Door haar eigenaardigen lichaamsbouw wijken de Schildpadden zoozeer af van de andere leden harer klasse, dat zij er niet mede verward kunnen worden. De gepantserde romp, de plompe kop, welks kaken, evenals die van de Vogels, met hoornscheeden bedekt zijn en nooit tanden dragen, de zuilvormige, op korte stompjes gelijkende of lange, smalle, vinvormige pooten zijn kenmerken, welke niet met die van eenig ander dier vergeleken kunnen worden. Het pantser bestaat uit twee deelen, het boven- of rugschild en het onder- of buikschild. Het rugpantser is min of meer bol, langwerpig, rondachtig of hartvormig, het buikpantser schildvormig, eirond of afgerond kruisvormig. Deze beide deelen hangen samen door een aanvankelijk kraakbeenig verbindingsstuk, dat bij sommige gedurende het geheele leven buigzaam blijft, bij andere verbeent. Gezamenlijk vormen zij dus een doos, die van voren en van achteren open is voor het doorlaten van den kop, de pooten en den staart, maar den romp meer of minder volkomen omhult. De kop is gewoonlijk eivormig, van achteren afgeknot, de hals verschillend van lengte, maar steeds zeer beweeglijk; de vier pooten zijn gang-, zwem- of vinpooten; de lengte van den meestal korten, rol- of kegelvormigen, meer of minder spits toeloopenden staart wisselt zeer sterk af. Het grootendeels door huidverbeening gevormde pantser is met hoornplaten of schilden, slechts bij weinige soorten met een lederachtig bekleedsel bedekt; de eeltachtige huid van kop, hals, pooten en staart is met plaatvormige schubben van verschillende grootte, met schilden, knobbels of korrelige vormingen bezet en vertoont dikwijls op sommige plaatsen eigenaardige sporen of stekels. De hoornplaten, die het rugschild bekleeden, worden onderscheiden in 5 wervelplaten (boven de rugwervels) 4 of 5 paar zijde- of ribplaten (boven de ribvormige beenstukken) en 24 of meer kleinere randplaten, waarbij 1 nekplaat en 1 of 2 staartplaten; de parige schilden aan de buikzijde van het pantser heeten keel-, arm- (of bovenborst-), borst-, buik-, schenkel- (of onderbuik-) en aarsplaten; bij den voorrand en den achterrand van het verbindingsstuk tusschen rug- en borstschild liggen de oksel- en de liesplaten. In den regel raken de platen elkander met de randen aan en zijn dan door naden verbonden; soms echter zijn zij dakpansgewijs geplaatst. Het aantal, de onderlinge verhouding en de rangschikking der hoornplaten leveren belangrijke kenmerken op voor de onderscheiding der soorten. Hare randen stemmen niet overeen met die der door haar bedekte, platte beenderen, welke, door getande naden onbeweeglijk verbonden, aan het pantser een groote stevigheid verschaffen.
De zeer beweeglijke halswervels zijn meestal 8 in getal; daarop volgen 10 wervels, die ieder een paar ribben dragen en daarom rugwervels heeten; met uitzondering van den eersten en den laatsten, laten deze in ’t geheel geen beweging toe en nemen, doordat hunne doornuitsteeksels en ribben zich tot platen uitbreiden en met verbeende gedeelten van de daarboven liggende lederhuid vergroeien, aan de vorming van het rugpantser deel. De „schijf” van het beenige rugschild bestaat dus uit 8 middelste stukken en 8 paar zijdelingsche stukken. Slechts bij één soort ontbreken de wervelstukken. Meestal strekken de ribben zich tot aan den „rand” van het rugschild uit; de met haar vergroeide huidbeenderen reiken echter niet altijd zoover, zoodat dan de uiterste gedeelten der ribben in het skelet als de spaken van een wiel aan den omtrek van de „schijf” uitstralen en tusschenruimten (fontanellen) overlaten, die bij het levende dier door de huid zijn gevuld. Gewoonlijk is het rugschild voorzien van een uit samenhangende huidbeenderen samengestelden „rand”; met deze „randstukken” zijn de uiteinden der ribben verbonden, zoodat ook een rugschild met spaakvormig verlengde ribben een volledigen rand bezit; deze bestaat uit 10 à 13 paar huidbeenderen en is van voren door een „nekstuk”, van achteren door een „staartstuk” gesloten.—In het buikschild komen niet anders dan huidbeenderen voor; het heeft dus niets gemeen met het borstbeen, dat bij de Schildpadden geheel ontbreekt. In den regel bestaat het uit 9 stukken; één aan den voorrand en vier opeenvolgende paren er achter. Bij de Landschildpadden en vele Moerasschildpadden vormen deze stukken een aaneengesloten geheel, bij de Zeeschildpadden laten zij in ’t midden een groote ruimte of „fontanel” over, waar het borstschild dus eenvoudig uit een met hoornplaten bedekte huid bestaat. Tusschen deze beide uitersten vormen de overige Moerasschildpadden den overgang.
De zeer kleine schedelholte is gevuld met hersenen, welker massa volstrekt niet geëvenredigd is aan die van het lichaam. Schildpadden van 40 KG. hebben nauwelijks 4 G. hersenen; bij exemplaren van 1 KG. bedraagt het gewicht van de hersenen slechts 0.36 G. Het oog heeft twee leden en een wenkvlies; de oogbol herinnert door zijn samenstelling in vele opzichten aan dien van de Vogels. Uit de inrichting der zintuigen kan men afleiden, dat de Schildpadden tamelijk goed zien, een middelmatig scherp gehoor en tot op zekere hoogte een fijnen reuk hebben; ook zijn zij tot het verkrijgen van smaakgewaarwordingen in staat; over het tastgevoel durven wij geen oordeel vellen.
Het aantal in 1888 bekende soorten beliep 201; het is niet zeer waarschijnlijk, dat het veel zal toenemen. In warme, waterrijke gewesten vertoonen de Schildpadden de grootste verscheidenheid van vormen; in de richting van den evenaar naar de polen en bij toenemende hoogte neemt het aantal soorten schielijk af.
Alle levensverschijnselen van de Schildpadden zijn traag, langzaam, onregelmatig. Zij kunnen ongeloofelijk lang leven zonder te ademen, zonder haar bloed te zuiveren, na de vreeselijkste verminkingen zich nog maanden lang bewegen, en dus tot op zekere hoogte handelingen verrichten, welke op die van de niet verminkte dieren gelijken. Schildpadden zonder kop bewegen zich nog verscheidene weken na de onthoofding, trekken b.v., als men ze aanraakt, de pooten onder het rugschild terug; een exemplaar, welks hersenen door Redi weggenomen waren, kroop nog 6 maanden lang rond; in de Parijsche „Jardin des Plantes” leefde een Moerasschildpad 6 jaren zonder voedsel te gebruiken.
Het ligt voor de hand, dat dieren, welker hersenen en zenuwen zoo weinig ontwikkeld zijn, geestelijk niet hoog kunnen staan. En toch toonen de Schildpadden zich in dit opzicht meer begaafd dan men van haar verwacht zou hebben. Haar verstand is omvangrijker, haar geest levendiger dan men zou vermoeden. Ook zij handelen met bewustzijn. Zij ondervinden lust en onlust, herkennen zaken, die nuttig, en zaken, die nadeelig voor haar zijn, onderscheiden bruikbare voedingsmiddelen van onbruikbare, vreedzame en onschadelijke wezens van gevaarlijke, geraken zelfs langzamerhand gewoon aan menschen, die haar welwillendheid betoonen, gewennen zoo niet aan haar verzorger dan toch aan den persoon, die haar voedsel verschaft, laten jegens dezen de plompe schuwheid varen, die zij aanvankelijk toonden, kunnen in de handen genomen, geprikkeld, tot gramschap vervoerd of gekalmeerd worden.
Hoewel de willekeurige bewegingen van de meeste Schildpadden eveneens langzaam, traag en plomp geschieden, herinneren toch sommige leden dezer groep door haar vlugheid aan andere Kruipende Dieren. Bij ’t gaan zijn alle plomp en onbeholpen; bij ’t zwemmen en duiken openbaren de Zoetwater- en Zeeschildpadden de grootste mate van levendigheid waarvoor zij vatbaar zijn; in deze opzichten echter is hun begaafdheid vermoedelijk niet grooter dan die van eenig ander in ’t water levend dier. Verbazing wekt de spierkracht, waarvan alle soorten bewijzen geven.
De Landschildpadden voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen; vele eten echter tusschenbeide ook Insecten, Wormen enz. De Zoetwaterschildpadden leven meestal van dierlijke stoffen; sommige Indische geslachten zijn echter volslagen planteneters. De Zeeschildpadden voeden zich gedeeltelijk met wieren en zeegrassen, gedeeltelijk met Schaaldieren, Vinpootige Slakken, Kwallen en andere lagere Zeedieren, ook wel met kleine Visschen. Enkele soorten van Schildpadden zijn geweldige roovers. Zij eten eigenlijk alleen gedurende de warme zomerdagen of in de keerkringsgewesten gedurende den regentijd, mesten zich dan binnen weinige weken vet, houden daarna allengs op voedsel te gebruiken en vervallen in verstijving of winterslaap, wanneer hetzij de winter, hetzij het droge seizoen aanvangt. Hetzelfde komt voor bij de weinige soorten, die zich gedurende het geheele jaar in bosschen ophouden.
Kort na het ontwaken in de lente vangt de voortplanting aan. Het wijfje graaft met eenige zorg gaten in den grond, gewoonlijk in het zand, legt hierin eieren en dekt ze toe met een laag zand of modder. De eischaal is in den regel bard en kalkachtig, alleen bij de familie der Zeeschildpadden zacht en perkamentachtig; bij sommige soorten zijn de eieren bolvormig, bij andere meer langwerpig; hun grootte is betrekkelijk gering. Vele Schildpadden leggen niet meer dan een dozijn, groote soorten ver over de 100 eieren. De moeder bekommert zich na het eierenleggen niet meer om haar kroost. De jongen komen na verloop van eenige maanden uit, kruipen meestal ’s nachts uit den grond en begeven zich dan naar een schuilplaats op het land of naar het naastbij gelegen water. In tallooze menigte worden zij door Zoogdieren, Vogels en Kruipende Dieren van andere orden opgezocht en verslonden; de buitengewoon lange levensduur van de exemplaren, die dit lot ontgaan, behoedt de meeste soorten echter voor geheele vernietiging.
De Schildpadden zijn voor ons de nuttigste van alle Reptiliën, daar wij niet slechts de hoornplaten van het pantser der Zeeschildpadden onder den naam van „schildpad” voor velerlei doeleinden gebruiken, maar ook het vleesch en de eieren van nagenoeg alle soorten eten en smakelijk vinden. Enkele soorten hebben een zoo sterke muscuslucht, dat Europeanen althans geen smaak vinden in de van hun vleesch bereide spijzen; andere leveren daarentegen, zooals bekend is, werkelijk kostelijke gerechten.
De Schildpadden worden, volgens Dollo, verdeeld in twee onderorden: de Mozaïekschildpadden< en de Echte Schildpadden. De Mozaïekschildpadden (Athecae), die in de hedendaagsche periode slechts door één familie—de Lederschildpadden (Sphargidae)—met één geslacht en één soort vertegenwoordigd zijn, onderscheiden zich van alle overige leden der orde, doordat de wervels en ribben vrij zijn, dus niet vergroeid met het huidskelet. Het rugschild is zwak gewelfd en uit talrijke, op reeksen geplaatste, veelhoekige beenplaten samengesteld; het gebrekkig ontwikkelde buikschild bestaat uit smalle beenderen, die door een zeer groote fontenel in ’t midden vaneengescheiden zijn. De ribben zijn meestal niet verbonden met echte randstukken. De geheele romp is met een lederachtige huid bedekt. De neusopeningen zijn naar boven gericht, de oogholten zeer groot. De ledematen zijn in groote, vinvormige roeiwerktuigen veranderd, waaraan de nagels ontbreken, hoewel de vingers van den voorvoet sterk verlengd zijn. De gewrichten van de vingers en teenen laten geen beweging toe.
