Dewijl er sedert drie dagen noch levensmiddelen, noch brieven uit het prinselijk leger waren binnengekomen, en de vorst, de mist en de dooi bij afwisseling bleven voortduren, werden er twee brievenposten met ledige sleden aan den prins afgezonden, ten einde hem eene juiste afteekening der belegering met den toestand der stad voor oogen te houden en hem te melden, »hoe het laatste meel reeds in den oven en het laatste buskruit al in de flesschen was.«
Eer echter deze boden bij den prins konden zijn, kwamen er dienzelfden dag vijf en zestig volgeladen sleden binnen en derzelver convooi was een vendel Duitschers, Walen en Engelschen, waarover hopman Schram van Brunswijk het bevel had, en die met recht uitgelezene krijgslieden konden genoemd worden.
—»Thans Rustenburg aan den Spanjaard ontweldigd!« spraken de hoplieden, en als weergalm klonk het onder de soldaten: »Ja, nu op Rustenburg het gewaagd!«
Buiten de Schalkwijkerpoort komt men aan de Zomervaart, die in de Fuikvaart uitloopt, welke laatste weder hare uitwatering heeft in het Haarlemmermeer aan de Buitenleide. Aan deze Fuikvaart, tusschen de Gowatering en de Zomervaart, lag het huis Rustenburg, waar men thans niets dan weiland ziet, en dat op ongeveer een halfuur afstand van de stad kon gerekend worden. Amsterdam, of liever de Moorddam, zooals de soldaten van den prins het noemden, hield het Haarlemmermeer in, en daar de Spanjaarden hunne schans bij de Fuik hadden, verloren de belegerden het water en moesten al hun invoer alleen langs hunne schansen en sterkten, over land, binnenkrijgen. Hoogstwenschelijk zou het dus geweest zijn, wanneer de belegerden zich bij tijds of liever van den aanvang af van de Fuik hadden verzekerd. Thans met nieuwen voorraad en troepen versterkt, wilde men dit beproeven.
Op Zaterdag den zeventienden Januari trokken derhalve Asinga Ripperda, Pellekaen, Vlasman en anderen met dit doel de Schalkwijkerpoort uit. De aanval geschiedde zoo krachtdadig, dat de vijanden weldra van den watermolen verdreven werden, waarna men stormenderhand in de schansen viel, elk, wien de vlucht niet gelukte, over de kling joeg en vervolgens de gansche plaats in brand stak. Behalve met anderen buit trokken de Haarlemmers met een veroverd vaandel en drie trommels binnen de stad, en de vaandrig Ruijkhaver had de eer, dat hij bij deze overwinning een vendrig den standaard uit de hand gescheurd en hem doorstoken had. Ook Vlasman had zich dapper gedragen. Jammer, dat de verdedigers zoo spoedig daarop dien wakkeren voorvechter uit hun midden zouden zien gerukt.
Op last van Ripperda werd in den volgenden nacht het blokhuis van de Kruispoort—het Moordhol genoemd—verlaten; want ofschoon er dien dag slechts zestig schoten op gedaan waren, had men er weder verscheidene soldaten op verloren, en ook was de sterkte zoo dicht ondergraven geworden, dat men in groot gevaar begon te verkeeren. Eer men het verliet, werd echter al het houtwerk verbrand, opdat de vijand daarvan geen nut zoude trekken.
Tot nog toe was de raadselachtige eenoog niet in Haarlem teruggekomen; maar op Zondag daaraanvolgende werd het gerucht bevestigd, dat hij met een korf duiven uit de stad was vertrokken. In den vroegen morgen namelijk zag Asinga Ripperda hoe er, klapwiekend, een duifje op de woning van den geheimzinnigen vreemdeling nederstreek. Bij onderzoek vond men een toegevouwen stukje papier aan het tenger pootje gebonden; en het schrift aan Ripperda ter hand gesteld zijnde, las deze nu den volgenden aan hem gerichten brief van den prins:
Edele, eerzame, lieve, bijzondere! ons is lief geweest om te hooren door diverse uwe brieven, dat gij zoo wel gehard en volstandig blijft, om die goede stad Haarlem te helpen en te verlossen, waarvan wij niet laten willen u te bedanken en te verzekeren, dat wij niet laten zullen u hulp en ontzet te doen bij alle middelen en wegen, ons mogelijk zijnde, zoo gij tot nog toe hebt kunnen merken, dat wij tot nog toe gedaan hebben; en is het ons leed geweest, dat het laatste ontzet met den heere Van Boisot niet ingekomen is.
