Ieder die een Kikvorsch aandachtig bekeken heeft, kent alle leden van de eerste orde der Amphibiënklasse. De verschillen van lichaamsbouw, die in deze orde voorkomen, hoewel niet gering of onbelangrijk, gaan nimmer zoo ver, dat het mogelijk zou zijn een Vorsch of Staartelooze Amphibie met een Salamander te verwarren. Een plompe, eivormige of bijna vierhoekige romp, welks verbinding met den plat gedrukten, breeden, aan den snuit spits toeloopenden of afgeronden, wijdmondigen kop op zulk een wijze tot stand komt, dat men geen hals kan onderscheiden, vier goed ontwikkelde ledematen en een meer of minder gladde, naakte, glibberige huid zijn de uitwendige kenteekenen van alle leden der eerste orde. De oogen zijn betrekkelijk groot en zeer beweeglijk; de neusgaten kunnen meestal door eigenaardige kleppen gesloten worden; de gehoororganen zijn groot en kenbaar aan het trommelvlies, dat aan de oppervlakte gelegen is. Tusschen de geslachten en soorten bestaat een niet onbelangrijk verschil, wat het maaksel der pooten, de gladheid en de dikte der huid, de aanwezigheid en de verdeeling der slijm- of gif-uitzweetende klieren betreft.

Het geraamte is hoogst eenvoudig van samenstelling. De kop is van boven naar onderen sterk samengedrukt, de hals, strikt genomen, slechts aangeduid; de wervelkolom bestaat gewoonlijk uit 7, zelden uit 6 wervels; het heiligbeen is een rolvormig of plat driehoekig been geworden, waarmede van achteren een in ’t middenvlak gelegen, lang, staafvormig staartbeen en aan weerszijden een eveneens langwerpig heupbeen verbonden is; de gordel van de voorste ledematen is kraakbeenig en hangt uitsluitend door weeke deelen met de wervelkolom samen; ribben zijn niet aanwezig behalve bij de familie der Schijftongigen. Kleine, haakvormige tanden zijn op de bovenkaaksbeenderen in den regel, op de ploegschaarbeenderen dikwijls, op de gehemelte- en de onderkaaksbeenderen bij uitzondering aanwezig. De zelden ontbrekende tong is slechts bij enkele soorten over haar geheele lengte met den bodem van de mondholte vergroeid, bij de meeste alleen met het voorste gedeelte vastgehecht dicht bij de plaats, waar de beide onderkaakshelften zich vereenigen; het achterste deel van dit orgaan is vrij, zoodat het buiten den mond geworpen kan worden. Bijna alle hebben zeer groote, zakvormige longen en een goed ontwikkeld, wijd strottenhoofd, dat dikwijls nog door eigenaardige keelblazen of klankholten geholpen wordt bij het voortbrengen van een luide, klankrijke stem. De hersenen hebben in verhouding tot de geringe grootte van het lichaam een aanzienlijken omvang.

De Vorschen zijn over de geheele wereld, met uitzondering van de poolgewesten, verbreid; zij ontbreken in geen der werelddeelen en op geen der hoogtegordels; in de keerkringsgewesten bereikt deze groep haar hoogste ontwikkeling. Minder dan andere Amphibiën zijn zij aan bepaalde terreinen gebonden, daar de inrichting van hun lichaam hen tot allerlei bewegingen in staat stelt. Verreweg de meeste Vorschen blijven niet wonen in het water, waarin zij hun jeugd doorbrachten, maar verbreiden zich in den omtrek, zij het dan ook binnen een beperkten kring, welke steeds voldoen moet aan de voorwaarde, dat zij er de vochtigheid vinden, die voor haar bestaan volstrekt noodig is. Hunne verblijfplaatsen zijn zoo verschillend als die van eenig Amphibie kunnen zijn. Zij komen overal voor, waar zij geschikte schuilplaatsen kunnen vinden en in de gelegenheid zijn om voedsel, vooral Insecten, te verkrijgen. Hun zomerleven onderscheidt zich echter aanmerkelijk van hun leven gedurende het ongunstige jaargetijde, om ’t even, of dit door daling van de temperatuur of vermindering van den vochtigheidstoestand voor hen ongunstig wordt. Hier te lande verschuilen verscheidene soorten zich voor het einde van den herfst in het slijk van poelen en plassen, waar zij gedurende het koude jaargetijde in een op den dood gelijkenden slaap verkeeren. In zuidelijke landen dwingt de droogte hen eveneens zich te verbergen. Gezelligheid is een grondtrek van het karakter van alle bij of in het water levende Vorschen; er ontstaat echter tusschen hen nooit eenig verband, zooals bij de hoogere Gewervelde Dieren. Gelede Dieren, Wormen en Slakken maken haar liefste voedsel uit; ook vischkuit en kleine vischjes dienen hun tot spijs; de grootste vertegenwoordigers van de orde wagen het zelfs kleine Zoogdieren en Vogels aan te vallen. Enkele Boomkikkers voeden zich bijna uitsluitend met andere Amphibiën en wel vooral met leden van hun eigen familie.

De voortplanting heeft bij de Europeesche Vorschen in de lente plaats. De eieren (het rit) zijn onderling vereenigd tot snoeren (b. v. bij de Padden) of tot onregelmatige klompen (b. v. bij de Kikvorschen). De larven (dikkoppen, donderpadden, kikkervischjes) missen nog de ledematen en de mondopening, maar zijn van een staart voorzien. Onder de plaats, waar later de mondopening zal ontstaan, bevinden zich 2 kleine, spoedig verdwijnende „hechtschijfjes”. Weldra ontspruiten aan weerszijden van den hals drie boomvormig vertakte, uitwendige kieuwen; achter elke kieuw is een spleet (keelspleet), waardoor de mondholte met de buitenwereld in gemeenschap staat. Daarna komt de mondopening tot stand en worden de kieuwen langzamerhand door een van den kop naar achteren groeiende woekering van de huid (het kieuwdeksel) overdekt en in een kieuwholte opgesloten; intusschen verdwijnen de boomvormige kieuwen en wordt haar verrichting overgenomen door inwendige, als tanden van een kam aan de kieuwbogen gehechte kieuwplaatjes, welke veel op die der Visschen gelijken. Het kieuwdeksel laat voor den afvoer van het water een opening vrij (de kieuwspleet). Deze is bij de meeste inheemsche Vorschen (Rana Bufo, Pelobates en Hyla) aan de linkerzijde van den hals gelegen, minder dikwijls (Alytes, Bombinator) in ’t midden van de keel. Terwijl de kieuwen deze veranderingen ondergaan, hebben de randen van de mondspleet zich met een hoornlaagje bedekt, dat verscheidene rijen van fijne hoorntandjes draagt. Binnen in het lichaam merkt men den spiraalvormig gekronkelden dunnen darm op. Daarna vertoonen zich de achterste ledematen, die reeds een aanmerkelijke grootte bereikt hebben, als de voorste ledematen zichtbaar worden. Van nu af verdwijnen de larveorganen langzamerhand; de kieuwen verschrompelen, de kieuwspleet groeit dicht, de longen beginnen dienst te doen; de hoorntandjes en het hoornachtig bekleedsel van de kaken gaan te niet; de staart wordt allengs korter en verdwijnt eindelijk geheel; tenslotte is de staartelooze jonge Vorsch gereed om het water te verlaten.