De eenige thans nog levende soort—de Lederschildpad of Luth (Dermochelys coriacea)—is een reusachtig dier van nagenoeg 2 M. totale lengte en 500 à 600 KG. gewicht. De voorste ledematen zijn meer dan dubbel zoo lang als de achterste. Het volledig verbeende rugpantser is van voren tamelijk afgerond en loopt van achteren in een staartvormige spits uit; het is door 7 uitpuilende, overlangsche lijsten in 6 velden verdeeld. Het onvolledig verbeende, zachte en buigzame buikschild vertoont 5 overlangsche kielen. De kop, de hals en de pooten zijn bij de jonge dieren met schildjes bekleed, die langzamerhand verdwijnen, zoodat de huid van de oude dieren er glad uitziet en slechts de kop nog kleine schildjes vertoont. De kleur is donkerbruin met lichter bruine of gele vlekken.
De grootste van alle hedendaagsche Schildpadden wordt van jaar tot jaar zeldzamer en kan als een uitstervende soort beschouwd worden. Zij bewoont eigenlijk alle zeeën tusschen de keerkringen en werd vroeger zoowel bij de Salomonseilanden van de Stille Zuidzee als aan de kust van Arabië en in de Roode Zee, bij de Bermudas en de zuidkust van Noord-Amerika, in de zeeën ten zuiden van Indië zoowel als om Madagaskar geregeld aangetroffen. Nu en dan bezocht zij ook de gematigde aardgordels. Door weer en wind uit den koers gebracht, misschien ook door reislust gedreven, heeft zij zich in den Atlantischen Oceaan bij Europa en de noordelijke Vereenigde Staten, in de Stille Zuidzee bij Chili vertoond; op al deze kusten werd zij herhaaldelijk gevangen. Enkele exemplaren zijn zelfs naar de Middellandsche Zee en naar de Noordzee, misschien ook naar onze kusten, afgedwaald1.
Lederschildpad (Dermochelys coriacea). 1/20 v. d. ware grootte.
Van de levenswijze der Lederschildpad is zeer weinig bekend. Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk uit Visschen, Schaaldieren en Weekdieren te bestaan. Volgens berichten, die de Prins Von Wied ontving, verschijnt ieder wijfje met tusschenpoozen van ongeveer 14 dagen viermaal per jaar op de legplaatsen aan de zeekust en laat hier in het zand telkens 18 à 20 dozijn eieren achter.
Uit de nieuwste berichten blijkt, dat de schilderingen, door vroegere schrijvers gegeven van de kracht en de weerbaarheid der Lederschildpad niet overdreven zijn. Haar vleesch wordt niet gegeten, omdat men aan het gebruik daarvan slechte gevolgen toeschrijft.
Bij de Echte Schildpadden (Thecophora), die de tweede onderorde vormen, zijn het rugschild en het buitenschild veel meer ontwikkeld dan bij de Mozaïekschildpadden. De rugwervels en ribben zijn met elkander onbeweeglijk verbonden en tot beenplaten verbreed, welke met die van het huidskelet vergroeien en een echt pantser vormen.
Deze onderorde wordt in drie groepen verdeeld: de Halsbergers (Cryptodira), de Halswenders (Pleurodira) en de Rivierlederschildpadden (Trionychoidea). Vele leden van de eerste groep kunnen den kop (evenals de pooten en de staart) onder het rugschild verbergen; de hals wordt echter in dit geval teruggetrokken en niet zijwaarts gekromd; de halshuid verkrijgt ringvormige plooien en bedekt mutsvormig het achterste deel van den kop. Een belangrijk kenmerk van de Halsbergers is, dat de bekkenbeenderen wel met het rugschild, doch nooit met het buikschild verbonden zijn. Evenals bij de Halswenders is bij hen het beenig pantser met hoornschilden bedekt; deze ontbreken bij de Rivierlederschildpadden.
Bij de Alligatorschildpadden (Chelydridae) zijn de borstplaten door een groote tusschenruimte van de randplaten gescheiden; het buikpantser is zeer klein en van kruisvormige gedaante; de staart is steeds langer dan de helft van de lengte van ’t pantser.
Een monster, zoowel door haar gestalte als door haar aard, een Krokodil met het pantser van een Schildpad, is de Bijtschildpad, de Snapping Turtle der Anglo-Amerikanen (Chelydra serpentina). Men kent twee soorten van dit geslacht, welks verbreidingsgebied zich van Noord-Amerika over Midden-Amerika zuidwaarts tot in Ecuador uitstrekt. De kop is groot, plat en driehoekig; de korte en spits toeloopende snuit heeft buitengewoon krachtige en scherpe, aan de spits haakvormig gekromde kaken; de hals kan ver uitgestoken worden. De pooten zijn krachtig, de voorpooten hebben 5, de achterpooten 4 teenen, die door goed ontwikkelde zwemvliezen verbonden zijn. De staart trekt de aandacht door zijn lengte, zijn aanzienlijke dikte en den uit beenige spitsen bestaanden kam op het midden van de bovenzijde. Het weinig gewelfde rugschild vertoont drie reeksen van middelmatig groote knobbels. De huidkleur wisselt in allerlei tinten van olijfgroen af. Het rugschild is vuil donker- of zwartbruin, het borstschild geelbruin, bij de jonge dieren, als naar gewoonte, lichter dan bij de oude. Deze kunnen een lengte van O.9 à 1 M. en een gewicht van ongeveer 20 KG. bereiken.
Bijtschildpad (Chelydra serpentina). 1/12 v. d. ware grootte.
Behalve met de verwante Gierschildpad (Macrolemmys Temminckii) kan de Bijtschildpad met geen ander lid harer orde verward worden. Beide soorten bewonen de stroomen en groote moerassen van de Vereenigde Staten; in enkele gewesten zijn zij vrij talrijk; het liefst houden zij zich op in water met een modderigen bodem; zelfs de stinkendste poelen worden niet door haar versmaad. Gewoonlijk liggen zij op den bodem van het diepe water in het midden van de rivier of van het moeras; soms echter verschijnen zij dicht bij de oppervlakte, houden de spits van den snuit er boven en laten zich met den stroom afdrijven. Vooral in dicht bevolkte streken vluchten zij bij het geringste gedruisch naar de diepte; in het schraler bevolkte zuiden zijn zij minder schuw. Met recht worden zij gevreesd en gehaat; de naam „Bijtschildpad” is goed gekozen: zij bijten naar al wat haar in den weg komt en laten, wat zij eens gegrepen hebben, niet zoo licht weer los. Het is geraden, voorzichtig met deze dieren om te gaan, daar zij prikkelbaar en zeer boosaardig zijn. Het kan voorkomen, dat zij een mensch, die zich in het door hen bewoonde water begeeft, vol woede te lijf gaan en hem zeer gevaarlijke wonden toebrengen. Weinland verzekert, dat het 1 cM. dikke, platte deel van een roeiriem door den harden roofvogelsnavel van deze Schildpad als door een kogel doorboord kan worden; andere waarnemers verzekeren, dat zij een tamelijk dikken wandelstok zonder bezwaar doorbijt.
De Alligatorschildpadden zijn vlugger van beweging dan de meeste van hare verwanten. Soms begeven zij zich aan land en weten dan hare looporganen even goed te gebruiken als de Landschildpadden; zwemmend verplaatsen zij zich zeer snel, vooral bij het vervolgen van een buit. Haar voedsel bestaat uit Visschen, Vorschen en andere in ’t water levende Gewervelde Dieren; zij bepalen zich volstrekt niet tot een kleinen buit, maar vallen dikwijls ook betrekkelijk zeer groote dieren, zooals Ganzen en Eenden aan. De landlieden klagen zeer vaak over door haar gepleegde rooverijen, waarvan Eenden de slachtoffers zijn; deze worden bij de pooten onder water getrokken en na verdrinking verslonden.
Agassiz heeft bij zijne onderzoekingen over de ontwikkelingsgeschiedenis der Schildpadden gebruik gemaakt van de eieren dezer soort, welke met die van Duiven nagenoeg in grootte overeenkomen, met een kalkachtige schaal omhuld zijn en zonder veel moeite verzameld kunnen worden. Het wijfje legt ze ten getale van 20 à 30 in een gat, dat zij niet ver van den waterkant in den grond graaft en met bladen bedekt. „Maanden lang,” zegt Weinland, die aan deze onderzoekingen een belangrijk aandeel had, „slopen dagelijks jonge Schildpadden uit de in zand en mos gelegde eieren; merkwaardigerwijze was de eerste beweging van het kopje, dat door een opening van de schaal naar buiten gluurde, steeds die van happen en bijten.”
Oud gevangen Bijtschildpadden weigeren gewoonlijk alle voedsel; op jeugdigen leeftijd kan men ze aan den gevangeniskost gewennen.
Een van de vreemdsoortigste Schildpadden is ongetwijfeld de Grootkoppige Schildpad (Platysternum megacephalum), de eenige vertegenwoordiger van een gelijknamige familie (Platysternidae). Zij kenmerkt zich vooral door de platheid van haar rugschild en van haar zeer breed, uit een stuk samengesteld borstschild, de reusachtige grootte van haar met een groot schild bekleeden kop, die toch onder het pantser teruggetrokken kan worden en de buitengewone lengte van haar geheel met schubben bekleeden staart. De kleur van de bovendeelen is olijfbruin, die van de onderdeelen deels geel, deels lichtbruin; een zwarte streep is door het oog gericht. Lengte 40.5 cM.
Grootkoppige Schildpad (Platysternum megacephalum). ½ v. d. ware grootte.
De Grootkoppige Schildpad bewoont de rivieren van Birmah en Siam en wordt westwaarts tot in Pegu en Tenasserim gevonden; ook komt zij in de westelijke gedeelten van de Zuid-Chineesche provinciën voor. Overal is zij echter zeldzaam. Meer is van dit dier zijne verblijfplaatsen en levenswijze niet bekend.
De meeste thans levende Schildpadden behooren tot de familie der Landschildpadden (Testudinidae). Uitwendig zijn zij kenbaar aan haar met hoornplaten bekleed pantser, welks borstplaten zonder tusschenruimten over te laten met de randplaten verbonden zijn en welks buikgedeelte steeds uit 11 of 12 schilden bestaat.
Landschildpadden leven in de heete en gematigde gewesten van alle werelddeelen, met uitzondering van Australië. De leden dezer familie vormen een nagenoeg onafgebroken reeks, die met volslagen waterdieren aanvangt en eindigt met wezens, die uitsluitend voor het leven op het land geschikt zijn. In deze volgorde zijn de soorten gerangschikt, die hier vermeld zullen worden.
„Ieder die de vormenrijkdom van de orde der Schildpadden wil leeren kennen door ze dagelijks in de vrije natuur na te gaan,” zegt Weinland, „moet Noord-Amerika bezoeken, het echte schildpaddenland, waar allerlei soorten van deze dieren in zoo grooten getale plassen en rivieren, bosschen en dalen verlevendigen, dat de dierkundige nog in lang niet haar uitsterven heeft te duchten.”
