Weg met den overwonnen basterd,
Die, met versmaânden lach, der vaadren deugden lastert
En ’t tachtigjarig pleit beschimpt in trotschen waan.
Helmers.
Een paar dagen voor de onderneming van Jacob Anthoniszoon had men twee galeien naar de Fuik gezonden, en Gerard de Jong, zijne onvoorzichtigheid willende vergoeden, tastte daags daarna den vijand zoo moedig aan, dat hij hem op de vlucht joeg, ofschoon de galeien door het vuur van den Spanjaard nog al aanmerkelijk beschadigd werden: daarentegen waren zij in de gelegenheid, om het gegraven gat in den dijk met hout en puin weder te dempen—eene gelegenheid, waarvan ijverig gebruik werd gemaakt.
Eindigde Sprokkelmaand met het doen springen eener mijn aan de Kruispoort, waardoor verscheidene Spanjaarden in de lucht sprongen, de eerste dag van Lentemaand vervulde sommige stedelingen met een angstig voorgevoel; men vond namelijk ’s morgens eene oude vrouw dood op hare legerstede, en een der soldaten van Vimi, bij haar ingelegerd, werd verdacht gehouden haar om het leven te hebben gebracht, wijl zijne plunderzucht aan sommigen niet onbekend was. Bij gebrek echter van bewijzen, ontging hij voorloopig de verdiende straf.
De vijand inmiddels besloten hebbende, de stad aan alle zijden te omsingelen, bleef op den duur graven, schansen opwerpen, uit zijne mortieren beuken en schepen op de Meer brengen. Hoog verhief zich zijne schietkat boven van den ouden en nieuwen wal en bracht, in weerwil van de opgeworpene dwarswallen en blindeeringen, de stad veel schade toe met de vier stukken geschut, die aan de voorzijde, als op eene zoldering geplant stonden. Op den derden Maart, reeds vroeg in den morgen, kwamen twee met levensmiddelen en kruit bevrachte schepen binnen de stad; en het laatste derhalve niet behoevende te sparen, vernielde de Schotsche hopman, Johan Cuningham de vijandelijke kat dermate, dat de Spanjaard over het verwoesten van zooveel arbeid zijne woede niet kon verkroppen. Behalve van Leiden, hadden de belegerden acht dagen te voren, ook van Dordrecht vijf ijzeren slangen benevens twee fraaie metalen stukken geschut, welke vier en veertig en dertien pond schoten, ten geschenke ontvangen; en vooral met deze had men ’s vijands werk zoo geteisterd, dat toen hij een paar dagen later er andermaal geschut op geplant had, het door Cuningham schier geheel onbruikbaar werd gemaakt.
Het mag niet onopgemerkt blijven, hoe, na de helft van Louwmaand de levensmiddelen binnen de stad waren aangegroeid. Zoo had de regeering in den aanvang van Februari afgekondigd, dat een zesponds roggebrood, alsook een pond boter slechts twee stuivers zou mogen gelden, dat de prijs van een mengel zoete melk niet hooger dan zes en die van een pond kaas slechts van vijf tot negen duiten zou mogen zijn, terwijl op den zevenden Maart daaraanvolgende alle artikelen vrij van impost werden verklaard. Dit baarde, vooral ten opzichte van het bier, geene geringe vreugde, naardien de Staten van Holland ruim eene maand vroeger den impost op wijn en bier hadden verhoogd. Tot nog toe was alleen het bier, dat binnen scheepsboord gedronken werd, vrij; de pachters van den impost moesten vier stuivers per grove ton en van de smaltonnen en halve vaten in evenredigheid ontvangen, en dat was aanmerkelijk hoog, als men bedenkt, dat eene ton slechts een gulden kostte. Wat toch baatte het den ingesloten Haarlemmers, dat alles, wat buiten het rechtsgebied gedronken werd, niet aan impost onderhevig was? Men kan zich dus de vreugde voorstellen, toen de magistraat op eenmaal allen accijns ophief, en deze verbeelding wordt levendiger, bij de gedachte, dat bier de algemeene vaderlandsche drank was, in een tijd, toen men ons nog niet met geurige thee en koffie verrijkt had.
Het was nu Dinsdag de zestiende Maart geworden. De vijandelijke mortieren bulderden niet onverpoosd op de stad; want er werden dien dag slechts acht en veertig schoten geteld, doch de uitwerking van sommige dompelde menigen Haarlemmer in diepen rouw. Ongeveer te elf ure begaf zich Boreel naar de woning van doctor Elsen, om er het middagmaal te houden, terwijl kapitein Margottin zijne plaats aan de Janspoort had ingenomen, iets, dat toen beurtelings de een voor den anderen deed, wanneer er geen rechtstreeksche aanval te duchten was.
