»Dan. Stone,
»A. Lincoln,
„Vertegenwoordigers uit het graafschap Sangamon.”
Bij de verkiezing van 1844—waarvan wij reeds met een enkel woord gewaagd hebben—was de tariefkwestie aan de orde van den dag. De naam van Lincoln werd op alle vergaderingen tot de benoeming van een kandidaat, door de Whigs gehouden, genoemd, terwijl van democratische zijde John Calhoun1) aanbevolen werd. Calhoun werd toen beschouwd als de bekwaamste voorvechter van zijn partij in Illinois. Zij trachtten dien staat voor hunne belangen te winnen door het houden van redevoeringen, waarbij zij gewoonlijk een zeer talrijk gehoor hadden. De verkiezingsstrijd bewees, hoe naauwkeurig Lincoln de zaak van alle kanten bekeken, hoe grondig hij de geschiedenis en de politiek bestudeerd had. Hij gaf daarbij niet alleen proeven van zijne redenaarstalenten, maar ook van zijne bekwaamheid als geleerde en staatsman. Hij sprak met die bepaaldheid en die helderheid, welke in redevoeringen, tot het volk gehouden, altijd de meeste uitwerking doen. Zijn spreektrant was gemeenzaam, alsof hij tot een grooten vriendenkring sprak—een trek in zijne welsprekendheid, welke een van zijne eigenaardige kenmerken geworden is. Wij zeggen welsprekendheid, en toch zou zij moeijelijk zoo kunnen genoemd worden in den Ciceroniaanschen zin van het woord. Juist dat gemeenzame in zijne redevoeringen, die eenvoudigheid van zijn betoogtrant en die schijnbaar onuitputtelijke voorraad van anecdoten en vertelseltjes, welke hij altijd ter zijner beschikking had, bragten er het hunne toe bij om zijne redevoeringen indruk te doen maken. En toch werden zijne eenvoudige woorden uitgesproken met een vuur en een kracht, die zijne toehoorders niet alleen boeide, maar ook hun oordeel bestuurde, en weinige mannen hebben zich ooit verdienstelijker gemaakt door het verbreiden hunner beginselen. Hij werd nu beschouwd als de besliste voorvechter van de Whig-partij en de Whig-politiek in den staat, en zou al spoedig nog in een gewigtiger betrekking optreden, en wel als vertegenwoordiger van zijn district op het Generaal-Congres der Vereenigde Staten.
Lincoln werd in 1846 door het district Illinois naar het congres afgevaardigd, en nam daarin zitting op den eersten Maandag van December des jaars 1847.
Mr. Winthrop van Massachusetts werd tot Redenaar van het Huis verkozen. In dit Huis waren de grootste talenten uit het land bijeen, en gedurende de zittingen van dat jaar heerschte er zoo veel geestdrift, als er misschien ooit te Washington geheerscht heeft. Aan de zijde van Lincoln stonden, als Whigs, mannen als Collamer, Tallmage, Ingersoll, Botts, Clingman, Stephens, Toombs en Thompson; terwijl anderen, niet minder beroemd, maar in politieke gevoelens van hen verschillende, tegenover hen stonden, van welke wij mogen vermelden Wilmot, Bocock, Rhett, Linn, Boyd en Andrew Johnson—de laatstgenoemde in lateren tijd zijn bondgenoot en medehelper in het groote werk van de herstelling der Unie, en nu zijn opvolger op den presidentszetel. Zulke schitterende sterren als Webster, Calhoun, Dayton, Davis, Dix, Dickinson, Hale, Bell, Crittenden en Corwin vormden eene groep, zoo als men slechts zelden bijeengezien heeft.
Lincoln was de eenige vertegenwoordiger van Illinois, die onder de vaan der Whigs gekozen was, terwijl zijne zes ambtgenooten allen democraten waren.
Hij kweet zich van zijne nieuwe verpligtingen op de uitstekendste wijze, en bragt bij elke gewigtige kwestie niet alleen zijne stem vóór of tegen uit, maar was ook altijd gereed om zijn gevoelen met woorden te staven, waarbij hij steeds die bekwaamheid en scherpzinnigheid aan den dag legde, die hem gedurende zijn geheele leven gekenmerkt hebben.
Ofschoon Lincoln zich bij de meerderheid der Whig-partij aansloot in zijn verzet tegen de oorlogsverklaring aan Mexico, ondersteunde hij altijd ieder voorstel of besluit, dat de bevordering van de belangen, de welvaart en de eer van het leger, dat ten strijde getrokken was, ten doel had. Op den 22sten December bragt hij, in een van zijne redevoeringen, ten hunnen gunste, eene reeks besluiten bij en leverde eene scherpe kritiek van de redenen, die aanleiding tot den oorlog gegeven hadden. In latere jaren werd tegen Lincoln door hen, met wie hij in politieke gevoelens verschilde, de beschuldiging ingebragt, dat het hem aan waarachtige vaderlandsliefde ontbrak, daar hij tegen den oorlog met Mexico gestemd had. Deze beschuldiging werd met de meeste scherpte voorgedragen door Douglas in de eerste van hunne discussiën in het jaar 1858. Lincoln antwoordde: »Ik behoorde reeds sedert lang tot de Whig-partij, en toen de democratische partij eene poging deed om mij over te halen tot de meening, dat de oorlog naar regt en billijkheid door den President begonnen was, mogt haar dit niet gelukken.... Maar wanneer hij (Douglas) eene beschuldiging tegen mij inbrengt, dat ik den soldaten, die hun goed en bloed in den oorlog met Mexico ten offer brengen, onderstand heb willen onthouden of hen op de een of andere wijze tegenwerken, dan slaat hij, om mij zoo zacht mogelijk uit te drukken, den bal geheel mis, zoo als eene inzage van de verslagen der zittingen hem ten duidelijkste zal leeren.”
De loopbaan van Lincoln als lid van het Congres, hoe kort ook, was uiterst belangrijk en schitterend en is wel waardig om door den beoefenaar der staatkunde naauwkeurig bestudeerd te worden.
In de kwestie van de afschaffing der slavernij in het district Columbia stelde Lincoln een levendig belang en nam er een werkzaam aandeel in. Een zekere Mr. Gott had in het Huis een voorstel gedaan tot het nemen van een besluit tot afschaffing van den slavenhandel in het genoemde district. Hierop stelde Lincoln een amendement voor, om een besluit te nemen niet tot afschaffing van den slavenhandel, maar van de slavernij in het district. Het voorstel, door hem gedaan, hield in, dat geen slaaf ooit in het district mogt ingevoerd worden, uitgezonderd in geval ambtenaren der regering zich om staatszaken een tijd lang in het district moesten ophouden, in welk geval zij voor zich en hun gezin de noodige dienstboden zouden mogen medebrengen. Het belette, dat iemand, in het district wonende of later daarin geboren, buiten dit district in slavernij gehouden zou worden. Het verklaarde, dat alle kinderen van slavinnen, na den eersten Januarij 1850 in het district geboren, vrij zouden zijn, maar naar regt en billijkheid door de eigenaars van hunne moeders onderhouden en opgevoed zouden worden, en dat alle slavenhouders in het district den prijs, dien de slaven waard waren, uit de schatkist zouden krijgen, en dat de slaven daarop vrij zouden zijn.
De kwestie omtrent de »Territoriën”2) kwam bij verschillende gelegenheden ter sprake. De voorwaarde van Wilmet was in de zitting van het vorige jaar behandeld; maar deze kwam op het congres van het loopende jaar weder herhaaldelijk ter sprake, toen er pogingen aangewend werden om deze voorwaarde insgelijks toe te passen op het grondgebied, dat men van Mexico verkregen had, en op Oregon. Zoo dikwijls die zaak in het Huis besproken werd, vond zij een verdediger in Lincoln, die dan ook bij gelegenheid van zijn geschil met Douglas verklaarde, dat hij zich daarover herhaalde malen ten gunste daarvan uitgelaten had. Zoo toonde hij zich in 1847 dezelfde voorvechter van de vrijheid der »Territoriën”, die hij later tijdens den strijd over Kansas was.