Alle Zoetwaterschildpadden bewonen uitsluitend vochtige gewesten, de meeste het water van langzaam stroomende rivieren, van poelen en meren. Voor het leven in het water zijn zij zeer goed uitgerust. Op het land bewegen zij zich log en langzaam, hoewel aanmerkelijk vlugger dan alle Echte Landschildpadden, in ’t water daarentegen buitengewoon snel en zeer behendig. Men ziet ze hier rustig aan de oppervlakte liggen of rondzwemmen en bij het geringste gedruisch, dat haar verdacht voorkomt, bliksemsnel naar de diepte duiken, waarin zij op ’t zelfde oogenblik zich in het slijk of onder wortels verborgen hebben. Vooral bij het jagen bewegen zij zich verbazend vlug. De Noord-Amerikaansche en Europeesche soorten voeden zich hoofdzakelijk met dierlijke stoffen, n.l. met kleine Zoogdieren, Vogels, Reptiliën, Amphibiën, Visschen en ongewervelde dieren, die zij steeds onder water verslinden; verscheidene Indische soorten daarentegen zijn volslagen planteneters. Met naar de diepte gerichte oogen, gelijk een naar buit zoekenden Arend, zwemmen zij uren lang aan de oppervlakte van ’t water rond en zoeken den bodem af. Bij het zien van een prooi laten zij eenige luchtbellen ontsnappen, roeien uit al haar macht naar de diepte en happen gretig naar de haar lokkende spijs; deze wordt met de scherpe, nooit loslatende kaken gegrepen en een oogenblik later, na een krachtigen ruk van den plotseling naar voren gestrekten kop, verzwolgen.
De ontwikkeling van hare geestvermogens moet natuurlijk geëvenredigd zijn aan haar geschiktheid tot beweging en haar roofzucht. Hare zintuigen zijn veel scherper dan die der Echte Landschildpadden; haar verstand overtreft in alle opzichten dat van deze dieren. Zij geven goed acht op de bezwaren, die zij op haar weg ontmoeten; enkele toonen meer sluwheid en voorzichtigheid dan men bij haar gezocht zou hebben, kiezen de gunstigst gelegen schuilhoeken uit en doen op schrandere wijze haar voordeel met opgedane ervaringen. Zij kunnen spoediger getemd worden dan alle overige Schildpadden en leeren haar verzorger werkelijk kennen, zij het dan ook slechts in beperkte mate. Zij geraken gewoon aan den omgang met menschen, hoewel zij ze niet van elkander onderscheiden.
Bij ’t naderen van den winter verbergen zij zich tamelijk diep in den grond en brengen hier het ongunstige jaargetijde in schijndooden toestand door.
De Noord-Amerikaansche Zoetwaterschildpadden houden zich in de gevangenschap zeer goed, mits zij verstandig behandeld worden. Enkele hebben, naar gezegd wordt, 40 of meer jaren op deze wijze geleefd. Een behoorlijke warmtegraad is een hoofdvereischte voor het gezond blijven van deze dieren; men kan in dit opzicht niet te nauwgezet zijn.
De Europeesche Zoetwaterschildpad (Emys orbicularis, E. europaea) bereikt een totale lengte van 32 cM., waarvan 8 cM. op den staart komen; het pantser is hoogstens 19 cM. lang. De ongepantserde lichaamsdeelen zijn op zwartachtigen grond hier en daar geel gestippeld; de teekening van de platen van het rugpantser bestaat uit reeksen van gele stippels, die als ’t ware gesprenkeld zijn op den zwartgroenen grond; het buikschild is vuilgeel met een gering aantal onregelmatig verdeelde, bruine stippels of straalswijs gerichte, bruine vlammen; de kleur en de teekening zijn aan veel variatie onderhevig; zelfs komen volslagen zwartbruine exemplaren voor.
Europeesche Zoetwaterschildpad (Emys orbicularis). ⅖ v. d. ware grootte.
Het eigenlijke vaderland van deze soort is waarschijnlijk het zuiden en oosten van Middel-Europa. Zij is algemeen in Albanië, Dalmatië en Bosnië, Italië, de lage landen langs den Donau en Hongarije, maar ook in het zuiden van Frankrijk, Spanje, Portugal en Algerië benoorden het Atlas-gebergte, niet minder in een groot deel van het Russische Rijk. In Duitschland bewoont zij stroomende en stilstaande wateren in Brandenburg, Posen, West- en Oost-Pruisen, Pommeren en Mecklenburg, misschien ook een deel van Silezië: uitsluitend dus het stroomgebied van den Oder en den Weichsel.
„In ons land,” schrijft Schlegel, „werd slechts één voorwerp en wel bij Leiden waargenomen, hetgeen denken doet, dat het toevallig op deze plaats was aangeland.”
Aan stilstaand, of langzaam stroomend, ondiep en troebel water geeft zij de voorkeur boven snel vlietende stroomen en heldere meren. Over dag houdt zij zich stil; kort voor zonsondergang begint zij haar bedrijf, dat, naar het schijnt, gedurende den geheelen nacht wordt voortgezet. Gedurende de wintermaanden blijft zij verborgen in ’t slijk, komt in ’t midden van April, indien de weersgesteldheid het toelaat, hieruit te voorschijn en laat dan vaker dan gewoonlijk een eigenaardig gefluit hooren. Zij is voorzichtig en duikt bij ’t geringste gedruisch onmiddellijk naar de diepte. In ’t water beweegt zij zich zeer vlug, maar ook op het land volstrekt niet gebrekkig, veel sneller althans dan de Echte Landschildpadden. Zij voedt zich met Wormen, Waterinsecten, Vorschen en Salamanders en de larven dezer dieren; zij maakt echter ook op Visschen jacht en valt zelfs tamelijk groote exemplaren aan; het slachtoffer wordt door beten in het onderlijf afgemat en vervolgens geheel afgemaakt. De Visschen, die op deze wijze overmeesterd zijn, worden onder water op de graten na geheel verslonden. Daar bij het afkluiven van den buit de zwemblaas dikwijls onbeschadigd afgebeten wordt en naar den waterspiegel omhoogstijgt, kan men uit de op het water drijvende zwemblazen van Visschen de aanwezigheid van Zoetwaterschildpadden afleiden. In gevangenschap kan men ze vele jaren lang met Visschen, Regenwormen of rauw vleesch in ’t leven houden; zij worden dan weldra zoo tam, dat zij uit de hand van haar verzorger eten, geraken gewoon aan bepaalde ligplaatsen en vervallen in een verwarmd vertrek niet in winterslaap; wanneer men haar echter een kleinen vijver in een afgesloten tuin tot woonplaats aanwijst, kruipen zij tegen den aanvang van het koele jaargetijde in den grond.
De Europeesche Zoetwaterschildpad graaft het gat, waarin zij hare eieren legt, op een voor dit doel geschikte, open plek aan den oever. Om dit te kunnen doen, verweekt zij vooraf den bodem door het uitwerpen van een aanzienlijke hoeveelheid water, boort vervolgens met de spits van den staart een kegelvormig gat en verwijdt dit tot een eivormige holte door beurtelings met den eenen en den anderen achterpoot de aarde weg te krabben. Gewoonlijk legt zij 9 eieren; deze worden onmiddellijk na het verlaten van den kloak één voor één opgevangen door de achterpooten, die ze onbeschadigd op den bodem van de holte laten glijden, daarna voorzichtig bedekt met aarde, die door kloppende bewegingen met het achterste deel van het borstpantser wordt vastgestampt. In Augustus of September komen de jongen uit den grond te voorschijn.
Dat dit dier getemd kan worden, blijkt o. a. uit de volgende merkwaardige mededeeling van Ph. C. Martin: „In mijn aquarium waren vijf jonge Zoetwaterschildpadden, die nauwelijks de grootte van een rijksdaalder hadden. Al dadelijk was de kleinste veel levendiger dan de overige; terwijl deze rustig bleven liggen, wandelde zij wakker rond. Dit dwergje toonde uit den aard der zaak niet slechts naar het lichaam, maar ook naar den geest een grootere werkzaamheid dan zijne lotgenooten. Veel eerder dan deze, liet het zijn natuurlijke schroomvalligheid varen, en werd daarom de uitverkoren lieveling van mijn vrouw, die het iederen dag eenige malen in de hand nam en het al pratende liefkoosde, waarin het blijkbaar veel behagen schepte. Reeds in de eerste dagen van deze kennismaking werd het August genoemd; al dadelijk gedroeg het zich zeer verstandig, daar het niet, evenals zijne dommere broertjes en zusjes bij iedere aanraking den kop en de pooten onder het pantser terugtrok, maar spoedig toonde een onvervaarde menschenvriend te zijn en op een echt schrandere wijze het kopje in alle richtingen wist te wenden. Slechts weinige dagen waren voorbijgegaan, toen August bewijzen gaf, dat hij zijn naam kende. Als mijn vrouw nu bij het aquarium komt en alle vijf Schildpadden in het water zijn, heeft zij slechts eenige malen August te roepen, om den drager van dezen naam te nopen, zoo schielijk mogelijk op de tufsteenrots te klimmen, hetwelk dikwijls met zulk een haast geschiedt, dat hij hals over kop naar beneden tuimelt; onmiddellijk hervat hij dan de klimpartij en zoodra hij boven is gekomen, bedelt hij letterlijk om in de hand genomen te worden.”
Het vleesch van de Europeesche Zoetwaterschildpad is eetbaar; het geringe voordeel, dat zij hierdoor en door het verslinden van Slakken en Wormen den mensch oplevert, weegt niet op tegen de schade, die zij door het vernielen van de eieren en jongen van nuttige Visschen aanricht.
*
Door aard en bewegingen een Landschildpad, in vorm echter met de Zoetwaterschildpadden overeenkomend, mag de welbekende Noord-Amerikaansche Doosschildpad (Cistudo carolina) als een overgang van de in ’t water levende tot de op ’t land wonende soorten aangemerkt worden. Het door haar vertegenwoordigde geslacht onderscheidt zich door een zeer bol rugschild met nekplaat en dubbele staartplaat. Het uit 12 platen samengestelde, eironde borstschild is in twee beweeglijke stukken verdeeld, die zoo groot zijn, dat zij voor en achter, na het terugtrekken van kop, pooten en staart, dicht tegen het rugschild aangedrukt kunnen worden; het dier gelijkt dan op een gesloten doos: vandaar zijn naam. Het rugschild van de genoemde soort draagt een stompe kiel in ’t midden; overigens vertoonen hare leden, wat bouw, kleur en teekening betreft, onderling velerlei verschil. In den regel is de bovenzijde fraai bruin of bruinzwart met een uit gele, onregelmatige vlekken en strepen bestaande teekening. Dikwijls ziet men bij bruinzwarte individuën op iedere zijdeplaat een scherp begrensde, fraai goudgele E. De platen van het borstschild zijn op gelen grond bruin geaderd. Het pantser is 13 cM. lang en gewoonlijk 11 à 12 cM. breed. De langwerpig eironde kop heeft scherpe, gaafrandige kaken en is, evenals de vóór- en achterpooten, bruin en geel gevlekt.