Boreel was wrevelig en tegelijk somber te moede; want nog dienzelfden morgen had hij onderscheidene toespelingen en plagende verwijten moeten aanhooren, dat hij, een der moedigste verdedigers, zijn hart schenken kon aan eene der vreesachtigste schoonen van gansch Haarlem, en zelfs waren er woorden gevallen, die een nog onaangenameren indruk bij hem achterlieten.
—»Vaart gij kwalijk, vriend?« vroeg de doctor, toen Boreel, zonder een woord te spreken, zich aan tafel zette.
—»Is er iets ergs, dat u de tong zoo stille doet zijn?« vroeg Anna, terwijl zij hem vriendelijk in de oogen zag.
Boreel antwoordde niet; maar zag den vader en de geliefde verdrietig en tevens gramstorig aan.
—»Gewis, daar smeult iets kwaads,« zeide de doctor, met een angstigen trek om den mond; »hebben de galeien op de Meer neerlaag ontmoet, of heeft het gerucht weer wat euvels van mij geklapt? Ik sta ten doel voor booze tongen en leugensprekers, zonder dat ik iemand iets in ’t spoor leg.«
—»Aanhoor mij, meester! ik zal kort en rond spreken,« antwoordde Boreel. »’t Is de laatste dag, dat mijn voet uw huisvloer strooken zal; dat doet mij droevig zijn en bitter tevens.«
—»De laatste dag! ...« herhaalde de doctor met verbazing, »wat woorden? ... wat schuilt er in uw zin?«
—»Komt dit uit uw gemoed, liefste?« vroeg Anna, met innerlijke ontroering, die zij echter trachtte te verbergen; »gij zoudt vertrekken uit dit huis—mijn vader en mij uit de oogen gaan?—Wat is het, dat u drijven kon tot zoo een ras besluit?«
—»Dat vraagt gij nog, Anna! als eene, die haars doens ontwetend is,« antwoordde Boreel. »Wat ik niet al menigen dag mij heb verpijnd om er niet van te reppen!—wat ik het harde, grievende woord al niet vaak heb teruggestooten, als het op mijne lippen kwam. Maar nu is het uitgesproken, Anna!—ik moet van u scheiden: de band van onze min moet worden losgemaakt.«
—»Losgemaakt!....« riep de doctor, in eene gemengelde gemoedsbeweging van angst, verwondering, en verontwaardiging; »zijn dat woorden, met nuchter overleg in u opgerezen? Zijn dat woorden van uw’ mond, waaraan het hart zijn deel heeft?«
—»Ja, meester! het is geen kind, dat ze met lossen geest bedacht heeft: ik ben man, en hoe zwaar het mij valt, het besluit is nochtans tot rijpte gekomen; vandaag neem ik afscheid van deze gastvrije woning: tusschen Anna en mij mag niet langer de band van min bestaan.«
—»Sijmon!« zeide Anna, een oogenblik kampende tusschen het machtig gevoel der liefde en het niet minder krachtige der jonkvrouwelijke fierheid en eigenwaarde, »Sijmon!—dat woord moest ik eer verwacht hebben, ik, kortzichtige, die ik ben; want nu het van uw mond is geglipt, doet het mij niet verwonderd wezen. ’t Is waar: tusschen den koenen Boreel en de lafhartige Anna kan geene overeenkomst zijn.«
Ofschoon er in die woorden eene ironie lag, die Boreel wondde, kon Anna echter de schokkende gewaarwording van haar gemoed niet genoegzaam overmeesteren. Zij beefde zichtbaar en was op het punt om de kamer te verlaten, zoo een blik haars vaders haar niet had teruggehouden.