Eene andere gelegenheid, waarbij de slaven-kwestie door het Huis behandeld werd, was in de vermaarde zaak van Pacheco. Het gevoelen, door de meerderheid omhelsd was, dat slaven volgens de Constitutie als »eigendom” moesten beschouwd worden, en dat zij, wanneer zij ten dienste van den staat gebezigd werden, daarvoor moest betaald worden. Het beginsel dat aan het wetsontwerp ten grondslag lag, was dan ook hetzelfde als dat, hetwelk de slavenhouders op zoo verschillende wijzen hebben trachten te handhaven. Gelijk zij dit later door eene beslissing van het Hoogste Geregtshof hebben pogen door te drijven, zoo trachtten zij dit nu door het Congres te doen erkennen. Lincoln verzette zich daartegen op het Congres met even veel kracht als hij er zich later tegen aankantte toen het den meer bedekten, maar niet minder gevaarlijken vorm van eene regterlijke uitspraak aannam.
Bij andere zaken welke op het Congres ter sprake kwamen, sloot Lincoln zich als Whig bij de overige voorstanders van zijne partij aan. Hij meende, dat het Congres regt had om zich met de verbetering van rivieren en havens te bemoeijen. Hij verklaarde er zich voor om de landen, aan den staat behoorende, niet aan speculanten, maar aan landbouwers te verhuren; en dat wel tegen zoo laag mogelijke prijzen; hij verklaarde zich voor een beschermend tarief en voor het afschaffen van het vrijheidsstelsel.
In 1848 was Lincoln afgevaardigde der Whig-partij en drong met kracht en klem op de benoeming van generaal Zachary Taylor tot President aan. Tijdens den strijd over de verkiezingen trachtte hij de staten Indiana en Illinois ten gunste van den kandidaat, door hem aanbevolen, te stemmen.
In 1849 werd hij door de Wetgevende Vergadering van Illinois als kandidaat voor een lid van den Senaat der Vereenigde Staten gesteld, doch moest toen het onderspit delven voor generaal Shields, daar de democraten de meerderheid in dien staat uitmaakten. De hevigheid van den vorigen strijd over de verkiezing van een President werd nog vermeerderd door den wensch om insgelijks eene Wetgevende Vergadering te verkiezen, die een democraat naar den Senaat der Vereenigde Staten zou afvaardigen. Lincoln bezocht Massachusetts eens gedurende den oorlog, en was tegenwoordig bij de conventie van den staat Massachusetts op uitnoodiging van enkelen die er op aandrongen, dat hij de goede verstandhouding tusschen de partij welke de slavernij met geweld wilde onderdrukken, en tusschen de Whig of »behoudende” partij, zou trachten te herstellen. Hij sprak in die vergadering echter niet, behalve te New-Bedford, waar hij een der gelukkigste pogingen tot verzoening aanwendde.
Gedurende de vijf jaren, die op den verkiezingsstrijd van 1848 volgden, bemoeide Lincoln zich slechts weinig met staatszaken. Hij nam zijne regtsgeleerde praktijk met ijver en voorspoed waar, en vermeerderde zoowel zijn roem als zijne fortuin. Zijne belangstelling in staatszaken, hoe levendig zij ook wezen mogt, hield hem niet van de balie terug. Maar de intrekking van de minnelijke schikking omtrent Missouri wekte hem weder uit zijne schijnbare werkeloosheid op. Illinois werd andermaal een slagveld voor den strijd der vrijheid, en de stoutmoedige aanvoerder, die de voorhoede van het leger reeds vroeger tegen de inbreukmaking op de regten der slaven in slagorde had geschaard, bleef niet doof voor de stem, die hem tot verdediging hunner regten riep. Het vroegere kontrakt, dat door de onvermoeide pogingen van Henry Clay gesloten was en vast stond als de zeeduinen van Holland om de woede van den alles verzwelgenden vloed te beteugelen, liep gevaar om aan stukken gescheurd te worden, en het schoone land, voor immer tot vrijen arbeid bestemd, zou weder in duisternis en doodsschaduw worden gedompeld. Daartegen druischte de geheele natuur van Lincoln aan. Wat beteekenden vrede en roem en fortuin, wanneer het land door verraad en listige kunstgrepen aangevallen werd? De krijger stelde al zijne eigene belangen ter zijde, gordde zijne wapenrusting aan en trok voort, even als Peter de Kluizenaar, om bij zijn volk het gevoel van schaamte op te wekken over de krenking hunner regten en het aan te sporen tot den strijd, opdat het Heilige graf hunner vrijheid niet door de Zuidelijke Moslemim en de Noordelijke Tartaren zou overweldigd worden.
De hevige politieke strijd van dat jaar had zijn ontstaan inzonderheid aan Lincoln te danken, en de overwinning, waarmede deze strijd bekroond werd, die aan Illinois zijne eerste republikeinsche Wetgevende Vergadering gaf, en Lyman Trumbull tot haren afgevaardigde bij den Senaat der Vereenigde Staten maakte, was inzonderheid aan de buitengewone inspanning zijner krachten te danken.
In 1854 bood de zoogenaamde anti-Nebraska (later republikeinsche) partij, aan Lincoln de benoeming tot gouverneur aan. Hij wees deze af, zeggende: »Neen, ik ben daar de man niet voor; Bissell zal een beter gouverneur zijn dan ik, en gij kunt hem met gerustheid verkiezen daar hij zich vroeger altijd als een echt democraat heeft doen kennen.”
Zoo woog zijne ingenomenheid met zijne partij en met de beginselen door haar voorgestaan, weder zwaarder bij hem, dan de begeerte om hun vaandrager en aanvoerder te worden.
In de eerste vergadering van de republikeinsche partij, op den 17den Junij 1856 te Philadelphia gehouden, werd de naam van Abraham Lincoln op de lijst der candidaten voor het ambt van Vice-President geplaatst: hij stond vlak onder William L. Dayton en kreeg honderd stemmen. Door die vergadering werden John C. Fremont en William L. Dayton tot kandidaten verkozen, en nu nam Lincoln een werkzaam aandeel in de daarop volgende verkiezingen. Aan het hoofd van de kandidatenlijst der republikeinsche partij van Illinois stond de naam van Lincoln, ofschoon de democraten door meerderheid van stemmen de overhand behielden.
De hevige geschillen in den Senaat van Illinois, tusschen Mr. Douglas aan den eenen kant en Mr. Lincoln aan den anderen, welke aanleiding gaven tot die debatten, welke eene belangrijke plaats in de geschiedenis der politiek van Amerika innemen, werden in den zomer van 1858 gevoerd.
Douglas had zich de vijandschap van de regering op den hals gehaald; doch zijn invloed, zoowel in als buiten Illinois, bleef nog ontzettend groot. Ten gevolge van zijn afval van de politiek zijner partij, die zich toen openlijk voor de instandhouding der slavernij verklaarde, en van den lof, dien hij bij verscheidene republikeinen ingeoogst had, was hij waarschijnlijk nog krachtiger dan te voren. Natuurlijk werd er onder deze omstandigheden een man van niet alledaagsche bekwaamheid en niet alledaagschen invloed op de publieke meening vereischt om tegen den »kleinen reus” (Douglas) in het strijdperk te treden. Als kandidaat der republikeinsche partij voor lid van den Senaat der Vereenigde Staten, en als iemand, die zich bij de behandeling van de zaak der Territoriën zoo gunstig had doen kennen, werd Lincoln beschouwd als een man, aan wien de voorstanders der vrijheid de verdediging hunner zaak gerust konden toevertrouwen. Diensvolgens werd hij door de republikeinsche Wetgevende Vergadering, welke op den 2den Junij 1858, te Springfield, bijeenkwam, verkozen.
In het ontworpen spiegelgevecht tusschen de beide kandidaten was Lincoln de eerste, die den handschoen toewierp, en wel in een kort briefje, gedateerd van den 24sten Julij, waarin hij de bepaling verzocht van den tijd, waarop zij met elkander in het strijdperk zouden treden. De uitdaging werd aangenomen, en de voorwaarden waarop, de plaatsen waar en de dagen, wanneer de strijd zou plaats hebben, vastgesteld.
Het is niet mogelijk om iets meer dan een vlugtig overzigt van deze beroemde debatten te geven. Het was de uitspraak van de pers en van het geheele land, dat Lincoln bij iederen strijd de overhand behield op zijn talentvollen tegenstander, en het is zeer waarschijnlijk, dat de meerderheid aan den eerstgenoemde den palm der overwinning toekende.
