EERSTE HOOFDSTUK.

Ongeveer een paar honderd schreden kon de, als Spanjaard vermomde vluchtelinge voortgegaan zijn, toen haar op eens de aanroep eener vijandelijke schildwacht dicht in hare nabijheid als een doodvonnis in de ooren klonk.

Wanneer Venavides drie dagen vroeger gezegd had: »geene schildwacht zal u verder op dezen weg tot hinderpaal zijn,« dan had hij de waarheid gezegd.

Maar twee dagen geleden had er in het uitzetten van posten gedurende den nacht eene verandering plaats gehad. Don Frederik had in het begin des jaars een aanvang laten maken met het graven van eene vaart, nog heden het langs het kerkhof loopend Spaansch Vaartje geheeten, ofschoon minder breed dan toen, doch nog altijd dienende, om bij hoogen waterstand het water in het Spaarne uit te malen. Het moest strekken om van het Huis Ter Kleef gemeenschap te hebben met het Spaarne, en het ontlastte zich achterom het Huis Ter Kleef in den Delft. Op ongeveer zeventig schreden van de tegenwoordige boerenhofstede van R. W. Nelis, waarlangs het Spaansch Vaartje loopt, nabij den zoogenaamden toenmaligen doolhof, had men een voetpad, dat naar de Zandpoort geleidde. Daar had don Frederik een paar schildwachten laten uitzetten, zonder dat zulks aan al zijne officieren bekend was, eene handeling, tot zijn karakter behoorende en evenmin vreemd aan den hertog, zijn vader. Dit voetpad naar de Zandpoort moest Magdalena inslaan, dewijl zij onmisbaar verloren ware geweest, zoo zij haren weg stadswaarts had willen nemen. Geenszins zulks vermoedende, klonk de aanroep haar te vreeselijker in het oor; en de dichte nabijheid der stem werd veroorzaakt, doordien de schildwacht achter de manteling van eenig laag geboomte stond, dat, hoewel door den winter verdord, nochtans dicht genoeg was om eene wacht aan anderer blik te onttrekken.

IJlings terug te wijken of weerstand te bieden, waren de twee gedachten, die Magdalena even snel aangrepen; doch beide ware vruchteloos of een nog onvermijdelijker verderf geweest. Den hinderpaal voorbij te snellen, was onmogelijk; want die hinderpaal was een slagboom; een oogenblikkelijke alarm, een schot, weergalmend geschreeuw, zou schielijk anderen hebben doen aannaderen, en—van verschillende zijden achtervolgd, ware de vlucht haar ten eenenmale ondoenlijk geweest.

—»Vader in den Hemel, help, red mij!« was hare stille bede: en ter zelfder tijd al hare vrouwelijke koenheid en tegenwoordigheid van geest verzamelende, stond zij stil en antwoordde koelberaden, doch niet zonder inwendige siddering:

—»Capitan!«—

—»Het wachtwoord!« zeide nu de schildwacht, terwijl hij, met de lont tegen de pan, Magdalena zoo dicht naderde, dat beiden geen twee schreden van elkander af stonden; en Magdalena, ofschoon ze zijne woorden niet verstond, maar des te beter begreep, antwoordt onverwijld:

—»Valencia!«

Dan, de volgende woorden en de beweging van den soldaat deden haar oogenblikkelijk zien, dat hare tegenwoordigheid van geest te vergeefs, dat het lot haar vijandig was. Het is waar, wel had eens in den Vlaamschen oorlog een krijgsman het wachtwoord geraden en was daardoor geslaagd in het overrompelen van den vijand. Doch dit was eene zeldzaamheid geweest. Eenmaal moge het geluk in zulke gevallen de vriendelijke hand uitstrekken—duizendmaal blijft de hand kil en onbewegelijk nederhangen.

—»Hoe, zegt gij?« vroeg de soldaat, op den toon van iemand die een antwoord niet duidelijk verstaat.