Gij zult adviseeren met die andere bij u zijnden, wat middel men mocht houden om u voortaan secours te doen, en wij zullen u daaraan behulpig zijn, hiermede u den Almogenden Heere bevelende. Geschreven tot Delft op den 18den Januari 1573.
Uw goede Vrind!
Guill. de Nassau.
Niet zoodra was de inhoud van dezen brief en de wijze, waarop hij binnen de stad was gekomen, aan de burgers bekend, of ieder voelde zich moediger en opgeruimder.
—»Leve de prins! leve Ripperda!« klonk het.
—»Handen dubbel uit de mouwen!« riep Volkert Jansz, wiens naam met lof in de thesauriersrekeningen voorkomt, als altijd ijverig aan de bressen en het versterken der stad te hebben medegewerkt. »Het Moordhol is verlaten; dat nu de Kruispoort een moordhol worde voor den Spanjaard!«
—»Niet vertraagd, mannenbroeders!« sprak Ripperda. »Wakker aan! wat gij doet tot glorie van Haarlem, is tot glorie van heel het land.«
Inderdaad scheen ieder zich om het zeerst te beijveren, om de gepleegde schanddaad door dubbele inspanning van krachten uit te wisschen. Het was Zondag. Velen waren naar de kerk opgegaan om onder eene leerrede van den predikant Sijmons, wellicht uit psalm honderd zeven, vers zes, God te danken voor den nieuwen aanvoer van levensmiddelen en buskruit; maar de meesten waren naar de Kruispoort gesneld om den krijgslieden alle mogelijke hulp te bieden; want deze versterking en de aan te leggen nieuwe wal kon met geen te grooten spoed doorgezet worden.
Evenals vroeger zag men dan ook weder eene talrijke menigte soldaten, burgers, vrouwen en kinderen bewonderenswaardige kracht en vlugheid ten toon spreiden. Hier zag men een deftig poorter niet aarzelen, om met aarde beladene manden te torsen; daar zag men vrouwen en meisjes, zooeven uit de kerk gekomen, takken, haken en voetangels aanbrengen; ginds waren forsch gespierde handen bezig om de aarden-wallen met zware balken op eene stevige wijze te doorvlechten, omdat de mijnen een voornaam deel van de aanvalswerken uitmaakten. Ook legde men traversen aan, daar waar de stad voor ’t vuur openlag. De een voerde zoogenaamde spitse proppen en lange ijzeren verken aan, terwijl anderen lange ijzeren pennen op horden, en op de wijze van pansers vervaardigd aansleurden. Had iedere poort reeds schotdeuren, die als een oliestamper vielen, thans werd iedere balk nog van eene stevige ijzeren pen voorzien. Aller handen waren rusteloos in beweging; moed en geestdrift blonken in ieders oog, en als had de vijand er eerbied voor, zoo vindt men aangeteekend, dat er dien dag slechts zeven losbrandingen plaats hadden, waardoor het werk geen bijzonderen tegenstand ondervond.
