VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Moog Ripperda den wal verweren

En met het staal den vijand keeren,

En pal staan in ’t noodlottigst uur,

Een Kenau bliksemt met den degen,

En staat de woeste stormers tegen,

En dondert hen van wal en muur.

Inmiddels werd de Janspoort en de naaste courtine bestormd door een man, wien het evenmin aan moed als aan beleid ontbrak. Het was de Portugees Gaspar de Rubles, een zoogbroeder van den koning van Spanje, en stadhouder van Philippeville. Gemeenlijk werd hij de heer Van Billij genoemd, omdat hij deze heerlijkheid had behuwd. Het was die zelfde krijgsman, die nog bij de Friezen in dankbare gedachtenis staat, omdat men, na den vernielenden Allerheiligenvloed het aan zijne geestkracht had te danken, dat er van Makkum tot aan Dijkshoek, eene uitgestrektheid van vijf uren, een stevige zeedijk werd aangelegd.

Hij was een hevig vervolger der onroomschen en had in vroegere gevechten blijken van dapperheid en beleid gegeven. Thans had hij reeds den rang van bevelhebber, en gewoonlijk voerde hij de Walen aan, die den eernaam droegen van »de rappe Walen van Billij.« Vergeefs echter is iedere poging om zich van de Janspoort meester te maken. Telkens wordt hij afgeslagen; telkens wijken zijne Walen met bebloede koppen terug.

Met de ijssporen aan de voeten, met musketten, spiesen, dolken en klingen gewapend en met eene menigte stormladders toegerust, had don Ferdinand, de bastaardzoon van Alva, zijne Spanjaards en Duitschers naar het ravelijn aangevoerd. Evenmin als don Frederik bij de Nederlanders bemind, en van de grootste meerderheid gehaat, nadat hij de verraderlijke hand had geleend om den edelen Hoorne gevangen te nemen, was hij echter bij de Spanjaarden meer gezien dan zijn broeder. Don Frederik vreesden de soldaten, omdat ze zijne strengheid en wraakgierigheid kenden. Don Ferdinand hadden zij lief, omdat hij bij zijne doorgaande minzaamheid jegens hen, hun nu en dan eenige gunsten bewees. Fier en vermetel op zijn rang en zijne macht, durfde Frederik somtijds hun eergevoel verguizen of kwetsen; don Ferdinand was niet zelden hunne voorspraak en eerde niet minder den rang van soldaat dan dien van capitan. En echter, wanneer Ferdinand met dreigen en vloeken hun eenig bevel hadde gegeven, zouden de meeste soldaten het met een grimlach in den wind hebben geslagen, terwijl zij niet aarzelden, water en vuur te trotseeren, wanneer het dreigend bevel in een minzaam verzoek werd veranderd. Maar met honigzoete of fluweelen woorden van Frederik zouden die zelfde soldaten scherts en spot hebben gedreven, terwijl de koenste hunner voor zijne dreigtaal sidderde en aan de gevaarvolste taak oogenblikkelijk de hand sloeg.

—»Brave makkers!« sprak don Ferdinand hen aan, »ik ken u aller moed en stoutheid: voor Bergen heb ik er het schitterendst blijk van gezien. Sedert dien tijd voerde ik u niet aan; ook voor Haarlem’s wallen is dit thans voor het eerst. Op die wallen zijn ketters en muiters, ook de verraders van Bergen, die wij allen den dood hebben gezworen:—maar de meesten hunner zijn helden, die evenmin als gij, den dood vreezen; en, als waren er van deze nog niet genoeg, zoo hebben ook vrouwen zich aan hunne zijde geschaard. Veracht die laatsten niet; want de vrouw is te vreezen, als zij woedt. Voort, brave makkers! geeft mij, zoo het kan, een dubbel blijk van uwe dapperheid. Het is voor den koning en voor het heilig geloof.«

—»Voor den koning en voor het heilig geloof!« herhaalden de soldaten, »wij vreezen geene muiters; wij vreezen geen dood!«

De Sapata, Valdez en Marco voeren hunne vendels aan; maar nog zien wij een ander Spanjaard, dien de lezer niet bij den storm tegenwoordig waant. Het is Venavides. Wel is de krijgsraad over hem vergaderd geweest; wel heeft Frederik van spijt gebeefd, Marco van woede op de tanden geknarst; maar Venavides is nog in dienst van Spanje: dat zal hij den Haarlemmers toonen. Met de meerderheid van eene stem was de uitspraak »vrij!« eene stem minder—zij ware verlies van rang geweest. Venavides had vrienden en vijanden,—één vijand meer en Marco had getriomfeerd. Deze uitspraak met betrekking tot Magdalena’s vlucht was echter afgescheiden geweest van het feit in de tent van Frederik, en in dit laatste opzicht was aan Venavides acht dagen gevangenisstraf opgelegd geworden, met verbeurte van eene maand soldij. Doch die zelfde straf was ook aan Marco ten deel gevallen, en dit had diens verbittering tot gloed aangeblazen. Reeds was de laatste dag van de maand bepaald geworden, dat Venavides en Marco persoonlijk den degen zouden kruisen: doch ook de storm van dien dag was bepaald en—het lot had besloten, dat een hunner in dien storm zou vallen.

Intusschen wemelt het op de bevrozene gracht, waar ook Venavides zich bevindt, van krijgslieden met scherpe ijssporen aan de voeten; weldra weergalmen de kreten van aanval en weerstand, de leuzen van Spanje en Haarlem; Alva’s dapperen bestormen de helden van Ripperda.

Geestdrift en moed blonken in Kenau’s oogen, toen zij den vijand gereed zag, met talrijke overmacht den wal te beklimmen. Reeds meer dan eens had zij hare moedige schaar al het gewicht der stoute taak voor oogen gehouden; meer dan eens had zij allen, die tot haar vendel behoorden, vermaand, zich ieder uur gereed te houden, daar spoedig de dag zou aanbreken, waarop ook zij bewijzen zouden moeten geven van hare liefde voor de vrijheid der stad:—en die dag was gekomen; de laatste van louwmaand zou den vijand doen zien, hoe ook vrouwen te duchten zijn, als het datgene geldt, wat haar het liefst en dierbaarst is.

—»Vrouwen van Haarlem, ’t oog op den Spanjaard,« roept Kenau, »de wallen zijn deerlijk gekneusd; en met geweld aanvallende, zou ’t hem kunnen gelukken, vasten voet te winnen. Waar gij hem ziet naderen, dáár hem met spies en bus gekeerd! waar hij forsch aandringt en opstuwt, grijpt gij pekkrans en stormkolf, en overhoopt hem met water en vuur. Maar niet woest of onbesuisd! Als zijne macht veld wint, in spijt van het krachtigst verweer, daar laat gij af; het oog dan naar Kenau gewend en achterwaarts naar den nieuwen wal; daar zal hij boeten wat hij hier won; wat hem hier overwinning dunkt, zal hem daar nederlaag zijn. ’t Is voor Haarlem! ’t Is voor de vrijheid! Leve de prins! leve Ripperda

Door de meesten worden die kreten herhaald. Geertruida van Brederode zwaait met geestdrift het vaandel van Haarlem, en mocht bij sommigen, op den aanblik van het gevaar, al eenige vrees binnensluipen, geen oog verraadt die: aller oogen richten zich op Kenau; want schoon voor het eerst door haar aangevoerd, schijnt het vertrouwen op haar reeds onwrikbaar te zijn.

—»Voorwaarts, ten storm!« gebiedt don Ferdinand; en nu snellen de vier genoemde Spanjaards aan het hoofd hunner benden op den muur los.

De latere belegeraar van Leiden voert zijne soldaten op het punt aan, waar Matthijszen en Pellekaen gereed zijn, hen te ontvangen—waar Kenau met de vrouw van burgemeester Kies en eenigen van haar vendel den vijand afhouden.