Over ’t algemeen zijn de Vorschen wakker en bedrijvig van aard; nachtdieren zijn zij even goed als de andere Amphibiën, hoewel vele ook over dag een grootere bedrijvigheid toonen dan bij andere leden der klasse waargenomen wordt. Door hun geschiktheid tot beweging munten zij boven al hunne verwanten uit: zij gaan of strompelen beter dan deze, maken kolossale sprongen en doen dit op een buitengewoon behendige wijze, zwemmen en duiken voortreffelijk en kunnen uren lang zonder bezwaar op den bodem van het water doorbrengen. Zij zijn scherp van gezicht, van gehoor en van reuk, zijn ondanks hun in ’t oog vallende gevoelloosheid, duidelijk geschikt tot het opmerken van drukking en temperatuursverschil, waarschijnlijk ook, hoewel in geringe mate, voor smaakprikkels gevoelig. Bij de andere leden hunner klasse kan men moeilijk sporen van hoogere werkzaamheid van den geest ontdekken; bij de Vorschen daarentegen worden duidelijk een nauwkeurige kennis van de plaatselijke gesteldheid, benevens onderscheidingsvermogen, geheugen en op ervaring berustende schranderheid waargenomen; bovendien geven zij blijken van voorzichtigheid en schuwheid in hunne betrekkingen tot andere wezens; zelfs openbaren zij eenige list bij het kiezen van de middelen om aan een gevaar te ontkomen of om een buit te bemachtigen; zij scheppen behagen in luide tonen, zooals op onmiskenbare wijze blijkt uit hun goed ontwikkeld gehoororgaan en uit de muziekuitvoeringen, die zij ’s avonds geven. Al deze eigenaardigheden maken de Vorschen voor ons veel aantrekkelijker dan de andere Amphibiën.

Hoewel hunne stemmen minder verscheidenheid aanbieden, minder omvangrijk, klankvol en zoetvloeiend zijn dan vogelengezang, staan zij niet al te ver achter bij die van de meeste Zoogdieren. Zij brengen allerlei geluiden voort, afwisselend van een ver hoorbaar gebrul, tot een fijn gesjirp, van heldere fluittoonen tot een dof gejammer. Heesch krascht de eene, volle, afgeronde tonen hoort men van de andere; sommige sjirpen als Sprinkhanen, andere loeien als Runderen; het op klokslagen gelijkende geluid van de Pad, bestaat uit afgebroken tonen, door rustpauzen gescheiden; de Groene Kikvorsch daarentegen draagt een uit vele coupletten samengesteld lied voor. Zoowel in de oerwouden van Zuid-Amerika als in de keerkringslanden van Azië en Afrika, in Australië niet minder dan in Europa, trekken de stemmen van de Vorschen sterk onze aandacht en wekken onze belangstelling.

Onze welwillendheid verdienen de Vorschen niet slechts door hun onschuldige vroolijkheid, maar ook doordat zij, wel verre van schadelijk te zijn, nuttige werkzaamheden verrichten, welker beteekenis stellig nog niet genoeg gewaardeerd wordt.


De Vorschen worden thans in twee onderorden gesplitst; de Tongvorschen (Phaneroglossa) en de Tongloozen (Aglossa). Verreweg de meeste Vorschen behooren tot de eerstgenoemde afdeeling, die zich kenmerkt door de goed ontwikkelde tong en het gescheiden blijven der Eustachiaansche buizen (de verbinding tusschen de trommelholte en de mondholte), die dus met twee openingen aan het gehemelte eindigen.

Men kan in deze onderorde zeer duidelijk twee groepen onderscheiden: bij de Stijfborstigen (Firmisternia), zooals de Kikvorsch, zijn de beenderen van den schoudergordel onbeweeglijk met het borstbeen verbonden; bij de Vrijborstigen (Arcifera) zooals de Pad, laten zij een zijdelingsche verschuiving toe. De groep der Stijfborstigen omvat 6 familiën; slechts één van deze—de Echte Kikvorschen (Ranidae)—is in Europa en Nederland vertegenwoordigd; zij omvat 22 geslachten; alle Europeesche soorten behooren tot het geslacht Kikvorsch (Rana).

De Echte Kikvorschen hebben alleen in de bovenkaak tanden. De pupil is bij sommige geslachten een verticale, bij andere een horizontale spleet; de teenen eindigen bij sommige spits, bij andere in hechtschijfjes; soms zijn alle voeten met zwemvliezen voorzien, soms ontbreken zij aan de voorpooten, soms aan alle ledematen.

De meeste leden van deze familie ondergaan de hierboven beschreven gedaantewisseling in het water; bij sommige heeft echter een deel van den ontwikkelingsgang binnen het ei plaats, dat in dit geval aanmerkelijk grooter is.

De Echte Kikvorschen bewonen in grooten getale de wateren van gematigde en warme gewesten; zij komen voor in alle werelddeelen met uitzondering van Australië. Nagenoeg overal hoort men hun nachtelijk lied, want, evenals de Waterkikvorsch in ons vaderland, vestigen ook zijne verwanten zich in lage zoowel als in hooge oorden, in stroomend zoowel als in stilstaand water, indien dit niet te veel zout bevat, ook op den vasten bodem, daar verscheidene soorten zich, evenals de Boomkikvorschen, slechts gedurende den paartijd in ’t water ophouden en later vochtige weiden, velden en wouden tot woonplaats kiezen.

Overal hebben de in ’t water wonende Kikvorschen nagenoeg dezelfde levenswijze: een bedrijvig en vroolijk lente- en zomerleven met druk geschreeuw en veel genoegen wordt gevolgd door een minder aangename nabetrachting in den herfst, die als inleiding dient tot den maanden langen slaap van den winter of van het droge seizoen. Diep verborgen onder het slijk van de verstijvende of uitdrogende plassen wachten de slapers den warmen lenteadem af, die de ijskorst doet smelten of de eerste regenbuien, die de geblakerde en met spleten doorploegde slijklaag verweekt en aaneenvoegt. Hier door warmte, ginds door vocht wordt de natuur tot nieuw leven opgewekt; want gelijk bij ons de lente aan de aarde haar prachtigste tooi verschaft, brengt het begin van den regentijd in de keerkringsgewesten de schoonheden der natuur in hoogere mate tot ontwikkeling. Waar onder een hemel, die zijne gaven mild verspreidt, het klimaat in den loop van het jaar nagenoeg geen verandering ondergaat, laten de wakkere waterzangers bijna onverpoosd hun stem weerklinken. In het waterrijke Zuid-Amerika verneemt men iederen avond en stellig na iedere regenbui het koor der Kikvorschen; in de vochtige vlakten van Indië en West-Afrika ziet of hoort men deze dieren het geheele jaar door.

