvereering voor, ook niet bij de Slangenindianen of Sjosjonen.

Vele dieren kennen en vreezen de Ratelslang. De Paarden en Runderen schuwen haar en vluchten, zoodra zij haar opmerken; de Honden houden haar staande, maar blijven op een eerbiedigen afstand; Vogels laten een luid angstgeschreeuw hooren, zoodra zij haar opmerken.

Verscheidene waarnemers hebben beweerd, dat de Ratelslang steeds gewoon is te ratelen, voordat zij bijt; dit is echter niet geheel juist. „Bij het langzaam kruipende dier,” zegt Geyer, „sleept de ratel over den grond; de vluchtende Slang heft het uiteinde van den staart op, maar maakt aanhoudend hetzelfde ratelende geluid als vroeger; alleen als zij haar prooi vervolgt, hoort men hiervan niets. Het ratelen klinkt als het gedruisch, dat een scharenslijper voortbrengt en heeft een merkwaardige overeenkomst met het rammelen van de zaden der wikke-peulen in het korenveld. In de prairieën langs den bovenloop van de Missouri leven kleine Sprinkhanen, die bij het wegvliegen hetzelfde gedruisch veroorzaken. De Ratelslang waarschuwt niet altijd, maar alleen, wanneer zij verschrikt wordt, of zich bedreigd acht. Zeer dikwijls zag ik zulk een dier liggen op een plaats, vanwaar ik een oogenblik te voren slechts 10 cM. verwijderd was.” Voor zoover wij kunnen nagaan, is het ratelen eenvoudig een bewijs van vermeerderde opgewektheid, die zich ook bij andere Slangen door een hevige beweging van de spits van den staart verraadt.

De beet van de Ratelslang is altijd zeer gevaarlijk, omdat de buitengewoon groote tanden zoo scherp zijn als naalden en ook door een dichte bekleeding of een dik vel kunnen heendringen. „Zij bijt,” zegt Geyer, „met een kracht, die men bij haar niet vermoed zou hebben. De werkingen van het gif openbaren zich op zeer verschillende wijzen, al naar de Ratelslang meer of minder opgewonden is. Bij vochtig, koel weder wordt de beet minder gevaarlijk geacht; als zeer vergiftig beschouwt men den beet van dieren, die pas hunne winterkwartieren verlaten hebben, en de wonde, die zij gedurende de hitte in Augustus toebrengen. In dezen tijd is men nergens veilig voor de Ratelslang; zij verkeert dan in de grootste opgewondenheid, is strijdlustig en laat dikwijls reeds op een afstand van verscheidene schreden haar geratel hooren.