—»Als wij zulk een storm doorstaan,« zegt Pellekaen tot Matthijszen, »dan zal het een wonder heeten.«

—»Naar dat wonder streven wij,« is het antwoord, »hoe grooter gevaar afgekeerd, hoe grooter de glorie. Maar geef acht: de musketiers hebben het op ons verzien.«

Terwijl hij dit zeide, vielen een drietal Haarlemmers gelijktijdig gewond neder, en een kogel floot zoo dicht langs Matthijszen’s oor, dat het zonderling geluid hem onwillekeurig deed omzien. Zij, welke dit musketvuur gaven, hadden op het ijs, op eenige schreden van den wal, bewegelijke schermen en eene menigte rolkorven aangebracht, ten einde de belegerden veilig te kunnen bestoken. Eenige oogenblikken gelukte dit naar wensch; want ook op het punt, waar zich Steenbach en Asinga bevonden, waren twee verdedigers zwaar getroffen geworden. Maar nauwlijks heeft de busschieter Willem Cornelisz deze gevaarlijke vijanden in het oog, of hij verandert de richting van zijn slangstuk.

—»Laadt, kanonniers!« roept hij, »van den wal kunnen wij die honden niet keeren; maar geven wij ten minste die kwaadstokers achter de schermen de volle laag.«

Dit gebeurt, en zoo juist is reeds de eerst genomene richting en het eerste schot van den ervaren busschieter, dat er achter de beweegbare scherm eene plotselinge verwarring ontstaat, en men bij het optrekken van den kruitdamp duidelijk ziet, hoe ettelijke vijanden dood of gewond zijn.

—»Eene les voor hen!« zegt Cornelisz, »maar die kerels zijn duivels. Zie! daar kruipen weer anderen achter het scherm, meteen branden zij weer los.«

Zoo was het ook. Opnieuw worden eenige verdedigers getroffen: maar wederkeerig laat ook Cornelisz het slangstuk met vrucht spelen.

Intusschen trachten Valdez’ soldaten met geweld den wal te beklimmen: doch hoe laag op dit punt de gebeukte kruin ook moge zijn, zoo gaan de verdedigers hen met hunne spiesen en stormkolven wakker te keer, terwijl Pellekaen eene dapperheid aan den dag legt, die de grootste tegenstelling vormt met zijne angstige voorgevoelens, ook van dezen morgen.

—»Voor vrouw en kind, broeders!« roept hij de zijnen toe, »ontziet kruit noch lood, waar het Haarlem geldt en vreest de overmacht niet. Vuur, Kenau Simons! op de rechterflank. Voor Ripperda! wakker aan!« En aan den rand der borstwering brengt hij nu dezen, dan genen vijand een doodelijken slag toe; doch het is niet op één punt, dat hij de Spanjaards aantast. Als een bliksemstraal schieten zijne oogen ter rechter en linker. Niet zoodra heeft hij hier met eigene hand een aanvaller doorstoken of hem op de stormladder doen duizelen, of hij snelt eenige schreden verder om een anderen stroom te stuiten; geen zwaardslag of halve piek schijnt hem te kunnen treffen; iedere kogel snort hem voorbij als ware hij onkwetsbaar, en echter had hij dien dag reeds menigen vriend de hand gedrukt onder de waarachtige overtuiging, dat de zon van dien dag over zijn lijk zou ondergaan.

—»Op mijne eer! het is, of die kerels van onder tot boven van staal zijn,« spreekt Valdez tot een anspessado, van wien reeds ettelijke soldaten door Kenau’s heldinnen met pekkransen en olie verschroeid zijn, »op, soldaten! dat men ons niet hoonend naschreeuwe, door vrouwen verjaagd te zijn. Honderd kronen en de rang van anspessado voor hem, die het eerst voet op den wal zet.«

—»En zoo dit aan een anspessado gelukt, señor?« vroeg een breed geschouderd krijgsman van dien rang.

—»Dien beveel ik den veldheer aan,« zeide Valdez, »ik twijfel niet, of deze zal hem dien rang geven, welke hij waard is, en die niet in mijne macht staat.«

—»Leve de koning!« roept de onderofficier, »moge hij mij den rang van capitan geven of niet ... ik ga in den dood.« IJlings eenige soldaten, die eene nieuwe stormladder aangevoerd hebben, met zijn schild op zijde duwende, klimt hij moedig omhoog; vier zijner makkers volgen hem op den voet en anderen dringen aan.

—»Voor Spanje!« roept hij luid en zwaait het rapier boven zijn hoofd: maar het scheen besloten, dat de anspessado sterven zou in den rang, welken hij op dat oogenblik bekleedde. Matthijszen ziet, hoe een nieuwe vijand op het punt is, om op een laag gedeelte van den wal vasten voet te krijgen. Snel verlaat hij de plaats, waar eenige bestormers door Kenau’s vrouwen afgekeerd worden, en op den anspessado aanspringende, brengt hij dezen een slag op den stormhoed toe. Hoe krachtig de botsing ook was, zou de anspessado die echter weerstaan hebben; doch op eens heeft er een ander tooneel plaats. Plotseling laat zich een zware schok hooren; de plaats, waar Matthijszen is, eene roede in den omtrek, splijt en scheurt vaneen; te gelijker tijd wordt de anspessado met hen, die zich op de stormladder bevinden, eenige schreden ver op het ijs geworpen, en zwaar gekneusd en gewond, geven zij geen teeken van leven meer. Op dit gezicht heffen de Spanjaards kreten van schrik aan, en onder de verdedigers gaat insgelijks een angstig geschreeuw op; want Matthijszen benevens vier der zijnen worden verscheidene voeten omhoog geslingerd, en—men waant hen verloren.

—»Staat bij, staat bij! daar barst eene mijn los!« klinkt het.

—»Terug, terug! de dood onder onze voeten!« En inderdaad! van de onderscheidene door den vijand gegravene mijnen onder den buitenwal, laten de vijanden er op dat oogenblik eene springen; doch hetzij door onvoorzichtigheid, hetzij door toeval, was de ontploffing voor hen zelven noodlottiger dan voor de Haarlemmers. In plaats dat de wal op dat punt rechtstandig opspleet en eene wijde gaping vormde, welke allernoodlottigst zou geweest zijn voor hen, die zich op deze hoogte bevonden, had de losbarsting naar de buitenzijde plaats en bovendien niet met dat geweld, waarop de vijand gerekend had; toch was de kracht der naar boven springende aardmassa zoo groot, dat Matthijszen en de overigen er insgelijks door opgestuwd werden. Geen hunner werd echter bij het nedervallen in den kuil gewond, doch voor het oog hunner makkers verdwenen, waanden deze hen ontwijfelbaar verloren. En gewis, wanneer het ongeval den Spanjaard niet een oogenblik verrast had, zou het met Matthijszen gedaan zijn geweest, terwijl hij thans met de zijnen slechts vier voeten boven de gracht op den omgewroeten bodem was getuimeld. Hoewel verdoofd of bewusteloos door den slag, kwamen echter allen weder op de been, en Matthijszen met zijne makkers weder te voorschijn.

De een had zijn stormhoed, de andere zijn rapier, doch niemand het leven verloren, maar zoo zij op dat oogenblik eenige gedachten hadden, dan was het wel de gedachte aan den vijand; want met driftige stem beval don Francisco de Valdez:

—»Naar die bres, soldaten! daar beklimt gij den wal!«

—»Leve de koning!« schreeuwen de Spanjaarden, en als een stroom op een zwakken dam, schieten zij naar de losgebarstene mijn. Hier snellen sommigen met hunne stootdegens aan; daar rukken anderen met hunne halve pieken insgelijks op de bres los: en ginds stuwen eenigen de voorsten en middelsten onstuimig op, ten einde met de kolven hunner musketten den algemeenen aanval te ondersteunen.

—»Capitan Zimbro! neem mijne plaats in,« zegt Venavides tot den krijgsman, die op een vijf en twintig schreden van de mijn af naast hem staat en gereed is, een afgeslagen storm te hervatten. Een kort ja is het antwoord, en nu snelt Venavides naar Ferdinand, die nu hier, dan daar zijne bevelen geeft, ofschoon hij zoo wel op het eene als het andere punt niets dan nederlaag aanschouwt.