—»Zóó moet de schandsmet worden uitgewreven,« sprak Ripperda tot Van Duivenvoorde, »en eerst nu wordt de storm gestild van mijne verontwaardiging, nu men ’t wreed gestorte bloed onder puin en aarde bedelft.«
—»Ook mij valt nu weder lichter te dragen, wat mij aangaande het lot mijner vrouw met zooveel zwaarte op ’t gemoed zonk,« antwoordde Van Duivenvoorde. »Met dubbelen moed kan ik God bidden, dat Hij haar tot schuts en scherm zij in haren bangen staat. Zoo de nieuwe wal wordt voltogen, eer de Spanjaard stormt, zullen wij te krachtiger afslaan, en met minder schroom een uitval kunnen doen.«
—»Uw moed verheugt mij,« hernam Ripperda met geestdrift. »Groot is de man, die den storm van het leven braveert en wiens rustigheid de geestkracht van anderen verhoogt, schoon hem de ziel fel gewond is.—Van Duivenvoorde! tegen de vriendschap van zulk een man kan geen goud opwegen.«
Bij deze woorden stak Ripperda hem de hand toe. Van Duivenvoorde drukte ze warm; de twee mannen, beiden zoo groot van ziel, hadden elkander verstaan.
In vergelijking van den nieuwen wal kon de versterking der Kruispoort nietsbeteekenend genoemd worden. De onderneming was eenen Ripperda en Derdein waardig. De nieuwe wal zou den vorm eener halve maan hebben, twaalf voeten breed en honderd schreden lang zijn. Hare beide einden of armen zouden in den ouden wal uitloopen, en om dat doel te bereiken, moest een gedeelte van de huizen in de Kruisstraat worden afgebroken. Aan de westzijde namelijk zou ze nabij de Kraaienhorstergracht uitkomen, en aan de oostzijde omtrent halverwege van de Janspoort, terwijl twee stevige bolwerken de halvemaan zouden sluiten.
—»Wakker aan, mannen, broeders!« sprak burgemeester Van der Laan, die de inspanning en de onvermoeide werkzaamheid van zooveel honderden met een oog van welgevallen overzag. »’t Is voor Haarlem, voor Holland! Zoo de Spanjaard den spoed zag, waarmede Haarlem zich een wal bouwt, hij zou niet meer droomen, de stad in zijn macht te hebben.«
—»Leve burgemeester Van der Laan!« klonk het onder de dichtstbijzijnden, die zich over dien lof gestreeld voelden.—»Als de Spanjool stormt, zullen wij hem feestelijk groeten: hij zal ons ten minste niet tot verwijt toedrijven, dat wij traag zijn geweest.«
—»Steenen, genannen, hier; hout aan de poort!« riep de ijverige Volkert Jansz, wien het zweet van het aangezicht stroomde, ofschoon het snerpend koud was. »Voor Haarlem! voor Ripperda!«
—»Het schrift van den prins heeft de spieren versterkt!« zeide burgemeester Van der Laan, zich tot Ripperda wendende, die in de tegenwoordigheid van Brederode en Boreel eenige bevelen gaf, »hoe zich de handen en voeten reppen! hoe de oogen gloeien! dat zou een tooneel wezen voor het palet van meester Maarten.«
—»Met zoo een ijzeren wil kan Haarlem niet buigen,« antwoordde Ripperda, »maar is het de weduwe van Nanning Gerbrants niet, die ik daar in aantocht zie.«
—»Voorzeker, zij is het,« zeide Boreel.
—»Daar komt uwe moei, Hasselaar,« zeide tot dezen de vaandrig Ruikhaver, die gisteren van de schans Rustenburg teruggekeerd, heden aan de versterking der poort werkzaam was; want geene dienstverrichtingen, van welken aard ook, waren in staat, om eenigen rang te verduisteren of te benevelen: één doel slechts werd voor oogen gehouden, het doel om de stad tegen den vijand te verdedigen, op eene wijze, zooals de oudheid er weinige kan aantoonen, en zoo roemrijk, als er wellicht nimmer eene zijn zal. »Dat zou ik nog wel eens zien willen, dat aan de bloedgieren daar tegenover ons, door vrouwen lustig de baard wierd geschoren.«
—»Heb maar geduld,« antwoordde Hasselaar, »aan dat voornemen zal mogelijk al haast de hand gelegd worden.«
En terwijl de twee moedige vaandrigs over haar spraken, die sedert Nieuwjaarsdag het onderwerp van zooveler gesprekken geweest was, naderde Kenau, door hare dochter Guurtje vergezeld, de plaats waar op dat oogenblik Ripperda met Van Vliet en eenige anderen in gesprek was. In weerwil van het rumoer en de rondom heerschende bedrijvigheid werd zij aanstonds opgemerkt, temeer daar Ripperda haar, na het vroegere onderhoud in de woning van Van der Laan, reeds een paar malen gesproken had, en hij van eerbied ontgloeid was geworden over de vaderlandsche gevoelens, welke zij toen geuit had.