Hier te lande kunnen de Kikvorschen hoogstens lastig worden door de volharding, waarmede zij ons trachten te overtuigen van hunne muzikale talenten; in andere werelddeelen geven sommige werkelijk aanstoot door hun zeer luid gekwaak. De bij ons levende soorten worden met het volste recht onder de nuttige dieren gerekend en richten slechts bij uitzondering een onbeduidende schade aan; de reusachtige leden van hun familie, die in Amerika en Indië leven, vergrijpen zich daarentegen niet al te zelden aan het eigendom van den mensch en maken zelfs jonge Eenden en Ganzen tot slachtoffers van hunne rooverijen. Toch is men hun eigenlijk nergens vijandig gezind; geen enkel volk beschouwt hen met den afkeer, waaronder de zoo nauw met hen verwante Padden te lijden hebben. De meeste menschen scheppen behagen in het voorkomen en de werkzaamheid der Kikvorschen en zijn hun genegen; vele soorten heeft men tot den rang van wild verheven en beloonen door hun smakelijk vleesch de moeiten van de jacht.

De Echte Kikvorschen zijn niet tevreden met de kleine hoeveelheden vocht, die door de leden van sommige andere familiën voor de ontwikkeling hunner jongen voldoende worden geacht, maar kiezen voor dit doel steeds een water van eenige beteekenis. Ook in deze familie treft men soorten aan, die voor de veiligheid van hun kroost zorgen, door de eieren vastgehecht aan de oppervlakte van het lichaam gedurende eenige weken mede te voeren. De meeste evenwel leggen hunne eieren eenvoudig in het water en bekommeren zich er niet verder om. Bij koud weer of op hoog gelegen plaatsen heeft de gedaantewisseling veel langzamer plaats dan gewoonlijk en wordt hiervoor soms een tweemaal zoo lange tijd vereischt. Hetzelfde verschijnsel wordt opgemerkt bij larven, die in een kleinen waterbak geplaatst zijn en niet genoeg voedsel krijgen.

Reeds lang hebben de inheemsche leden der Kikkerfamilie voor wetenschappelijke proeven gediend; in den regel stond hun vangst dan met een doodvonnis gelijk. Een beter lot valt hun ten deel, als zij gevangen worden ten behoeve van de liefhebbers van dieren, die sedert eenigen tijd begonnen zijn ook Kikvorschen in de kooi te houden; voor tropische vormen worden woningen ingericht, die alle mogelijke gemakken aanbieden; door goede behandeling geraken zij na korten tijd even goed aan hun verzorger gewoon als de bekende weerprofeet, de Boomkikker.


„Brèkèkè!—brèkèkè brèkèkè!—koax toeoe!—brèkèkè brèkèkè!—brèkèkè koearr brèkèkè toeoe!—brèkèkè brèkèkè brèkèkè—brèkèkè brèkèkè brèkèkè brèkèkè!—koax koax! toeoe toeoe! brèkèkè toeoe!—brèkèkè brèkèkè!

„Wanneer de maan haar’ stralen schiet

Klinkt uit den plas het kikkerlied,”

dat, naar het mij voorkomt, evenzeer bij den lentenacht behoort als het lied van den Nachtegaal, al beweert Oken, dat men zich voorstellen kan bij een gekkenhuis te staan, als men in de nabijheid van een kikkersloot komt. Een onverholen vroolijkheid spreekt uit deze eenvoudige klanken; hoe rauw zij ieder voor zich ook schijnen te zijn, is er duidelijk overeenstemming in op te merken. „Brèkèkè” roept de voorzanger van het geheele gezelschap en alle overige luisteren zwijgend, om in het volgende oogenblik met dezelfde strophe of met het doffe „koearr” in te vallen en op de van ouds bekende wijze voort te kwaken. Zoodra de koele schemering aanvangt, wordt het gekwaak algemeen; met meer volharding dan eenig ander nachtelijk lied wordt het voortgezet; eerst tegen den morgen vermindert het rumoer in de plassen, hoewel af en toe een enkele zanger, als ’t ware onder den indruk van de zalige herinnering aan de wijze waarop hij zich van zijn taak gekweten heeft, niet nalaten kan een half ingehouden „koearr” te laten hooren.

Onze Groene Kikvorsch of Waterkikker, ook wel Kwaker, in Zeeland Puje, in Friesland Froask genoemd (Rana esculenta), is een van de waardigste vertegenwoordigers van zijn geslacht, dat in 140 soorten over de geheele wereld verbreid is. Deze hebben alle een dwarsgerichte pupil van eivormige gedaante, een slechts van voren vastgehechte, overigens vrije, van achteren in twee slippen eindigende tong; de tanden van de ploegschaarbeenderen vormen aan het gehemelte twee symmetrische groepen tusschen de achterste neusopeningen; het trommelvlies is meestal duidelijk zichtbaar; de vingers van de voorvoeten zijn niet met zwemvliezen voorzien; de duim kan niet tegenover de andere vingers gesteld worden; de teenen van de achtervoeten hebben volkomen zwemvliezen; duidelijke opzwellingen komen aan de gewrichten voor; het mannetje heeft meestal twee keelzakken, die opgeblazen worden om het geluid te versterken.

De Groene Kikvorsch bereikt (zonder de 10 à 11 cM. lange achterpooten) een lengte van 6 à 8 cM. en wordt soms misschien nog wel iets grooter. De bovendeelen zijn op fraai groenen grond geteekend met zwarte vlekken en met drie gele, overlangsche strepen: één over het midden van den rug en één op elke zijde. Twee zwarte strepen komen aan iedere zijde van den kop voor. De onderdeelen zijn wit of geelachtig; de achterdeelen zwart en geel gemarmerd. Na het eierenleggen vertoonen de kleuren de meeste frischheid, later worden zij soms lichter, soms donkerder en verkrijgen in mindere of meerdere mate een bruine of grijze tint; ook heeft soms de eene, soms een andere teekening de overhand, daar de overlangsche strepen meer of minder duidelijk kunnen zijn. De groote oogen hebben een helder gelen ring; hun uitdrukking is schrander en opgewekt. Een grootere verscheidenheid—de Meerkikker (Rana esculenta, var. ridibunda)—heeft een lichaamslengte van 10 à 11 cM., zonder de 14 à 16 cM. lange achterpooten; de achterdeelen zijn olijfkleurig of groenachtig wit en donker olijfkleurig gemarmerd.