—»Dat zijn harde, bittere woorden, Anna!« sprak Boreel, »nooit heeft mijn mond u lafhartigheid toegeschreven; nooit heb ik u te laste gelegd, dat gij koud waart voor den moed van Haarlem’s vrouwen; maar, dat zeg ik, hoezeer het mogelijk even hard klinkt, dat uwe liefde te zwak is tegenover de sterke liefde van mij.«
Nauwelijks had hij dit laatste gezegd, of Anna stond in gemoedsvervoering van haren stoel op, snelde in de armen haars vaders, drukte een paar gloeiende kussen op diens voorhoofd en zeide toen op pijnlijk droevigen toon: »Vader! zóó wordt mijne liefde voor u mij straf! tot Sijmon! wat zijt gij wreed.«
—»Anna!« zeide de doctor, »tot straf!.... het zal u niet tot straf wezen, dat gij mij zoozeer liefhebt. Wie aan uwe liefde twijfel sla, de gebenedijde maagd kent uw hart.« Zich vervolgens tot Boreel wendende, voerde hij dezen op ernstigen toon de woorden te gemoet: »zoo het u licht van ’t hart mag, den band tusschen ons te breken, dan zal het mogelijk tot heil van ons allen wezen; ik hoop, jonge vriend, dat het u nooit tot rouwe zal zijn!«
—»Licht van ’t hart!« riep nu Boreel met een droevig en hartstochtelijk gevoel tevens, »zoo ’t mij licht van ’t hart mag!..« herhaalde hij, des doctors en Anna’s hand te gelijker tijd aangrijpende »weg met die woorden! Leest ge dat uit mijn oog? Dan kent gij mij bijster gering. God weet het, hoe het mij zwaar valt, hoe ik dagen en weken onder den last gebukt heb gegaan, schromende en weifelende om hem van mij af te werpen en geen moeds hebbende om het woord te spreken. Vandaag heb ik het gedaan, maar eilaas! of gij weten mocht, hoe groot de smart is, waarvoor ik zooveel moed kocht. Anna, Anna! het ware mij beter geweest, zoo ik u nooit gezien had.«
—»Zoo spreekt gij,« zeide Anna, »en gij noemt mijne liefde zwak, gij, wiens zucht naar roem uwe liefde tienvoudig te boven gaat. Maar het zij zoo! het woord is gesproken, en dat bidde ik alleen, dat het u nooit tot berouw strekke.«
—»Anna!« riep hij hartstochtelijk, terwijl zij met een maagdelijk gevoel van eigenwaarde, waartegen echter de liefde bleef kampen hare hand terugtrok, »Anna! en gij wilt het, dat wij scheiden? Gij wilt, dat die band worde verbroken en dat weedom over mijn gemis de plaats vervange van de vreugd der zoete min? Gij wilt het, dat ik uit dit huis ga, alsof mijn voet den dorpel nog nooit gestrookt had? Neen, Anna! het mag en kan niet, en toch moet het.«
—»Gij spreekt als een, dien het hoofd is berooid,« zeide de doctor. »Wat wilt gij dan? Maar neen, het is mij klaar; mij, ouden, zwakken man wilt gij aftrekken van ’t geen mijn steun is; mij wilt gij ter palei brengen en den dood aandoen: gij wilt mij Anna ontnemen, u niet kreunende over deze felle grief.«
—»Och, of gij toch mocht afleggen die groote vreesachtigheid,« sprak Boreel, de hand van den doctor warm drukkende. »Och! of gij tot het wakker besluit mocht geraken om Anna te bevrijden van den blaam, die op haar kleeft. Nog is het niet te spade, en op mijne knieën bid ik om een kwijtschelding voor wat mijn mond gesproken heeft.«
—»Spaar daar vrij ieder woord van,« zeide de doctor, »nooit zal mijn gemoed instemmen, dat Anna gewapend naar den wal streeft. Wat heb ik toch voor leeds en kwaads gewrocht, dat gij met zooveel gretigheid naar mijn dood haakt?«
—»Laat die inbeelding van u varen,« hernam Boreel, »gij moogt een enkelen dag vol onrust wezen; maar dan zal zij hand aan hand van u wijken. Wat tal van dagen en weken zijn nu al niet voorbij, sinds Kenau met haar vrouwen- en maagdelijn den Spanjaard die ons bestookt, met spies en rapier te keer gaat, en maar vier van die allen hebben kwetsuren bekomen, die al weder geheeld zijn. Moet het dan Anna wezen, die men uitleest om den dood te vinden? En schoon ook dat lot haar deel wierd, (wat God voor u en mij verhoede!) wie wijst mij schooner dood, dan den dood voor het vaderland en de vrijheid? O, Anna dat ik krachtiger taal hadde om u te bidden!—Och, liefste Anna! voorkom eene scheiding, die mij storten zal in de diepsten afgrond van leed.«
Dat was eene andere taal; dat was niet meer de sombere, harde taal: »de band die ons verbindt, zij verscheurd, voor eeuwig,« dat waren de woorden niet meer, die in Anna’s boezem de jonkvrouwelijke fierheid een schokkenden kamp deden voeren met de vlam der liefde. Neen! nu waren het woorden, die wel niet de kleur droegen, dat Boreel zijn onwrikbaar besluit zou herroepen, maar die toch uit zijne ziel waren gegrepen, die blijken gaven, hoe innig hij Anna liefhad: en dat de koene jonkman zich niet schaamde om Anna te bidden, te smeeken, hem hare liefde niet te doen derven,—eene liefde, die zij in hare macht had, wanneer zij sterk genoeg was, hem een zwaar offer te brengen. Eene vrouw vergeet zoo licht de wonde, die haar de liefde sloeg, wanneer diezelfde liefde die wonde weer tracht te heelen.