Die politieke strijd, welke Lincoln in 1848 met den Senator Douglas voerde, was misschien de zwaarste proef, waarop iemands gematigdheid kon gesteld worden. Lincoln echter deed zich niet alleen als een uitstekend redenaar en een bekwaam staatsman kennen, maar bewees ook, dat het mogelijk is om den hevigsten politieken strijd te voeren, zonder tot hatelijke personaliteiten en scherpe aanvallen af te dalen. Het getuigenis van iemand, die Lincoln en dien geheelen strijd gevolgd heeft, staat ons borg, dat er, niettegenstaande de verzoeking, waaraan hij gedurig blootgesteld was, geene enkele personaliteit tegen zijn tegenstander, geen enkel hard woord over zijne lippen gekomen is. Zijn gematigde aard maakte, dat hij het beneden zich achtte om zijne toevlugt tot zulke wapenen, die maar al te vaak in een politieken strijd gebezigd worden, te nemen, en menschen van een heftiger aard konden hun spijt niet verkroppen, dat hij zijn tegenstander te zacht en te beleefd behandelde. Lage personaliteiten en vuile lasteringen zijn zeker wel het laatste wat men aan Abraham Lincoln kan ten laste leggen. Zijn hart was te edel en zijne zelfbeheersching te groot om aan iets dergelijks toe te geven. De adel van zijn hart heeft zich gedurende zijn ganschen levensloop evenzeer geopenbaard als zijne gematigdheid, zijn zelfvertrouwen en zijn geestkracht.
In het dagelijksch leven was Lincoln kinderlijk eenvoudig. Hij hield van een goed diner, en at met den meesten eetlust, maar zijne tafel was altijd eenvoudig. Hij dronk nooit eenige bedwelmende dranken, en zelfs geen glas wijn. Hij was ook geen liefhebber van rooken.
Judah Benjamin, van Louisiana, een van de bekwaamste senatoren der Zuidelijke staten, later staatssecretaris in het kabinet van Jefferson Davis, zwaaide in den loop van eene redevoering, waarin hij gelegenheid vond om de beroemde debatten tusschen Douglas en Lincoln te bespreken, hoogen lof aan den laatstgenoemde toe. Sprekende over de vragen, die door Douglas aan zijn tegenstander voorgesteld werden, en over de antwoorden, die zij uitlokten, merkte Benjamin aan:
»Het is onmogelijk, mijnheer de president! om, al verschilt men ook met dien man in meening, die openhartigheid en vrijmoedigheid niet te bewonderen, waarmede deze antwoorden gegeven werden: er was daarin niets dubbelzinnigs, niets ontwijkends.”
Gedurende den strijd met Douglas bragt Lincoln de volgende hulde aan de Acte van Onafhankelijkheidsverklaring:
»Welaan, landgenooten! wanneer gij stellingen geleerd hebt, die in strijd zijn met den grootschen inhoud der Acte van Onafhankelijkheidsverklaring; wanneer gij het oor geleend hebt aan inblazingen, die ten doel hebben om hare grootheid te verkleinen of hare schoone evenredigheid te erkennen; wanneer gij geneigd zijt om te gelooven, dat alle menschen niet met elkander gelijk staan in het genot van die onvervreemdbare regten, welke door dat bewijsstuk onzer vrijheid opgesomd zijn, laat mij u dan smeeken om terug te keeren—terug te keeren tot die fontein, wier wateren bij het bloed der omwenteling ontspringen.
»Gij moogt met mij doen al wat gij verkiest, als gij slechts die heilige beginselen voorstaat. Gij moogt mij niet alleen de nederlaag doen lijden voor den Senaat, maar gij moogt mij zelfs ter dood brengen. Want, terwijl ik geene onverschilligheid voor wereldsche eer wil veinzen, moet ik toch verzekeren, dat ik tot dezen strijd aangespoord ben door iets hoogers dan door de zucht tot het verkrijgen van een eervol ambt. Wat gij met mij doet is onverschillig, maar vernietigt toch niet dat onsterfelijk zinnebeeld der humaniteit—de Acte van Amerika's Onafhankelijkheidsverklaring.”
De dag der verkiezingen was eindelijk daar. De uitslag der volksstemming was als volgt: voor den republikeinschen kandidaat 126,084; voor de democraten van Douglas 121,940; voor de kandidaten van Lecompton 5,091 stemmen. Doch bij de stemming voor senator, die in de wetgevende Vergadering plaats had, werd Douglas verkozen. Niettegenstaande dezen uitslag, hadden de pogingen van Lincoln gedurende de debatten veel bijgedragen om een groot getal stemmen op hem te vereenigen; en zijne partij behoefde het niet te betreuren, dat hare keus op hem gevallen was.
Lincoln bragt na het einde der geschillen over de keuze van een senator en vóór het begin van den verkiezingsstrijd in 1860 verscheidene bezoeken aan andere staten. Hij hield in het volgende jaar verscheidene redevoeringen in Ohio, en bezocht ook Kansas, waar hij met de meeste geestdrift ontvangen werd. In Februarij 1860 was hij te New-York en hield eene redevoering in eene republikeinsche club, waardoor hij zich verscheidene vrienden verwierf in eene streek, waar zij reeds bij duizenden geteld werden. Het was de schoonste redevoering, die tot dusverre door den uitstekenden redenaar uitgesproken was en de aandacht van mannen van allerlei stand trok.
Waarschijnlijk gedurende dit bezoek had er een treffend voorval plaats, hetwelk door een onderwijzer der zondagsschool, waar het gebeurde, op deze wijze verhaald wordt:
»Onze zondagsschool was op zekeren sabbatmorgen reeds begonnen, toen ik een man van een slanken ligchaamsbouw en een gunstig voorkomen het vertrek zag binnentreden en onder ons plaats nemen. Hij luisterde met gespannen aandacht naar onze oefeningen, en zijn gelaat verried zulk een waarachtige belangstelling, dat ik naar hem toeging en hem verzocht om eens een hartig woordje tot de kinderen te willen rigten. Hij voldeed aan dit verzoek met blijkbaar genoegen, ging voor de banken der kinderen staan en hield eene eenvoudige toespraak, welke alle jeugdige hoorders aanstonds zoozeer boeide, dat de diepste stilte in het vertrek heerschte. Zijne taal was uitnemend schoon, en de toon waarop hij sprak, verried het diepste gevoel. Op de gezigtjes der kleinen, die hij rondom zich zag, stond somberheid te lezen, toen hij woorden van waarschuwing tot hen rigtte, maar zij werden spoedig opgeklaard, toen hij hun op de schoone toekomst wees, die hun wachtte. Een paar malen wilde hij met spreken ophouden, maar het dringend verzoek: »ga voort! och, ga voort!” dwong hem om den draad zijner rede weder op te vatten. Toen ik naar de gespierde ligchaamgestalte van den vreemdeling keek, en mijne aandacht vestigde op zijn gelaat, waarop vastberadenheid te lezen stond, gepaard aan gevoel ten gevolge van den indruk des oogenbliks, gevoelde ik eene onweerstaanbare nieuwsgierigheid om iets naders van hem te vernemen, en toen hij het vertrek verliet, verzocht ik hem, zijn naam te mogen weten. Hij antwoordde daarop vriendelijk: »Ik ben Abraham Lincoln, van Illinois.””
Abraham Lincoln werd nu algemeen erkend als een van de bekwaamste, eerlijkste en meest besliste voorstanders van de republikeinsche partij. Zijne bekende populariteit alsmede zijne vroegere verdiensten wezen hem dan ook aan als den meest geschikten kandidaat van zijne partij voor de ophanden zijnde verkiezing van een President. Hij werd het eerst voor den hoogen post van President genoemd in de republikeinsche vergadering van den staat Illinois, waar een democraat uit het graafschap Macon twee keurig versierde palen aan de vergadering voorstelde, waarop de volgende woorden geschreven stonden:
»Abraham Lincoln, de houthakker, kandidaat voor het presidentschap in 1860. Dit zijn twee palen, welke in 1830 vervaardigd zijn door Thomas Hanks en Bram Lincoln, wiens vader de eerste pionnier in het graafschap Macon geweest is.”
Deze eigenaardige en geschikte zinnebeelden ter afbeelding van de eereposten, welke de Amerikaansche democratische instellingen aan de nederigste burgers aanboden, gaven aanleiding tot eene algemeene toejuiching. Lincoln, die bij dit tooneel toeschouwer was, werd dringend uitgenoodigd om eene redevoering te houden. Hij stond van zijne zitplaats op, erkende, dat hij dertig jaren geleden een houthakker geweest was, en zeide, dat men hem verzekerd had, dat die beide palen, welke men in de vergadering gebragt had, met zijne eigene bijl gehouwen waren.