Het verbreidingsgebied van de Doosschildpad omvat het grootste deel van de oostelijke Vereenigde Staten, van Maine tot Florida, en strekt zich westwaarts uit tot Jowa, Missouri en Texas. In levenswijze stemt zij met de echte Landschildpadden volkomen overeen. Zij wordt vaker op droge, dan op vochtige plaatsen gevonden; wanneer men haar in een vochtig oord bespeurt, kan men er zeker van zijn, dat zij door de een of andere lievelingsspijs verlokt werd tot een bezoek aan dit overigens voor haar zoo weinig aantrekkelijk terrein. Zoo kan men er op rekenen, haar te zullen aantreffen in moerassige streken, waar Nachtreigers hunne broedplaatsen hebben; omdat er onder de reigernesten steeds een aantal halfverrotte Visschen liggen, die voor haar echte lekkernijen schijnen te zijn. Behalve zulke overblijfselen, eet zij Insecten, Slakken, Wormen, malsche paddestoelen en bessen, de laatstgenoemde zelfs met een zekere voorliefde. Als een grooter dier haar nadert, trekt zij den kop, de pooten en den staart onder het pantser terug en sluit de openingen met het tweekleppige borstschild zoo stevig af, dat zij tegen den aanval van gewone Roofdieren volkomen beveiligd is. Wanneer zij getergd wordt, verdedigt zij zich echter door te bijten; een eens gegrepen voorwerp wordt niet zoo licht meer losgelaten.
Vervolging heeft de Doosschildpad eigenlijk niet te lijden. Haar vleesch wordt niet gebruikt, hoewel het goed smaakt.
*
Alle warme landen der aarde, met uitzondering alleen van Australië en Nieuw-Guinea, worden bewoond door Echte Landschildpadden; Afrika bezit, voor zoover men er over kan oordeelen, de meeste soorten, Europa slechts 2.
De Landschildpadden behooren tot de traagste en onverschilligste leden van de geheele Reptiliën-klasse. Al hare bewegingen zijn plomp, log en onbeholpen. Zij zijn in staat zonder te pauzeeren een tamelijk grooten weg af te leggen, maar doen dit onvergelijkelijk langzaam; traag verplaatsen zij één voor één hare pooten en schuiven het zware lichaam als ’t ware met tegenzin vooruit. Bij elke beweging ontwikkelen zij echter een aanzienlijke kracht en toonen een groote volharding. Landschildpadden, die in ’t water geworpen of toevallig te water geraakt zijn, zinken als steenen naar den bodem, strompelen hier rustig verder en komen zoo na geruimen tijd weer aan den oever zonder eenige schade geleden te hebben. Veel meer moeite kost het haar weer op de pooten terecht te komen, wanneer zij door soortgenooten of vijanden op den rug gewenteld zijn. Dikwijls wordt hiervoor een langdurige arbeid van kop en staart vereischt, want de logge pooten schieten voor deze taak te kort. Opmerkelijk is het, dat zij voor een andere bewegingswijze, n.l. voor het klimmen, een zekere mate van geschiktheid toonen. Een echte stem komt, naar het schijnt, bij haar niet voor: het geplaagde dier laat hoogstens een snuivend geblaas, maar geen klinkend geluid hooren. De hoogere vermogens dezer dieren zijn geëvenredigd aan de kleinheid hunner hersenen; dat zij werkelijk bestaan, blijkt echter uit hun gedrag.
De Landschildpadden voeden zich hoofdzakelijk met malsche plantendeelen, die zij afplukken of liever afknippen. De grootste soorten verslinden gulzig allerlei kruiden in aanzienlijke hoeveelheid; de kleine kiezen met meer zorg deelen van bladen, uitspruitsels en vruchten; de eerstgenoemde knijpen haar voedsel af, de laatstgenoemde snijden het met de scherpe kaakranden uit of scheuren het gegrepen stuk los door het plotseling terugtrekken van den kop. Als de gelegenheid zich voordoet, eten zij ook allerlei diertjes, b.v. Slakken en Aardwormen; aan grootere dieren wagen zij zich niet. Zij drinken zelden, maar veel te gelijk.
Voor den mensch leveren de Landschildpadden geen noemenswaardig voedsel op. Slechts in de huishouding van sommige wilde en halfwilde volken, spelen de pantsers als kastjes en dozen voor allerlei huiselijke doeleinden een zekere rol. Men kan het vleesch van de Landschildpadden even goed eten als dat van vele Rivier- en Zeeschildpadden; slechts bij uitzondering echter worden zij met deze bedoeling gevangen. Vaker nog vangt men ze om ze in de kamer of in den tuin vrij te laten rondloopen.
*
Het geslacht der Landschildpadden in den engsten zin (Testudo) kenmerkt zich door een gewelfd rugpantser, een uit 12 platen samengesteld buikpantser en vergroeide teenen met 5 of 4 klauwen aan de voorpooten en 4 klauwen aan de achterpooten. Alle hiertoe behoorende soorten gaan op de teenen en zijn landdieren in de eigenlijke beteekenis van het woord.
Uit Zuid-Amerika wordt tegenwoordig zeer dikwijls een Landschildpad levend naar Europa vervoerd, die in Brazilië Sjaboeti heet: de Woudschildpad (Testudo tabulata). Haar gestalte is tamelijk plomp; het van boven platte rugschild helt van voren en van achteren sterk af en is sterk verlengd; de kop is tamelijk groot, de rand van de hoornachtige kaken fijn getand, de hals middelmatig lang en dik, de staart zeer dik; de plompe voeten vallen in ’t oog door haar lengte. Het rugpantser is donkerbruin of zwart, iedere plaat met een gele vlek in ’t midden; het buikpantser is bruin en geel. De onbedekte deelen hebben een zwartachtige kleur en zijn met velerlei oranjegele of roode vlekken geteekend. De lengte van het pantser bedraagt 55 cM.
Woudschildpad (Testudo tabulata). ¼ v. d. ware grootte.
De Sjaboeti is over geheel tropisch Zuid-Amerika ten oosten van de Andes verbreid, bewoont het grootste deel van Brazilië, Paraguay, alle wouden van Guyana tot op een hoogte van 600 M. boven de oppervlakte der zee en geheel Venezuela; ook komt zij voor op de Kleine Antillen, die langs de noordkust van Zuid-Amerika liggen. Op voor haar geschikte plaatsen schijnt zij zeer veelvuldig te zijn. Ook deze Schildpad ontleent haar voedsel aan het plantenrijk. Zij eet hoofdzakelijk afgevallen rijpe boomvruchten, waarvan in haar vaderland zoo velerlei soorten voorkomen.
Naar men zegt, levert het volwassen dier, in weerwil van de stevigheid van zijn pantser, dikwijls een buit aan de groote soorten van Katten. De Indianen, die met de wouden en hunne verschijnselen goed bekend zijn, verzekeren, dat de Once, als zij zulk een Schildpad vindt, haar overeind plaatst en met de lange klauwen het vleesch bij stukjes uit het pantser wegkrabt. De ledige pantsers, die men hier en daar in het woud verstrooid vindt, zouden de overblijfselen van dergelijke maaltijden zijn. Daar aan deze Schildpadden geen onaangename lucht eigen is, worden zij door de Portugeezen, Negers en Indianen gegeten; in sommige tijden van ’t jaar zijn zij zeer vet. In eenige gewesten worden zij daarom in kleine, ronde perken, die door loodrecht in den grond geslagen palen begrensd zijn, bewaard, om ze bij de hand te hebben, zoodra men ze wil gebruiken. In huis kan men ze verscheidene jaren in ’t leven houden; in het hok, dat men haar als woning aanwijst, beginnen zij dadelijk haar lievelingskost, bananen, te eten, ook bladen en allerlei vruchten. Wanneer men ze aanraakt, trekken zij zich in haar pantser terug en blazen als de Ganzen uit de keel.
De Sjaboeti kan in Europa, indien haar ’s winters een warme woning wordt verschaft, verscheidene jaren in ’t leven blijven. Haar aard verschilt niet veel van dien der andere Landschildpadden. Daar zij hooger op de pooten staat, beweegt zij zich iets sneller.
Opgravingen in de lagere gedeelten van het Himalaja-gebied, in gronden, die tot de jongste afdeeling van het tertiaire tijdvak behooren, hebben, nevens beenderen van voorwereldlijke Zoogdieren, de overblijfselen van een reusachtig Reptiel aan ’t licht gebracht. Dit wezen (Colossochelys atlas) was aan de Landschildpadden verwant; zijn pantser had een lengte van bijna 3 en een hoogte van bijna 2 M. Het is moeielijk, zich een juiste voorstelling te vormen van zulke monsters, al vestigt men het oog op de hedendaagsche Olifantschildpadden, die alle overige op het land levende soorten der orde in grootte overtreffen. Ook deze zijn thans het uitsterven nabij. Günther, die er een groot aantal exemplaren van onderzocht en tot de slotsom kwam, dat hierbij verscheidene soorten moesten worden onderscheiden, verhaalt haar geschiedenis ongeveer met de volgende woorden: Bijna alle reizigers uit de 16e en 17e eeuw, die van hunne ontmoetingen en ontdekkingen in den Indischen Oceaan en in de Stille Zuidzee verslag gaven, maken melding van de tallooze Reuzenschildpadden, die zij aantroffen op twee groepen van eilanden tusschen den evenaar en den steenbokskeerkring. Eén daarvan omvat de Galapagos-eilanden, de andere de Aldabra-eilandjes (ten noorden van de Comoren), Réunion, Mauritius en Rodriguez. Beide hebben dit gemeen, dat zij ten tijde van haar ontdekking zoomin door menschen als door groote Zoogdieren bewoond werden. Voor de zeelieden van weleer waren de Reuzenschildpadden van groot belang. Een reis, die thans in weinige weken volbracht wordt, duurde toen maanden; elk schip had een zeer talrijke bemanning, maar was slechts zeer gebrekkig met leeftocht voorzien: de Reuzenschildpadden, waarvan men binnen weinige dagen met geringe moeite zoovele exemplaren kon vangen, als men verkoos, kwamen dus steeds goed te pas. Zij konden zonder voedsel geruimen tijd in de een of andere bergplaats van ’t schip in ’t leven blijven en duurden dus, totdat men ze noodig had. Elk van deze dieren leverde 40 à 100 KG. uitmuntend vleesch. Soms nam een enkel schip op Mauritius of de Galapagos-eilanden 400 Schildpadden aan boord. De Olifantschildpadden waren in 1691, toen Leguat het eiland Rodriguez bezocht, hier zoo talrijk, dat men soms 2000 of 3000 van deze reuzen bijeenzag, over welker ruggen men 100 schreden ver kon loopen, zonder op den grond af te dalen. Verklaarbaar wordt het ontzaglijk groot aantal dezer weerlooze dieren, wanneer men bedenkt, dat hun gebied eertijds door geen enkele vijand bewoond of bezocht werd en de meeste dus den merkwaardig hoogen ouderdom konden bereiken, waarvan hun orde voorbeelden oplevert. De groote verandering, die in dezen toestand gekomen is, heeft ten gevolge gehad, dat thans op Rodriguez, Mauritius en Réunion geen Reuzenschildpadden meer gevonden worden. Op de Aldabra-eilandjes heeft een klein, voortdurend verminderend troepje, aanhoudend bestookt door den op buit belusten mensch, tot dusver den strijd om het bestaan volgehouden.