—»Sijmon!« sprak zij, diep getroffen hem aanstarende »wat ge mijn gemoed bestrijdt en foltert!.... denk u mijn toestand, als gij ’t vermoogt, en vraag dan u zelven, wat u van ’t hart mag. Weet gij niet wat het zegt, een vader op de borst te treden! Weet ge niet, dat dit den vloek der Heiligen op uw hoofd brengt? Laas! zoo ge mij liefhebt, en dat weet ik, Sijmon! laat dan af, mijn boezem te knellen in schroeven, die mij zoo bitter een wee aanbrengen. Och Sijmon! laat uwe liefde sterker zijn dan de begeerte naar roem.«
—»Anna, liefste!« sprak Boreel, »indien ge met de hand in mijne ziel mocht kunnen tasten!.... gij zoudt zoo groot een strijd vinden, als in uw binnenste. Maar ik ben een man, van wien men grooter kracht eischt, om den kamp te voleinden. Ik heb dien voleind en bij de heilige maagd! plicht heeft de overhand gehad op mijne min. ’t Zal mij in eene diepte van leed doen vallen; maar het zijn donkere, kommervolle dagen, waarin het oog van heel Holland rusteloos op de mannen van Haarlem gericht is. Kloekheid en ernstige wakkerheid, ziedaar, wat men van ons wacht. De nakomeling zelfs moet op niemand van ons de smet kunnen doen kleven, dat de vreugd der min hooger wit van ons streven was, dan de vrijheid en glorie der stad. ’t Pijnt mij, het te moeten herhalen, maar het is zoo, meester Elsen! de opspraak, dat gij overhelt naar den Spanjaard, wordt al vaster en vaster geankerd, en tracht gij die niet te doen wijken, gij zult er de zure vrucht van plukken. Nog is het tijd; de dagelijksche storm tegen mij, de scheeve blik zelfs, die van sommigen op mij geslagen wordt, heeft mij het forsche woord doen spreken, dat Anna onder het vendel van Kenau, of ik niet langer haar minnaar zou worden gerekend. Die stap is gedaan en....«
—»Onvergeeflijk stuk!« viel de doctor hem in de rede, terwijl zijne armen eene krampachtige trilling aannamen, »men loert op mijn verderf, men haakt met gretigheid naar mijn ondergang. Heilige Maria! gij weet, in wat leed ik zal gesleurd worden en dat door booze vijanden alleen. Wat heb ik misdaan? Wat aanleiding gaf ik ooit, dat ik Alva, den tiran aanhing? Laas, eilaas! het kwaad zal voortloopen, en dat zal ik te danken hebben aan den zoon van mijn vriend, die alleen bekommerd voor eigen naam, mij aan verder leed blootgaf en verdere achterdocht. Maar nooit....«
—»Neen, niet verder in zulken zin!« sprak Boreel, doctor Elsen’s woorden afbrekende, »drijf mij geene schuld toe, die verre van mij is; wrijf mij geen kwaad aan, waaraan ik niet schuldig ben. Ga bedekt onder ’t volk: hoor, wat men mompelt en gij zult vernemen dat ik het ben, die alle argwaan van u afwerp; maar de verdediging van eenen, die door liefde of vriendschap niet onzijdig wordt gerekend, geeft luttel baat. Het eenige waardoor allengs de achterklap op de vlucht zal worden gedreven, is, dat gij Haarlem geneigd toont te zijn, door Anna niet langer terug te houden van hetgeen haar plicht is.«
De grijsaard beefde aan al zijne leden; beurtelings sloeg hij het vermagerd gelaat met den hollen blik op zijne dochter, als smeekte hij haar, standvastig te blijven aan haar kinderlijken plicht; dan weder wendde hij zich tot Haarlem’s verdediger, als bade hij dien om medelijden te hebben met zijne witte kruin en hem niet verder te bestormen met een strijd, onder welks hevigheid hij bezwijken zou. Maar Boreel had zijn besluit, hoe zwaar het hem viel, te onwankelbaar genomen. De worsteling van zijn hartsgevoel met zijne hoog opgevoerde begrippen van voorstander der vrijheid, had hem bij de meerdere macht van het eerste reeds te dikwijls doen blozen over de zwakheid van het laatste, en die blos had hem eindelijk al zijne krachten doen samenvatten om de sterkere tegenpartij op eens te verwrikken, te verpletten, hoezeer terugdeinzende voor de wonden, die hem onder dezen kamp zouden worden toegebracht. Een oogenblik zwijgend, hield ook hij het oog op den vader, daarna op de dochter gericht. Hoe gaarne had hij gewild, dat Anna, na zijne laatste woorden, spreken zou: zóó spreken, dat hij voor eene laatste smartelijke herhaling zou gespaard zijn. Maar Anna sprak niet. Zij wilde het, maar zij kon, zij mocht niet, als zij op de zenuwachtige siddering van den grijsaard het oog sloeg, en—zij zweeg.