De Groene Kikvorsch bewoont, behalve Europa, ook het noordwesten van Afrika en een groot deel van West-Azië. Overal waar hij voorkomt, is hij zeer talrijk; men zou dit kunnen toeschrijven aan neiging tot gezelligheid; de ware reden hiervoor is waarschijnlijk gelegen in zijn buitengewoon snelle vermenigvuldiging; in iederen vijver, waar een paartje zich vestigt, krioelt het weldra van nakomelingen. Over ’t geheel genomen zeer gemakkelijk te bevredigen, stelt de Waterkikker toch bepaalde eischen aan het water, dat door hem tot woonplaats wordt gekozen. Hoewel hij slechts in weinige wateren ontbreekt, vindt men hem in grooten getale slechts in die, welke langs de oevers met hoog gras en biezen begroeid en in het midden met waterplanten (bij voorkeur drijvende) bedekt zijn. Hij vestigt zich ook nog wel in water dat eenigszins brak is, maar toont zich van zoute meren meren niet minder afkeerig dan van de zee. Kleine, met struikgewas omgeven plassen, over welker waterspiegel de plompen zich uitbreiden, sloten, die, althans gedurende het grootste deel van ’t jaar, water bevatten, zijn de liefste verblijfplaatsen van den Groenen Kikker; daarna komen poelen, broeklanden en moerassen in aanmerking, in het zuiden vooral ook de rijstvelden, daar deze lang met water bedekt moeten worden gehouden en, evenals de vijvers, den door hem begeerden buit in overvloed bevatten. In zulke wateren merkt men hem duidelijk op, niet slechts met de oogen, maar ook met de ooren. Daar hij veel van warmte houdt, tracht hij van iedere zonnestraal partij te trekken en vertoont zich daarom over dag geregeld aan de oppervlakte, waar hij, den kop boven den waterspiegel houdend en de kolossale zwemvoeten wijd uitspreidend, op dezelfde plaats blijft drijven, of zoo gemakkelijk mogelijk op het breede blad van een waterplant, een drijvend stuk hout, een boven ’t water uitstekenden steen, een rotsblok aan den waterkant of een dergelijk plaatsje zittend, zwelgt in het genot, dat de zonnewarmte hem verschaft. Wanneer er geen stoornis komt, blijft hij den halven dag hier zitten, zonder zich te bewegen. Door de een of andere oorzaak opgeschrikt, of door een gemakkelijk verkrijgbaren buit verlokt, gaat hij met een kolossalen, soms wel 1 M. verren sprong te water, zwemt met krachtige slagen van de achterpooten tusschen den waterspiegel en den bodem voort, in ’t eerstgenoemde geval een flauw hellende lijn volgend tot in den modder, waarin hij zich verbergt. Nooit blijft hij in de veilige diepte langer dan zijns inziens volstrekt noodig is; na een korte rust verlaat hij zijn schuilplaats, roeit langzaam weg, zwemt naar de oppervlakte, steekt den kop er boven, wendt de heldere oogjes in alle richtingen en tracht zijn vorige plaats terug te vinden. Als de avond valt, of nadat een regenbui de lucht heeft afgekoeld, komt de geheele bevolking van den plas bijeen, bij voorkeur op een zekeren afstand van den oever tusschen de planten en begint nu een van hare alom bekende, muzikale uitvoeringen. Zoo gaat het iederen dag van het midden van April tot het midden, hoogstens tot het einde van October; dan is het voor onze Kikkers tijd om op den bodem van het water, in het slijk of in een hol een winterkwartier op te zoeken. Reeds in Zuid-Europa verschijnen zij veel vroeger en verdwijnen later; in Noord-Afrika houden zij op plaatsen, waar de plassen niet uitdrogen, geen winterslaap meer, maar behouden gedurende het geheele jaar nagenoeg dezelfde levenswijze; alleen in den paartijd komt er eenige verandering in hun gedrag; dan zijn zij levendiger en kwaken met meer volharding dan gewoonlijk.

Groene Kikvorsch (Rana esculenta). ⅚ v. d. ware grootte.

Groene Kikvorsch (Rana esculenta). ⅚ v. d. ware grootte.

De Groene Kikvorsch is niet van talenten ontbloot; zijne bewegingen getuigen van kracht en behendigheid, uit zijne handelingen blijkt eenig verstand. Evenals de meeste van zijne verwanten, beweegt hij zich op het land nooit anders dan springend; de sprongen die hij doet, zijn zeer groot en worden met verrassende behendigheid geregeld. Bij het zwemmen werken alleen de achterpooten; op een zekeren afstand onder den waterspiegel is zijn beweging snel; in de bovenste waterlaag haast hij zich niet. Door de achterpooten krachtig te strekken kan hij zich echter ook tot op eenigen afstand boven de oppervlakte verheffen, hetzij om een voorbij gonzend Insect buit te maken of om een boven de waterlijn gelegen rustplaats te bereiken. Zijne zintuigen staan op een hoogen trap van ontwikkeling. Zijn gezichtskring strekt zich tamelijk ver uit, zooals het goed gevormde, fraaie oog reeds doet vermoeden; zelfs kleine voorwerpen worden op korten afstand duidelijk waargenomen. Bij zijne avondconcerten geeft hij zulke duidelijke bewijzen van een goed gehoor, dat er aan de ontwikkeling van dit zintuigelijk vermogen niet valt te twijfelen. De reukzin ontbreekt stellig niet; alleen over het gevoel en den smaak kan verschil van meening bestaan, omdat men over de volkomenheid van deze vermogens moeielijk kan oordeelen. Van zijn verstand kan men zich gemakkelijk overtuigen door hem geruimen tijd achtereen na te gaan. Ook zijn handelwijze verschilt al naar de omstandigheden. Op plaatsen waar niemand hem stoort, wordt zijn argeloosheid zoo groot, dat men hem tot op een voet afstands kan naderen, voordat hij met geweldige sprongen het hazenpad kiest. Vervolgingen maken hem schuw, nopen hem veel eerder dan gewoonlijk de vlucht te nemen; zelfs te midden van een niet al te groot water duikt hij onmiddellijk naar de diepte, zoodra een hem welbekende vijand zich aan den oever vertoont. Oude Kikvorschen zijn altijd voorzichtiger dan jonge en worden ook, gelijk Zoogdieren en Vogels met rijpe ervaring, waarschuwers voor hunne minder vaak beproefde soortgenooten, voor zoover deze schrander genoeg zijn om in te zien, dat zij niets beters kunnen doen dan de wijste leden van hun geslacht na te volgen. Ook voor dieren, die jacht op hen maken, nemen zij zich in acht; de bewoners van plassen, die geregeld door den Ooievaar bezocht worden, vluchten bij de komst van dezen Vogel even haastig als bij de nadering van een mensch. Niet zelden vangen zij hun buit met een zekere list; zij bespieden hem als een roofdier, zwemmen zachtjes onder water naderbij en schieten er plotseling op toe; ook weten zij zeer goed, wat hun te doen staat, als een door hen gevangen dier moeilijk te bedwingen is. In de gevangenschap bedraagt de Groene Kikvorsch zich in ’t eerst zeer onbehoorlijk, knort, mort en springt in ’t rond, alsof hij zinneloos is. Vooral wanneer men hem buiten het water houdt, leert hij langzamerhand zijn verzorger kennen en vat genegenheid op voor den pot met Meelwormen, toont mettertijd ook eenige genegenheid aan zijn meester, neemt het voedsel aan, dat deze hem voorhoudt, laat zich in de hand nemen en ronddragen, zonder pogingen te doen om te ontvluchten en verwaardigt zich ten slotte ook om, in plaats van levende dieren, het een of andere surrogaat als voedsel te gebruiken.