En Magdalena bemerkende, dat hij haar niet goed gehoord, en zij het bedoelde woord niet had, zeide nu:

—»Cuença.«

—»Gij kent het woord niet, en ik ken u niet,« sprak de Spanjaard, in zijn landstaal, terwijl hij den loop van zijn musket dichter bij Magdalena’s borst bracht. »Wie zijt gij? een Hollander—een rebel: gij zijt mijn gevangene.«

Ofschoon Magdalena het Spaansch niet verstond, begreep zij maar al te zeer den zin der woorden, die een donderslag voor haar waren. Plotselijk werd de liefelijke toekomst, die zij reeds gedroomd had, met een sluier overtogen en elk aanminnig beeld, dat reeds voor haar ziel zweefde, nam eene spookachtige gedaante aan. Nu dreigde de moed haar te ontzinken, alle kracht van haar te wijken en zij sloeg het oog naar den Hemel, als de eenige plaats van waar nog redding kon komen. Onbewegelijk hield de soldaat den loop van zijn geweer op hare borst gericht als eene schrikinboezemende waarschuwing, dat hij, bij de minste poging tot ontvluchten, de brandende lont op de geopende pan zou neerslaan, en het was wellicht die dreigende houding, welke haar kracht gaf om nog staande te blijven.

—»Wie zijt gij?« herhaalde de schildwacht, die met zich zelven in strijd scheen, hoe hij het zou aanleggen om op zijne gevangene de overmacht te behouden; want er zou nog ruim een halfuur moeten verloopen eer hij afgelost werd, en ofschoon hij wel zag, met geen gevaarlijken persoon te doen te hebben, vermoedde hij echter nog niet, dat de zoogenaamde capitan eene vrouw was.

—»Bij San-Jago! gij zijt een Hollander, een muiter,« sprak hij nu, toen zij niet antwoordde, met een gebroken Hollandschen tongval. »Gij zijt geen capitan; gij hebt u vermomd.«

Magdalena thans hoorende, dat de soldaat een weinig van hare landstaal verstond, greep plotseling weer moed. Levendig besefte zij, dat alle weerstand of de geringste poging om te ontvluchten ijdel zou zijn. Maar nog eene flauwe hoop schemerde haar door den nacht tegemoet.

—»Ik ben uit Haarlem,« zeide zij, »en diep rampzalig, zoo gij mij gevangenhoudt. Ik ben ontvlucht uit het Huis Ter Kleef, waar uw bevelhebber mij gevangen hield. Wees mij tot hulp, en eene groote rijkdom zal uw loon wezen.«

—»Dat liegt gij,« zeide de soldaat in gebroken doch tamelijk verstaanbaar Hollandsch, »daar, uit dat huis gevlucht, waar gij gevangen waart?.... dat is onmogelijk. Wie zijt gij dan? Bij de heilige moeder Gods.... gij spreekt met eene vrouwenstem, gij capitan, zonder baard....«

—»Ik wil mij niet redden door logentaal, soldenier!« zeide Magdalena, »ik ben eene vrouw, en van deftigen staat. Mij naar Haarlem begevende, werd ik overvallen, en hoewel niets euvels gebrouwen hebbende, in dit huis bewaard: het geluk was mij gunstig ter ontkoming en nu bid ik u, stort mij in geen dieper leed: ik zal uwe hulp vergelden door eene wichtige som, door al den schat, dien ik heb.«

—»Als gij die Eefvrouwe (edelvrouw) zijt,« sprak de schildwacht, »dan ontkomt gij mij niet, al gaaft gij mij een paar honderd kronen; want bij mijne ziel! zoo ik verraden werd, zou señor Frederik mij voor die kronen duizend dooden doen sterven. Ik weet, onder wat vaandel ik dien.«

—»Die som zal ik u geven, soldenier!« hernam zij, »en gij hebt niet te schromen, dat gij komen zult in ongelegenheid. Wie toch zou uw verrader zijn?«

—»Twee honderd kronen!« mompelde de soldaat, »het is eene stevige som in dezen tijd, maar om er mijn kop aan te wagen....« En hij peinsde eenige seconden, eer hij hoorbaar antwoordde.

—»Verraden, zegt gij? verraadt tegenwoordig de broeder den broeder niet? En zijt gij geene Hollandsche? Gij Hollanders haat de Spanjaards als de pest. Wat zou u terughouden, als gij in veiligheid waart, om señor Frederik te doen weten, hoe gij hem verschalkt en zijne schildwacht omgekocht hebt? Neen, ik laat u niet gaan, ik ken mijn plicht.«

—»Foei!« sprak Magdalena, »wie zou zoo snood wezen, te verraden, wie hem redt? Daar leeft een God, die het zou straffen: en bij dien God zweer ik, u nimmer te zullen verraden, door woord, of schrift, of het minste gebaar.«

—»Neen! ik laat u niet gaan,« zeide de Spanjaard, terwijl hij den loop van zijn musket nog eene handbreed dichter bij hare borst bracht, als om meer kracht aan zijn woorden bij te zetten: de geringste verdachte beweging en—het ware met haar leven gedaan.