—»Anna, liefste van mijn hart!« zeide de jongeling, voor wien die zwijgende toestand eene marteling werd, »ik verlaat u; mijne eer als Haarlem’s verdediger en als man, mijn plicht vordert dit van mij. Anna! dat de heilige maagd met u zij; het offer valt mij zwaar, maar het moet, Anna! het moet.«
Met onstuimig gevoel sloeg hij de beide armen om haren hals om zich voor het laatst vast te klemmen aan het dierbaar voorwerp, waarvan hij zich tegelijk wilde afscheuren; dat was eene omklemming als die van den half gezonken schipbreukeling aan het drijfhout waarvan eene aanrollende golf hem zou afslingeren. En wat schok voor Anna! een schok, te hevig voor het vrouwelijk gemoed: en toch wederstond zij dien; toch zonk zij niet machteloos met gebogen hoofd ineen: de lelie, schoon door een rukwind geteisterd, bleef nog op haren stengel staan.
—»Als het moet, Sijmon! zal het Gods wil wezen,« sprak zij, »maar wee u, zoo, bij de verantwoording, uw gemoed niet eenstemmig zal zijn met wat uw mond spreekt; wee u, Sijmon! als gij een hart vol oprechte min koelbloedig met den voet trapt. Neen! dat bid ik, dat de heilige moeder Gods het u nimmer tot rouwe doe zijn.« En met een naar den hemel geslagen oog, waarin zich onschuld, liefde en berusting zonder een zweem van gekrenkt gevoel of miskenning spiegelden, wond zij zich zachtkens uit de armen van den jongeling, den wreeden, maar toch zoo warm beminden geliefde. Dat was een oogenblik van worsteling tusschen gevoel en hartstocht; daar kampten godsdienst, vrees, liefde, eer met al hunne nevengewaarwordingen; en de schoonste van die allen was de liefde van Anna; want het was de heilige kinderliefde. Maar het was ook het oogenblik, waarin vrees en duistere godsdienstzin geweldig bestreden werden door ouderliefde. Want Anna’s vader!.. sidderend stond hij daar; maar toch besefte hij, wat offer hem gebracht werd. Kon hij dat aanzien, dat dulden, zonder er een offer tegen te stellen? Hij zag niet, hoe de boezem van zijn kind gefolterd werd; maar hij voelde het aan het kloppen van zijn hart. Nog kon hij terugtreden, de vrees van zich werpen; nog kon hij beproeven, of de toekomst hem moed genoeg geven zou om zijn lot te torsen: hij weifelde, hij wankelde; de strijd was zwaar, het offer dat hij brengen zou, groot: maar hij bracht het, of liever, hij bracht het thans.
—»Neen, Anna!« sprak hij, »dat mag, dat kan niet; de vrees zal van mij wijken, ik zal moedig wezen. Als God het wil, dat het dan zoo zij, en ik zal dag en nacht bidden, dat de heilige Maria u tot schut en scherm zij in het dreigend gevaar.«
Nu wilde hij Anna aan zijne borst drukken; nu wilde hij Boreel’s hand in de zijne klemmen en een moed toonen, dien hij nooit gekend had, maar op eens, op het oogenblik, dat Boreel de sidderende hand aangrijpt, dreigt de grijsaard op den grond te storten; hij wankelt, als door een electrieken schok getroffen onder een schellen angstkreet. Op eens hoort men eene losbarsting; het is de ontploffing eener mijn, en op die ontploffing volgt een daverend schot.
—»Mijn God!« roept Anna; want hoezeer aan den donder der slangstukken en het losbarsten der mijnen gewoon, is de schok echter thans even onverwachts als geweldig. Maar de uitwerking op Boreel is zoo min die van vrees als schrik. Nauwelijks hoort hij den slag, of hij rukt zich los van Anna, slaat de reeds uitgestrekte hand aan zijn rapier, en onder den uitroep: »Vijands geschut! Naar den wal!« snelt hij het vertrek uit, zonder verder een woord te spreken en verlaat de woning van den doctor als een pijl uit den boog.
Maar nauwelijks is hij uit het huis, of er valt andermaal een schot.
—»Voort!« roept hij in zichzelven, aan niets anders meer denkende, dan aan de verdediging der stad. Eene nieuwe losbranding volgt. In het gat van de Houtstraat, naar de markt, ziet hij mannen en vrouwen met drift naar de hooge Zijlstraat spoeden, en nog is hij niet aan den ingang van de Barteljorisstraat, om langs dien weg naar de Kruispoort te snellen, of het geschreeuw: »zij is dood!« treft zijn oor.
—»Wat is er? Wie is dood?« vraagt Boreel aan eenigen onder de menigte.