Zijn grootte in aanmerking genomen is de Groene Kikvorsch een flinke roover. Hij eet geen anderen buit dan die, welke door hem zelf verworven is en geen andere dan levende dieren; een wezen, dat zich niet beweegt, verlokt hem niet tot een sprong. Terwijl hij rustig zit, let hij op al wat er in zijn omgeving voorvalt en loert als ’t ware op buit; zoodra er een in de nabijheid komt, springt hij er op af, werpt de tong buiten den bek en verzwelgt het op deze wijze gevangen slachtoffer. In den regel zijn Insecten (ook Angeldragende Vliesvleugeligen), voorts Spinnen en Slakken de hoofdbestanddeelen van zijn maal; hierdoor bewijst hij ons een grooten dienst; zijn vraatzucht verleidt hem echter ook wel tot rooverijen, die wij hem niet kunnen vergeven. Eerst als de lente werkelijk ingetreden is, veel later dus dan de Gras- en de Boomkikker, vangen de voortplantingsverrichtingen van den Waterkikker aan, zelden voor het einde van Mei, meestal eerst in Juni. De eieren zijn lichtgeel, gedeeltelijk echter grijsgeel, worden bij hun beweging door den eileider met een geleiachtige massa omhuld, zakken bij het leggen op den bodem en blijven er. Zij zijn iets kleiner dan die van den Graskikker en zelfs dan die van den Boomkikker, maar talrijker; soms legt één wijfje er wel 1000; als de weersgesteldheid in den tijd van ’t leggen der eieren gunstig is, worden hieruit zoovele larven geboren en ontwikkelen deze zich zoo voorspoedig, dat er geen gevaar bestaat voor het uitsterven der soort. Reeds op den 4en dag na het leggen beweegt zich de kiem, aan het einde van den 5en of 6en barst het eitje open en ziet men de grijsgele larve, die nu 1 mM. lang is, trillend het lichaam krommen en kort daarna ook zwemmen. Aan het einde van de 3e week zijn reeds longen aanwezig en is het kieuwdeksel zoo ver ontwikkeld, dat er voor het afvoeren van het ademhalingswater slechts een kleine kieuwspleet overblijft. Aan het einde van de 3e week zijn de achterpooten duidelijk zichtbaar. Als de larve ruim een maand oud is, heeft zij een lengte van 6 à 7 cM. bereikt; de 4 ledematen zijn dan volkomen ontwikkeld. De lengte van den staart overtreft echter nog altijd die van den romp; dit bewegingsorgaan is zijdelings samengedrukt en met een zeer breeden zoom voorzien; het begint nu in te krimpen en verdwijnt eindelijk geheel, zonder dat hiermede een merkbare vergrooting van den romp gepaard gaat: na de gedaantewisseling schijnt het dier zelfs kleiner te zijn dan het als larve was; het is nu ongeveer 4 maanden oud. Eerst in het 5e levensjaar heeft de Groene Kikvorsch zijn gewone grootte bereikt; ook dan echter is zijn groei nog niet geheel afgeloopen.

De meeste Groene Kikvorschen sterven niet aan ouderdomskwalen, maar komen om ’t leven door de tanden, de klauwen of den snavel van een roofdier. Buitengewoon groot is hun weerstandsvermogen, hun taaiheid. Zij kunnen niet, zooals men vroeger meende, in ijsklompen vastvriezen en door het ontdooien van het ijs uit den schijndooden toestand opgewekt worden, maar wel gedurende geruimen tijd droogte verduren; hiervan leveren zij trouwens alleen in zuidelijke landen de bewijzen, daar zij in ’t noorden in dergelijke omstandigheden zich naar een ander water zouden begeven. Zelfs zware kwetsuren genezen bij hen spoedig; de vreeselijkste verminkingen veroorzaken eerst na verscheidene uren den dood. Onze Groene Kikvorschen worden onophoudelijk vervolgd door allerlei roofdieren. De Vos, de Vischotter, de Bunzing en de Waterrat maken jacht op hen; zij worden de prooi van Schreeuwarenden, Slangenarenden en Buizerden, van de Raven en hunne verwanten, van Ooievaars en Reigers; zij dienen tot voedsel aan Forellen, Snoeken en vele andere roofvisschen; het opnoemen van al hunne vijanden zou ons te lang ophouden. Hier te lande wordt hun te sterke vermenigvuldiging tegengegaan, doordat bij ’t slatten der slooten de uit het water gehaalde eierenhoopen op het droge omkomen. Reeds in Zuid-Duitschland echter en in geheel Zuid-Europa wordt ijverig jacht op hen gemaakt, omdat men kikkerboutjes te recht voor een smakelijk, gezond en voedzaam gerecht houdt. Vooral in den herfst, als deze dieren het vetst zijn, worden zij in grooten getale op zeer verschillende wijzen, met hengels, pijlen en netten gevangen.

De Graskikker, Landkikker of Bruine Kikvorsch (Rana temporaria, R. fusca), die, evenals de vorige soort, in Zeeland Puje, in Friesland Froask wordt genoemd, kan even groot worden als deze, maar verschilt er zoozeer van door lichaamsbouw, kleur en levenswijze, dat niemand hem er mede kan verwarren. De bovendeelen zijn op bruinen of roodbruinen grond met donkerbruine of zwarte vlekken, de slapen met een donkeren, overlangschen veeg geteekend, de pooten met donkere dwarsstrepen voorzien, de borst en de buik bij het mannetje, zoowel als bij het iets grootere wijfje, op lichten grond roodbruin gevlekt of gemarmerd.

Noord- en Middel-Europa, van Noord-Spanje en Engeland tot Finland, Europeesch Rusland en Skandinavië tot aan de Noordkaap, voorts de noordelijke en gematigde gewesten van Azië zijn het vaderland van den Graskikvorsch; men vindt hem nog in bergstreken van 2250 M. hoogte, b.v. op den Grimsel, naast het hospitium, en in de hooge Alpenmeren op den St. Gotthard, hoewel het ijs deze meren dikwijls nog in Juli bedekt. In vlakke streken vindt men, behalve ’s winters, de Bruine Kikkers slechts gedurende den paartijd in ’t water; in de hooge bergstreken daarentegen vervangt deze soort in zekeren zin den Waterkikvorsch en verlaat zij het water nagenoeg niet meer na een uitstapje, dat in de prille jeugd plaats heeft. Van alle Vorschen ontwaakt de Bruine het eerst uit den winterslaap; nog voordat het water vrij is van ijs, komt hij te voorschijn; zijne jongen hebben het ei reeds verlaten, voordat een zijner verwanten eieren gelegd heeft; daar zijne larven zich sneller ontwikkelen dan die der andere Vorschen, is het hem mogelijk zich blijvend te vestigen in oorden, waar de zomer slechts weinige weken duurt. Zijne eieren zijn grooter, doch minder talrijk dan die van den Groenen Kikvorsch; bij het leggen zinken zij naar den bodem; hier vult het geleiachtig eihulsel zich met water; daardoor stijgen de eieren weer naar de oppervlakte en vormen groote, dichte, slijmerige klompen (kikkerrit). Wegens de lage temperatuur in Maart ontwikkelen zij zich langzaam. Eerst 14 dagen na het leggen kan men de larve in het ei duidelijk waarnemen; 3 of, bij ongunstige weersgesteldheid, 4 weken later komen zij uit en zwemmen rond, maar keeren van tijd tot tijd naar het kikkerrit terug, waarschijnlijk om zich met deze slijmerige massa te voeden. Daarna heeft de ontwikkeling van de larven schielijker plaats, want reeds binnen 3 maanden zijn zij volkomen Kikvorschen geworden. Deze verlaten het water en doen dit, als de omstandigheden gunstig zijn, bij groote troepen te gelijk, hetgeen den grond gelegd heeft tot de oude sage van den kikkerregen.