Volgens sommigen verdient in gevallen van vergiftiging door een Ratelslang het gebruik van groote hoeveelheden brandewijn of andere sterk alcoholische dranken aanbeveling. „Op een avond van de maand September van het jaar 1820,” verhaalt Mayrand, „trok een luid geschreeuw van een vrouw mijn aandacht; eenige minuten later werd ik geroepen en vernam, dat de slaaf Essex door een Ratelslang gebeten was en op sterven lag. Ik vond hem beweging- en sprakeloos; zijne kaken waren gesloten, de pols sloeg onregelmatig en was nauwelijks merkbaar. Menschelijkheid en eigenbelang noopten mij al het mogelijke te doen tot redding van den patiënt. Ik had de gunstige werking van alcoholische dranken hooren roemen en besloot de sterkste opwekkende middelen, die ik bezat, aan te wenden, mengde daarom een theelepel vol fijngestooten Spaansche peper met een glas brandewijn, liet de kaken openhouden en goot den zieke dit mengsel in. De eerste dosis en ook drie of vier van de volgende porties werden uitgebraakt; het vijfde glas eindelijk bleef in de maag. De polsslag werd krachtiger, nadat ik 5 of 6 glazen gepeperden brandewijn had ingegeven, maar verminderde schielijk weder; ik begon daarom opnieuw brandewijn met peper in te gieten. Hoewel ik nu vreesde, dat de groote hoeveelheid opwekkende middelen doodelijke gevolgen kon hebben, moest ik er toch mede voortgaan, omdat de pols spoedig weer zwakker werd, zoodra ik het ingieten naliet. Nadat de zieke meer dan een liter brandewijn met peper had verzwolgen, sprak hij met zijne landslieden; het ingeven van het middel werd voortgezet, met dit gevolg, dat de gewonde na 2 uren zoozeer versterkt was, dat ik hem aan eenige oppassers kon overlaten. Den volgenden morgen was de toestand aanmerkelijk verbeterd; toch was de patiënt nog buitengewoon slap. Ik gaf hem nu ieder uur een matige dosis geest van hertshoorn in en ook versterkende voedingsmiddelen. Gedurende den nacht werden 3 liter brandewijn verbruikt; ongeveer een van deze werd echter vermorst. Een groot stuk van het vleesch onder de kaken werd vurig en viel af, rondom de wonde ging een stuk iets kleiner dan een rijksdaalder verloren; de genezing, ondersteund door pappen en wasschingen met een afkooksel van de schors van den rooden eik, volgde nu echter spoedig.” Welk aandeel in dit en dergelijke gevallen de alcohol aan de genezing heeft gehad, moeten wij in ’t midden laten. Indien werkelijk de alcohol zulk een doeltreffend middel tegen slangenbeten is, als vroeger werd beweerd, zouden de onderzoekers uit lateren tijd, welker meeningen reeds zijn medegedeeld, een gemakkelijker taak hebben gehad, dan, blijkens hunne ervaringen, het geval is geweest.

De Ratelslangen kunnen bij eenigszins doelmatige verzorging zeer goed gevangen gehouden worden: van sommige is het bekend, dat zij 10 à 12 jaar in de kooi in ’t leven zijn gebleven. Aanvankelijk verkeeren zij, evenals hare verwanten, bijna voortdurend in geprikkelden toestand; langzamerhand vermindert haar boosaardigheid; ten slotte leeren zij haar oppasser werkelijk als een verzorger kennen, bijten althans niet meer zoo onzinnig als vroeger naar hem en naar de menschen, die bij haar hok komen. Met hare soortgenooten kan zij goed overweg.

Ook op Ratelslangen hebben de dierentemmers hunne kunsten beproefd. Volgens een zekeren Neale is muziek een middel om deze dieren te beheerschen; een zachte melodie zou voldoende zijn om de weerbarstigste exemplaren te kalmeeren. Naar men zegt, heeft deze man herhaaldelijk voorstellingen met werkelijk getemde Ratelslangen gegeven. Hij kon ze als touwen om zijn hals slingeren, ze kussen, ze den bek openen om de giftanden te laten zien, enz. Voor de juistheid van deze berichten kunnen wij niet instaan. Dat de omgang met Vergiftige Slangen altijd hoogst gevaarlijk blijft, leert de geschiedenis van nagenoeg alle dierentemmers, die met dergelijke dieren „werken”; de eene vroeger, de andere later begaat een onvoorzichtigheid, waarvoor hij met zijn leven boet.

Van de zes bekende soorten van Ratelslangen behooren vier tot de noordelijke helft van Amerika, slechts één van deze komt ook ten zuiden van de landengte van Panama voor. Reeds in het zuiden van de Vereenigde Staten wordt, behalve de reeds genoemde gewone soort, de Ruiten- of Diamantratelslang (Crotalus adamanteus) gevonden; verder zuidwaarts, in Midden-Amerika grenst haar verbreidingsgebied aan dat van de Cascavella (Crotalus horridus), de eenige soort die tot dusver in Zuid-Amerika werd aangetroffen.