Dezelfde lotwisseling als op de Mascarenen heeft deze diersoort ondervonden op de Galapagos-eilanden, waar zij aanvankelijk zeer sterk vertegenwoordigd was, zooals blijkt uit den naam, dien de Spanjaarden gegeven hebben aan den door hen ontdekten, uit 13 tamelijk groote en vele kleine eilanden bestaanden archipel. („Galapagos” beteekent „Schildpadden”.) Hij bleef na de ontdekking in de 15e eeuw lang onbewoond; nu en dan kwamen schepen hier hun voorraad water en leeftocht vernieuwen. Hoewel de zeelieden bij dergelijke gelegenheden een groot aantal Schildpadden buit maakten, vond Darwin in 1835 deze dieren nog op bijna alle door hem bezochte eilanden. Deze, in 1832 geannexeerd en gekoloniseerd door de republiek Ecuador, van welks kust zij ± 1000 KM. verwijderd zijn, hadden toen een bevolking van eenige honderden personen. Later werd hier een strafkolonie gevestigd, die ook niet lang bestaan heeft; thans wordt alleen het Chatham-eiland nog bewoond. Om in hun onderhoud te voorzien, hebben de bewoners tegen de Schildpadden een waren verdelgingskrijg gevoerd, krachtdadig geholpen door de Zwijnen, die met hen op de eilanden waren gekomen en er voor een deel verwilderden. Dit had ten gevolge, dat reeds 11 jaren na Darwin’s bezoek op sommige van de eilanden wel talrijke troepen verwilderde huisdieren, Honden en Zwijnen, doch geen Schildpadden meer gevonden werden. Deze komen thans slechts op een enkel eiland in zeer verminderd aantal voor.
De onderstaande aanhalingen uit Darwin’s reisverhaal, hebben betrekking op de soort, die Günther meer bepaaldelijk Olifantschildpad (Testudo elephantina) heeft genoemd. Zij kan 1.5 M. lang en bijna 1 M. hoog worden; opmerkelijk zijn bij haar de lengte van den hals, de hoogte van de pooten en de zwarte kleur van het pantser. Te midden van de zwarte lava, de bladerlooze struiken en de groote cactussen herinneren deze kolossale Reptiliën levendig aan dieren uit de voorwereld. Wanneer zij zich ophouden in hoog gelegen streken van het midden der groote eilanden, de eenige plaatsen waar bronnen voorkomen, maken boombladen, een soort van zure en wrange bessen en bleekgroene korstmossen, die festoensgewijs van de takken afhangen, haar voedsel uit. Zij bewonen echter ook de lage, droge streken, waar, evenals op de waterlooze eilanden, haar voedsel hoofdzakelijk uit sappige cactussen bestaat en zij om het water te bereiken een grooten weg moeten afleggen. Door het telkens heen en weer reizen zijn de breede en diep uitgeschuurde paden ontstaan, die zich in alle richtingen van de bronnen naar de zeekust uitstrekken. „De Schildpadden reizen dag en nacht door en bereiken, naar gebleken was, door eenige exemplaren met een merkteeken te voorzien, het doel van haar tocht veel eerder dan men verwachten zou. Volgens de kolonisten konden de dieren een afstand van ongeveer 13 KM. in 2 of 3 dagen afleggen. Een groote Schildpad, die ik naging, doorliep een weg van bijna 55 M. in 10 minuten, gelijkstaande met bijna 6½ KM. per 24 uur, indien het oponthoud, veroorzaakt door het onderweg eten, op 4 uur geschat wordt. Bij ’t gaan is het borstschild ongeveer 30 cM. van den grond verwijderd. Iemand, die achter hen aan loopt, schijnen zij niet te hooren. Als ik een van deze kolossen, die bedaard zijn weg vervolgde, achterhaalde, was het grappig te zien, hoe hij op ’t oogenblik, dat ik hem voorbijstevende, den kop en de pooten introk, een dof gesis liet hooren en met een luiden plof op den grond viel, alsof hij dood was. Als ik dan op den rug van het dier ging zitten, liet het zich door eenige slagen op het achterste deel van het pantser overreden om op te staan en door te loopen; het was echter moeielijk op dit rijdier het evenwicht te behouden. Bij de bronnen zag ik vele Schildpadden. Sommige gingen met uitgestrekten hals naar den waterkant; andere, die haar dorst gelescht hadden, verwijderden zich langzaam van de drinkplaats. Zonder zich om den toeschouwer te bekommeren, staken de pas aangekomen dieren den kop tot over de oogen in ’t water, slikten den eenen mondvol na den anderen in en deden dit ongeveer tien maal in de minuut. Na een verblijf van 3 of 4 dagen in de buurt van de bronnen keeren de dieren weer naar de lage streken terug. Zij leven echter ook op eilanden, waar de regen slechts tijdelijk plassen doet ontstaan.”
Evenals hare verwanten, zijn de Reuzenschildpadden traag, onverschillig en ongevoelig; zij kunnen lang vasten: bij het slachten van dieren, die 18 maanden achtereen zonder voedsel in het ruim van een schip hadden gelegen, kon men geen vermagering bemerken. Het was daarom niet moeielijk ze levend naar Europa over te brengen; vroeger geschiedde dit dikwijls en kwamen zij niet zelden in dierentuinen en beestenspellen voor. Gedurende den winter moest het hok goed verwarmd zijn, des zomers liet men deze dieren op een grasperk naar verkiezing grazen; de dikke bossen gras, die zij afbeten of afplukten, werden door de beweging van de onderkaak tot ballen vervormd en, soms met zichtbare inspanning, doorgeslikt. Het bleek niet duidelijk, dat zij haar verzorger van andere personen onderscheiden; zij geraakten echter aan den omgang met menschen gewoon, verloren haar schrikachtigheid en de gewoonte om te sissen en lieten zich als rijdier gebruiken; soms was het niet eens noodig haar door stokslagen aan ’t loopen te brengen; zij kwamen trouwens uiterst langzaam vooruit.
Het wijfje legt witte, ronde eieren van meer dan 5 cM. lengte in een gat, dat zij zelf in zandgrond graaft en later weer met zand vult, of in een rotsspleet. De jongen worden in grooten getale door Roofvogels verslonden, de oude dieren hebben, behalve den mensch, geen voor hen gevaarlijke vijanden. Overal waar Reuzenschildpadden voorkomen, worden zij om haar vet en vleesch gevangen en gedood. Het vleesch wordt versch gegeten of ingepekeld, uit het vet wordt een fraaie, heldere olie bereid. Om te beoordeelen, of het dier vet genoeg is, ging men op de Galapagos-eilanden op een zeer wreede wijze te werk: naast den staart werd een gat in de huid gesneden, waardoor men het bindweefsel onder het rugschild kon bereiken; indien dit niet aan de verwachting beantwoordde, liet men het dier weer vrij; de wonde genas, oogenschijnlijk zonder dat het dier er veel pijn van had. Enkele exemplaren leverden niet minder dan 100 KG. vleesch op; er waren 6 à 8 man noodig om zulk een dier op te tillen. Volgens de Gebroeders Rodatz kwamen in de eerste helft van deze eeuw op de Aldabra-eilanden ieder jaar menschen om Schildpadden te vangen en deze vervolgens naar Madagaskar of naar het vasteland van Afrika te brengen. Tot aan den verzendingstijd werden zij in perken, door steenen muren omgeven, bewaard en met gras en bladen gevoederd. In een van deze perken zagen onze zegslieden 200, in een ander 300 Schildpadden. Een Hamburger koopman verhaalde aan Kersten, dat nog in 1847 door 100 menschen, de bemanning van twee schepen, op Aldabra binnen korten tijd 1200 Schildpadden werden buit gemaakt en dat sommige van deze een gewicht van 400 KG. hadden.
Als vertegenwoordiger van de beide in Europa voorkomende soorten van dit geslacht wordt gewoonlijk de Grieksche Schildpad (Testudo graeca) gekozen. Haar pantser is over ’t geheel genomen eivormig; het bolle, middelmatig hooge rugschild is van achteren een weinig verbreed en steiler afhellend dan van voren; het borstschild is bij ’t wijfje plat, bij ’t mannetje een weinig binnenwaarts gedrukt, van voren afgeknot, van achteren diep ingesneden. Iedere plaat van het rugschild is in het midden zwart en verder met een gelen en zwarten zoom voorzien; over het buikschild loopt een breede, onregelmatige, overlangsche streep van geelachtige kleur; aan de zijden is het eveneens geel, overigens zwart; de pooten, de hals en de kop zijn vuil groengeel. De lengte van het pantser bedraagt 14, hoogstens 16 cM., het gewicht zelden meer dan 0.5 KG.
Grieksche Schildpad (Testudo graeca). ⅓ v. d. ware grootte.
Deze soort, die ook in Syrië zeer veelvuldig voorkomt, bewoont in ons werelddeel Griekenland, de Grieksche eilanden, Dalmatië en Turkije, de lage landen langs den Donau, Beneden-Italië, met inbegrip van de eilanden Corsica, Sardinië en Sicilië, en ook de Balearen. Zij behoort in dorre, dicht begroeide gewesten thuis en is in sommige streken zeer talrijk. Het is voor haar een groot genot zich uren lang aan de stralen van de middagzon bloot te stellen: Duméril vond deze dieren in Sicilië, waar zij overal talrijk zijn, aan beide zijden van de wegen liggen, zoo sterk verhit door den zonneschijn, dat hij gevaar liep zich te branden, als hij de hand op haar pantser legde. Tegen den aanvang van den winter kruipen zij diep onder den grond en brengen hier het koele jaargetijde slapend door; in ’t begin van April komen zij weer te voorschijn.
De Grieksche Schildpad voedt zich met verschillende kruiden en vruchten; bovendien eet zij Slakken, Wormen en Insecten en wordt daarom in haar vaderland dikwijls in tuinen gehouden om hier jacht te maken op allerlei ongedierte; het gevolg hiervan is echter dikwijls, dat zij de fraaiste en sappigste planten afbijt of platdrukt. Zij is volstrekt niet keurig op haar voedsel. De gevangene dieren worden met vruchten, salade, wittebrood (in melk of water geweekt), Meelwormen, Aardwormen en rauw vleesch gevoederd; zij kunnen op deze wijze gedurende verscheidene menschenleeftijden in ’t leven gehouden worden, wanneer men ze slechts tegen de werking van de koude beschut. Reeds in Mei of Juni legt het wijfje 8 à 15 bolvormige, witte eieren met harden schaal, die de grootte van een kleinen noot hebben. Op het zonnigste plekje, dat zij vinden kan, graaft zij met de achterpooten een kuiltje in den grond, legt er de eieren in en bedekt ze zorgvuldig met aarde; de verdere zorg voor hare nakomelingschap laat zij aan den grooten bron van warmte en licht over. Op een der eerste regendagen van September komen de jonge Schildpadjes voor den dag; zij hebben dan ongeveer de grootte van een halven notendop en zijn de aardigste diertjes, die men zich voorstellen kan.
Hoe ongevoelig deze dieren ook zijn, toch kunnen zij een temperatuur beneden het vriespunt niet verdragen; hieraan blootgesteld, bezwijken zij spoedig. Geen nadeel lijden zij daarentegen door bijna een jaar lang te vasten; de allervreeselijkste verminkingen verdragen zij met een ons onbegrijpelijke onverschilligheid. Nadat haar de hersenen, die ongeveer de grootte van een boon hebben, ontnomen zijn, loopen zij nog wel 6 maanden rond; de afgesneden kop bijt nog na verloop van een half uur; het hart klopt nog 14 dagen na de onthoofding.
Het vleesch van deze Schildpad, die men op Sicilië en in andere gewesten van Italië geregeld ter markt brengt, wordt overal gegeten; de daarvan bereide soep valt zeer in den smaak.