—»Voor zoo groot eene som niet, onder zoo een eed?« vroeg Magdalena, zich alle geweld aandoende om haren moed te behouden, »waardoor verdiende de Hollander, dat gij zoo zwart van hem denkt? Het vinnigst vuur van oorlog kan hem zoo laag niet doen wezen. Hoor mij, soldenier! wees edel en doe mij niet vallen in diepen afgrond.«

—»Ik kan niet, want al word ik niet verraden door u.... toch ontging ik den strop niet: gij kunt niet uit dat huis vluchten, of gij moet dezen weg gaan, waar men posten heeft uitgezet, en schoon ik wel kans zou zien, om u van hier in veiligheid te brengen, moest gij toch mij, als de eerste schildwacht, voorbij; »gij hebt geslapen of gij zijt omgekocht,« zou men mij tegemoet voeren, en bij Spanje’s patroon! eer het middag werd, zouden aan de galg de raven mij de oogen uitpikken.«

—»Peins toch, peins op een middel of gij u niet dekken kunt voor straffe!« smeekte Magdalena.

—»Daar is er geen.«

—»Er moet toch nog een ander pad ter uitredding wezen.«

—»Neen! alle zijn met schildwachten bezet.«

—En nu stonden beiden weder een oogenblik zwijgend tegenover elkander. Wel bleef het niet uit Magdalena’s gedachten, hoe de Spanjaard het toch zou kunnen wagen, haar de vrijheid te bezorgen, wijl hij toch spoedig afgelost worden en het altijd moeilijk te bewijzen zou zijn, op welk uur zij ontvlucht was. Doch te midden van het dreigendst gevaar verloochende zij haar edel hart niet. Zij wilde niet, dat een onschuldige, schoon dan ook een Spanjaard, voor haar den dood zou ondergaan: zij wilde hare vrijheid niet ten prijs van iemands verderf, die aan hare vlucht geen zweem van medeplichtigheid hebben zou, en zij uitte die gedachte dan ook niet, schoon haar de bangste toekomst voor den geest zweefde. Dan, zij behoefde zulks niet te uiten. De soldaat, hoezeer ook weigerende haar behulpzaam te zijn, berekende toch alles wat uit zijne handelwijze zou kunnen voortvloeien: pijnbank, dood, geldelijke belooning; eer en misschien ook voordeel, wanneer hij haar niet liet ontkomen, ofschoon dit laatste alsdan nimmer zoo aanzienlijk zijn zou. Eer en voordeel! dat zijn machtige kampvechters tegen hem, bij wien de schaal van het laatste zwaarder is dan die van het eerste. Ook hier sloeg de balans tot het laatste over, te meer, omdat dit zekerder scheen; doch het voordeel moest nog grooter worden, en dat kon het alleen, door het gevaar nog zwarter voor te stellen, dan het was; want dit toch had hij reeds gewogen en getoetst, dat het gevaar minder groot voor hem was dan de hoop, om den strop te ontgaan: eenmaal uit het Huis Ter Kleef zijnde, stond toch nog de weg naar het huis Brederode ter ontvluchting open, en, zoo al niet, waarom zou dan die vlucht hebben plaats gehad, juist in den tijd, dat hij zich op dien post had bevonden?