De Cascavella, door de Brazilianen zoo genoemd, gelijkt op haar Noord-Amerikaansche verwanten door den vorm en de rangschikking van de schilden op den kop, met dit verschil, dat de 4 schilden van het voorste deel van den snuit zich tot het midden van den kop uitstrekken en elkander hier aanraken. Twee breede, donkerbruine of zwarte, evenwijdige, overlangsche strepen, die ieder boven een oog beginnen, loopen over den kop en den hals; de onderdeelen zijn eenvoudig geelachtig wit. In afmetingen stemt de Cascavella met de Gewone Ratelslang overeen.

„De Cascavella,” zegt de Prins Von Wied, „is over het grootste deel van Zuid-Amerika verbreid, bewoont het geheele binnenland van Brazilië, wordt in Minas Geraës aangetroffen en komt verder noordwaarts tot in Guyana en aan den Amazonen-stroom voor.” Door andere onderzoekers weten wij, dat zij ook in ’t zuiden niet ontbreekt en o. a. in Rio Grande do Sul en in de La-Plata-Staten leeft. „In de zeer vochtige kustwouden schijnt zij zich niet op te houden; haar gebied begint verder binnenwaarts, in de droge, meer steenachtige gewesten van den sertong op ruige weiden, op nog niet ontgonnen landerijen, in doornachtige, rotsachtige, droge en heete kreupelhoutbosschen, enz.” In Guyana bewoont zij de savanne en de hier voorkomende ijlere en minder hoog opschietende kreupelbosschen, tot op een hoogte van 2000 M., doch ontbreekt, evenals in Brazilië, in de dichte wouden van de kust.

Over dag ontmoet men de Cascavella uitsluitend in rustenden toestand. Zij blijft tot een schijf ineengerold, traag op dezelfde plaats liggen en bijt alleen naar menschen of dieren, die in haar onmiddellijke nabijheid komen. Dikwijls verliest een veefokker door haar verscheidene dieren op één dag; alle worden op een bepaald gedeelte van het pad of van de weide gebeten; naar de bewerkster van dit onheil zoekend, vindt men de gevaarlijke Slang nog steeds op dezelfde plaats. Wanneer men niet toevallig te dicht bij haar komt of haar op een afstand van eenige schreden opmerkt, heeft men niets te vreezen; want kort voordat zij bijten wil, brengt zij door beweging van den staart het bekende, maar volstrekt niet luide en daarom niet ver hoorbare geluid voort. Toch kan de grootst mogelijke omzichtigheid niet altijd verhoeden, dat men te dicht bij zulk een dier komt en in den voet gebeten wordt. Dit ondervonden niet slechts blanken, maar ook inboorlingen, hoewel dezen niet licht iets ontgaat, wat tot waarschuwing zou kunnen dienen.

Het voedsel van de Cascavella bestaat hoofdzakelijk uit kleine Zoogdieren, in zuidelijke gewesten uitsluitend uit kleine Halfhoevige Knaagdieren; bovendien maakt zij jacht op alle Vogels, die zij meent te kunnen verschalken. Haar voortplanting verschilt waarschijnlijk niet van die harer verwanten.

1) Diamantratelslang (Crotalus adamanteus),
2) Cascavella (Crotalus horridus). 1/10 v. d. ware grootte.