—»Daar alleen, señor! is de kans, dat wij voet op den wal zetten,« zegt de edele Spanjaard, op de mijnopening wijzende, »vergun ook mij daar den aanval en—bij St.-Peter! gij zult Venavides op Haarlem’s vest zien.«

—»Het zij u vergund, señor capitan!« sprak de aanvoerder, »maar toch twijfel ik aan den goeden uitslag. Die vrouwen zijn verderfelijk voor onze soldaten; zij brengen hun de meeste vernieling aan; zij behoeven in stoutheid voor de muiters niet onder te doen.«

—»Gij hebt gelijk, señor! zij vechten als leeuwinnen; ik bewonder haar en vooral de aanvoerster, die zij Kenau noemen. Maar, op mijne eer! wij zullen haar doen wijken, dat zweer ik.«

—»Voorwaarts dan, capitan! toon, wie gij zijt.«

—»Voorwaarts, soldaten!« beveelt nu ook Venavides, en ijlings stormen anderen de eersten achterna. Van mond tot mond klinken de bevelen der hoplieden, gelijk zoovele echo’s: het gevecht, hoe bloedig reeds, schijnt eerst thans met hevigheid aan te vangen; want ook op den wal vereenigen zich de verdedigers allengs hoe meer op dit bedreigde punt. Geertruida van Brederode snelt met het vaandel aan Kenau’s zijde derwaarts, en nu voeren de heldinnen de telkens aangebrachte brandstoffen naar dat punt, om er ook daar de aanvallers mede te overstelpen.

Intusschen had er eene gebeurtenis plaats, die de geestdrift der vrouwen niet weinig deed toenemen. Nadat de vrouw van burgemeester Kies nu hier dan daar den vijand afbreuk gedaan heeft, ziet Maria van der Laan hoe zij op eens hare zijde verlaat, en duidelijk hoort zij den uitroep: »Vuur op don Frederik!—op hem het musket!«

Niemand der soldaten schijnt deze woorden te hooren, en niemand schijnt ook, als zij te zien, hoe Frederik op dat oogenblik voor een schot blootstaat.

—»Eene lont!« roept zij, terwijl zij eene der vrouwen de bus uit de handen rukt en op Frederik aanlegt. Aan dit bevel wordt door eene der heldinnen gehoorzaamd. Bijna op hetzelfde oogenblik hoort men het knallen van haar schot, en te gelijker tijd zien eenige der verdedigers, hoe Frederik eene driftige beweging met den rechterarm maakt, en ijlings achter een der bewegelijke rolschermen verdwijnt.

—»Getroffen!« klinkt het onder eenige soldaten, »hij heeft het schot in de vlerk!«

—»Triomf voor Kenau?« laat het zich hooren.

—»Triomf voor de burgemeestersvrouw!« roepen anderen, »zij heeft den don eene erwt in de maag gestuurd. Glorie voor ’t vendel van Kenau Simons

—»Leve de vendrig!« klonk het echter eenige schreden dichter naar den kant van de Kruispoort; want men zeide, dat eigenlijk Hasselaar den bevelhebber gewond had. Hoe het zij, gaarne wilde de vaandrig afstand doen van deze eer; maar waarheid was het ten minste, dat Frederik op dat oogenblik door een musketkogel getroffen werd, en dat hij het alleen aan de metalen gesp van zijn gordel te danken had, dat de kogel slechts even in het vleesch doordrong. Een halve duim hooger en—het ware misschien met Alva’s zoon gedaan geweest.

Te meer bleek het, dat de kogel ten deele zijn doel had getroffen, aan de verdubbelde hevigheid, waarmede de Spanjaarden op het ravelijn aanstormden. Maar te krachtiger ook ging de dappere Brechte Proosten hem met hare vrouwen te keer.

—»Wakker aan, vrouwen van Haarlem!« liet zich de aanmoedigingskreet van Kenau hooren. »Voor ’t vaderland, voor ons huis!«

Op dat oogenblik was het, dat de vaandrig Hasselaar aan zijn vriend Kouseband zijn leedwezen betuigde, dat zijn vriend Michiel, wegens het daags te voren bekomene schot, thans aan den strijd geen deel nemen kon, toen hij dezen met drift op den walgang verschijnen en door Wittenberg gevolgd zag.

—»Leve hopman Michiel!« klonk het op dat zelfde oogenblik onder de verdedigers, bij wie hij zeer bemind was en die verheugd waren hem weder te zien.

—»Leve hopman Wittenberg!« riepen ook anderen, over diens komst nog te meer verwonderd, omdat men algemeen waande, dat hij van den lanssteek in zijne borst niet genezen zoude, terwijl Michiel daarentegen slechts eene wonde in de rechterhand had bekomen. Maar men wist niet algemeen, dat die wonde zoo kwaadaardig was, dat Michiel, ten gevolge van de hevige pijn, des nachts door eene zware koorts was aangetast geworden.

—»Bravo, hopman!« sprak Hasselaar, hem hartelijk de hand reikende, »gij gleedt mij daar fluks van de tong: en nu zie ik u oog aan oog. Bij St.-Hubertus! dat is kloek van u gedaan en vroom!«

—»Bij mijne ziel! ik kon het niet harden in huis,« zeide Michiel, »ik heb het rumoer al langer gehoord dan mij lief was, en had geene brandende koorts mij te lijf gevallen, gij zoudt mij reeds gezien hebben voor dag en voor dauw.«

—»Wil toch den adder in mijn gemoed niet aanraken,« hernam Hasselaar. »Voor dag en dauw was ik al zoo min hier als gij. Maar het gaat er hier Spaansch toe; blijft mij op zij, kompaan.«

Dit zeggende, laadde de vaandrig zijn musket, terwijl Michiel, het tooneel overziende, spoedig het besluit had genomen om Hasselaar op dit punt op zijde te blijven, dewijl hij begreep, den vijand door een welbestuurd musketvuur van de manschappen daar genoegzame afbreuk te kunnen doen, zijnde het dezelfde inspringende of doode hoek, waar hij gedurende den storm van twintig December zich zoo moedig gekweten had. Ook Wittenberg voegde zich bij deze musketiers, en geen twee minuten waren na hunne komst verloopen, of zij namen reeds een levendig deel aan het gevecht.

Forsch was in een kort oogenblik tijds de aanval op de gesprongene mijn; doch niet minder geweldig de wederstand van mannen en vrouwen. Oorverdoovend beukten de Namensche Vliegen op Haarlem; maar bijna even verdoovend was het kletterend of dof geraas der wapenen, het geroffel der trommels en het trompetgeschal. Men verbeelde zich die Spanjaarden met hun onverpoosd geschreeuw van España! of viva el rey, de aanmoedigingskreten der verdedigers en de onderscheidene tongvallen onder deze, die zich op somberen, wraakgierigen of woesten toon lieten hooren. Men stelle zich dit gansche tooneel voor van de Kruis- tot aan de Janspoort, een afstand van ongeveer tweehonderd en vijftig schreden, en men overzie die menigte krijgslieden om te kunnen begrijpen, hoe er bijna geen punt was, waar niet van den eenen kant geworsteld werd om den wal te bemeesteren, of van den anderen kant om den aanpersenden drom te keeren.—Nu was Ripperda op het eene, dan op het andere punt en waar men den rustigen Fries met het bliksemend oog zag verschijnen, waar men hem zijne korte maar krachtdadige bevelen hoorde geven, daar scheen ieder woord, iedere blik de geestdrift en den moed nog te verhoogen.