Nu begint de jonge Graskikker hetzelfde leven als zijne ouders. In tegenstelling met den Waterkikvorsch, zwerft hij dikwijls op grooten afstand van ’t water rond: op weiden en in tuinen, op bouwland en in bosschen, in het struikgewas en op dergelijke plaatsen,—verschuilt zich op warme dagen onder steenen, boomwortels, in gaten van den grond en andere schuilhoeken, waaruit hij te voorschijn komt, als de schemering aanvangt, om zich met de jacht bezig te houden. Daar hij allerlei Insecten, naakte Aardslakken en dergelijke kleine dieren vangt, brengt zijn werkzaamheid ons voordeel aan, waarschijnlijk veel meer dan men denkt. Bij hunne omzwervingen verplaatsen de Graskikkers zich gewoonlijk met kleine sprongen, doorsnuffelen de omgeving, blijven loerend stilzitten, zoodra zij een Insect bespeuren en wachten den begeerden buit veeleer af dan dat zij hem opzoeken. Met pijlsnellen sprong schieten zij toe, als het slachtoffer dicht bij hen gekomen is, werpen de kleverige tong naar buiten en slikken het hiermede gegrepen dier onmiddellijk door. Dat hierbij wel degelijk onderscheid wordt gemaakt tusschen de eene soort en een andere, blijkt o.a. uit het feit, dat zij Bijen verzwelgen, maar Wespen onmiddellijk weer uitspuwen.

In één opzicht staan de Graskikkers ver achter bij hunne groene neven: zij zijn minder muzikaal. Slechts nu en dan hoort men van hen een geknor of gebrom, dat uit veel minder volle tonen bestaat dan het gezang der Waterkikvorschen en door de wijfjes bijna even goed voortgebracht wordt als door de mannetjes.

Meer dan eenige andere Vorsch heeft de Graskikker te lijden van zijne vijanden. In ieder ontwikkelingstijdperk, in het water en op het land, staat hij bloot aan de vervolging van groote en kleine roofdieren; hunne aanvallen houden eerst op, nadat hij tegen het einde van October zijn winterkwartier in den modder heeft betrokken. Bij deze legioenen van vijanden voegt zich ook de mensch; meer nog dan de Groene wordt de Bruine Kikker ter wille van zijne gevleeschte achterboutjes gevangen en om ’t leven gebracht. Hoewel duizenden op deze wijze sneven, vermindert gelukkig het aantal dezer nuttige dieren niet of althans niet merkbaar: een gunstige lente vergoedt het verlies van een tiental voorafgaande jaren.

Eerst in den laatsten tijd is men beter bekend geworden met den Veldkikker (Rana arvalis), die veel op de vorige soort gelijkt en er vroeger mede vereenigd werd. Bij den Veldkikker is de snuit een weinig spitser en steekt merkbaar voor het uiteinde van de onderkaak uit, hetgeen bij de vorige soort in zeer geringe mate het geval is. Bij gene is het voorhoofd breeder en zijn de oogen dus verder van elkander verwijderd. Het zwemvlies van de achterpooten, dat bij den Graskikker volledig is, is bij zijn naasten verwant onvolledig en dun. Bij dezen is de knobbel aan den hiel stevig en hard, bij genen zwak en teer. Bij den Veldkikker is de buikzijde altijd ongevlekt en wordt het midden van den rug dikwijls ingenomen door een breede, lichte, geelachtige of roodachtige, aan de zijden zwart begrensde, overlangsche streep. Lengte 5 à 6.5 cM.

De Veldkikker bewoont vooral de noordelijke landen van Europa; de oorden van Middel-Europa, die men als verblijfplaatsen van deze soort heeft leeren kennen, bestaan meestal uit veengrond, moerassen en vochtige heidestreken, waar zonnedauw, dopheide, duivelsmelk (Euphorbia palustris) en dergelijke planten welig groeien. In ons land werd deze soort tot dusver alleen bij Apeldoorn aangetroffen, hoewel het vrij zeker schijnt, dat zij ook in vele streken van onze oostelijke provinciën niet zal ontbreken (Ritzema Bos). Dikwijls verkeert zij in gezelschap van den Waterkikker en den Graskikker.

De Europeesche Kikvorschen zijn dwergen in vergelijking met sommige van hunne verwanten uit Noord- en Middel-Amerika en Indië, die bovendien over een veel luidere stem beschikken. De Noord-Amerikaansche Kikvorsch, die in deze beide opzichten het meest uitmunt, wordt vergeleken met een Zoogdier, dat zich meer vrienden heeft verworven door zijn forschen lichaamsbouw dan door zijne muzikale gaven. De Bulkikvorsch, de Bullfrog der Anglo-Amerikanen (Rana Catesbyana, R. mugiens), bereikt een lengte van 17 à 19 cM. zonder de achterpooten, die 24 cM. lang kunnen worden. Zijn bovenzijde is op olijfbruinen grond met groote, donkerbruine of zwarte wolkachtige vlekken geteekend; de geelachtig witte onderzijde is soms effen van kleur, doch vaker bruin gemarmerd; het oog heeft een roodachtige iris met gelen rand.

Veldkikker (Rana arvalis). Ware grootte.

Veldkikker (Rana arvalis). Ware grootte.

Het verbreidingsgebied van den Bulkikvorsch omvat het geheele Oosten van Noord-Amerika, van Nieuw-York tot Nieuw-Orleans; het schijnt echter, dat hij nergens in zoo grooten getale voorkomt als onze Waterkikvorsch, misschien om de zeer geldige reden, dat het noodige voedsel voor zulk een heirleger van vraatzuchtige wezens moeielijk te vinden zou zijn. Hoewel dit dier alle oostelijke Vereenigde Staten bewoont, is het toch, volgens Audubon, in het zuiden veel talrijker dan in het noorden. Gewoonlijk vindt men het bij heldere, dicht met struikgewas overschaduwde stroomen. Hier zit het in de middaguren behaaglijk in het zonnetje en houdt zich, even als zijne verwanten, dicht genoeg bij het water op, om bij dreigend gevaar (en in den regel als het nog ver af is) met één kolossalen sprong het natte element te kunnen bereiken; hier duikt het meestal naar den bodem en zwemt naar den tegenovergestelden oever. Zijn stem is luider dan die van eenigen anderen Kikvorsch en, naar bericht wordt nog hoorbaar op een afstand van verscheidene Engelsche mijlen; in de zuidelijke staten hoort men haar gedurende het geheele jaar, hoewel hoofdzakelijk in lente- en zomermaanden, in de noordelijke slechts des zomers en, zooals te verwachten is, vooral gedurende den paartijd. Volgens geloofwaardige mededeelingen komen dan minstens eenige honderden reusachtige brullers bijeen, welker ijver in het voortbrengen van geluiden niets te wenschen overlaat; evenals hunne Europeesche verwanten loeien zij onverpoosd gedurende den geheelen nacht; teergevoelige menschen, die bij de oevers van een door hen bewoond water gevestigd zijn, worden hierdoor nagenoeg tot vertwijfeling gebracht. De Amerikanen bootsen de zware, heesche basstem van dezen Kikvorsch na door de woorden „more rum” (meer rum) of „brwoem.” Na het leggen van de eieren verspreiden de Kikvorschen zich weer eenigszins en keeren naar hunne gewone verblijfplaatsen terug.