Door de tot vinnen vervormde pooten, waarvan de voorste aanmerkelijk langer zijn dan de achterste, verschillen de Zeeschildpadden (Chelonidae) van de overige leden harer orde. Het met hoornplaten bekleede pantser onderscheidt hen van de Lederschildpadden, die eveneens uitsluitend in zee aangetroffen worden en vroeger met haar onder den naam van „Zeeschildpadden” werden samengevat. Alle ledematen der Cheloniden zijn lange, platte vinnen geworden, die aan de vinpooten der Robben herinneren. Eigenaardig is ook het maaksel van het hartvormige, flauw gewelfde rugschild; dit is meestal onvolledig verbeend: in het skelet bereiken wel de ribben, doch niet de daarbij behoorende huidbeenderen den „rand,” zoodat tusschen dezen en de „schijf” groote fontenellen voorkomen, die natuurlijk bij het volledige dier, evenals de groote fontenel in het midden van het borstschild, door de onverbeende huid gevuld zijn. Eerst op lateren leeftijd komt tusschen borstschild en rugschild een verbinding door een naad tot stand. De hals en de kop kunnen slechts ten deele, de ledematen in het geheel niet onder het rugschild teruggetrokken worden. Andere kenmerken zijn: de kortheid en de dikte van den vierzijdigen kop; de gladde, scherpe, soms aan den rand getande hoornscheeden, die de kaken bekleeden, zijn aan de spits haakvormig gekromd; bij gesloten bek is de ondersnavel geheel door den bovensnavel omgeven.
De vier soorten van Schildpadden, die tot deze familie behooren, leven in de zee, soms op een afstand van honderden zeemijlen van de kust, zwemmen en duiken voortreffelijk en bezoeken het land alleen om er hare talrijke, weekschalige eieren te leggen.
De Soepschildpad (Chelone mydas), die 450 KG. zwaar kan worden en dan een pantser van 1.1 M. heeft, kenmerkt zich, doordat de hoornscheede van de bovenkaak van voren niet haakvormig gekromd, maar afgeknot is, door de naast, niet over elkander liggende hoornplaten van het rugschild en door het bezit van een enkel paar schilden tusschen de neusgaten en het voorhoofdsschild. De niet zeer standvastige kleur van de bovenzijde is in den regel dof bruinachtig groen, geelachtig gevlekt of gemarmerd; de onderzijde is geelwit of vuilwit.
Deze soort, die alle zeeën van den tropischen en subtropischen aardgordel bewoont, schijnt hier overal veelvuldig te zijn. In de Middellandsche zee, waar zij door een andere soort (Chelone cephala) vervangen wordt, komt zij slechts als dwaalgast voor. Deze Schildpadden zijn, evenals hare verwanten, volslagen zeedieren. Zij houden zich bij voorkeur in de nabijheid van de kust op, maar worden toch ook dikwijls op zeer grooten afstand van het land, dikwijls midden in den Oceaan, gevonden. Hier ziet men ze dicht bij de oppervlakte zwemmen, soms ook wel oogenschijnlijk slapend, op den zeespiegel liggen; bij de geringste storing verdwijnen zij echter oogenblikkelijk in de diepte. Haar ronddartelen herinnert levendig aan het vliegen van groote roofvogels, b.v. Arenden; de onverstoorbare volharding en de bevalligheid van hare bewegingen zijn bewonderenswaardig. Deze dieren paren kracht aan snelheid, kunnen op allerlei diepten even goed zwemmen als duiken en nemen in het water alle denkbare houdingen aan. Daar waar zij veelvuldig voorkomen, ziet men ze soms bij groote troepen; over ’t algemeen schijnen zij zeer gezellig te zijn.
In tegenstelling met de verwante Bissa, die een volslagen roofdier is, eet de Soepschildpad zeeplanten, vooral wieren; daar waar zij veelvuldig is, bedekken tal van plantendeelen, die door haar afgebeten zijn, het water. Op bepaalde tijden verlaten de wijfjes den oceaan en begeven zich naar vaste, haar sinds lang bekende plaatsen om er eieren te leggen. Zij kiezen hiervoor zandige stranden van onbewoonde eilanden of van kusten, die ver van het gewoel der menschen verwijderd zijn, en bezoeken dezelfde legplaats ieder jaar, misschien wel gedurende haar geheele leven, al moeten zij een weg van honderden zeemijlen afleggen om deze plek, vermoedelijk haar geboortegrond, te bereiken.
De Soepschildpadden, die overigens tamelijk veilig zijn tegen vijanden, verkeeren gedurende den tijd van ’t eierleggen in een zeer gevaarlijke positie. Groote roofdieren en menschen maken ijverig jacht op de dan weerlooze dieren. De onbewoonde, woeste kusten van Brazilië, waar de Schildpadden gewoon zijn aan land te komen, worden slechts zelden door reizigers bezocht; in den legtijd komen hier echter alle Indianen uit den omtrek bijeen. „Vele van de Schildpadden, die aan land komen om eieren te leggen,” zegt de Prins Von Wied, „vinden hier den dood, daar haar langzaamheid en onbeholpenheid op den vasten grond niet minder groot is dan haar vlugheid in ’t water. De Indianen vangen deze dieren, om door het uitkoken van hun vleesch olie te verkrijgen, en verzamelen in groote korven de talrijke eieren, die reeds in het zand gelegd, of nog in het lichaam van hunne slachtoffers aanwezig zijn. Vele gezinnen bouwen hutten van palmbladen op het strand en blijven hier verscheidene dagen of weken wonen, om iederen dag eieren te kunnen zoeken.”
Voorzichtig naderen de jagers van de landzijde de onbewoonde kuststreken, waar de Zeeschildpadden eieren leggen; in kleine booten begeven zij zich naar het strand van de hun als legplaatsen bekende, onbewoonde eilanden; zij houden zich schuil, tot de schroomvallige dieren aan land gekropen en ver genoeg van ’t water verwijderd zijn. Zoodra de Schildpadden onraad bespeuren, spoeden zij zich onmiddellijk naar de zee om den vijand te ontkomen; op plaatsen, waar het strand een voldoende helling heeft, slagen zij er dikwijls in, zich snel om te draaien en zich over het zand naar beneden te laten glijden. Wanneer de jagers echter op het juiste oogenblik hun schuilplaats verlaten, verhinderen zij de vlucht van hun buit door dezen om te wentelen, zoodat het rugschild op den grond rust. De Zeeschildpad, die in dit geval verkeert, slaagt er nooit in haar vrijheid te herkrijgen, hoewel zij woedend met de vinnen om zich heen en op haar pantser slaat en zich zoo krachtig inspant, dat hare met bloed doorloopen oogen ver uit hunne kassen puilen. In dezen hulpeloozen toestand blijven zij liggen en komen ellendig om ’t leven, indien de jagers wreed genoeg zijn om meer Schildpadden om te wentelen dan zij medenemen kunnen, zooals soms gebeurt. Voor het omwentelen van zeer groote en zware dieren zijn hefboomen noodig. Vele exemplaren worden in netten gevangen, andere met den harpoen buitgemaakt. De jacht geschiedt altijd ’s nachts; den volgenden morgen zoekt men de gevangen dieren op en werpt ze in hiervoor bestemde bakken, of brengt ze dadelijk op de schepen, waarmede zij vervoerd zullen worden. In de bakken, die natuurlijk met zeewater gevuld moeten zijn, zwemmen de gevangen dieren langzaam rond, dikwijls drie of vier boven elkander. Zij nemen zelden voedsel aan, vermageren daarom snel en verminderen in waarde. Die, welke men op de Europeesche markten ziet, komen meestal uit West-Indië, vooral van Jamaica. Gedurende de reis liggen zij, met touwen vastgebonden, op een geschikte plaats van het dek op den rug; het stuk zeildoek, waarmede zij bedekt zijn, wordt zoo dikwijls met zeewater overgoten, dat het voortdurend nat of althans vochtig blijft; men steekt elk van deze arme stakkers een met zeewater doortrokken stuk wittebrood in den bek en vertrouwt voor ’t overige op de buitengewone taaiheid van hun leven. In de Europeesche havensteden bewaart men ze in groote kuipen met zeewater, dat om de twee of drie dagen ververscht wordt. Het slachten geschiedt door het dier den kop af te houwen en het 1 of 2 dagen lang zoo op te hangen, dat al het bloed er uit druppelen kan. Eerst dan acht men het vleesch geschikt voor de bereiding van de bekende, smakelijke soep.
Echte Karetschildpad (Chelone imbricata). 1/10 v. d. ware grootte.
In sommige tijden schijnt het vleesch van deze Schildpad schadelijke en zelfs vergiftige eigenschappen te hebben. Te Pantoeroe ten zuiden van Colombo werden in October 1840 28 personen, die schildpaddenvleesch gegeten hadden, kort na den maaltijd zwaar ziek; 18 van hen stierven in den volgenden nacht.
De Echte Karetschildpad of Bissa (Chelone imbricata), die met de vorige soort door lichaamsbouw, gestalte en bewegingen veel overeenkomst vertoont, bewoont nagenoeg dezelfde zeeën. Zij is echter aanmerkelijk kleiner; haar bovenkaak is van voren sterk haakvormig omgebogen; tusschen de neusgaten en het voorhoofdsschild komen twee opeenvolgende paren schilden voor; de hoornplaten van het rugschild zijn min of meer dakpansgewijs gerangschikt en liggen dus gedeeltelijk over elkander heen. Van kastanjebruin tot zwartbruin wisselt de grondkleur van deze met gele vlammen gekleurde platen af; die van het borstschild zijn effen geel, de schilden van den kop en van de ledematen zijn donkerbruin met gele randen. De lengte van het pantser zal waarschijnlijk nooit meer dan 84 cM. bedragen.
De Bissa is een roofdier in de volste beteekenis van ’t woord; zij gebruikt geen ander dan dierlijk voedsel: behalve Weekdieren, waarschijnlijk ook Visschen; door hare vlugge bewegingen is zij misschien in staat om betrekkelijk groote en behendige waterbewoners buit te maken. Ook zij wordt door den mensch fel vervolgd, echter niet om haar vleesch—dat, naar men zegt, ziekteverschijnselen veroorzaakt—en ook niet om hare eieren,—hoewel ook zij het meest gevangen wordt, nadat zij zich aan land begeven heeft om voor haar nakomelingschap te zorgen, waarvoor zij steeds dezelfde oorden opzoekt. Het „schildpad”, waarvan een volwassen Bissa 2 à 6 KG. kan opleveren, geeft aanleiding tot de vangst van dit dier. Om dit product te verkrijgen worden afschuwelijke wreedheden gepleegd. De hoornplaten geraken alleen na een sterke verhitting van het rugpantser los; het ongelukkige dier wordt daarom boven een vuur opgehangen en zoo lang geroosterd, totdat het gewenschte doel bereikt is. De Chineezen, inziende, dat het schildpad door droge warmte gemakkelijk bedorven kan worden, maken tegenwoordig gebruik van kokend water om de hoornlaag van het been af te scheiden. Nadat de bewerking afgeloopen is, wordt de Bissa weer in vrijheid gesteld; men laat haar weer naar de zee loopen, in de meening dat het schildpad weer aangroeit.
Het schildpad overtreft niet alleen door fraaiheid en kwaliteit iedere andere soort van hoorn, maar kan ook gemakkelijker verwerkt worden. Om dikke platen te verkrijgen, is het voldoende de ongelijk dikke en brooze platen, die men van het dier verkrijgt, in kokend heet water te verweeken en daarna tusschen metalen pletrollen samen te persen. Bij een voldoende drukking kleven zij zoo vast aaneen, dat men de samenstellende deelen niet meer onderscheiden kan; deze grondstof behoudt den vorm, dien haar door drukking in verweekten toestand werd gegeven, nadat men haar langzaam weer hard heeft laten worden; zij is dus uitmuntend geschikt voor het vervaardigen van dozen en kammen. Het afval wordt gebruikt tot aanvulling van de oneffenheden tusschen de platen, die bij een behoorlijken warmtegraad zoolang geperst worden, totdat alle deelen innig aaneenverbonden zijn.