—»Voortreffelijk Cornelisz!« riep Hasselaar, toen die busschieter andermaal groote verwarring teweegbracht onder de Spanjaarden, die achter hunne bewegelijke schermen en rolkorven nu en dan nog al eenige verdedigers wonden toebrachten, »maar aan de bres gaat het vinnig toe. Kan ik dan dien reus met zijn vuurrooden vederbos niet neerleggen. Zie, hoe hij zich kloek houdt, en dat met éénen arm: bij Ripperda! ’t is dezelfde vogel, dien Cornelisz bij Spaarndam de eene vlerk afschoot: die was raak, Margottin! hij heeft het op u verzien; dat is de eene reus tegen den anderen: wakker aan, Margottin! men wil wel reppen, dat de prins nog geen kloeker hopman bij zijne garde gehad heeft.«

—»Vuur!« klonk het intusschen aan den inspringenden hoek, en ofschoon men voorzichtig moest aanleggen, ten einde met de vijanden niet tevens de verdedigers te kwetsen, zag men echter eenige der bestormers nedertuimelen; doch evenals de eene baar op de andere volgt, zoo ook werden zij, die in den dichten drom vielen, aanstonds door anderen vervangen.

—»Zaagt ge den moorder van mijne zuster niet?« vroeg Michiel, met denzelfden wraakzuchtigen toon in zijne stem, wanneer hij daaraan dacht, »’t genoegt mij weinig, dat hij een oog te min heeft: ik zie niet uit naar rust, voordat hij ook den kop kwijt is. Waar ziet gij hem? ik krijg hem niet in ’t vizier.«

—»’k Zag hem niet,« zeide Hasselaar, »maar gij zoudt het vandaag niet tegen hem harden, wanneer gij voet bij stek met hem hadt.«

—»Wat denkt ge van mij?« sprak Michiel met vuur, »al mis ik de rechtervlerk, ik zou hem met de linker ook het antwoord niet schuldig blijven. Wilde maar het goede geluk, dat ik eens handgemeen met hem kwam.«

—»Hou!« sprak Hasselaar, het oog steeds op de gracht gevestigd houdende, »hou, schelm! ik ben er ook.«

De Spanjaard, op wien die uitroep doelde, was de hatelijke Marco de Toledo, die in schuinsche richting met drift over het ijs spoedde, waarschijnlijk om don Frederik het eene of andere mede te deelen, of diens bevel te ontvangen.

—»Hij loopt als een, die bang is,« zeide Hasselaar, terwijl hij op hem aanlegde. Mikken en vuur geven was bijna ééne beweging en—Marco de Toledo viel op het ijs.

—»Hij heeft het weg,« riepen eenigen tegelijk.

—»Dat zie ik ook,« sprak Hasselaar, »een goed jager schiet het wild in den loop. Maar ik twijfel, of hem wel de botten gebroken zijn. Hij staat weer op; neen, hij kan niet! Geef acht; men komt hem te hulp....«

—»Vuur!« beval Michiel, maar het woord was nog niet uitgesproken; toen twee der Haarlemmers, door de verderfelijke dubbelhaken van den vijand gewond, naast hem nedervielen: juist had Wittenberg de plaats van een hunner een voetbreed verlaten: drie seconden later en—het schot had hem getroffen.

Terwijl Marco de Toledo naar de vijandelijke verschansing werd gedragen; terwijl Hasselaar, Michiel en Wittenberg bij den inspringenden hoek den vijand veel afbreuk deden, en men aan de geestdrift der beide laatsten niet kon bespeuren, dat zij daags te voren gewond waren geworden, zette men het gevecht aan de gesprongene mijn met wederzijdsche hevigheid voort.

Botsend en schokkend was het gewoel der dichte drommen èn op dat punt, èn ter linker- en ter rechterzijde. Waar de macht der verdedigers een oogenblik tekort schoot, zag men Kenau, wier heldhaftige blik nu naar dezen, dan naar genen kant gewend was, met eenige harer vrouwen den vijand onstuimig in de flank vallen, terwijl zij er reeds met eigene hand een doorstoken had.

Onder dezen dichten hoop bevond zich ook Stompwijk. Wij zouden hem noodeloos zwarter schetsen dan hij was, wanneer wij zeiden, dat hij zich aan het gevecht onttrokken had, maar evenmin vinden wij ook eenig uitstekend feit van hem vermeld. Daarenboven is er onderscheid in een gevecht op den voor- of achtergrond, in een strijd aan den rand eener steilte, waar een mistred doodelijk is, of op een vlakken bodem, waar het wijken in onze macht staat. Niemand had hem van rechtstreeksche lafheid kunnen beschuldigen; maar ook niemand had hem op eenig gevaarlijk punt ware dapperheid zien aan den dag leggen. Stompwijk’s toestand was geen der gemakkelijkste. Zijne rol was die van een huichelaar en veinsaard in de volle beteekenis, en als een zoodanige, wegens de goede vervulling zijner rol, eenigen lof waardig is, dan mocht hij, de verrader, er aanspraak op maken. Zich behendig wachtende om niet aan ’s vijands dubbelhaak- of musketvuur bloot te staan, ontbrak het hem tevens niet aan woorden om de zijnen aan te moedigen en zijn haat en zijne verbittering op den Spanjaard op het blijkbaarst aan den dag te leggen.

—»Voor Haarlem! voor Ripperda!« riep hij luide, »wakker aan, brave burgers! denkt aan vrouw en kind en ’s vijands bloedgierigheid. Liever den dood op de vest dan één voet gronds afgestaan.«

—»Sluit aan, voort!« schreeuwde hij, zijn rapier boven ’t hoofd zwaaiende en pogingen aanwendende, om den mijnrand dichter te naderen, daar hij zorg had gedragen, dat anderen eerst een bolwerk voor hem vormden, »wij staan hier ledig en de vijand stuift aan met hoopen. Hel en dood! dat ik op den Maraan hier mijn wrok niet koelen kan. Maakt ons baan, brave makkers! de dood aan het gespuis.«

Met schrik had hij gezien, hoe de Spanjaarden zich van de Kruispoort poogden meester te maken. Met siddering had hij de losbarsting gehoord; maar in weerwil hiervan, verried hij door niets, wat er in zijne ziel omging, en met behendigheid zich op den achtergrond houdende, was hij niet ongelijk aan een hond, die wel de tanden toont, maar niet bijt.

Inmiddels zag men nu hier, dan daar, aan de zijde van Kenau het vaandel van Geertruida van Brederode. Nu eens weerde Brechta Proosten den vijand met spies en rapier af, dan weder zag men haar het musket aangrijpen om een Spanjaard te treffen, en overal waar zij zich vertoonde, paarde zij moed aan vrouwelijk beleid. Het schoon gelaat van Henrika van Vliet scheen verhoogd te worden door ernst en moed, en waar men Anna en Maria van der Laan’s vrouwelijke fierheid zag, daar zou men geenszins de zachtaardige schoonen in haar vermoed hebben, uit wier mond men vroeger slechts de taal des stillen huiselijken levens hoorde.

—»Haarlem’s vrouwen wijken niet voor den kloeksten soldenier,« zeide Ripperda. »Als helden trotsch mogen wezen, dan moet het op zulke dochters zijn.«

Reeds zijn Diego Perez en Zimbro voor dood buiten het gevecht gedragen; reeds zijn Artajom en Quesado door de kokende olie half verschroeid buiten gevecht gesteld, toen er op eens een hevige aandrang op den wal plaats heeft. Rodrigo de Sapata heeft door volharding op een eenigszins afgezonderd punt, naar den kant der Janspoort, vasten voet op den wal bekomen, en—zooals in dien tijd niet vreemd was, en door de wederzijdsche partijen dikwijls toegelaten werd—vecht hij daar man tegen man met Margottin. Met recht zeide Hasselaar, dat het de eene reus tegen den anderen was; want hunne lange kloeke gestalten komen boven aller hoofden uit. Geen schooner schouwspel van twee worstelaars konden wel ooit de Romeinen in hunne spelen het volk voor oogen stellen. Ziet hen—den kampvechter voor Haarlem: den kampvechter voor Spanje! In Margottin bewondert men meer het edele, fiere en toch dreigende: fonkelend rollen zijne blauwe oogen onder de fijne wenkbrauwen. De gestalte van De Sapata is onevenrediger, ruwer, verschrikkelijker; zijne bruine oogen schieten van onder de stuursche, overhangende wenkbrauwen een zwarten gloed; de eerste vormt meer het ideaal van den held: de laatste verpersoonlijkt den oorlog in al zijne verschrikking.