De Bulkikvorsch geeft duidelijke bewijzen van vraatzucht aan iederen boer in zijn vaderland. Hoewel zijn voornaamste voedsel uit Insecten, Land- en Zoetwaterslakken bestaat, bepaalt hij zich niet tot dezen buit, indien er een andere te krijgen is, maar valt moordzuchtig aan op ieder levend wezen, dat hij meent te kunnen overmeesteren. Soortgelijke rooverijen als onze Waterkikkers soms beproeven, plegen zij herhaaldelijk met goed gevolg: kleinere Vorschen worden gretig ingeslikt, jonge Eenden gedurende het zwemmen van onderen aangegrepen, naar beneden gesleurd en nadat zij verdronken zijn, verzwolgen; het kuikentje, dat zich onvoorzichtig te dicht bij den oever heeft gewaagd, wordt onverhoeds besprongen, gegrepen, naar een veilige diepte vervoerd en verslonden, nog voordat de klokhen, die met overeindstaande veeren haar kind te hulp snelt, den waterkant heeft kunnen bereiken. De plattelandsbewoners verzekeren, dat de Bulkikvorsch onder de jonge Watervogels meer slachtoffers maakt dan de Mink en zijne verwanten. Zelf wordt hij het slachtoffer van zijn vraatzucht, als de hengelaar hem verschalkt met een lokaas; hiernaar hapt hij even gretig als vroeger naar het kuikentje, voor welks dood hij nu moet boeten door het verlies van zijne achterpooten, die de grondstof leveren voor een zeer smakelijk gerecht. Men vangt deze 300 gram zware Kikvorsch niet slechts met den hengel, maar ook in netten en vallen en zelfs met het geweer: hij is wel een schot hagel waard.

Op zijn lekker vleesch zijn, behalve de mensch, ook allerlei groote roofdieren, vooral Visschen, belust. Voor de vangst van een Haai is er, naar men zegt, geen beter lokaas dan een Bulkikvorsch.

In den laatsten tijd worden levende Vorschen van deze soort niet zelden naar Europa overgevoerd en hier door dierenliefhebbers verzorgd.

„Een van de zonderlingste en merkwaardigste Amphibiën,” zegt Wallace, „die ik op Borneo aantrof, was een groote, in boomen levende Kikvorsch. De Chineesche werkman, die dit dier bracht, verzekerde mij, dat hij het in schuinsche richting van een hoogen boom had zien afdalen, alsof het vloog. Bij nader onderzoek zag ik zeer lange teenen, tot aan de spits saam verbonden door vliezen, welke in uitgespreiden toestand een veel grootere oppervlakte hebben dan het lichaam. De vingers van de voorpooten zijn eveneens door vliezen vereenigd; de romp kan sterk opgeblazen worden. De rug en ledematen hebben een iriseerende, donkergroene kleur, de pooten donkere dwarsstrepen, de onderdeelen en buigzijde der teenen zijn geel, de vliezen zwart met gele strepen. De lengte van het lichaam was omstreeks 10 cM., de oppervlakte van de volkomen uitgespreide vliezen van iederen achterpoot ongeveer 28 en die van de vliezen van alle pooten te zamen genomen ongeveer 84 cM2. De uiteinden van de teenen zijn verbreed en met hechtschijven voorzien, zooals bij de Boomkikvorschen. Dit is het eerste, mij bekende voorbeeld van een Vliegenden Kikvorsch; het verdient in hooge mate ieders aandacht, omdat hieruit blijkt, dat de neiging der teenen om veranderingen te ondergaan, die bij andere soorten organen voor het zwemmen en klimmen heeft opgeleverd, aanleiding kan geven tot wijzigingen, die een Amphibie in staat stellen om zich als een Vliegende Eekhoorn of een Vliegende Hagedis door de lucht te bewegen”.

Javaansche Vliegende Kikvorsch (Rhacophorus Reinwardti). ⅔ v. d. ware grootte.

Javaansche Vliegende Kikvorsch (Rhacophorus Reinwardti). ⅔ v. d. ware grootte.

De door Wallace bedoelde soort is de Vliegende Kikvorsch van Borneo (Rhacophorus pardalis), evenals de hierboven afgebeelde, Javaansche soort, een vertegenwoordiger van het geslacht der Roeivorschen (Rhacophorus). Behalve in Zuid- en Oost-Azië werden ook op Madagaskar soorten van dit geslacht aangetroffen. Door hun inwendig samenstel komen deze Amphibiën volkomen overeen met de Waterkikkers, hoewel hun uiterlijk meer aan de Boomvorschen herinnert en zij, evenals deze, op boomen en struiken leven.


De Vrijborstigen (Arcifera) zijn veel talrijker dan de Stijfborstigen; de samenstelling van den schoudergordel en van het borstbeen laat bij hen een verschuiving der beenderen in het midden van de borst toe. Sommige leden van deze groep hebben spits eindigende teenen, die hetzij door zwemvliezen aaneenverbonden, of hiervan verstoken zijn; gene leven meer in het water, deze meer op het land; voorts vindt men er echte gravende dieren bij en eindelijk ook Vorschen, die door het bezit van hechtschijfjes aan de toppen van de vingers en teenen uitmuntend geschikt zijn voor het klimmen.


De eerste familie, die der Cystignathen (Cystignathidae), komt, behalve door den bouw van den schoudergordel en van de vingers en teenen, geheel met de familie der Watervorschen overeen, die zij in een groot deel van Zuid-Amerika en in geheel Australië vervangt.

*

Een kleine, op boomen levende, West-Indische Kikvorsch, die slechts 4 cM. lang wordt, de Antillenvorsch (Hylodes martinicensis), trekt vooral door zijn zeer eigenaardige ontwikkelingsgeschiedenis onze aandacht. Hij vertegenwoordigt het geslacht der Bladvorschen (Hylodes), dat zich kenmerkt door de T-vormige gedaante van het laatste lid der niet door zwemvliezen vereenigde vingers en teenen en door het gemis van oorklieren. Op grijsachtig witten grond vertoont de rugzijde een uit bruine vlekken samengestelde teekening. De op Martinique ontdekte soort werd ook op andere Antillen aangetroffen en is overal onder den naam Coqui bekend. Van haar levenswijze weet men niets. De door een schuimmassa omhulde eieren van dit diertje vindt men ten getale van 20 à 30 op landplanten. Elk ei is een doorzichtig blaasje van 4 à 5 mM. middellijn, aanvankelijk gevuld met een witachtigen of stroogelen dooier, waaruit zich het jong ontwikkelt, dat na 10 à 12 dagen zijn vliezig omhulsel verlaat en dan van mond tot aars gemeten 5 mM. lang is. Tot aan dien tijd was het door een waterheldere vloeistof omgeven. De gedaantewisseling is zeer vereenvoudigd: kieuwen worden in het geheel niet gevormd; alleen het staartje, dat op ’t oogenblik voor de geboorte nog 1.8 mM. lang is, maar reeds in den loop van den eersten dag verdwijnt, herinnert aan den larvetoestand der overige Kikvorschen. De voorste en de achterste ledematen komen, naar het schijnt, gelijktijdig voor den dag.