De tweede groep van de Echte Schildpadden omvat de Halswenders of Rivierschildpadden (Pleurodira); deze trekken den meestal langen hals met den kop in tijden van gevaar niet terug, maar buigen hem zijwaarts en achterwaarts om hem tusschen het rugschild en borstschild te verbergen, zoodat de spits van den snuit op het schouderblad komt te liggen. Een tweede eigenaardigheid van deze dieren is, dat de bekkenbeenderen zoowel met het rugschild als met het borstschild vergroeid zijn. De kop en de hals zijn gewoonlijk plat, de oogen bijna boven op, in plaats van aan de zijden van den kop geplaatst, de kaken nooit getand, de teenen door sterk ontwikkelde zwemvliezen vereenigd.
De eieren van verscheidene Zuid-Amerikaansche leden dezer groep zijn voor vele volksstammen zeer nuttig; over ’t algemeen is de beteekenis dezer in moerassen en rivieren levende Schildpadden voor de menschelijke huishouding niet gering. Wat haar levenswijze betreft, kunnen wij volstaan met te verwijzen naar de onderstaande, aan een der grootste natuuronderzoekers van alle tijden ontleende beschrijving van één dezer dieren.
De bedoelde soort—de Arraoe (Podocnemis expansa) van het geslacht der Beenplaatschildpadden (Podocnemis) en van de familie der Pelomedusen (Pelomedusidae)—is een groot dier, welks pantser 77 cM. lang kan worden (het wijfje is ongeveer tweemaal zoo groot als het mannetje). Zij bewoont het geheele tropische Zuid-Amerika ten oosten van den Andes, waar ook de 4 overige leden van haar geslacht voorkomen. Evenals deze, heeft zij de hals en de pooten bijna naakt (het geslacht ontleent den naam aan een reeks van schubben op den voorarm en aan de buitenzijde der achterpooten); groote en dikke schilden bedekken den kop, waaraan een diepe en breede groeve tusschen de oogen de aandacht trekt; van de kin hangen twee baarddraden naar beneden; de rand van het matig gewelfde rugschild steekt in horizontale richting uit.
„De Arraoe,” schrijft Alexander von Humboldt, „is een groote Zoetwaterschildpad met zwemvoeten, een zeer platten kop, twee vleezige, zeer spitse aanhangsels onder de kin, 5 teenen aan de voorpooten en 4 aan de achterpooten, die van onderen gegroefd zijn. Het rugpantser heeft 5 middel-, 8 zijde- en 24 randschilden, is van boven zwartgrijs, van onderen oranjegeel; de lange pooten hebben dezelfde kleur als het rugschild. Tusschen de oogen is een zeer diepe groeve. De nagels zijn zeer dik en gebogen. De aarsopening bevindt zich aan het laatste vijfde gedeelte van den staart. Het volwassen dier weegt 20 à 25 KG. De eieren, welke in grootte die van een Duif overtreffen, hebben een aangenamen smaak en zijn bij de bewoners van Guyana zeer gezocht; hun kalkschaal is, naar men zegt, zoo stevig, dat de kinderen der Otomaten, die veel van kaatsen houden, ze elkander kunnen toewerpen. (De Terekay is kleiner dan de Arraoe; haar pantser bestaat uit evenveel platen, doch deze zijn eenigszins anders verdeeld.) Deze schuwe, vreesachtige dieren, houden bij ’t zwemmen den kop boven water, maar verbergen hem bij ’t geringste gedruisch; zij mijden de door menschen bewoonde oevers of de door booten verontruste gedeelten van den stroom. De oevers, waar bijna alle Schildpadden van den Orinoco ieder jaar schijnen bijeen te komen om eieren te leggen, liggen tusschen de uitmonding van de Apoere in den Orinoco en de Raudales of groote watervallen; hier komen de drie terreinen voor, die wegens hun eierenopbrengst het meest beroemd zijn. De Arraoe gaat niet hooger op dan de watervallen; de Terekay komt zoowel in den Boven-Orinoco als beneden de watervallen voor, bovendien in de Apoere, de Oeritoeko en de kleine rivieren, die door de Llanos van Caracas vloeien.
„Tegen 11 uur in den voormiddag kwamen wij met onze boot aan een eiland midden in den stroom en stapten aan wal. Dit eiland, dat door de Indianen van de zendingpost Oeroeana als hun eigendom wordt beschouwd, is beroemd wegens haar Schildpaddenvangst of, zooals men hier zegt, wegens den „eierenoogst”, die hier jaarlijks gehouden wordt. Wij vonden er meer dan 300 Indianen in hutten van palmbladen gelegerd. Behalve de Goeanos en Otomakos uit Oeroeana, die beide voor wilde, onbedwingbare stammen worden gehouden, waren hier ook Karaiben en andere Indianen van den Beneden-Orinoco verzameld. Iedere stam had een afzonderlijke legerplaats en was te onderscheiden aan de kleur, waarmede de huid zijner vertegenwoordigers beschilderd was. Te midden van de tierende menigte zagen wij eenige blanken, vooral kooplieden uit Angostura, die de rivier opgevaren waren met het doel, om van de inboorlingen schildpaddenolie te koopen. Ook ontmoeten wij hier de zendeling van Oeroeana, die ons verhaalde, dat hij met de Indianen, die eieren gingen zoeken, medegekomen was, om iederen morgen in de open lucht de mis te lezen en om zich olie voor de altaarlamp te verschaffen, vooral echter om den vrede te bewaren in dezen „vrijstaat van Indianen en Kastilianen,” waar ieder voor zich alleen wil hebben, wat God aan allen schenkt.
„Vergezeld door dezen zendeling en door een koopman, die zich er op beroemde, dat hij reeds tien jaren geregeld bij den eierenoogst tegenwoordig was, gingen wij het eiland rond, dat op soortgelijke wijze bezocht wordt, als bij ons de jaarmarkten. Wij kwamen op een effene zandvlakte. Zoover het gezicht reikt, zeide men ons, liggen de schildpaddeneieren onder de bovenste aardlaag van den oever. De zendeling droeg een langen stok in de hand en toonde ons, hoe men hiermede de uitgestrektheid van de eieren-bevattende laag bepaalt, zooals de mijnbouwkundige de grenzen van een laag mergel, ijzeroer of bruinkool onderzoekt. Als de stok loodrecht in den grond wordt gestoken, wijst het plotseling ophouden van den weerstand aan, dat men doorgedrongen is tot in de holte of tot in de losse aardlaag, waarin de eieren geborgen zijn. Het bleek ons, dat deze laag over ’t algemeen zoo gelijkmatig verdeeld is, dat de stok over een plek van 20 M. middellijn rondom een gegeven punt haar overal bereikte. Men spreekt daarom hier van vierkante roeden eieren, alsof men het heeft over een terrein, waaronder een ertslaag ligt en dat in vakken is verdeeld om het geregeld te exploiteeren. De eierenlaag strekt zich echter op verre na niet over het geheele eiland uit, maar houdt op overal waar de grond zich verheft, omdat de Schildpad naar deze kleine hoogvlakten niet omhoogkruipen kan.
„De tijd, waarin Arraoe hare eieren legt, valt samen met dien van den laagsten waterstand. Daar de Orinoco op den dag van de lente-dag-en-nacht-evening begint te wassen, liggen de diepste gedeelten van den oever van het begin van Januari tot den 29sten Maart droog. De Arraoes vereenigen zich reeds in Januari tot groote zwermen, verlaten het water en koesteren zich op den zandigen oever in de zon. Gedurende de maand Februari vindt men de Arraoes bijna den geheelen dag op den oever. In het begin van Maart vereenigen de verspreide troepen zich en zwemmen naar de weinige eilanden, waar zij gewoon zijn hare eieren te leggen: waarschijnlijk kiest iedere Schildpad hiervoor ieder jaar denzelfden oever. Weinige dagen vóór het leggen komen zij bij duizenden in lange reeksen op de oevers van de eilanden Coecoeroeparoe, Oeroeano en Pararoema, strekken den hals en houden den kop boven water, om te zien, of zij hier niet door „Tijgers” of door menschen bedreigd worden. De Indianen, die er het grootste belang bij hebben, dat de vereenigde zwermen bijeenblijven, plaatsen wachten langs den oever om te verhinderen, dat de dieren verstrooid worden en om te bevorderen, dat zij in vrede hunne eieren kunnen leggen. Men beduidt de menschen op de vaartuigen, dat zij ’t midden van den stroom moeten houden en de Schildpadden niet door hun geschreeuw moeten verjagen.
„De Indianenkampen op drie bovengenoemde plaatsen worden in de laatste dagen van Maart of in de eerste dagen van April geopend. De eierenoogst heeft steeds op dezelfde wijze plaats. Als het kamp opgeslagen is, benoemt de zendeling een plaatsvervanger, die de landstreek, waar de eieren liggen, naar het aantal Indianenstammen, die aan den oogst deelnemen, in afdeelingen splitst. Hij begint met op de reeds genoemde wijze te onderzoeken, hoe ver de eierenbevattende laag zich in den grond uitstrekt. Volgens onze metingen reikt zij tot 40 M. van den oever en ligt op een gemiddelde diepte van 1 M. De hiervoor benoemde persoon wijst aan, hoe ver iedere stam werken mag. Niet zonder verwondering hoort men den eierenoogst schatten op gelijke wijze als de opbrengst van een korenveld. Het komt voor, dat een terrein van 40 M. lengte en 10 M. breedte 100 kruiken (of voor 500 gulden) olie oplevert. De Indianen graven den grond met de handen open, leggen de ingezamelde eieren in kleine mandjes, „mappiri” genaamd, dragen ze naar het kamp en storten ze uit in groote, met water gevulde, houten troggen. Hier worden de eieren met schoppen vergruisd, omgeroerd en aan de zon blootgesteld, totdat de bovendrijvende, olieachtige bestanddeelen van den eidooier dik geworden zijn. De afgeschepte olie wordt boven een flink vuur gekookt en blijft, naar men zegt, des te beter van kwaliteit, naar mate zij sterker gekookt werd. Goed toebereid, is zij reukeloos, helder en zeer licht geel van kleur. De zendelingen achten haar gelijk aan de beste boomolie. Men gebruikt haar niet uitsluitend als lampolie, maar ook (en wel bij voorkeur) voor de spijsbereiding, daar zij aan de spijzen geen onaangenamen smaak mededeelt. Het is echter moeielijk volkomen zuivere Schildpaddenolie te verkrijgen; de meeste heeft een rotlucht, welke hierdoor veroorzaakt wordt, dat in eenige van de eieren de jongen reeds tot ontwikkeling waren gekomen.