—»’k Weet er niets van, heer!« is het antwoord, »maar ’t volk gaat te hoop naar de Zoetestraat: daar moet het wezen.«
Onder die woorden snellen zij de anderen achterna, terwijl Boreel inmiddels naar den wal ijlt.
Al meer en meer stroomt de menigte, op het onzekere gerucht, naar de Barteljorisstraat en de hooge Zijlstraat, terwijl velen van de Kruisstraat afkomen en de groote en kleine Krocht reeds als met menschen bezaaid is, die elkander naar de Zoetestraat dringen.
—»Jezus Maria, wat ongeluk!« roept de eene.
—»’t Was een droef gezicht, daar ’t hart bij breekt!« laat een ander hooren. »Een meisken zoo zoetaardig van geest, zoo kloek van moed: och, lieve Heer!...«
Hoe verder men voortdrong, hoe luider de klachten en het misbaar werden. Zoo op eens toch heeft het geschut van den belegeraar rouw in menig gemoed gebracht; het vendel van Kenau telt eene heldin minder; de wakkere Maria van Schooten is dood.
Gereed om de woning haars vaders te verlaten—toenmaals een zeer schoon gebouw in de Zoetestraat, waar in de helft dezer eeuw de Rouwkamer was, zijnde thans perceel No. 13—vertoeft Maria van Schooten nog een oogenblik op de stoep, wijl de schrijver of klerk van hopman Vader van den kant der Zijlstraat nadert en haar een teeken geeft, dat hij haar iets heeft mede te deelen. Zij toeft alvorens den weg naar de lange Margarethastraat in te slaan en—dat oogenblik is haar noodlottig. Plotselijk doet zich de losbarsting der mijn hooren, te gelijker tijd ook het geschut en—de beide beenen afgeschoten, is een leven vol liefde, vol jeugd, vol moed, eensklaps vernield. Dat deed uit de oogen van hen, die het zagen, een tranenvloed springen. Maar nog eischte de dood andere slachtoffers. Door ontzetting aangegrepen, staat de jongeling, die haar wilde aanspreken, een oogenblik stom en wezenloos en—dat oogenblik is ook zijn dood: een andere kogel giert aan en onder een gil valt hij, in de borst getroffen, stervend op den grond. Dat is een tooneel van smart en van wanhoop: dat herschept de woning van genoegen en tevredenheid in eene woning van jammer en radeloosheid: dat verscheurt de borst van zoo menigen vriend en vriendin, van zoo menige speelgenoot, en allen die Maria liefhadden schreien, neen weenen over haren dood. Zie, in dat huis; nog korts zag men er eene lenteroos, een bloeiend leven—thans eene afgerukte witte lelie, den killen dood. Zie die moeder, dien vader, die zuster bij het lijk: eerst bedwelming, daarna woedende smart, ten laatste folterend lijden. Zie die gelaatstrekken, die gebaren, kampende tegen het wee van de ramp; zie dat optrekken der wenkbrauwen, als wilden zij het woelende brein tot hulpe zijn; dat flikkerend en vluchtig licht in de oogen; dat hijgen der boezems, die trekking van al de zenuwen en spieren, en dien naar den hemel gewenden blik. Stort hem uit, dien tranenvloed, die, onder eene zoo zichtbare schokking der ziel, opwelt: stort hem uit, droeve ouderen! het zal verlichting geven aan uw leed.
Maar niet in dezen woning alleen heerscht wanhoop, woont rouwe. Ginds bij de Ursulasteeg ziet men eene andere moeder, radeloos, met losgeslingerde haren door de saamgevloeide menigte heendringen. Drie harer kinderen zijn door één kogel getroffen, en de stuiptrekkingen van een hunner getuigen, dat het nog leeft, maar dat weldra de laatste vonk zal uitgebluscht zijn. De wanhoopskreten der moeder vervullen de lucht. De arme, de ongelukkige! wie kan haar diep gemis vergoeden? Maar opnieuw gieren er kogels door de lucht: angst, schrik maakt zich meester van de menigte, die hier weeklaagt, daar den Spanjaard vervloekt, doch allengs zich verspreidt, opdat de dood geen jammer te meer voege bij het reeds zoo treurig tooneel.
Wij zagen Boreel naar den wal snellen, waar op Ripperda’s bevelen, aanstonds honderden gereed zijn tot het opwerpen van nieuwe blindeeringen, als zoovele bolwerken tegen ’s vijands geschut.
De avond komt; de belegerden tellen vijf slachtoffers meer, zonder dat er een storm had plaats gehad. Het was een dag geweest als zooveel andere dagen, waarop de vijand zijn kruit gespild en geen voet gronds gewonnen had.
Maar voor hoevelen ook, vooral was die dag onvergetelijk voor Anna en Boreel; want beider worsteling tusschen liefde en plicht zou hervat worden, met een uitslag, te grievender, omdat de reeds opgevatte hoop bijna te gelijker tijd zou verdwijnen.