—»Uw leven of het mijne!« schreeuwt De Sapata en met een geweldigen stoot poogt hij den kapitein van ’s prinsen garde in de borst te treffen.

Deze, schoon zijn vijand niet achtende, moest echter de behendigheid bewonderen, waarmede de Castiliaan zich van zijn linkerarm wist te bedienen: inderdaad, deze was bewonderenswaardig en verschoonde ten halve Sapata’s gewoonte van snoeven, dat hij zijne krijgstalenten aan de school van Burgos te danken had.

Nu eens flikkerde de Toledosche kling boven zijn hoofd en schoot dan snel als eene zilverschubbige slang op de borst van zijne tegenpartij; maar eer de punt zich een weg baande, weerde Margottin die even snel af; dan eens stiet zijn wapen tegen den blinkenden ringkraag van zijns vijands harnas en staafde de deugdzaamheid van het staal door bijna tot aan het gevest te buigen. Maar toch was Sapata’s welberekende aanval niet bestand tegen de kunstige, krachtige verdediging van Margottin; want terwijl de degen van den Spanjaard andermaal als een weerlicht op Margottin’s borst aanschoot, bracht deze, dien afkeerende, hem eene wonde in den rechterschouder toe. De reusachtige Spanjaard scheen op het punt, een voet terug te deinsen; doch de kreten van »animo! animo!« deden hem standhouden, en een vurigen blik op zijn tegenstrijder werpende, trachtte hij den bekomen stoot door eene nog breeder wonde te wreken. Maar ook thans zou men den uitslag niet zien van een strijd, die met zooveel wederzijdsche bekwaamheid, met een zoo evenredigen moed en door twee zulke gelijke Hercules-gestalten gevoerd werd. Op eens springt, als een gewonde tijger met woede en moordlust in de oogen, de Waalsche hopman Vardeur te voorschijn. Onstuimig heeft hij zich door een dichten drom naar het eenigszins afgezonderd punt heengedrongen en stort nu met opgeheven rapier op Rodrigo de Sapata in.

»Sterf, Spaansche hond!« brult hij hem te gemoet en te gelijker tijd daalt zijn wapen op De Sapata’s hoofd: deze echter weet door eene vlugge beweging den doodelijken slag te ontduiken, en terwijl het vuur der verontwaardiging in hem gloeit, roept hij op donderenden toon:

—»Dat doet geen Spanjaard! dat doet een laffe moordenaar.«

—»Terug, Vardeur!« schreeuwt ook Margottin hem toe, »of ik keer mijn rapier tegen u,« en de fiere blik van den krijgsman zegt, dat die woorden ernstig gemeend zijn.

—»Tegen mij!« schreeuwt Vardeur, met een vloek, »zijt gij van zinnen of dol? Ik vrees u zoo min, als dit gebroed: sla dood den Spanjaard!» En in weerwil van Margottin’s bedreiging, springt hij, als een razende buffel, andermaal op De Sapata aan. Gramschap en wrevel maken zich van Margottin meester; reeds heft hij zijn rapier op om er den Waal krachtig mede te keer te gaan; doch ijzende voor het denkbeeld, dat de eene verdediger van Haarlem den anderen naar het leven zou staan, grijpt hij hem met de gespierde vuist in den rug en rukt hem eene halve schrede achterwaarts.

»Laat af, dolle geus!« schreeuwt hij hem toe, »de Spanjaard is mijn vijand; ik zal hem bestrijden. Tegen mij, Rodrigo de Sapata! uw leven of het mijne.«

Vloekend heft Vardeur zijn zwaard op om er Margottin een slag mede toe te brengen. Maar op dat zelfde oogenblik wordt aan het tooneel eene andere richting gegeven. In weerwil van het woelig gevecht ter linker- en rechterzijde, is het eenigszins aan het oog der Spanjaarden ontsnapt, hoe Sapata valschaardig door een tweeden vijand wordt aangerand. Ook Venavides ziet het; zijn ridderlijk gemoed gloeit eensklaps van verontwaardiging en nu stormt hij, als een pijl uit den boog, op Vardeur los.

—»Doe mij sterven, zoo gij het kunt,« sprak hij, den Waal zijne kling voor oogen houdende »maar ik twijfel, of uw moed met uwe woestheid gelijk staat.«

—»Hel en dood!... een hopman van graaf Lumeij zonder moed,« krast Vardeur, en met een vurig, brandend oog, stormt hij op Venavides los. Onstuimig is de slag, dien hij den ridderlijken Spanjaard wil toebrengen; doch rustig en krachtig, zonder een duimbreed te wijken, vangt deze dien op zijne kling op.

—»Vardeur geen moed!... vervloekte Maraan!« schreeuwt hij, verbitterd, dat hij het hoofd zijns vijands niet vaneen heeft gespleten. »Wraak voor Baptist van Trier! wraak voor Hans Kellenaar, de wakkere soldeniers van Lumeij

—»Ik doe eer aan Haarlem’s dapperheid,« sprak Venavides »maar gij hebt er schande aan gedaan.« En terwijl hij dit zeide, tracht hij Vardeur op den schouder te treffen; maar ook deze keert den dreigenden slag af en wil zijn zwaard andermaal op zijne tegenpartij doen neerkomen! Venavides echter stelt de poging van den Waal op nieuw te leur, en doet door zijne bedaardheid diens onstuimigheid slechts aangroeien. Nu eens flikkert beider staal vluchtig boven hunne hoofden; dan weder schiet het met de snelheid eener slang aan; soms kruisen zich de wederzijdsche wapenen en brengen een kletterend geluid voort; of zij glijden langs den ringkraag en het borstharnas, zonder dat een van beiden gewond wordt, hoewel iedere slag aan beiden den dood voorspelt.

—»Animo! animo!« davert het van links en rechts; want ook Margottin en Rodrigo de Sapata hebben het gevecht weder hernomen, en van weerszijden blijft de uitslag nog steeds weifelend. Het was eene ongegronde beschuldiging van Venavides om Vardeur gebrek aan moed toe te schrijven. Maar het was ook meer eene beschuldiging, die verontwaardiging hem ingaf; want het faalde den kapitein van Lumeij’s lijfwacht evenmin aan moed als aan kracht. Maar welk een contrast vormen beide met die van Venavides. Op het gelaat van dien Spanjaard licht mannelijke fierheid en tevens kalmte; zijn moed heeft iets edels, iets grootschs; men leest in zijn oog, dat hij den strijd voert, omdat hij eenmaal aan de dienst der wapenen zijn arm gewijd, omdat hij beloofd heeft, voor land en koning die wapenen te voeren; maar in zijne ziel woont geen zweem van wrok of haat: de vijanden, die hij bekampt, zijn de vijanden des konings; maar het zijn de vijanden van Venavides niet. En Vardeur!... zie dat gelaat, waarop de toorn, de grimmigheid in den hoogsten trap van werkzaamheid te lezen staan; zie die fonkelende oogen, die gezwollene aderen op wang en voorhoofd: dien half geopenden mond, wiens tanden in eene klapperende beweging zijn: hoor dat onophoudelijk geschreeuw, dat eerder aan het schor gekras van een dier, dan aan eene menschelijke stem denken doet: en dit alles kenschetst verbittering, haat, wraakgevoel op al wat Spanjaard is: Vardeur heeft kracht, heeft moed; maar het is bijna de kracht van een losgebroken krankzinnige, die tegen ieder de vuisten balt;—het is de moed van den wilde, die razend aanstormt en den dood achter zich niet ziet om den dood vóór zich te bestrijden. Hij vraagt niet, wat edel of groot is in het gevecht: hij weet slechts, dat hij tegen Spanjaarden strijdt; en die allen zijn booswichten, die het land verwoestten, die ketters verbrandden, en door den tienden penning nog den laatst overgebleven druppel bloeds wilden uitzuigen: die honden te bevechten, uit te roeien, dat schijnt hem plicht, eene wet, en elk middel daartoe wordt bij hem geheiligd door het doel.