—»Zoo ik den weg had genomen naar het huis Brederode,« zeide Magdalena, »dan toch zou ik hier niet gestuit zijn, schoon ik dan ook op onzekere baan ware gegaan.«

—»Onmogelijk!« sprak de Spanjaard, hoezeer wetende dat de veldzijde naar dien kant wel te begaan was zonder op schildwachten te stuiten, »geen vijftig schreden ver, of gij waart een veldpost in den mond geloopen.«

—»Rest u dan geen middel, om mij tot hulp te wezen?« vroeg Magdalena op smeekenden toon, »zonder dat gij of een uwer makkers in leed komt? Och! peins er aan, wat lot mij toeft, zoo ik weder in de macht val, die ik ontvlucht ben. De tijd vordert spoed: al wat ik bezit, is het uwe; red mij slechts, red mij.«

—»Welaan!« zeide nu de Spanjaard, »ik waag er den kop aan, omdat ik misschien Salamanca toch niet meer zal wederzien: ik zal de soldateneer met den voet schoppen, u in veiligheid brengen en daarmede zal ik mij zoeken te redden, dat niemand mijn post is voorbijgegaan, wien het wachtwoord onbekend was. Maar de som, waarvoor ik het waag, moet grooter zijn; tweehonderd is niet genoeg.«

—»Vorder, spreek, ik heb kleinooden van waarde bij mij,« zeide Magdalena, »en wat gij meer wilt, zweer ik, dat u geworden zal, zoo gij daartoe een middel aanwijst.«

En nu wilde zij hare kostbare gouden keten te voorschijn halen, terwijl de Spanjaard echter nog scheen te aarzelen, toen er plotselijk bij het Huis Ter Kleef een schot viel, hetwelk bijna tegelijkertijd door een zelfden knal werd opgevolgd.

—»Dat is onraad! vervloekt! dat geldt u,« riep nu op eens de soldaat.

—»Mij?.... Almachtige God!« riep Magdalena sidderend, als trof dat schot haar, »red mij, red mij, of het is te laat.«

—»Te laat is het nu reeds!« zeide de schildwacht, »men heeft uwe vlucht ontdekt; dat is zeker en gewis.« En terwijl hij het laatste woord uitte, klonken twee, drie schoten op verschillende afstanden, vermengd met een luid geroep en geschreeuw, dat door de stilte van den nacht een akeligen toon gaf en door de echo’s van het veld niet minder akelig teruggekaatst werd.

—»Dan ben ik verloren!« riep zij, terwijl ook reeds de naastbijzijnde schildwacht zijn geweer afschoot en eenige verwarde stemmen plotselijk naderbij kwamen.

Vergeefs deed de ongelukkige vrouw andermaal eene poging om zich staande te houden; vruchteloos beproefde zij moedig te blijven: hare krachten ontzonken haar. En geen wonder! Magdalena, hoe fier, hoe kloek, was echter eene vrouw. Haar gevoel was, vooral op dien dag, met te onafgebroken schokken aangerand. Het licht was opgegaan voor haren geest, doch door schaduwen beneveld geworden. Die schaduwen waren weder verdwenen en door een helderder licht vervangen geworden. Maar te midden van dat licht had zich eensklaps eene duistere wolk vertoond, en een bliksemstraal was er uitgeschoten. Die straal had haar getroffen, al hare leden verlamd en het op eens donkerder voor haar doen worden dan ooit; het bewustzijn was haar ontvloden.


Hetzij Frederik, in weerwil van Magdalena’s eed, twijfelde, dat zij den moed niet zou hebben, de haar bedreigende folteringen den volgenden dag af te wachten, hetzij eenig wantrouwen, waarvan hij zich zelven geen grond wist te geven, eensklaps in hem opgerezen was, of dat hij wellicht door andere taal haar tot eenig besluit wilde nopen, althans voordat hij zich ter slaap begaf, voelde hij zich gedrongen, andermaal naar haar verblijf te gaan, en men kan zich zijne verbazing, zijn schrik, zijne woede voorstellen, toen hij de vroegere bidcel ledig vond. Driftig en sidderend van gramschap en teleurstelling, was hij onderscheidene malen het vertrek, als het ware, doorgevlogen, zonder vermoeden op te vatten over de wijze harer ontkoming. Hij zag daar het vrouwengewaad, waarvan zij zich ontdaan had, verspreid op den grond liggen, en in zijne verbittering schopte hij het verachtelijk met den voet. Toen had hij met forsche stem haren naam geroepen, doch niemand had geantwoord. Daarna had hij andermaal als een razende de cel doorgezocht, geschreeuwd, getierd en gevloekt, doch haar niet gevonden, wier ontvluchting hij geheel onmogelijk waande. Op zijn geroep waren vervolgens Marco en de suppoost toegeschoten. De laatste was bij het hooren van het gebeurde eensklaps zoozeer door angst en schrik aangegrepen geworden, dat hij op don Frederik’s onstuimige vragen niet kon antwoorden, en zijne tong letterlijk als verstomd was. Marco poogde te vergeefs de woede van zijn neef te beteugelen; deze luisterde niet meer, en zonder dat men nog het middel der ontvluchting vermoed had, was er in dat gedeelte van het Huis Ter Kleef een hevig rumoer ontstaan. Op Frederik’s bevel ijlde Marco aanstonds naar buiten, om de wachten van het gebeurde te onderrichten en, zoo mogelijk nog de verdere vlucht te verhinderen. In een oogenblik had zich dat bevel langs de gansche linie van schildwachten herhaald: schoten knalden als het gewone teeken van onraad, en men zou gewaand hebben, dat er plotseling een uitval van de belegerden plaats greep, en dat de Spanjaards aan verschillende kanten overrompeld werden. Verscheidene, bijna de meeste officieren, waren toen insgelijks naar buiten gesneld, en onder hen bevond zich ook Venavides, die zich echter geenszins beangste, wijl hij niet twijfelde of Magdalena zou reeds lang in veiligheid zijn.