Toen Boreel naar doctor Elsen terugkeerde, had de beroemde geneesheer Duvius hem juist verlaten, en nu vond hij den doctor in een grooten armstoel, en nog daarenboven door de lieve Anna ondersteund.
—»Wat is dat, Anna? wat is dat, meester Elsen?« was zijne eerste vraag, zoodra hij het bleeke gelaat der geliefde en het hijgen van des doctors borst zag.
—»Een schrik, Sijmon, die mijn vader zoo zeer aangegrepen heeft, sinds het ongeluk van dezen middag. Laas! wat dat ook een smartelijk geval is geweest.«
—»Bovenmate!« zeide Boreel, »maar, waarom doctor, ziet gij mij zoo donker aan?...«
—»Och, ik oude man, ik overleef het niet,« was het klagend antwoord, dat met een pijnlijken trek om den mond vergezeld ging, »wat mij de schrik op het lijf is gevallen. O, wat dagen van droefheid, waarin alles om ons heen donkerder is dan de nacht. Leider! het is mij zoo beklemd dat ik geen lucht kan vinden voor woorden, en toch moet ik spreken;.... ik moet het, Boreel! en aanhoor mij: nooit zal Anna mij verlaten, zoolang ik leef; nooit; liever sterf ik, dan dat zij van mij zal gaan.....«
—»Wat spreekt gij nu?« zeide Boreel, »wat is het, dat zoo fluks een omkeer in uw gemoed heeft gewrocht? Zijt gij dan de man niet, die geene woorden herroept?«
Terwijl hij dit zeide, wierp hij een veelbeteekenenden blik op Anna, die echter de oogen strak op haren vader gericht hield, als duchtte zij en als zou het haar smarten, die van Sijmon te ontmoeten,—of als gevoelde zij schaamte over de vreesachtigheid en zwakheid van haar vader.
—»Laat af met zoo bittere taal,« hernam de doctor. »Nooit, nooit zal Anna met het rapier naar den wal streven; nooit, zoolang de heilige maagd mijne grijsheid nog zal sparen; maar geene lange dagen zal ik meer leven; mijn zwak hoofd kan het niet harden, dat ik van den eenen schrik in den anderen verval, niets ziende en hoorende dan geweld en rumoer. Laat dan af met uwe dagelijksche kwellaadje; toef, totdat ik van de wereld zal zijn; dan ten minste zult gij voorkomen, dat ik het rouwkleed nog aantrekke over mijn eenigsten schat.«
—»Groote God! zoo ben ik dan niets waardig in uwe oogen!« vroeg Boreel, den grijsaard aanziende. »Mij, den zoon van uw vriend, kunt gij met een hard gemoed in leed storten? Mij, die uwe Anna zoo zeer bemin, en met een heiligen eed zweer, haar verdediger en trouwe helper te zijn, mij kunt gij van u afstooten en ontnemen al mijns levens zoet?.... En dat kunt gij, nadat gij licht in mijne ziel hebt doen opgaan. Na de hoop kunt gij weder wanhoop in mijn gemoed brengen?.... O! dat is wreed; dat is eene woordbreuk, die mij feller vlijmt, dan de dood.«
—»Mijn vader.... Sijmon! och, spaar hem,« smeekte Anna, een teederen blik op hem werpende, »het tooneel van dezen dag heeft hem aangegrepen met bijsteren schrik. Hij heeft u lief, Sijmon, van heeler harte. Mijn vader! spreek het uit, dat woord: lieft gij den zoon van uwen vriend niet?«
Haar toon was zoo roerend, en de liefde, waarmede zij de hand van den grijsaard in de hare drukte, zoo innig en gloeiend, dat zij op dit oogenblik de Engel der liefde zelve scheen.