—»Wraak voor Baptist van Trier!« schreeuwt hij, »dien hebt gij vermoord en het rantsoengeld afgeslagen, omdat gij bang waart voor dien Hollandschen leeuw.« En hij verdubbelt zijne slagen om Venavides te treffen; doch wilde moed en wraak stuiten af op het schild van onversaagdheid en kalmte. Naarmate dat Vardeur driftiger op hem aandringt, naar die mate staat Venavides rustiger en kloeker pal en weert met meer behendigheid iederen slag af. Noch de eene, noch de andere wordt gewond, en het scheen besloten, dat men ook van dit gevecht den uitslag niet zien zou. Op eens namelijk laten zich aan de overzijde der gracht de schetterende tonen der vijandelijke trompetten hooren. Het zijn Romero en Carjaval, die van de Kruispoort, tot ondersteuning hunner makkers, naar de Janspoort aansnellen;—met vliegende vaandels en onder krijgsgeschreeuw rukken zij over de bevroren gracht voorwaarts. Don Ferdinand ijlt als een stormwind nu naar deze, dan naar gene richting, terwijl door belegeraars en belegerden het persoonlijk gevecht afgebroken wordt.

—»Señor Romero!« beveelt hij haastig, »doe gij dien ijzeren wal buigen of breken: de ketters staan als rotsen, en de dapperste Spanjaarden winnen geen voet gronds.«

—»Voorwaarts, soldaten!« schreeuwt Romero »die daar op den wal zijn, behooren aan het spinnewiel:—aan het regiment van Sicilië de eer, dat ze verjaagd worden.« Onder het geschreeuw: »voor Romero! valt aan!« storten zich een paar vendels aan de linker- en rechterzijde op den wal, of trachten als een stroom den dam door te breken.

—»Señor Carjaval!« beveelt Ferdinand verder »een vendel musketiers op de rechterflank. Señor Quesado, op de linkerflank met uwe haakbussen. Animo, dappere Spanjaards, slechts met bloed wordt de zege gekocht!«

Met dezelfde onversaagdheid en volharding, waarmede in den vorigen storm De Zuniga den muur beklom, tracht hij ook thans dit doel te bereiken. Tweemaal heeft een Engelsch vaandrig, Scott geheeten, hem reeds afgeweerd; maar voor de derde maal trachtte hij, vasten voet te bekomen. Een oogenblik houdt hij stand en, evenals in den vorigen storm, moedigen zijne makkers hem weer aan door hunne lofkreten; doch het oogenblik van zijn val is daar. Reeds heeft hij drie wonden bekomen, en terwijl hij zijne kling opheft, brengt de vaandrig hem de vierde toe; die vierde wonde doet hem duizelen; hij verliest zijn evenwicht; onder den uitroep: »Voor Spanje!« tuimelt hij op het ijs van de gracht, en nu laten zich de kreten hooren: »Voor Spanje, voor Spanje! wreekt De Zuniga

Geweldig is de kracht, waarmede thans de vijand op de belegerden aandruischt, en de weinigen, die zich reeds op den wal bevinden, zien bij het aanpersen en opzwellen van den nieuwen vloed, hun getal vermeerderen. Maar naar evenredigheid dat het getal van Spanjaarden aangroeit, naar die evenredigheid stroomen ook meer verdedigers naar de meest bedreigde punten. Hier is het Gerrit van der Laan, die insgelijks den vijand van de Kruispoort afgekeerd heeft en thans het vuur van twee slangstukjes op de bende van Carjaval doet spelen. Daar is het Lancelot van Brederode, die zich onvermoeid op de bestormers werpt. Wat verder vereenigen zich Asinga en Boreel met hopman Beaufort en den Engelschman Summado, terwijl Ripperda overal de wakkere bevelhebber is, die rustig en met beleid ieder punt overziet.

—»Hij is dood! hopman Wittenberg is dood!« klinkt het op eens bij den inspringenden hoek, waar Hasselaar voortdurend menigen vijand doet tuimelen. Inderdaad, zwaar in de borst getroffen, valt de brave Duitscher, in weerwil zijner wonde naar den wal gesneld, aan Michiel’s zijde neder. Dat was eene treurige vergelding voor zooveel moed! Dat smartte zoo menigen makker, die hem liefhad: maar de kreten over zijn val worden op dat oogenblik door de algemeene kreten van vriend en vijand verdoofd en versmoord. Op eens ziet men daar ook nieuwe krijgslieden naar den wal snellen; het zijn krijgslieden, die men niet kent, maar die spoedig het bewijs geven, dat zij vijanden van den Spanjaard zijn. Te midden namelijk van den hevigen aanval op Haarlem rukken honderdzeventig sleden met koren en andere levensmiddelen de Schalkwijkerpoort binnen; driehonderd haakschutters en zeventig ruiters door den prins afgezonden, vergezellen het convooi, en de Franschman Jean Mauregnault, benevens de ritmeester Enkhuijzen van Delft, zijn de aanvoerders. Te vergeefs had de Spanjaard getracht, hen bij hunne nadering over het ijs te overrompelen; te vergeefs had deze hen tot aan de Schalkwijkerpoort achtervolgd; slechts de vaandrig der ruiters was nedergeschoten; dit maakte ’s vijands gansche voordeel uit en—moedig over het welgelukken van hunnen gevaarvollen tocht, rukken de nieuwe verdedigers binnen Haarlem, waar de meesten hunner, in weerwil van de vermoeienis, zich oogenblikkelijk in het gevecht mengen.

—»Leve de prins! triomf voor Haarlem!« weergalmt het ook uit hun mond. Maar wie is het, die op eens de verbaasde blikken van allen tot zich trekt? Men ziet eene lange gestalte, een man met donkere lokken en wenkbrauwen, met den tint des doods op zijn floersachtig gelaat, en het linkeroog met een gitzwarten band omwonden. Het is de eenoog; de zonderlinge vreemdeling, even geheimzinnig vertrokken, als gekomen, en thans nog raadselachtiger teruggekeerd: het is de eenoog, in zijn deftig, burgerlijk gewaad; hij is als krijgsman gekleed; een schitterende metalen stormhoed met blauwe pluim dekt zijn hoofd; en geen ander wapen voert hij dan een zwaard. Maar dat zwaard is ontzaglijk breed, scherp en tweesnijdend; het doet denken aan een dier reusachtige wapenen uit de middeleeuwen, en het flikkert en vlamt als een bliksem; het schijnt het zwaard van den verderfengel en dreigt ieder, die zich vermetel onder zijn bereik waagt.

—»God strijdt met ons,« roept hij uit, »want het is de strijd voor het heilig recht en de vrijheid.« En met eene koortsachtige geestdrift werpt hij zich op den naastbijzijnden vijand, die reeds zijn victoria aanheft. Niet alleen de vijand, maar zelfs de Haarlemmers schijnen getroffen over den krachtigen aanval des vreemdelings: en toch klinken geene kreten van vloek of verbittering van zijne lippen. Zijn oog heeft zelfs iets benevelds, iets pijnlijks, maar op zijn bleek gelaat licht een tint, die getuigt, dat zijne ziel kamp voert met het lichaam; het is, alsof hem een hooger gloed is ingeblazen, en dat die gloed, door een onwederstaanbaar geweld, al meer en meer tot eene verterende vlam overslaat. Zijn zwaard woedt; het is een gevleugeld staal, dat nu hier, dan daar treft, en waar het treft, is de wonde onheelbaar. Onder de laatste walbestormers bevonden zich eenige Hongaarsche ruiters, even strijdbaar te voet en den naam van huszaren dragende. Gewapend met schichten, die zij op de verdedigers werpen en met breede, kromme sabels, die doodelijke wonden toebrengen, hebben twee hunner, onder het geschreeuw: »voor koning Rudolf en Spanje!« den eenoog besprongen. Gedekt door hunne kleine schilden, waarmede zij op de behendigste wijze iederen slag afkeeren, schijnen zij ontrefbaar. Maar vergeefs, dat zij het vlammend zwaard van den vreemdeling zoeken te ontduiken. Onder schelle oorlogskreten, welke aan die der oude Gallen doen denken, poogt de een hem met zijne kromme sabel in den schouder te treffen, doch een zwaardslag voorkomt deze aanranding: de Hongaar wil hem met zijn schild afkeeren, doch zoo geweldig is de houw van den onbekende, dat diens wapen door het stalen schut heendringt en den vijand zwaar gewond doet neertuimelen. Den anderen wachtte een gelijk lot; doch een nieuw aandringende menigte stuwt hem voor, en onder het geschreeuw van: »victoria!« beklimmen al meer en meer vijanden den wal.