In den herfst van 1859 hield Lincoln, tengevolge van uitnoodigingen, die hij uit verschillende staten gekregen had, verscheidene krachtige redevoeringen ten gunste der republikeinsche beginselen. Van een daarvan, welke hij op den 27sten Februarij 1860 in het Cooper-Instituut te New-York hield, hebben wij reeds gesproken. Deze redevoeringen droegen slechts bij om de overtuiging te versterken, die zich sedert 1854 al meer en meer onder het volk verbreid had, dat Mr. Lincoln—»de brave Bram,” zoo als hij algemeen genoemd werd—de man was voor President, als het volk zijn kandidaat kon benoemen Toch waren er slechts weinigen, die dachten, dat hij werkelijk zou verkozen worden.
De republikeinsche nationale vergadering kwam op den 16den Mei 1860 in de »Wigwam” in Chicago bijeen. Niet minder dan tienduizend personen waren in dit gebouw tegenwoordig, terwijl eene digte volksmenigte den toegang daartoe versperde en zich in den omtrek ophield, daar zij niet meer in de zaal kon komen.
Op Donderdag morgen kwam de vergadering ten tien ure weder bijeen en bij de vaststelling der bepalingen werd goedgevonden, dat eene meerderheid van stemmen voldoende zou zijn ter benoeming van kandidaten.
De commissie tot het nemen van besluiten gaf daarvan kennis, en deze mededeeling werd met geestdrift begroet, terwijl de ontzaggelijke menigte toeschouwers van hare zitplaatsen opstond en hare goedkeuring herhaalde malen door luide toejuichingen deed blijken.
Het was spoedig duidelijk geworden, dat de twee personen, die bij de verkiezing in aanmerking zouden komen, de heeren Seward en Lincoln waren. Er werd voorgesteld, dat de vergadering terstond tot de benoeming van kandidaten zou overgaan, doch het gevoelen, dat men dit tot den volgenden dag zou uitstellen, behield de overhand. Ware het voorstel om terstond tot de benoeming over te gaan goedgekeurd, dan is het meer dan waarschijnlijk, dat Seward zou benoemd zijn, daar zijn persoon door de vergadering toen nog boven dien van Lincoln scheen gesteld te worden; doch gedurende den avond droegen verscheidene omstandigheden het hare bij om de verkiezing van Lincoln meer en meer waarschijnlijk te maken. Er heerschte bij de volgende zitting der vergadering eene groote opgewondenheid, en de belangstelling van alle aanwezigen was buitengewoon.
Bij de eerste stemming verkreeg Seward 173½ stemmen tegen 102, welke op Lincoln uitgebragt werden, terwijl de overige tusschen andere personen verdeeld waren. Bij de tweede stemming deelde de President der afgevaardigden van Vermont, wier stemmen eerst verdeeld geweest waren, mede: »De staat Vermont brengt zijne tien stemmen uit op den jongen reus van het Westen, Abraham Lincoln.” Men begon in de vergadering reeds te bemerken, wie de man der keuze zou zijn. Bij deze stemming kreeg Seward 184½ en Lincoln 181 stemmen; en bij de derde stemming vereenigden zich op Lincoln 230 stemmen, en dus bijna de meerderheid. Hierop deelde Mr. Carter van Ohio mede, dat er door Ohio vier stemmen meer op Mr. Lincoln zouden uitgebragt worden, hetgeen de opgewondenheid der vergadering ten top voerde. Daar nu de keus zeker was, beijverde de eene staat na den anderen zich om de eerste te zijn in het uitbrengen van zijne stemmen op Lincoln. Het geheele getal stemmen, dat moest uitgebragt worden, bedroeg 466, waarvan er dus 234 noodig waren tot eene keuze. Drie honderd vier en vijftig vereenigden zich op Abraham Lincoln, die dus wettig verkozen was.
Toen de luide toejuichingen, waarmede deze benoeming begroet werd, eenigzins bedaard waren, trad Mr. William Evarts van de stad New-York te voorschijn en deed het voorstel, dat men Lincoln nu met eenparige stemmen zou verkiezen. Dit voorstel werd ondersteund door Mr. Andrews van Massachusetts, en werd aangenomen, zonder dat er zich eene enkele stem tegen verhief.
De opgewondenheid, welke er op de benoeming volgde, deelde zich van de leden der vergadering aan de toehoorders, die zich binnen het gebouw verzameld hadden, mede en verspreidde zich van daar als een loopend vuurtje naar de volksmenigte, die buiten stond. Bij het einde der opmerkingen van Mr. Evarts werd er een levensgroot portret van Lincoln in de zaal gebragt en met een oorverdoovend gejuich begroet. Het gebouw dreunde van de juichkreten van de verheugde duizenden, die daarin verzameld waren, en die juichkreten werden door de menigte, die zich in de straten bevond, herhaald. Te midden van het gebulder van het kanon, het wapperen der vlaggen en de vrolijke toonen der militaire muziek, werd het berigt omtrent de volkskeuze langs de metalen draden met bliksemsnelheid van Maine tot Kansas, overgebragt.
Men verhaalt het volgende omtrent de wijze, waarop Mr. Lincoln zijne benoeming ontving:
Gedurende de zitting der vergadering bevond hij zich te Springfield. Hij had het telegraafkantoor nog pas verlaten, nadat hij de uitslag der beide eerste stemmingen vernomen had, en was met eenige vrienden op het bureau van het »State Journal” in gesprek gewikkeld, toen de derde stemming aan den gang was. Binnen korten tijd werd de uitslag daarvan op het telegraafkantoor ontvangen. De generale opzigter, die aldaar juist tegenwoordig was, schreef op een strookje papier: »Mr. Lincoln! gij zijt bij de derde stemming benoemd,” en liet dit terstond door een jongen naar Lincoln brengen. Deze tijding werd in het bureau van het »Journal” met uitbundige toejuichingen begroet, maar Lincoln sprak geen enkel woord. Hij stak het papier in zijn zak, stond op, en zeide, voor dat hij het vertrek verliet: »Er is beneden in dit huis eene vrouw, die dit wel graag zal willen weten. Ik zal dus naar beneden gaan om het haar te vertellen.”
De tijding van deze benoeming was zeer welkom aan hen, die tot de republikeinsche partij behoorden. Niet alleen erkenden zij in Abraham Lincoln een man van een onbesproken gedrag en eene onbevlekte eerlijkheid, maar ook iemand, in wien het waarachtig democratische element van het vrije Amerika leefde, een vriend der vrijheid, een voorstander van regt en billijkheid, en een edel, talentvol staatsman, uit het hart des volks gesproten. Zij stelden een onbepaald vertrouwen in hem, als in iemand, die geheel met hunne beginselen instemde. Bij den verkiezingsstrijd van 1840, toen generaal Harrison verkozen werd was er meer leven gemaakt; maar de geestdrift van 1860 was redelijker en meer algemeen, en verried het vaste voornemen om zich door niets uit het veld te laten slaan, al mogt ook de magt der slavenhouders met eene geheele omverwerping bedreigd worden.
Het werkzaam aandeel, door de democratische vergadering van Charleston in Zuid-Carolina, welke op den 23sten April 1860 bijeenkwam, in de verkiezingen genomen, is een beslissend bewijs, dat deze staat den triumf der republikeinsche partij wenschte, ten einde de afscheiding der slavenstaten, waarvan reeds zoo lang sprake geweest was, eindelijk tot stand te brengen. De benoeming van Lincoln toch door de vrije staten schijnt hen aangespoord te hebben, om de meest overdrevene meeningen omtrent de instandhouding der slavernij uit te spreken, ten einde verdeeldheid in de rijen der democraten te bewerken, want als deze zich op één kandidaat vereenigd hadden, zou dit noodwendig de nederlaag der republikeinen ten gevolge gehad hebben. De ultra's der Zuidelijke politiek deden geene moeite om hunne bedreigingen van eene afscheiding te verbergen, ingeval de partij der vrije staten de overwinning behaalde, ofschoon de Noordelijke democraten in de vergadering niet konden gelooven, dat aan die bedreigingen ooit gevolg zou gegeven worden. Maar al had men dit ook meer algemeen geloofd, dan is het nog de vraag, of dit Lincoln in de volksgunst zou hebben doen dalen. Want zij, die hem ondersteunden, stonden op den hechten grond van de door God gewilde gelijkheid van menschenregten. Zij waren vast in de overtuiging, dat de vrijheid voortaan haren schepter moest zwaaijen over het geheele land, en dat de slavernij beperkt moest blijven tot die staten, welke door hare instandhouding reeds een vloek op zich geladen hadden.