—»Hem lieven, Anna!« antwoordde de doctor, »moet ik dat herhalen? Aan wien is, na u, mijn hart vaster verkleefd?....«
—»Neen! dat is het niet,« sprak Boreel, »dan zoudt gij mij niet doen storten in de diepte der smart.«
—»Ik ben het, dien gij wreed grieft,« hernam de doctor met eene bevende stem; »ben ik niet een zwak en afgeleefd man? Gij hebt het mij afgeperst, dat ik neigen zou tot uwen wil; maar na zulk een jammertooneel van dezen dag.... Nog hoor ik de bange kreten; ik zie Maria’s vader bij het bloedige lijk; ik zie hare moeder in wanhoop en afgetobt door weedom. Heilige Maria! was zij niet eene van Kenau’s vendel? En vond zij niet een wreeden dood, waarbij mij ’t gemoed opbarstte, schoon ik haar vreemd ben? O ramp zonder weerga! dat zou ook Anna treffen en ik zou mijn eenigen schat zien baden in haar bloed!—hoeveel dooden zou ik niet sterven! Neen, Sijmon! neen; ik zweer het bij de heilige moeder Gods!—Anna verlaat haar grijzen vader niet.«
Dat was beslissend: het vonnis onherroepelijk geveld. Die woorden des doctors, gesproken met eene zwakke, sidderende stem, evenals van iemand, die den dood voelt naderen, die eed bij de heilige moeder Gods! wat behoefde de jongeling meer, om te beseffen, dat des doctors besluit onwrikbaar genomen was? Geene smeekende of overtuigende taal werd dan ook verder door Boreel gebezigd: maar ook zijn besluit was onwankelbaar; en terwijl hij de hand van den doctor in de zijne nam, sprak hij op roerenden en vasten toon tevens:
—»Welaan dan, en moge God u sparen voor bitter naberouw, dat gij Anna’s geluk en het mijne voor altijd hebt verwoest: vaarwel, vriend van mijn vader! dat bid ik de heilige maagd!« Vervolgens de hand terugtrekkende, stak hij die uit naar Anna, sloeg een somberen, maar toch liefdevollen blik op haar en zeide:
—»Vaarwel, Anna! vaar ook gij wel; het lot is geworpen; verbroken is het snoer, dat ons samenbond; de gebenedijde maagd neme u in hare hoede: dat bid ik met hope en liefde!«
Aan Anna’s voeten scheen, bij deze woorden, de grond te ontzinken. Toch wankelde zij niet: toch hield zij zich krampachtig aan den armstoel geklemd; toch vloeide geen traan uit haar oog, want met welk eene onstuimige kracht de vloed opgestuwd werd, hare macht om dien te keeren, behield de overhand. Dat had zij dien middag met geestkracht besloten; zij had den nieuwen strijd voorzien en er zich met vrouwelijken moed tegen gewapend. Dat kon zij te eerder, omdat zij den vijand, dien zij bekampen moest, had leeren kennen; en toen nu de aanval plaats had, wankelde noch bezweek zij; maar de op haar drukkende last, dien zij met overspanning torste, beklemde haar toch de borst; de tranen, die zij met geweld terugdrong, deden haar ook geen lucht vinden voor woorden, voor klanken, en zij stond daar stom en onbewegelijk als een marmerbeeld.
—»Gij smaadt, gij veracht mij, Anna!« riep Boreel, terwijl hij onstuimig hare hand greep, die stijf op hare heup hing; »slechts één woord, Anna! één woord slechts, dat ge mij niet veracht; want bij de heiligen! zóó verlaat ik u niet....«
En Anna sprak dat woord, en afgebroken zeide zij:
—»Vaar.... wel, Sijmon!«
—»God lof!« riep Boreel en nu wilde hij zich met verrukking voor het laatst om haren hals werpen, den afscheidskus op haren mond drukken.... maar toen hij reeds de handen uitstrekte, deinsde hij plotseling terug, evenals men terugdeinst voor den angel eener slang, die ons met den dood dreigt.
—»Voort! voort!« riep hij uit, »eer ik zwak word; vaarwel, voort!....«
Zonder verder een blik op den doctor of Anna te werpen, verliet hij het vertrek, snelde als een vervolgde het huis uit en ijlde de straat op, waar de koel hem tegenruischende avondwind eene verfrisschende lucht schonk aan zijne felbenepene borst.
Zóó als Boreel vlood, de zonde te ontvluchten, dat zou edeler, dat zou grooter wezen, dan een strammen grijsaard te martelen, dan een geliefd voorwerp zóó te verlaten, om roem en eerzucht te bevredigen.
Mochten sommige lezers dit uitroepen, voor dezulken dan is dit vaderlandsch verhaal niet geschreven. Maar mocht men Boreel hier dwepend, mocht men hem hard noemen,—wij willen gaarne de hand op den mond leggen. Maar verplaats u, zoo ge dit vermoogt, in den jare 1573; vertegenwoordig u den strijd van het zwakke Nederland tegen het machtige Spanje. Zie dat Nederland later aan dat Spanje de wet voorschrijven; vraag u dan af: »waardoor werd die grootheid verkregen?« Mogen dweepzucht of hardheid somwijlen het hunne hebben gedaan, niet minder deed een wil van metaal, een ijzeren moed, met het oog op God, niet minder deden opofferingen, die weerklank vonden, die soms wel diepe wonden sloegen, maar ook vonken van moed aanbliezen tot een onuitbluschbaar vuur. En geene stad kan met meer recht dan Haarlem de woorden van Hooft op zich toepassen: »de grondslag van ons tegenwoordig geluk werd gemengd en gemetseld in den kalk van het bloed en de tranen van ons voorgeslacht.«