„De geheele opbrengst van de oeverterreinen, waar ieder jaar eieren ingezameld worden, kan men op 5000 kruiken begrooten. Daar 200 eieren een wijnflesch vol olie opleveren, zijn er 5000 noodig voor een kruik. Als men aanneemt, dat iedere Schildpad 100 à 116 eieren legt en dat een derde hiervan gedurende het leggen breekt, zoo komt men tot het besluit, dat, om deze 5000 kruiken met olie te vullen, 330,000 Arraoe-schildpadden op de drie oogstplaatsen 33 millioen eieren moeten leggen. Door deze berekening blijft men echter nog ver beneden het werkelijke aantal Schildpadden in de rivier. De hoeveelheid eieren, waarvan de jongen reeds uitgekomen zijn, voordat de mensch aan ’t inzamelen gaat, is zoo verbazend groot, dat ik bij het kamp van Oeroeana den geheelen oever van den Orinoco bedekt zag met een gewemel van jonge 2½ cM. breede Schildpadjes, die met moeite ontsnapten aan de hen najagende kinderen van Indianen. Voeg hier nog bij, dat niet alle Arraoes op de drie genoemde eilanden komen, dat vele tusschen den Orinoco-mond en de samenvloeiing met de Apoere afzonderlijk en een paar weken later eieren leggen, zoo komt men noodzakelijkerwijze tot de slotsom, dat het aantal Schildpadden, die ieder jaar aan de oevers van den Beneden-Orinoco eieren leggen, nagenoeg een millioen moet bedragen.
„De inzameling van de eieren en de bereiding van de olie duren 3 weken; slechts in dezen tijd staan de zendingsposten met de kust en met naburige beschaafde landen in verkeer. De Franciskanen, die ten zuiden van de watervallen gevestigd zijn, komen bij den eierenoogst, niet zoozeer om zich olie te verschaffen, als wel om blanke gezichten te zien. De oliehandelaars behalen een winst van 60 à 70 percent; daar de Indianen hun de kruik olie voor een harden piaster verkoopen en de kosten van verzending slechts ⅖ piaster per kruik bedragen. Alle Indianen, die aan den eierenoogst deelnemen, nemen ook groote hoeveelheden in de zon gedroogde of zacht gekookte eieren mede naar huis. Onze roeiers hadden ze in hunne korven of in katoenen zakjes steeds bij zich. De smaak kwam ons niet onaangenaam voor, zoolang zij nog onbedorven waren.
„Men wees ons groote, door Jagoears geledigde schildpaddenpantsers. De „Tijgers” loeren op de Arraoes, wanneer deze aan den oever komen om eieren te leggen, overvallen ze gedurende haar verblijf op het land en wentelen ze op den rug om ze gemakkelijker te kunnen verslinden. De in dezen toestand gebrachte Schildpadden kunnen niet weer overeind komen; daar de „Tijger” er veel meer omwentelt, dan hij in één nacht opeten kan, doen de Indianen dikwijls hun voordeel met zijn list en boosaardige hebzucht.
„Wanneer men bedenkt, hoeveel moeite het den reizenden natuuronderzoeker kost om het pantser van een Schildpad te ledigen, indien hij het rugschild en het borstschild in hun verband wil laten, kan men zich niet genoeg verwonderen over de behendigheid van den „Tijger”, die met zijne klauwen ditzelfde werk zoo flink verricht, alsof de aanhechtingen van de spieren met het mes van een heelmeester waren losgemaakt. De „Tijger” vervolgt de Schildpad zelfs in het water, voor zoover dit niet zeer diep is, graaft ook hare eieren uit, kortom is met den Krokodil, de Reigers en de Raafgieren de vreeselijkste vijand van de pas uit het ei gekomen Schildpadden. Behalve de zooeven genoemde wilde dieren doen ook de wilde Indianen veel afbreuk aan de oliebereiding. Zoodra de eerste, minder belangrijke regenbuien (door hen „schildpaddenregens” genoemd) voorkomen, trekken zij naar de oevers van den Orinoco en dooden met vergiftigde pijlen de Schildpadden, die met vooruitgestoken kop en uitgespreide pooten zich door de zon laten koesteren.”
Van Januari tot Juli bewonen de Arraoes de plassen en oevermeren van de overstroomde wouden en eten bijna niets anders dan boomvruchten. Door de felle vervolging, die zij te verduren hebben, is haar aantal reeds merkbaar verminderd.
Een der vreemdsoortigste leden van de geheele orde is de Matamata (Chelys fimbriata), de eenige vertegenwoordigster van het geslacht der Franjeschildpadden (Chelys) en van de gelijknamige familie (Chelydae). Het zeer weinig gewelfde rugschild vertoont drie overlangsche reeksen van dikke, gekielde knobbels, die door diepe groeven vaneengescheiden zijn. De kop is zeer plat en driezijdig; de oogen zijn buitengewoon klein; de mondspleet strekt zich tot aan de oorstreek uit; de neus is tot een middelmatig langen, dunnen snuit verlengd, aan welks spits de neusgaten voorkomen: de hals is tamelijk lang, maar zeer breed en plat, de staart kort, het zwemvlies tusschen de vijf teenen van de voorvoeten en de vier teenen van de achtervoeten sterk ontwikkeld. Boven elke gehooropening bevindt zich een dun, tamelijk groot, naar boven gericht, driehoekig aanhangsel, dat aan een oorschelp herinnert; de kin is met twee baarddraden voorzien, de keel met een in franjes verdeeld aanhangsel; soortgelijke huidfranjes zijn aan weerszijden van den hals op reeksen geplaatst. Zij bereikt volgens Dumeril een totale lengte van 2.2 M., waarvan op het pantser 1.23 M. en op den hals 72 cM. komt. De bovenzijde is bijna effen kastanjebruin, de onderzijde vuil groenachtig geel.
Matamata (Chelys fimbriata). 1/15 v. d. ware grootte.
De Matamata is tot Guyana en Noord-Brazilië beperkt; men heeft haar in den Amazonenstroom en de naburige stilstaande wateren, in de rivieren Essequebo, Roepoenoeni en Takoetoe alsook in de meren en rivieren van de savanna aangetroffen. Daar waar zij voorkomt, schijnt zij talrijk te zijn. „Gewoonlijk,” zegt Schomburgk, „had zij zich bij den oever in ’t zand gewoeld, zoodat het water ongeveer een vingerbreed hoog boven haar rugschild stond, en scheen daar bewegingloos op een prooi te loeren. Zij liet zich grijpen zonder beweging te maken; wegens den onaangenamen reuk, dien zij verbreidde, deden wij dit echter slechts zelden. Onze Karaïben vielen met een ware woede op haar vleesch aan.” Misschien dienen de vreemdsoortige aanhangsels aan den kop als lokaas voor die Visschen, welke gemakkelijk te verschalken zijn.
De derde reeks van de Echte Schildpadden omvat de Rivierlederschildpadden (Trionychoidea). Van alle overige onderscheiden zij zich door het ontbreken der hoornplaten op haar pantser; dit is slechts door een zachte huid bedekt. Het rugschild is zwak gewelfd en onvolledig verbeend: het beenig schijfgedeelte heeft een zachten, lederachtigen zoom, die hoogst zelden door eenige randbeenderen gesteund wordt; in het midden van het borstschild komen groote fontenellen voor. De kaken zijn met vleezige lippen voorzien, doch hebben een hoornachtigen rand; de neusgaten zijn aan de spits van een zachten, beweeglijken snuit geplaatst. De teenen hebben zeer sterk ontwikkelde zwemvliezen; slechts de drie binnenste van elken voet eindigen in scherpe klauwen. De kop en de hals kunnen onder het pantser verborgen worden; bij sommige kan dit ook met de pooten en den korten staart geschieden; ter beschutting van de teruggetrokken organen zijn dan achter aan het borstschild links en rechts eigenaardige kleppen aanwezig; ook het voorstuk is beweeglijk. Naar het schijnt, kunnen de papillen van het slijmvlies, dat de keelholte bekleedt, de rol van kieuwen vervullen; tusschen het bloed van de talrijke haarvaten dezer organen en het hem omgevende water heeft dezelfde uitwisseling van gassen plaats, als in de longen tot stand komt.
*
Bij de Drieklauwen (Trionyx) zijn in het geheel geen randbeenderen aanwezig en kunnen de achterpooten en de staart niet onder het pantser verborgen worden.
Hoewel de meeste soorten van dit geslacht het Oostersche rijk bewonen en slechts enkele in Noord-China en Japan, in Afrika en in Noord-Amerika gevonden worden, is nog steeds de Woeste Drieklauw (Trionyx ferox), de grootste van de Noord-Amerikaansche soorten, ons het nauwkeurigst bekend. Zij kan een gewicht van 35 KG. bereiken en is dan 1.6 M. lang, waarvan 85 cM. op het pantser komen. Haar rugschild is op donker leigrauwen grond met talrijke, groote oogvlekken en, vooral aan den rand, met donkere stippels geteekend; de onderzijde is vuilwit, de leikleurige kop van boven aan weerszijden donker gevlekt, in de oogstreek met een tot aan den hals reikenden en hier uitvloeiende, lichte, donker gezoomde slaapstreep versierd; de kin, de voeten en de staart zijn zwart en wit gemarmerd; de iris is geel.
De Woeste Drieklauw wordt aangetroffen in de Savannah- en Alabama-rivieren en in alle stroomen, die zich in de Golf van Mexico uitstorten, dus in het zuidoosten van de Vereenigde Staten, van Georgië tot West-Louisiana. In de meeste wateren van het door haar bewoonde gebied is deze soort veelvuldig. Men ziet haar bij stil weer in grooten getale aan de oppervlakte drijven, en in de rivieren dikwijls talrijk op de rotsen verschijnen, om zich hier in het ondiepe water door de zon te laten koesteren. Gewoonlijk ligt zij, onder wortels en waterplanten verborgen, op buit te loeren. Zij maakt jacht op Visschen, Amphibiën en Watervogels, zwemt langzaam op het uitgekozen slachtoffer af, strekt dan bliksemsnel den betrekkelijk langen hals en grijpt zonder fout haar prooi. Voor de boeren is zij door het vangen van jonge Eenden en Ganzen lastig. Naar men zegt, richt zij onder de jonge Alligators een groote slachting aan; door de oude wordt zij echter opgegeten.
In Mei zoeken de wijfjes zandige plekken op aan den oever van het door haar bewoonde water en beklimmen, hoewel zij zich overigens zelden of nooit op ’t droge begeven, in dezen tijd heuvels van meer dan 1 M. hoogte. Hare eieren zijn bolvormig en betrekkelijk broos van schaal.
1 Hierover heeft Van Bemmelen het volgende aangeteekend: „In de Kronyk van Medemblik (1736) vindt men, dat op 2 October 1707 een voorwerp gevangen is in het Wijkermeer van 6 voet lengte en 400 à 500 pond zwaarte. In de Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap (Deel VI) wordt vermeld, dat een Zeeschildpad door Veersche visschers aan de kust van Walcheren, nabij Domburg, op 17 Juni 1777 gevangen werd en 3 Rijnlandsche voeten lang was. Zijn deze berichten juist, dan is er alle waarschijnlijkheid, dat deze individu’s behoorden tot de soort Spargis coriacea. Het is echter mogelijk, dat zij ontsnapt waren uit schepen. Evenwel zijn ook aan de naburige kusten Zeeschildpadden gevangen. Zoo vermeldt De Selys Longchamps in zijn „Faune Belge”, dat twee voorwerpen van Chelonia caretta op de kust van Vlaanderen zijn gevangen, doch dat deze soort zich daar zeer toevallig bevindt; evenzoo maakt Fleming in zijn „History of British Animals” (1828) melding van het vangen van Zeeschildpadden aan de Engelsche kusten. Lacépède (Histoire naturelle des Quadrupèdes Ovipares) vermeldt de vangst van 2 Spargis coriacea aan de kusten van Languedoc en van een vrij groot voorwerp van deze soort op de kusten van Cornwallis in Engeland in 1756; voorts bericht hij, dat in 1752 een Zeeschildpad te Dieppe en vele groote individu’s aan den mond der Loire gevangen zijn.”