De uitslag van de daarop volgende stemming in 1860 was, dat Mr. Lincoln 491,275 stemmen meer ontving dan Mr. Douglas, 1,018,499 meer dan Mr. Breckinridge, en 1,275,821 dan Mr. Bell; en de afloop der stemming, dien ten gevolge door het Congres openbaar gemaakt, was, dat er het volgende aantal stemmen was uitgebragt:
| Op Abraham Lincoln, van Illinois | 180 |
| Op John C. Breckinridge, van Kentucky | 72 |
| Op John Bell, van Tennessee | 39 |
| Op Stephen A. Douglas, van Illinois | 12 |
De volgende staten bragten hunne stemmen op Mr. Lincoln, uit: Maine, New-Hampshire, Vermont, Massachusetts, Rhode-Island, Connecticut, New-York, Pensylvanië, Ohio, Indiana, Illinois, Michigan, Iowa, Wisconsin, Minnesota en Californië,—dus in het geheel zestien staten.
De bedoeling van het Amerikaansche volk met de benoeming van Abraham Lincoln tot zijn oppersten regent was, de uitbreiding der slavernij in de Territoriën te keer te gaan en hare magt te vernietigen, daar deze bestendigd dreigde te worden. De gevolgen van die benoeming zijn geheel anders geweest, dan men zich had voorgesteld. Mogelijk zou de Noordelijke bevolking zich meer door hare vrees dan door hare overtuiging hebben laten leiden, als zij had kunnen vooruitzien, dat de waanzinnigheid van het Zuiden ten toppunt zou stijgen in den vreeselijken strijd, die het geheele land geteisterd heeft; maar kan er thans nog twijfel bestaan, nu de afloop der bloedige worsteling tusschen vrijheid en slavernij reeds duidelijk te zien is, dat zij het middel geweest is tot bereiking van hoogere doeleinden,—dat de uitslag van den verkiezingsstrijd van 1860 eene zaak was, die door de Voorzienigheid ten beste gekeerd is?
Hij, wiens doen enkel majesteit is, heeft volken zoowel als personen in zijne hand; en dat Hij toegelaten heeft, dat de gebeurtenissen van 1860–1861 tot een burgeroorlog aanleiding gegeven hebben, dit moet wel met de een of andere goddelijke bedoeling geschied zijn. Eenige geslachten later zal de wereld met verwondering en ontzetting staren op de verschrikkelijke vuurproef, welke de Unie doorgestaan heeft, maar als zij dan als de vrucht van dien strijd mag beschouwen een volk van vrije menschen, die beven bij de gedachte aan de misdaden hunner vaderen, door het koopen en verkoopen van menschen vleesch en bloed gepleegd,—dan zullen toch die offers als niet te groot beschouwd worden.
1) Deze Calhoun moet niet verward worden met den ijveraar voor de instandhouding der slavernij, John C. Calhoun, uit Zuid-Carolina.
2) Behalve de zes en dertig staten, waaruit de Unie bestaat, behoort tot de Vereenigde Staten nog eene groote strook lands, die zich tot aan de Stille Zee uitstrekt. Deze strook lands wordt verdeeld in negen districten, "Territoriën” genaamd. Ofschoon deze Territoriën eene ontzaggelijke oppervlakte beslaan, bevatten zij in 1860 slechts eene blanke bevolking van 220.149 zielen. Zij worden inzonderheid bewoond door wilde Indiaansche volksstammen. Zij staan onder het toezigt van het Congres, maar iedere Territorie kan eerst in de Unie als Staat opgenomen worden op dezelfde voorwaarden als de overige Staten, wanneer zij namelijk eene blanke bevolking verkregen heeft, voldoende tot het zenden van één vertegenwoordiger op het Congres, namelijk van 124.000 zielen. Sedert de aanneming van de Constitutie door de dertien oudste staten, zijn er drie en twintig nieuwe uit deze Territoriën ontstaan. Deze hebben ook de Constitutie aangenomen en zijn integrerende bestanddeelen der Unie geworden, die dus in het geheel uit zes en dertig staten zamengesteld is, terwijl er nog negen Territoriën overblijven. Voor elk dezer Territoriën wordt een gouverneur door den President benoemd, terwijl ook andere ambten door dezen begeven worden. De Constitutie en de wetten der Vereenigde Staten hebben dezelfde kracht binnen de grenzen der Territoriën als overal elders in de Vereenigde Staten. Elke Territorie zendt een afgevaardigde naar het Lagerhuis van het Generaal-Congres, die geregtigd is om het woord te voeren over alle aangelegenheden, waarin de Territoriën betrokken zijn, maar niet geregtigd is om zijne stem in het Huis uit te brengen.
De beginselen der afscheiding.—De verkiezing van Lincoln tot President.—De zamenzweerders.—De reis van den verkozen President van Illinois naar Washington.—De inhuldiging.—De afscheiding der Zuidelijke Staten.—De gebeurtenissen van den oorlog.—Dood van Abraham Lincoln.
Dat Abraham Lincoln voor de omverwerping der Constitutie was, door zich te bemoeijen met de slavernij in de staten, waar zij bestond, werd door de hevigste leiders der publieke meening in het Zuiden wijd en zijd verkondigd. In geen zijner redevoeringen of gesprekken, welke Lincoln gedurende zijn gansche leven gehouden had, was dit beginsel uitgesproken of zelfs maar aangeroerd. Hij had de toeneming der slavernij en de noodlottige gevolgen, welke deze voor het land na zich zou slepen, wel met afkeer en vrees aangezien; maar de middelen, die hij wilde bezigen tot stuiting van het kwaad, bestonden alleen in het beperken van de slavernij binnen de grenzen van die staten, welke haar reeds bij hunne eigene staatsregeling gewettigd en in hun geheele stelsel ingeweven hadden. Hij had daarom met nadruk beweerd, dat het Congres het regt had om de uitbreiding der slavernij te verhinderen in die Territoriën, welke even vrij en onafhankelijk zijn, als de breede rivieren, die door hare wildernissen stroomen, of als de winden, die door hare bosschen gieren.
De Zuidelijken wisten dit, en zij wisten—velen hunner hadden het met ronde woorden uitgesproken—dat er niets inconstitutioneels in dergelijke begrippen en in de verbreiding daarvan gelegen was. Het plan, dat reeds sedert jaren in de harten der Zuidelijke ultra's gesluimerd had, was de omverwerping der Amerikaansche Unie en de vestiging van een slavenrijk op het vasteland van Noord-Amerika, en de volvoering van dit plan was de eigenlijke reden van hunne handelwijze. De verkiezing van Lincoln werd tot een voorwendsel gebruikt om zich af te scheiden, en als de hoofdreden opgegeven, waardoor »het hart der Zuidelijken in vuur en vlam gezet was.”
Het is daarom niet te verwonderen, dat de tijding der verkiezing van Lincoln aanleiding gaf tot levendige blijdschap en onverholen goedkeuring in verscheidene gedeelten van het Zuiden. Zij hadden voorwendsels gezocht, en hier werd er hun nu een aan de hand gedaan. Te vergeefs riep het Noorden uit: »Dat is onedelmoedig—onbillijk! Wij hebben uwe Presidenten, den een na den ander, gedurende het vierde eener eeuw geduld. Gij zult ons dus voor vier jaren wel willen vergunnen om den voorrang te hebben. Weest in allen gevalle redelijk. Beproeft het slechts! Wilt ten minste eenigen tijd afwachten, totdat gij kunt oordeelen, hoe de zaken gaan!” Hoe nu? dat lang gezochte, dat eindelijk gevondene voorwendsel tot den beslissenden slag en de oprigting van hun slavenrijk te laten varen—de proef te nemen met die republikeinsche voorstanders van de afschaffing der slavernij! Dat nooit! In één woord, de verkiezing van Lincoln was nog geen maand geleden, of de geest van afscheiding, die er in Zuid-Carolina heerschte, begon zich al meer en meer uit te breiden tot groote ontsteltenis van de Noordelijke bevolking der Vereenigde Staten.
Mr. Douglas was de gunsteling geweest van de democratische vergadering, welke oorspronkelijk te Charleston bijeengekomen was; doch de voorstanders van de slavernij waren er in geslaagd om de benoeming van Mr. Breckinridge tot kandidaat door te drijven, wel wetende, dat de verdeeldheid, die er op deze wijze onder hunne partij ontstaan was, niet anders dan de verkiezing van den republikeinschen kandidaat kon ten gevolge hebben. De beide partijen, waarin de democratische partij op deze wijze gesplitst werd, stonden in beginselen niet zoo ver van elkander, dat zij zich niet in de keuze van Mr. Douglas hadden kunnen vereenigen, zonder hunne staatkundige meeningen geweld aan te doen, als het hun doel geweest was om de Unie in stand te houden.