—»Juffer en vriendin!« sprak burgemeester Van der Laan, haar en hare dochter naar plaats en tijd vluchtig doch eerbiedig groetende.
—»Juffer Borst!« liet Ripperda hooren, wordende zij veelal met dien naam of, zooals nog wel aan de Zaan bij rijke vrouwen plaats heeft, eenvoudig met dien van Kenau Simons aangesproken, en nooit met den, toen zoo schaars gekenden titel van mevrouw, hetgeen dan ook misschien alleen te verschoonen is in de van haar bestaande treurspelen van den dichter Loosjes en de dichteres De Lannoij. »Juffer Borst!« zeide hij, eene vluchtige doch eerbiedige krijgsmansbuiging makende, »ook gij hier? zoo fluks werd nog uw naam met eerbied genoemd: gij ziet, hoe de Spanjaard ons dringt, het moordhol te verlaten, maar hoe rappe, kloeke handen hem buiten de vest houden.«
—»De snelle maar bracht het mij reeds aan, edele heer!« antwoordde zij, »en gewis, deze heeft niets opgevijzeld: ik zie jong en oud, vrouw en man, altegader eene rots opwerpen, waartegen de Spanjaard eene harde botsing en kneuzing vinden zal. Voorwaar! dat is een oogenblik waarvan nut te trekken valt....«
Nu overzag zij, geestdriftvol hen, welke in alle richtingen van dat gedeelte der stad door elkander kruisten; die geestdrift scheen met iedere seconde aan te groeien: de in hun blakende vlam van vaderlandsmin vereenigde zich met de vlam van haat tegen de vreemde overheerschers: en die lieflijke met die donkere vlam te zamen verspreidden een gloed op haar gelaat. Zij zag, hoe jong en oud ijverig en onbezweken een muur als van metaal opwierpen; hoe teedere vrouwen onder het torschen van lasten in krachten schenen toe te nemen, en hoe zij de forsche mannen zoo al niet overtroffen dan toch evenaarden; en er met wellust hare blikken op werpende, liet zij op eens de woorden hooren:
—»Maar ik ben niet hier gekomen om te zien. Mijnheer Ripperda! het voorstaan van Haarlem’s glorie en vrijheid ook door vrouwen ontbrandt te heftiger in mij: dat uur is gekomen; maar hier werkeloos staande en geene hand reppende, kan ik niet zeggen: »op, vrouwen van Haarlem! wapent u als soldeniers en gaan ook wij den vijand te keer. Eerst zelve de hand uitgestrekt; niet zelve geaarzeld, als men volgelingen wenscht. Wakker aan, mijne dochter! Kenau Hasselaar, uwe moeder gaat u voor!«
Na een flonkerenden blik op Ripperda, Van der Laan en anderen te hebben geworpen, zag zij opnieuw rond, en ziende, hoe op dat oogenblik uit de Margarethastraat een knaap naderde, gebukt onder een houtvracht, voor zijne krachten te zwaar, ging zij hem met rassche schreden tegemoet.
—»Terug, brave borst!« sprak zij, »haal ander hout, maar geen zoo grooten hoop tegelijk: ik zal dezen wel brengen, waar hij noodig is.«
Verwonderd zag de knaap haar aan, en scheen te aarzelen met het overgeven van zijn last, alsof zijn jeugdig plichtgevoel er tegen opkwam. Maar ziende, hoe zich Kenau van hare huik ontdeed, en de toespraak met korter woorden hoorende herhalen, zeide hij:
—»Komaan dan, er valt nog genoeg aan te slepen.«
—»Waar haalt gij dat hout?« vroeg zij, toen de knaap ijlings wilde terugloopen.