Eenige minuten had rondom het Huis Ter Kleef reeds die ongewone beweging voortgeduurd, en boven aller stem klonk die van don Frederik uit; want niet slechts, dat hij in Magdalena’s gevangenschap grootelijks belang had gesteld, er was hem nu ook ten hoogste aan gelegen om den schuldige te kennen, die in hare vlucht de hand had geleend, en dezen zwoer hij, bij ontdekking, de zwaarste straf.

Intusschen waren een anspessado en drie soldaten bij de schildwacht gekomen. Daar hadden zij den vermomden Spanjaard bewusteloos gevonden, en in korte woorden had de schildwacht hun het gebeurde medegedeeld. Een der soldaten had hem toen afgelost, en onder de hoogste verbazing, doch geene mindere vreugd tevens, dat zij de vluchtelinge in handen hadden, keerden zij van die plaats naar het Huis Ter Kleef terug, Magdalena gezamenlijk dragende, zonder dat deze eenig besef had van hetgeen er met haar plaats greep.

—»De vogel is gevangen!« riep de anspessado, eenige schreden vooruitsnellende naar het voorplein, waar zich Frederik met de meeste officieren bevond, nog altijd lucht gevende aan zijne gramschap, onder dreigingen tegen den onbekenden handdadige van het feit.

—»Wat!« riepen eenige der bevelhebbers den anspessado als uit één mond toe, en tegelijk werden diens woorden aan Frederik herhaald, terwijl ook de soldaten met de bewustelooze vrouw inmiddels naderkwamen.

—»Vervloekt, wie hier den spot drijft!« zeide Frederik, »men heeft haar gevangen?«

—»Zoo waarachtig als ik leef, señor!« zeide Marco, op wiens gezicht men eene duivelsche vreugd zou gezien hebben, wanneer de duisternis van den nacht dit had vergund; »daar is zij.«

—»Waar is de veldheer?« vroeg de anspessado.

—»Hier!« klonk het.

—»Señor!« sprak nu deze, terwijl hij naderkwam, en links en rechts door officieren omringd, »de vluchteling is in handen;—aan de schildwacht Gonzales al de eer!«

—»Dan zal hij beloond worden! Waar is hij?« Te gelijker tijd bracht men eene toorts aan, die nu haar schijnsel op de geheele groep wierp en aller verwondering tot de hoogste verbazing deed klimmen, toen men in den bewusteloozen en gewaanden Spanjaard de trekken van Magdalena herkende.

—»Zij is dood!« liet zich uit sommiger mond hooren.

—»Dat is een Spanjaard zooals wij!« hoorde men van eene andere zijde.

—»Wat klucht moet dat wezen?« riepen eenigen, en de Spaansche moedwil en spotlust verloochende zich ook thans niet.