Mr. Breckinridge vertegenwoordigde dat gedeelte der democratische partij, hetwelk de regtstreeksche bescherming van de bezittingen der slavenhouders in de Territoriën eischte, al was deze ook in strijd met wetten, hetzij deze door het Congres, of door de bevolking der Territoriën zelve uitgevaardigd waren, welke inbreuk mogten maken op hun verkregen regt van eigendom op menschelijke wezens.
Mr. Douglas integendeel vertegenwoordigde de theorie, dat de inwoners der Territoriën het volkomenste regt hadden om te beslissen, of zij de slavernij op hunnen grond wilde dulden of niet.
Terwijl dus de republikeinen het regt van het Congres handhaafden om de slavernij in de Territoriën te beletten, en de zuidelijke democraten alleen het regt van het Congres erkenden, om de slavernij in die Territoriën te beschermen, maar niet om haar te verhinderen, stond Mr. Douglas bij de keuze van een President zoowel tegenover Mr. Lincoln als tegenover Mr. Breckinridge.
De aanhangers van John Bell bestonden eenvoudig uit die weinigen, welke zich bij geen der bestaande partijen wilden aansluiten, en die geen bepaalde meerlingen omtrent de hoofdzaken te berde bragten.
De verschillende deelen des lands hadden gelijken ijver bij de verkiezingen aan den dag gelegd. En even als vroeger waren de partijen, die zich voor Lincoln, Bell en Douglas verklaard hadden, ofschoon zij ook wenschten, dat hun kandidaat verkozen werd, toch volkomen gezind om in de overwinning te berusten, aan welke zijde zij ook wezen mogt. Maar de democraten, die voor Breckinridge waren, hadden zich tot den strijd begeven met de bepaalde bedoeling om »alleen in den uitslag te berusten, in geval deze hun de overwinning aangebragt had.” De verkiezing van den republikeinschen kandidaat—welke zij door hunne eigene handelwijze hoofdzakelijk bevorderden—moest het sein tot den opstand zijn.
Toen de afscheidings-storm na den 6den November in het Zuiden begon op te steken, duurde het niet lang, of het volk ontdekte, dat er zelfs in het kabinet van den aftredenden President, Mr. Buchanan, mannen gevonden werden, die reeds sedert lang in verbindtenis met de verraders gestaan hadden en die nu bereid waren om hun al die hulp te verleenen, welke in hunne magt stond. Waarschijnlijk stond aan het hoofd van hen John B. Floyd, Secretaris3) van Oorlog, wiens schandelijk weefsel van leugen en bedrog voor een korten tijd, ofschoon met moeite, verborgen gehouden is. Het is dus niet te verwonderen, dat,—toen generaal Scott aan den President en den Secretaris van Oorlog een brief schreef, waarin hij zijne vrees te kennen gaf, dat de secessionisten enkele van de vestingen der federalen in de zuidelijke staten zouden innemen, en er op aandrong, dat die vestingen onmiddellijk versterkt zouden worden, ten einde zulk eene ramp te voorkomen—die verrader Floyd zijn uiterste best deed om dit plan tegen te werken, daar, wanneer het volvoerd werd, de zamenzweering misschien wel geheel zou mislukt zijn. Een later officieel rapport van het Departement van Oorlog bewijst, »dat, gedurende het jaar 1860, en vóór de verkiezing van een President, honderd vijftien duizend geweren uit noordelijke tuighuizen zijn verdwenen en naar zuidelijke arsenalen gezonden, op een bevel van den Secretaris van Oorlog, gedagteekend van den 30sten December 1859.” Op deze wijze werden de tuighuizen der zuidelijke staten door dien Floyd gevuld, ofschoon hij wist, dat het doel was om ze tegen de wetten en de constitutie te gebruiken, terwijl die trouwelooze dienaar de noordelijke staten daardoor tevens beroofde van het materiaal om hunne burgers te wapenen tot instandhouding der Unie.
Dit verraad werd opgevolgd door eene bijna even schandelijke handeling van John S. Black. Deze gaf op den 20sten November 1860 in antwoord op de vragen van Mr. Buchanan als procureur-generaal (en als verdediger van de regten van den staat, mogen wij er wel bijvoegen) zijne meening te kennen, dat het Congres zelfs niet bij magte was om eene schending van de Constitutie te beletten door den oorlog aan eenigen staat te verklaren, en het werd al spoedig duidelijk, dat het uitvoerend bewind zich overeenkomstig deze theorie zou gedragen.
De wetgevende vergadering van Zuid-Carolina maakte een begin met de afscheiding, toen dit staatsligchaam in November 1860 eene oproeping uitvaardigde tot eene staatsvergadering, die op den 17den der volgende maand te Columbia zou gehouden worden. Francis W. Pickens, die op den 10den tot gouverneur verkozen werd, verklaarde in zijne inwijdingsrede bepaaldelijk, dat Zuid-Carolina besloten had om zich af te scheiden, omdat »bij de jongste verkiezing van een President en Vice-President, het Noorden te werk gegaan was volgens beginselen, welke verhinderen, dat wij ons langer veilig kunnen verlaten op de magt der federale regering of op de waarborgen van het federale kontrakt.” Al was die verklaring ook onwaar, zoo was zij toch ondubbelzinnig, in zooverre zij de gebeurtenissen, die te wachten stonden, vooraf aankondigde. De vergadering werd op den eersten dag harer zitting van Columbia naar Charleston verlegd, en op den 20sten December werd er eene wet uitgevaardigd, waarbij de wet van 1788, waardoor de federale Constitutie bekrachtigd was, met algemeene stemmen herroepen en de band van vereeniging, die er tusschen Zuid-Carolina en de Vereenigde Staten bestond, verbroken werd.
Zuid-Carolina was dus de eerste staat, die een besluit tot afscheiding nam. Wat den genoemden staat betreft, was die afscheiding de vrucht van meer dan twee menschengeslachten. En de ontdekkingen, die sedert gedaan zijn, hoe onvolkomen zij betrekkelijk ook wezen mogen, bewijzen toch ten duidelijkste, dat de geheele afscheiding het werk was van enkele raddraaijers en zamenzweerders, die hun hoofdkwartier in de hoofdstad der Unie hadden en zelven naauw met de regering der Vereenigde Staten in verband stonden.
Op eene geheime bijeenkomst van deze zamenzweerders, die op den 5den Januarij 1861 gehouden werd en waarbij verscheidene zuidelijke senatoren tegenwoordig waren, werd er bepaald, »dat iedere Zuidelijke staat zich zoo spoedig mogelijk van de Unie zou afscheiden; dat er eene vergadering van de vertegenwoordigers der afgescheidene staten te Montgomery in Alabama zou gehouden worden, en dat wel niet later dan op den 15den Februarij; en dat de senatoren en de leden van het Congres uit de Zuidelijke staten hunne zetels zoo lang mogelijk zouden blijven innemen, ten einde al die maatregelen te keer te gaan, welke te Washington ten nadeele der afgescheidene staten mogten voorgesteld worden.” Davis uit Mississippi, Slidell uit Louisiana en Mallory uit Florida werden tot eene commissie benoemd om deze besluiten ten uitvoer te brengen; en in gevolge daarvan dienden vijf staten eene acte van afscheiding in: Mississippi op den 9den Januarij, Alabama en Florida op den 11den Januarij, Louisiana op den 26sten Januarij, en Texas op den 5den Februarij. Al deze handelingen zoowel als die, welke er later op volgden, waren eenvoudig het uitvloeisel van de voorschriften van dat geheime verbond van volksleiders, dat reeds lang het besluit tot eene afscheiding genomen had.
Ofschoon de wetgevende vergaderingen van deze afgescheidene staten overeengekomen waren om geenerlei wet van afscheiding uit te vaardigen, zonder haar door het volk te doen bekrachtigen, werd de zaak bijna in geen enkele daarvan aan de beslissing des volks overgelaten. Overeenkomstig het genomen besluit werden door alle wetgevende vergaderingen afgevaardigden naar Montgomery gezonden, alwaar op den 4den Februarij eene bijeenkomst gehouden werd. Daarop werd eene voorloopige constitutie aangenomen, die een jaar lang van kracht zou zijn, en onder deze constitutie werden Jefferson Davis tot President en Alexander H. Stephens tot Vice-President van de pas gevormde Zuidelijke confederatie benoemd. Zij werden op den 18den dier maand in hunne ambten geïnstalleerd.