—»Voorwaarts soldaten! Haarlem is ons!« roept Ferdinand, en met al de kracht van vijanden, die zich den weg ter overwinning geopend zien, stuiven zij dichter en dichter op elkander aan.

—»Voor Spanje! voor Romero!« klinkt het »leve de koning! den rebellen de dood!« Het is geen gevecht meer: het is een opkruien van ijsschotsen tot een hoogen dam,—een dam hier, een dam ginds en tusschen die allen weder andere ijsgevaarten, die nog een oogenblik in beweging zijn en zich dan aan den naastbijzijnden ijsberg insgelijks vasthechten; om onder een donderend rumoer het voorschieten van den eersten af te wachten en dien oogenblikkelijk te achtervolgen.

—»Terug! terug, mannen van Haarlem!« weergalmt op ieder punt de stem van Ripperda: en hier aangevoerd door Boreel, daar door Lancelot van Brederode, deinzen de verdedigers van links en rechts achter de halvemaan.

—»Vlucht, vlucht! naar de Schalkwijkerpoort!« roept Ripperda, zijnde dit de vooraf bepaalde leus, welke men zou aannemen, wanneer de vijand op den ouden wal de overhand mocht bekomen.

—»Vlucht, vlucht!« herhaalden nu ook honderden om den Spanjaard te meer in den waan te brengen, alsof men werkelijk geene andere hoop meer had, dan het leven door de vlucht te redden. De list gelukte. Langs den eenen arm der halvemaan trokken de Haarlemmers al meer en meer achter de binnenverschansing of den nieuwen wal terug, en de stroom van vijanden werd door zijn eigene kracht voorwaarts gedreven.

—»Wie ook vluchte, wij niet!« roept Kenau Hasselaar, aan den anderen arm der halvemaan, »wakker aan, vrouwen van Haarlem! de dood boven de vlucht.« Hier de spiesen vellende en daar de musketten losbrandende, gaan zij den veldwinnenden Spanjaards zoolang mogelijk te keer. Ook Margottin en Beaufort trachten den dam dáár nog eenige oogenblikken met kracht te stuiten; doch het meest is het de geheimzinnige onbekende, die met de zijnen nog eene poos menigen Spanjaard doet sterven. Zijn breed rapier is reeds stomp geschaard; doch dit belet hem niet, het met dezelfde hevigheid te doen neerdalen, terwijl hem zelven geen enkel wapen schijnt te kunnen treffen, iets hetwelk ons schier onbegrijpelijk voorkomt in weerwil van het geschiedverhaal.

—»God strijdt met ons!« roept hij meer dan eens op geestdrijvenden toon »en waar God met ons strijdt, moet de vijand vergaan.« Maar plotseling dringen nu Romero, Venavides en Carjaval met de hunnen op dien rechterarm van de halvemaan in.

—»De stad is ons!« roept Romero, »denk aan den buit!«

—»Buit?« schreeuwen de soldaten, op wie dit woord als met een electrieken tooverslag werkte; maar te midden van deze leus klinkt het daverend geroep van: »vivent les gueux!« en giert den vijand een vernielend schrootvuur uit de afsnijding op den rechterarm der halvemaan te gemoet.

»Voor Haarlem! voor Ripperda!« weergalmt het daar achter de trotsche verschansing, welke de aanvoerders der Spanjaarden steeds gering hadden geacht: ten einde den moed der soldaten levendig te houden.

—»Voorwaarts!« beveelt Romero, »trompetters, blaast victoria! Leve de koning!«

»Neen!« schreeuwen verscheidene der soldaten »terug, terug! het is eene hel van vuur, die ons allen in den dood jaagt.«

»Terug!« roept ook Carjaval »wij loopen den dood in den muil.« En als hadde hij er zekerheid van gehad, zoo springt op datzelfde oogenblik met dreunende slag eene mijn voor hunne voeten, en vormt een afgrond, die, schoon hij niemand hunner verzwelgt, hen met eene andere losbarsting bedreigt. Op het zien dezer ontploffing, deinzen de meeste Duitschers terug, onderscheidene Spanjaarden volgen hen na, en het oogenblik der vlucht is daar.

De dappere vrouwen met de andere verdedigers op den linkerarm, den vijand zoolang mogelijk van den ouden wal afwerende, geven hem dien ten laatste in hunne macht en rukken achter de nieuwe verschansing terug. De stroom van belegeraars wordt nu insgelijks met te meer kracht voorwaarts gedreven en voortgestuwd; want het is hun doel om tegelijk met de Haarlemmers binnen de achterwaarts gelegene verschansing te dringen: maar eer hun dit gelukt, vereenigt de afsnijding ook daar al hare vuren op den bestormer. De Spanjaarden staan in weinige oogenblikken in breede wolken van rook en vuur, en op hun front, op hunne flanken, ja zelfs uit de hoogte van de huisgevels woedt de verderfengel op hen. Het is ook op datzelfde oogenblik, dat Gaspar de Robles met al zijne rappe Walen het aan de reeds gedeeltelijk bemachtigde Janspoort niet langer harden kan. Aangevoerd door Van Duivenvoorde, leggen ook daar de belegerden hunnen moed aan den dag. Uit eene halve slang en eenige ijzeren stukjes wordt er den bestormers een zoo krachtige afbreuk gedaan, dat De Robles de trompetters den aftocht doet blazen; en niet zoodra heeft don Ferdinand deze noodlottige maar vernomen, of hij besluit insgelijks tot den aftocht.

—»Terug, soldaten!« gebiedt hij, »ik mag ’s konings dapperen niet langer in een wissen dood brengen. Blaast, trompetters! De terugtocht zelf is onze victorie!«

Maar ook zonder de alom gegevene bevelen tot het verlaten van den wal, is de vlucht der soldaten reeds algemeen. Even aanmoedigend toch als het pal staan, even besmettelijk is de vrees van één enkelen. Veel sneller dan de oude wal beklommen werd, verlaat men dien en vlucht in verwarring naar de Spaansche verschansingen terug. Vergeefs, dat Romero van toorn siddert; dat hij op de vluchtenden aanspringt en hen zoekt terug te houden; thans veracht men zijne woede, zijn bevel, zijne vloektaal; want te veel hoplieden zien het onmogelijke der zege in, en te vernielend treft hen het ijzer en lood der Haarlemmers, om de hoop op buit grooter te doen zijn dan de vrees voor volkomene nederlaag.

—»Terug dan lafaards!« schreeuwt nu Romero, »dáárom zooveel bloed gespild, om, met de overwinning in de hand, voor een hoop wijven en rebellen te vluchten? Schande, ellendigen! op uw kop.«

—»Op mijne eer! die schande zal geen smet nalaten!« zegt Venavides; »waartoe blinde roekeloosheid? Eere voor ’s konings soldaten! Eere voor Castilië’s banier?«

—»Wie raast daar van eer?« riep Romero, een dreigenden blik werpende en zijne kling boven zijn hoofd zwaaiende. Maar ter zelfder tijd vereenigen zich heftiger van links en rechts de kreten »vlucht, vlucht!« Schetterender blazen de trompetten het sein tot den aftocht, en hetzelfde bevel klinkt uit den mond van don Ferdinand, die eene wisse vernietiging van al zijne vendels voorziet. Alles, wat met zooveel ijzeren wil den wal had beklommen, deinst nu, te midden van rook en vuur achterwaarts, tuimelt op de bevrozene gracht en ontvliedt in de Spaansche verschansingen den dood.