De gevolgen van haar beet kan men door het volgende bericht van Schomburgk leeren kennen: „De zon naderde reeds tot de kim en nog was Essetamaipoe niet teruggekeerd. Dit viel ons niet eerder op, dan toen wij een anderen Indiaan met den meesten spoed over den heuvel naar ons toe zagen komen: het zekerste teeken van een belangrijke nieuwstijding of van een ongeluk, daar de Indianen zich in den regel met afgemeten schreden naar een dorp begeven. De Indiaan had Essetamaipoe, door een Slang gebeten, bewusteloos in de savanne gevonden. Met alle beschikbare hulpmiddelen voorzien, snelden wij naar de plaats, waar de ongelukkige lag. Een wonde boven den enkel van den rechtervoet, die met een mes op een werkelijk vreeselijke wijze uitgesneden en met een lap verbonden was, wees ons de plaats aan, waar de Slang haar beet had toegebracht. Het been was opgezwollen en de hevigste krampen schokten het geheele lichaam van den bewusteloozen lijder, die bijna onkenbaar was wegens de verandering die de gelaatstrekken door de krampen hadden ondergaan. Terwijl de arme Essetamaipoe door de savanne ging, had hij op een Ratelslang getrapt, had haar uit wraakzucht gedood en daarna eerst met echt Indiaansche ongevoeligheid voor pijn de wonde uitgesneden en verbonden. Nadat dit op de hooggelegen savanna was voorgevallen, had hij zich nog met moeite voortgesleept tot in de nabijheid van het pad, waar hij meer kans had om gevonden te worden en was hier bewusteloos neergezonken. Naar het gestolde bloed te oordeelen, moest de verwonding reeds verscheidene uren geleden plaats gehad hebben; het uitzuigen en uitbranden van de wonde kon dus niets meer baten; daarom waschten wij haar eenvoudig met ammonia uit en goten dit middel met water verdund den bewusteloozen patiënt in. Dit hielp, naar het scheen. Het bewustzijn keerde terug en de zieke, die over pijn in de borst en in de okselstreek en ook over scheuten in de ledematen en in den rug klaagde, werd in zijn hangmat naar Pirera vervoerd. Verscheidene dagen lang bleef het been tot aan het heupgewricht gezwollen tot een vormelooze massa, die geheel stijf was; tevens ondervond de lijder bij de geringste beweging ondragelijke pijnen. Na 3 weken had een warme, verweekende pap van kawassa-brood niet slechts de zwelling, maar ook de lijkachtige uitdrukking van het gelaat en de pijnen verdreven; 5 weken later sloot zich de wonde en kon de zieke den voet weer gebruiken.”

Het is waarschijnlijk, dat sommige soorten van Marters en de als slangenjagers bekende Roof- en Moerasvogels het leven van menige Cascavella verkorten, daar zelfs Huiskatten met goed gevolg strijd met haar voeren. De mensch doodt de Ratelslangen, waar hij ze ook vindt, zonder ze verder te gebruiken. Geen enkele Zuid-Amerikaan, niet eens de wilde Indiaan, eet slangenvleesch. De ratel wordt echter niet weggeworpen, maar integendeel dikwijls voor een goeden prijs verkocht, daar men hem als een middel tot genezing van velerlei ziekten beschouwt.

In Zuid-Amerika scheppen alleen de Negers behagen in het houden van Vergiftige Slangen. „De kunst om zulke Slangen te temmen,” zegt Schomburgk, „schijnen de Negers uit hun vaderland medegenomen te hebben; niet zelden komt het voor, dat Ratelslangen, die hare giftanden behouden hebben, door hen zoo goed afgericht zijn, dat zij ze zonder gevaar om den arm slingeren en met haar op den meest vriendschappelijken voet verkeeren kunnen.”

*

„Stomme Ratelslang” (Crotalus mutus) noemde Linnaeus een van de vreeselijkste Groefkopadders van Zuid-Amerika, den Boschmeester van de Nederlandsche kolonisten van Guyana, den Soeroekoekoe der Brazilianen. Dit dier komt in de meeste opzichten met de Ratelslangen overeen, doch heeft over het midden van de rugzijde een kielvormige lijst, terwijl tevens de staart niet in een ratel eindigt, maar aan de onderzijde 10 à 12 dwarsrijen van kleine, stekelvormige schubben en aan de spits een doorn draagt. Op grond van deze eigenaardigheden wordt de bedoelde Slang als vertegenwoordigster van een afzonderlijk geslacht, dat der Lachesis-slangen (Lachesis) beschouwd.