De politiek, waartoe men voorloopig besloot, was, een status quo te handhaven, totdat het Presidentschap van Mr. Buchanan ten einde zou zijn. Men gevoelde toch, dat men van hem niets te vreezen had, en hoopte de nieuwe regering door eene plotselinge tentoonspreiding van magt de nieuwe regering vrees aan te jagen en alle dwangmaatregelen, welke zij in den zin mogt hebben, te beletten.
De zamenzweerders waren intusschen druk in de weer met het maken van toebereidselen tot een mogelijken oorlog. Het Zuiden was onophoudelijk bezig met het maken van krijgstoerustingen, en de vervaardiging van wapenen werd met ijver voortgezet.
Wij kunnen hier slechts vlugtig gewagen van al die gebeurtenissen, welke zoo naauw met de levensgeschiedenis van Lincoln zamengeweven zijn.
Bij al hun snoevend zelfvertrouwen, bij al hunne verachting van den moed der Noordelijken, bij al hunne weidsche beloften voor de toekomst, hebben de raddraaijers van den opstand toch ééne noodlottige vergissing begaan, één onoverkomelijk beletsel voor den gunstigen uitslag hunner zaak voorbijgezien: zij vergaten de kracht, de eerlijkheid, den onoverwinnelijken moed van Abraham Lincoln. Het moge zijn, dat juist zijne eenvoudigheid van hart hem te ongeloovig maakte omtrent de diepte van de boosaardigheid zijner tegenstanders; maar toen hij geheel met hunne listigheid bekend was, ontdekten zij, dat zij zich misrekend hadden, toen zij meenden, dat de verzoenende politiek, tot dus verre door hem gevolgd, een uitvloeisel van vreesachtigheid was.
Vergeefsche pogingen tot eene minnelijke schikking kenmerkten de eerste maanden van het nieuwe jaar in de hoofdstad des lands. Het Congres wendde pogingen aan om de woedende elementen der afscheiding tot rust te brengen. De vredesconferentie zwaaide haren olijftak,—doch te vergeefs. Er was slechts één ding, dat de Zuidelijken verlangden, en dat was afscheiding. Daarom werden geenerlei voorwaarden, welke van den kant de republikeinen behoudens hunne eer konden voorgesteld worden, aannemelijk geacht. De voorstanders van de uitbreiding der slavernij verlangden de onafhankelijkheid van het Zuiden, zelfs ten koste van een oorlog.
Lincoln had sedert den dag zijner benoeming een opmerkelijk stilzwijgen bewaard. Hij verliet Springfield op den 11den Februarij 1861, en werd door eene groote menigte zijner stadgenooten tot aan het station van den spoorweg vergezeld. Hij zeide hun met weinige woorden vaarwel en begaf zich op reis.
Op den avond na zijne aankomst te Indianapolis hield hij eene rede tot de leden der Wetgevende Vergadering, die hem aan zijn logement in corps hunne opwachting kwamen maken. Deze rede was vooral belangrijk, omdat hij zich daarin voor de eerste maal sedert zijne verkiezing over staatszaken uitliet.
Nadat hij hier eenige uren doorgebragt had met het verleenen van audiëntie aan verschillende personen en corporatiën, begaf hij zich naar zijne kamer. Men hield het er algemeen voor, dat hij door de overgroote inspanning vermoeid was, maar hij was al spoedig op weg naar Washington. Allerwege in het land werd de grootste verwondering aan den dag gelegd over deze vlugt bij nacht, en de vijanden der nieuwe regering trachtten deze overhaaste en geheime reis van Harrisburg naar de hoofdstad des lands in een belagchelijk daglicht te stellen. Maar de ontdekkingen, die later gedaan werden, regtvaardigden de voorzorg, die de nieuwe President genomen had, ten volle. Reeds vóór zijn vertrek uit Illinois was er een gerucht in omloop gekomen, dat het hem niet zou gelukken om Washington levend te bereiken. En werkelijk werd er op den 11den Februarij, bij het begin zijner reis, eene poging aangewend om den trein, waarmede hij reisde, aan te houden, en toen hij Cincinnati verliet, werd de ontdekking gedaan, dat er een grenaat in den wagen verborgen geweest was. Deze en andere omstandigheden leidden tot nasporingen der policie, welke bewezen, dat eene kleine bende moordenaars, onder aanvoering van een Italiaan, die den naam Orsini aangenomen had, zich vereenigd had met het bepaalde doel om hem bij zijn doortogt door Baltimore van het leven te berooven. Om deze redenen volgde hij den raad van generaal Scott, Mr. Seward en andere vrienden, en vertrok, in een Schotschen plaid, muts en mantel gehuld, met een buitengewonen trein van Harrisburg naar Philadelphia, en van daar met den gewonen nachttrein naar Baltimore en Washington, zoodat hij de hoofdstad des lands in den morgen van Zaturdag, den 23sten Februarij, reeds in de vroegte bereikte. Nu begon men te dreigen, dat de verkozen President nimmer zou ingehuldigd worden.
De onverwachte aankomst van Lincoln te Washington baarde allerwege verwondering. Er waren op groote schaal toebereidselen tot zijne ontvangst gemaakt; de Mayor had een adres van gelukwensching en verwelkoming opgesteld; de soldaten hadden nieuwe uniformen gekregen en hunne wapenen gepoetst, de beide Huizen van het Congres zouden hem en corps verwelkomen, en »de verwachte man” was het algemeene onderwerp der gesprekken. Alle gemaakte toebereidselen werden echter verijdeld, want hij kwam in hun midden als een onverwachte gast. Toen het bekend werd, dat hij zich in de stad bevond, werd zijn hôtel door eene groote menigte omsingeld, daar allen verlangend waren om een woord te wisselen met den man, die het lot der republiek ten goede of ten kwade kon keeren. Maar hij was voor niemand te spreken. Ten elf ure bragt hij, in gezelschap van Mr. Seward, een bezoek aan Mr. Buchanan. De verwondering van den bewoner van het »Witte Huis” was groot, maar toch begroette hij zijn opvolger met de meeste hartelijkheid. Daar er juist een kabinetsraad gehouden werd, begaf Mr. Lincoln zich naar het vertrek, waar dit plaats had, tot groote verwondering en blijdschap van al de leden van het kabinet. Hij legde een bezoek bij generaal Scott af, doch vond dezen niet te huis. Zoo brak de republikeinsche President terstond met alle officiëele formaliteiten, en gaf een goed voorbeeld van republikeinsche eenvoudigheid van manieren en van vriendelijkheid.
Gedurende het overige van den dag verleende hij gehoor aan allen, die hem kwamen bezoeken. Alle partijtwisten schenen vergeten, en democraten wedijverden met republikeinen om bij den nieuwen President hunne opwachting te maken. Alleen de zuidelijke ultra's bleven achterwege: zij hadden geen woord van gelukwensching voor den man, die—men gevoelde het—zonder vrees zou regeren en zich getrouw betoonen aan zijn eed om »de Constitutie en de wetten te handhaven.”
Des avonds ontving Mr. Lincoln de leden van het »Vredes-congres.” Het geheele corps werd aan hem voorgesteld, en een aangenaam uur doorgebragt met wederzijdsche begroeting en kennismaking, waarbij niet de minste stijfheid heerschte. Hiermede werd de eerste dag van het verblijf van den nieuwen President in de hoofdstad besloten.
Spoedig daarop moest hij het doornige veld der regering betreden. Er moest een kabinet zamengesteld, er moesten ministers benoemd, er moesten politieke beginselen blootgelegd worden. De korte tusschenruimte van tien dagen, die vóór zijne inhuldiging verliepen, behoorde tot de moeijelijkste dagen van zijn leven; want de verzoeken van personen om eereposten, de regeling van strijdige belangen, de begeving van posten, waartoe eene bijzondere bekwaamheid vereischt werd,—dat alles behoorde tot die kleine lasten, aan het bestuur des lands verbonden, welke maakte, dat dit juk alles behalve gemakkelijk te dragen was.
De 4de Maart 1861 was een schoone dag, en de gebeurtenis, die daarop zou plaats hebben, had eene menigte menschen naar Washington doen toestroomen, waarbij iedere staat ruim vertegenwoordigd was. In den senaat droeg de Vice-President Breckinridge zijne betrekking met eenige hoffelijke woorden aan zijn opvolger, den Vice-President Hamlin, over; de plaatsen, voor de vertegenwoordigers van vreemde mogendheden bestemd, werden al spoedig ingenomen door de verschillende ministers, die in gala-kostuum gekleed en met hunne verschillende ridderorden versierd waren. De regters van het Hooge Geregtshof kwamen vervolgens de zaal binnen. Toen de vergadering vernam, dat Mr. Lincoln het gebouw binnen getreden was, begaven allen zich naar de oostelijke gaanderij van het kapitool, waar eene tribune opgerigt was, en waarvoor eene groote menigte, zeker wel uit dertig duizend menschen bestaande, zich verzameld had. De verkozene President werd door den Senator Edward D. Baker, van Oregon, aan hen voorgesteld, te midden van het gejuich der opgewondene volksmenigte. Toen de stilte hersteld was, las Mr. Lincoln met eene duidelijke stem de inwijdingsrede voor.