—»Vivent les Gueux!« davert het van Haarlem’s wallen.

—»Triomf!« weergalmt het uit honderden kelen tegelijk, en een heirleger van bespotting en hoon klinkt den Spanjaards achterna, terwijl de meeste verdedigers weder naar de oude vest snellen, om den vijand met hunnen musketten tot op het laatste oogenblik toe nog afbreuk te doen.

—»Het roofgespuis na in hun nest!« roept Vardeur; »vermoorden wij hen tot den laatsten toe.« Werkelijk spoort hij—strafwaardig omdat het zonder Ripperda’s last geschiedt—een aantal Walen zoo heftig aan, dat zij hem ijlings op de gracht nastormen. Met teugelloozen, roekeloozen moed werpen zij zich met hunne klingen, musketten en pieken op den vluchtenden Spanjaard, die den onbegrijpelijken misslag schijnt begaan te hebben, geene reserve gereed te houden, en—tot geen weerstand meer geneigd, laat hij zich, evenals de Oldenburgers bij Jemmingen, ongewroken nog verdere nederlaag toebrengen. Door zooveel moedeloosheid als op eens de vijand wordt overmeesterd, door zooveel stoutheid en vermetelheid te meer worden de belegerden ontvlamd. Onder schimpen en vloeken waagt zich de dolle Vardeur met de zijnen zelfs tot in de vijandelijke verschansingen, en hij, wien de verdere vlucht onmogelijk is, valt onder het zwaard der Haarlemmers.

Maar in weerwil van de algemeene verwarring en den schrik,—niettegenstaande de vriend geen hand meer uitstrekt om den vriend te redden, ziet men daar de blijken van broederliefde in den allerhoogsten graad. De jonkman is Ferdinando D’Avalos de Guadalafara, een gewoon voetsoldaat van het Siciliaansche vendel van Romero. Hij streed niet ver van de stormladder, waar zijn broeder De Zuniga zooveel moed en dapperheid aan den dag legde. Hij had hem zien worstelen met den fieren Scott; hij had hem zien bezwijken, gewond op de gracht zien vallen, en hij had op hem willen aansnellen, om hem in veiligheid naar de verschansing te voeren. Maar zijn plicht als krijgsman, zijn eergevoel verbood hem, die plaats te verlaten, en—schoon met smartelijk gevoel, bleef hij in het midden van vijanden vechten, na en dan een blik werpende op de plek, waar De Zuniga op den kouden bodem lag te zieltogen. Ferdinando bleef strijden: hij week geen duimbreed van het punt, waar hij met zijne makkers eene wanhopige zege bevocht, terwijl intusschen het lichaam zijns broeders andere gewonden op en rondom zich voelt nederstorten en met den dood kampt. Het gevecht gaat voort; de Spanjaard beklimt den wal; de Spanjaard roept victoria; maar hij ziet zich verrast, besprongen, verplet; hij vlucht, en—Ferdinando vlucht met hem..., Neen! hij snelt naar de plaats, waar zijn broeder met den dood worstelt: dan, hij heeft zich in de richting bedrogen, hij vindt lijk op lijk, maar hij vindt De Zuniga niet.

—»Dat de heilige moeder Gods hem in hare hoede neme!« spreekt hij droevig over zijne vergeefsche nasporing en gaat van daar: de musketten der belegerden jagen den vluchtenden vijand verderf en dood achterna; doch geen schot treft Ferdinando. Reeds heeft hij de Spaansche loopgraven bereikt; daar schijnt hem plotselijk eene stem toe te roepen: »D’Avalos! red uw broeder! nog leeft hij!« Hij ziet om; het is, als klonk hem eene Godspraak in de ooren, en de vlam der liefde blaakt op eens met meer gloed in zijne borst. Hij meent het punt te herkennen, waar hij den dierbare, zwaar gewond, zag nederstorten, en onder den uitroep: »ik zal hem redden of sterven!« ijlt hij andermaal naar de vest. »Vivent les gueux!« klinkt het hem te gemoet: »de dood aan het Spaansch gespuis!« Links en rechts giert het lood langs hem heen: doch hij siddert of deinst niet terug; hij denkt slechts aan De Zuniga, die in Guadalafara met hem opgekweekt werd; die onder het zoet geluid der herderschalmei de kudde met hem weidde; wiens ziel zoo geheel met de zijne samensmolt, die hem zoo vaak zijn lieven broeder noemde en die daar thans ligt te zieltogen, wiens hart misschien niet meer klopt.

—»Ja!« roept hij met nieuwen moed uit: »dáár viel hij; ik erken die plek; ik red hem of sterf naast zijn lijk.« De kogels gonzen hem voorbij: maar treffen hem niet, hij genaakt den wal en bevindt zich op de plaats, waar De Zuniga viel. Donkerrood, tot ijs gestold bloed kleurt daar den grond: gewonden liggen met al hunne zwaarte op den stervenden; hij bezichtigt ieder lijk, loost een zucht bij den aanblik der dapperen, die daar vielen, verwentelt met een traan in het bruine oog de lichamen en—herkent hem.

—»Heilige Maria! nog leeft hij,« roept hij met een teeder en toch pijnlijk gevoel uit. »Mijn broeder!... De Zuniga!... spreek, ik ben het ... Ferdinando

Maar de koude heeft Zuniga’s lippen als verstijfd; het bloed van den Spanjaard, dat nog dien ochtend, als eene golvende zee door al zijne aderen bruiste, is als het ware in iedere ader gestold, en het geschondene verkleumde gelaat heeft al het muurbleeke van een lijk. En toch leeft hij nog. Met al zijne kracht tilt de jonge Ferdinando het kolossale lichaam van den grond. Het is eene vracht, die hem zal doen bezwijken, maar eene kostbare vracht; want De Zuniga is zijn broeder. IJlings ontdoet hij den gevallene van diens zware, ijzeren wapenrusting, voelt duidelijk het kloppen van het hart: eene wereld heeft zich voor hem geopend.

—»Heilige moeder! gij zijt geprezen,« spreekt hij zacht, en met al de inspanning der liefde, met eene steeds aangroeiende kracht torscht de jonkman den last op zijne schouders. Hij wijkt van de plaats, vordert voet voor voet over de glibberige ijsbaan, en schoon zijne knieën knikken, schoon al zijne zenuwen trillen, schoon de last zijne krachten te boven gaat, toch stort hij niet neder, wankelt hij niet, maar wint schrede op schrede, ziet den overkant, en wint in moed, wint in hoop. Maar daar knalt, flikkert het van Haarlem’s wal; een musketkogel giert aan, dringt hem in den schouder, en de held wankelt, dreigt te bezwijken. Andere musketten zijn op hem gericht, maar op eens springt daar Kenau Hasselaar te voorschijn. Eenige oogenblikken vroeger streed zij er als eene leeuwin; thans komt zij er als een engel van liefde.

—»Bij den hemel, brave makkers! laat af met uw geweer en doodt hem niet!« roept zij; want haar gevoel zegt haar, dat hier een edele, moedige daad wordt verricht. Op haar verzoek worden de musketten afgewend en Ferdinando, schoon zwaar gewond, bezwijkt niet met zijnen last. Het bloed vloeit hem langs de leden, het doodszweet licht op zijn gelaat; maar hij draagt De Zuniga; hij torscht zijn broeder en Goddank! hij redt hem; hij bereikt de Spaansche verschansing, waar hij machteloos en uitgeput met zijn last nederzinkt, maar waar hij gered heeft, wat hem op de wereld het liefst was.