*

Van de overige Amerikaansche leden der familie zijn vooral de Gehoornde Kikvorschen (Ceratophrys) merkwaardig, zoowel door hun grootte en eigenaardigen vorm als door hun fraaie kleur en teekening. Hun buitengewoon groote, breede kop prijkt met twee op hoornen gelijkende uitwassen van de bovenste oogleden.

De tropische gewesten van Zuid-Amerika, van Panama tot aan de La-Plata-rivier, zijn het vaderland van deze dieren, die door hun gedrongen vorm op Padden gelijken. Op moerassige plaatsen in de Braziliaansche oerwouden, van Bahia tot Rio de Janeiro, leeft de Itannia (Ceratophrys cornuta), een van de prachtigste leden zijner orde en tevens de grootste van zijn geslacht; hij wordt 15 à 20 cM. lang. De bovendeelen zijn met breede, overlangsche strepen geteekend: bij het mannetje hoog geel, roodbruin en zwartbruin, bij het wijfje groen. Zijn bek is zoo groot, dat hij een jonge kip verzwelgen kan; Muizen, Kikvorschen, Slakken en andere kleine dieren maken zijn voedsel uit. Vooral ’s avonds hoort men zijn luide, krassende, eentonige stem.


Er is geen diergroep, welker leden van oudsher meer lijden onder den algemeenen afschuw der menschen, van hen een onmeedoogender en onrechtvaardiger behandeling ondervinden, dan de familie der Padden. Hoe gering de gemeenschap van denkbeelden ook is tusschen menschen, die op beschaving aanspraak maken en onbeschaafden, tusschen hen die verschillende deelen van de wereld bewonen of tot verschillende rassen en stammen behooren, door hun afkeer van de Padden, door de blinde woede waarmede zij deze niet slechts volstrekt onschadelijke, maar zelfs hoogst nuttige dieren vervolgen en dooden, komen zij onderling volkomen overeen. Geen van hen, die de bekende beschuldigingen tegen de Padden aan den man brengen, heeft zich ooit de moeite gegeven, de zaak, waarover hij bazelt, nader te onderzoeken, geen van hen heeft op de levenswijze van deze dieren gelet, in een goed boek hun levensgeschiedenis gelezen, of althans het gelezene begrepen. Op ieder, die dit wel gedaan heeft, rust de plicht juistere denkbeelden te verspreiden.

De Padden (Bufonidae) onderscheiden zich van de tot dusver beschrevene Vrijborstigen door het volslagen gemis van tanden; andere kenmerken zijn haar plompe, ineengedrongene gestalte, hare dikke, logge, nagenoeg gelijk lange pooten en haar huid, die rijk aan klieren en met wratten bedekt is.

De meeste Padden leven op het land, slechts weinige brengen het grootste deel van haar leven in ’t water door. Vele van die, welke het land bewonen, kunnen uitmuntend graven; de Mexicaansche Neuspad (Rhinophrynus dorsalis) kan zelfs doordringen in de woningen der Termieten, waarmede zij zich voedt; enkele houden zich, evenals de Boomkikvorschen, in de boomen op.

De Padden bewonen alle werelddeelen, de warme gewesten, zooals te begrijpen is, in grooteren getale dan de koudere, houden zich voor ’t meerendeel slechts gedurende den tijd van het eierenleggen in ’t water op en zijn volslagen nachtdieren, die over dag slechts bij uitzondering buiten hun schuilhoek rondzwerven. Door hare bewegingen staan zij achter bij de Vorschen en de Vorschpadden, daar zij meer strompelen dan springen; ook zwemmen zij slecht en schijnen daarom plomp en traag, hoewel zij, strikt genomen, dit niet zijn. Hun voedsel bestaat uit allerlei schadelijk gedierte, vooral uit Wormen, Slakken, Insecten en kleine Gewervelde Dieren; de laatstgenoemde worden trouwens alleen door de grootste soorten verslonden. Zij gebruiken een aanzienlijke hoeveelheid voedsel, de arbeid van deze geminachte dieren is derhalve voor ons zeer zegenrijk. Wat de voortplanting en de ontwikkeling der jongen betreft, komen de Padden in hoofdzaken overeen met hare verwanten van dezelfde orde; de meeste leggen hare eieren niet in den vorm van klompen, maar in dien van snoeren. Evenals de andere Amphibiën kunnen ook de Padden de vochtigheid niet zonder nadeel voor haar leven ontberen; zelfs bij zeer gebrekkige voeding kunnen zij echter in vochtige ruimten maanden en zelfs jaren lang in ’t leven blijven. Herhaaldelijk is het voorgekomen, dat men in holten, die schijnbaar geen gemeenschap hadden met de buitenwereld, levende Padden vond. Deze gevallen hebben aanleiding gegeven tot allerlei dwaze gevolgtrekkingen, maar ook tot proeven, waaruit gebleken is, dat de Padden volstrekt niet zulk een taai leven hebben, als men verhaalde, dat geen van deze dieren in staat is om jaren lang te leven in een ruimte zonder eenige gelegenheid tot luchtverversching, of 2 jaren achtereen voedsel te ontberen. Hierdoor wordt tevens bewezen, dat men bij de onverklaarbaar schijnende gevallen van Padden, die in holten van steenlagen werden aangetroffen, enz., de omstandigheden, waarin dit geschiedde, niet zorgvuldig genoeg heeft nagegaan. De verhalen betreffende Padden, die diep onder den grond in holen, aan alle zijden omgeven door vast gesteente, eeuwen lang geleefd zouden hebben, berusten zonder eenigen twijfel op onjuiste gegevens. In alle goed onderzochte gevallen was de mogelijkheid niet buitengesloten, dat met het noodige vocht een geringe hoeveelheid voedsel in het hol doordrong. In kunstmatig op deze wijze ingerichte holen hebben Padden meer dan een jaar kunnen leven zonder van gebrek om te komen.

De familie van de Padden omvat 8 geslachten met ongeveer 100 soorten; voor ons doel zal het voldoende zijn eenige van de belangrijkste soorten te beschrijven.

*

De Gewone Pad (Bufo vulgaris), ook wel Zwarte Pad of Muurpad genoemd, vertegenwoordigt het geslacht der Landpadden (Bufo), dat in ongeveer 85 soorten over alle werelddeelen (met uitzondering van Madagaskar, Nieuw-Guinea, Australië en de eilanden van de Stille Zuidzee) verspreid is. De Landpadden hebben volkomen gescheiden vingers; hare teenen zijn echter door meer of minder breede zwemvliezen vereenigd.