—»Stilte! ik beveel het,« zeide Frederik met eene zware stem, »hier geen spot! en geen raadsel is deze zaak. Ik doorgrond haar; ik heb haar doorzien. Onder het leger des konings schuilen verraders. De dood aan den schuldige, eere voor den ontdekker van het verraad.«

—»Señor!« zeide Marco, terwijl zijn valsch oog iemand scheen te zoeken, »dat is het gewaad van een Spanjaard; daar zou men hem spoedig door kunnen ontdekken.«

De man, dien Marco zocht en tegen wien eensklaps zijn argwaan was opgerezen, bevond zich op dat oogenblik achter Romero en De Auecia; en die man was don Pedro de Venavides. Te edel en te groot om een huichelaar te zijn, schreef de noodzakelijkheid toch Venavides voor, dat hij allen schijn van zich moest weren. Bijna verplet stond hij daar; want zulk eene rampzalige uitkomst had hij niet verwacht. Wat moest hij thans niet vreezen? Een nog ijselijker lot over haar, die hij gered had, eene schandelijke verguizing van zich zelven, zoo Magdalena eens zwak genoeg zijn mocht, hem als haren redder te vernoemen.... zoo Frederik haar eens de vrijheid mocht aanbieden, wanneer ze den man—de oorzaak harer vlucht kenbaar maakte. En dat zulk eene handeling was te verwachten, daartoe—al kende hij ook al de plooien en groeven van dat karakter nog niet—daartoe kende hij den zoon van Alva genoeg.

—»Dood!....« zeide Frederik, met eene schimpende verachting in zijn stem. »Neen, die duif is niet dood, al heeft de havik haar in den klauw gehad! Zij zal weer bijkomen, en scherper klauwen zullen haar aangrijpen. Señor Marco! laat haar in de kooi terugbrengen; dat vrouwengewaad, dat ik verschopt heb, zal dien mom weer vervangen. Zij worde streng bewaakt. Gij zult er mij borg voor zijn.«

Eene buiging, met een veelbeteekenenden satanslach vergezeld, was het antwoord. De bewustelooze werd naar de bidcel teruggevoerd.

—»Blijf!« zeide Frederik tot den schildwacht, die zich verwijderen wilde.

Deze gehoorzaamde.

—»Hoe is uw naam?«

—»Lorenzo Gonzales, señor

—»Gij hebt haar gevat?«

—»Ja, señor! hij—ik meen zij, wist het woord niet.«

—»Wel gedaan: dat bewijst, dat gij een Spanjaard zijt, dat gij uw plicht kent. Wie was bij haar?«

—»Zij was alleen.«

—»Van welken kant naderde zij?«

—»Van den boomgaard, señor

—»Hoe laat?«

—»Nu ruim een uur geleden.«

—»Ha! men wist dus niet, dat langs dien weg posten uitgezet waren?«

—»En zij liet zich grijpen, zonder wederstand?« vroeg hij verder, »men heeft niet getracht, u, door omkooping een schurk te doen worden?«

—»Dat zou ik meenen, señor!« antwoordde de soldaat, »bidden en smeeken, dat een steenklomp er bij gehuild zou hebben: »vijfhonderd kronen zou het mij in den zak gejaagd hebben. Maar bij Onze Lieve Vrouw! ik ben een Spanjaard van Salamanca

—»Is dat geene logentaal?« vroeg Frederik scherp.

—»’k Zweer het bij de heilige moeder Gods!« was het onbeschaamde antwoord.

—»Dan geloof ik,« zeide Frederik, »en daarom zult gij van nu af anspessado zijn. Gij kunt gaan.«

Dat was de Castiliaan, die ter handhaving van de eere Gods Nederland kwam teisteren, voor wien een eed bij de vlekkelooze moeder van Christus nog minder was dan eene waterbel.

—»Bij God en den koning, señores! dat herhaal ik, «zeide nu Frederik, »dat er onder het leger van den hertog verraders schuilen. Daar zijn er, die heulen met de rebellen, dat zweer ik. Die vrouw kon niet vluchten, zoo de eene of andere ellendeling haar de hand niet geleend had. Maar ik zal hem uitvorschen, zoo waarachtig als ik Maestro del Campo ben, en al ware hij een ridder, al ware hij een prins, hij zal den strop niet ontgaan.«

Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich met trotsche schreden en met dreigende gebaren. De officieren verspreidden zich vervolgens insgelijks; doch ofschoon nog een groot gedeelte van den nacht voorbijging met gesprekken over het gebeurde en gissingen wie Magdalena’s medehelper zijn mocht, bleef voor allen, slechts één uitgezonderd, het raadsel onopgelost.