Dit stuk is misschien het belangrijkste document van dien aard, dat tot hiertoe in Amerika geleverd is. De steller daarvan kon blijkbaar nog niet gelooven, dat de misnoegdheid der Zuidelijke staten reeds zoolang bestaan had, en meende de Zuidelijken tevreden te kunnen stellen door hen terug te brengen van hunne dwaalbegrippen omtrent de gevoelens die in het Noorden heerschende waren en hun gerustheid in te boezemen omtrent de wijze, waarop hij het land voortaan zou besturen. Deze toon van verzoening, welwillendheid en gematigdheid was een hoofdtrek in deze toespraak. De ambtseed werd hem toen afgenomen door den President van het Geregtshof Taney, waarop hij zich in gezelschap van den gewezen President Buchanan naar het »Witte Huis” begaf.
De inwijdingsrede werd in de getrouw geblevene Staten met algemeene instemming ontvangen, en over het algemeen ook in de zoogenoemde grensstaten. Doch in de laatstgenoemde staten waren er, even als in het Zuiden, duizenden gereed om daarvan eene verkeerde voorstelling en uitlegging te geven. Er werden dan ook allerlei pogingen aangewend om in de grensstaten het denkbeeld veld te doen winnen, dat de inwijdingsrede moest dienen tot eene bedekte oorlogsverklaring aan de Zuidelijke staten, en die pogingen bereikten haar doel bij velen.
De eerste handeling van den President was, een kabinet zamen te stellen door de benoeming van William H. Seward, uit New-York, tot Secretaris van Staat; van Salmon P. Chase, uit Ohio, tot Secretaris van Financiën; van Simeon Cameron, uit Pensylvanië, tot Secretaris van Oorlog; van Gideon Welles, uit Connecticut, tot Secretaris van Marine; van Caleb B. Smith, uit Indiana, tot Secretaris van Binnenlandsche Zaken; van Montgomery Blair, uit Maryland, tot Directeur-generaal der Posterijen; en van Edward Bates, uit Missouri, tot Procureur-generaal. Nadat de Senaat al deze benoemingen bekrachtigd had, maakten de genoemde heeren terstond een begin met hunne werkzaamheid bij de verschillende departementen.
Het Zuiden had zich met den meesten ijver tot den oorlog toegerust, het Noorden hoopte nog op de voortduring van den vrede en had geene toebereidselen hoegenaamd gemaakt. Waarlijk Mr. Buchanan schijnt het schip van den Staat als een wrak aan zijn opvolger overgegeven te hebben. Mr. Lincoln vond alle departementen der regering niet alleen in een toestand van wanorde, maar het schadelijke begrip was met opzet verspreid, dat de regering des lands niet bij magte was om de wetten in al hare kracht toe te passen. Vandaar hielden zelfs de ambtenaren der regering de wetten niet langer in eere, daar zij toch geene magt hadden om het volk tot gehoorzaamheid daaraan te dwingen.
Op den 12den Maart vertoonden zich twee heeren, John Forsyth, uit Alabama, en Crawford, uit Georgia, die zich »afgevaardigden” van de Zuidelijke confederatie noemden, te Washington met het doel om te onderhandelen over eene bijlegging van alle kwestiën, die er tusschen de »beide regeringen” bestonden. Te dien einde verzochten zij om audiëntie bij den Secretaris van Staat, welke hun geweigerd werd, daar het niet als geldig beschouwd kon worden, dat de staten, die zij vertegenwoordigden, zich wettig of feitelijk aan de Federale Unie onttrokken hadden, want dat zij dit alleen konden doen met toestemming en bewilliging van de bevolking der Vereenigde Staten, te geven door eene nationale vergadering, bijeen te roepen overeenkomstig de bepalingen van de »Constitutie der Vereenigde Staten.” Deze mededeeling werd op den 15den Maart gedaan, maar met de toestemming der afgevaardigden zelve geheim gehouden tot op den 8sten April, toen zij openbaar gemaakt werd. Toen de zaak te Charleston bekend werd, vond men daarin eene aanleiding om het treurspel van het fort Sumter te verhaasten, hetwelk, naar men meende, de geheele Zuidelijke bevolking als een eenig man tegen het Noorden zou doen opstaan.
Diensvolgens werd aan Generaal Beauregard, den kommandant van het leger der geconfedereerden te Charleston, de last opgedragen om de overgave van het fort Sumter te eischen, rondom hetwelk de rebellen langzamerhand zulk een sterk cordon van batterijen opgeworpen hadden, dat eene bestorming, in geval van eene weigering, noodwendig moest slagen. Generaal Beauregard deed dien eisch dan ook op den 11den April; maar Majoor Anderson, de kommandant van het fort, gaf daarop terstond ten antwoord, »dat zijn gevoel van eer en zijne verpligtingen ten opzigte zijner regering hem verhinderden om in dien eisch te bewilligen.” Er werd nog verder over die zaak gecorrespondeerd, maar de standvastige, getrouwe krijgsman kon niet aan het wankelen gebragt worden in zijn plan om het hem toevertrouwde fort te verdedigen en het niet eer over te geven, voordat het in puin geschoten was.
Het is niet noodig om breedvoerig te spreken over de gevangenneming van Anderson en zijn handvol manschappen door de vereenigde legermagt van Zuid-Carolina en de overige afgescheidene staten. Op den 12den April werd het vuur geopend, en het fort Sumter werd zoolang gebombardeerd, dat het viel, terwijl de formele overgave en ontruiming daarvan op Zondag morgen, den 14den plaats had.
De slag was eindelijk toegebragt, het dreigende onweder losgebarsten. De olijftak, door het Noorden en door de Unie aangeboden, was met voeten getreden. De oorlog was niet alleen verklaard en door het Zuiden doorgedreven, maar reeds werkelijk begonnen; het zwaard was niet alleen dreigend opgeheven, maar het blanke lemmer was roodgekleurd met broederbloed. Wat bleef er nu voor het Noorden over? Eenvoudig wat er volgde—oorlog; oorlog voor de wetten, voor de constitutie, voor het behoud der natie—oorlog voor eer en vrede. Het land had tot dusverre alles met kalmte verdragen—maar nu was de maat tot overvloeijens toe vol, de broederhand was rood van broederbloed, en het Noorden, dat als een eenig man naar de wapenen greep, deed de gedwongene keus van een oorlog, die hun zoo onverwachts op het lijf gevallen was. In dezen gevaarvollen toestand was het waarlijk gelukkig voor de Unie, voor de vrijheid en voor de beschaving, dat het Noorden dien volksman aan het hoofd had, wiens geest in den grooten strijd des levens gehard was—Abraham Lincoln.
Op den dag na de ontruiming van het fort Sumter, werd die beroemde oproeping gedaan, om een leger van 75,000 man ter onderdrukking van den opstand op de been te brengen, eene oproeping, die in het geheele land eene ontzaggelijke geestdrift te weeg bragt. Iedere staat, die nog aan de Unie getrouw gebleven was, beantwoordde daaraan terstond en leverde een groot getal zijner zonen ter verdediging des vaderlands. Kort na de uitvaardiging der proclamatie rukten de legerscharen der Unie reeds op de hoofdstad aan. Het waren echter donkere dagen, die er in dien tusschentijd verliepen: want ieder uur stond er een aanval op Washington, hetzij van Virginië of van Maryland, te vreezen en de kleine legermagt van vrijwilligers, die generaal Scott uit het district had kunnen bijeenbrengen, was slechts eene zwakke verdediging. In dit moeijelijk tijdsgewricht begaven hem de hoop, de moed en het vertrouwen op den man, die aan het hoofd der zaken stond, geen enkel oogenblik. En kort daarop kwam het dappere New-Yorksche zevende regiment in de hoofdstad aan en bragt door zijne aanwezigheid licht in de duisternis. Het zesde van Massachusetts volgde—het eerste regiment, als er sprake is van roem, daar het zijn bloed voor het vaderland vergoten, en zich al vechtende een weg gebaand heeft door de zuidelijke drommen van Baltimore.