—»Bij meester Gerrit den timmerman in de Zoetestraat,« antwoordde de jongen; en nu beval zij hare dochter, die haar gevolgd was, met hem mede te gaan en dezelfde taak te verrichten, waaraan deze oogenblikkelijk gehoorzaamde.
Met eene behendigheid, die niet getuigde hoe de weduwe van Nanning Borst aan dergelijken arbeid gewoon was, maar die bewees, waartoe men, met geestdrift bezield en met ijzeren wil toegerust, in staat is, laadde Kenau den last op hare schouders en begaf zich vervolgens onder de heen en weder dravende menigte naar de Kruispoort.
—»Dat is de weduwe van Nanning Gebrants,« liet het zich hier van eene vrouw, wat verder weder van een man hooren: en ofschoon dit gedrag, in den jare 1573, in zulk een tijd wel geene gelijke verwondering opwekte, als voorzeker in de negentiende eeuw het geval zijn zou, was er echter menigeen, die de deftig gekleede vrouw, in weerwil der algemeene bedrijvigheid, met bevreemding aanzag; doch het was eene bevreemding, tegelijk met eerbied en achting gepaard.—Die eerbied en achting vielen haar in geene mindere mate van Ripperda, Van der Laan en vele anderen ten deel: bewondering over hare plotselijke, tot handeling overgeslagene geestdrift, was zichtbaar op hun gelaat, blonk door in hunne gesprekken, en Ripperda kon den rondborstigen uitroep niet bedwingen:
—»Dat Haarlem’s dochters zich spiegelen aan haar! Op mijne eer, bij zooveel kloekheid overweldigt de Spanjaard deze veste nooit.«
—»Mijne moei!« riep de jonge Hasselaar, haar op zijde komende, toen zij aan de Kruispoort den reeds verrichten arbeid vluchtig overzag, »gewis, dat had ik verwacht van u; dat kroont u met eer, en mijn gemoed is vol vreugd.«
—»Dat is niets meer dan vervulling van plicht,« antwoordde zij, »maar ’t zal mij kwalijk genoegen, alleen door dit werk blijk te geven, dat ook vrouwen ’s vijands geweld weerstaan. Proeven moet hij, hoe in deze veste ook de vrouwen niet schromen, hem gewapend tegemoet te gaan. Ook in ons woont de zucht voor vrijheid: waarom zouden ook wij dan door bus en rapier die vrijheid niet voorstaan?«
—»Bij St.-Hubertus, waarde moei!« hernam Hasselaar, terwijl een blos op zijn gelaat toonde, hoe de jonkman de waarheid sprak, »uwe woorden vuren mijne verbittering feller aan, en als het een zweem van courage is, die mij niet doet dreigen, den Spanjaard onder ’t oog te zien, dan zal ik het van nu af nog minder: dat zweer ik bij Ripperda!«
—»Men zal niet klagen, dat gij ’t gevaar ontziet,« zeide Kenau; »maar wees achtzaam, dat uw moed niet overga in roekeloosheid.«
—»Wakker aan, mannen!« liet zich inmiddels Pieter Jansz hooren, die, als fabrijk aangesteld en die betrekking alleszins waardig was, »wakker aan! mest en takken hier: het werk gaat met spoed!«
Nog had hij deze woorden ternauwernood gesproken, toen een zware vijandelijke kogel omtrent drie voeten boven zijn hoofd vloog. Had hij dus op dat oogenblik een weinig hooger op de Kruispoort gestaan, dan had het zijn leven gekost. Hij zou echter dat leven nog eenigen tijd aan de versterking der stad wijden.
—»’t Is of de honden ’t voorzien hebben op onze fabrijkmeesters,« sprak kapitein Vimi, weinig denkende dat zijn arm, zoo ijverig in de weer, nog dienzelfden dag door een ander schot zou doorboord worden.
De plaats gehad hebbende losbranding kon echter de belegerden in hunne onvermoeide poging ter versterking van de Kruispoort niet doen verflauwen.—Rusteloos ging men voort met van alle kanten bouwstoffen aan te voeren, en onder die menigte was Kenau met hare dochter Guurtje niet de minst ijverige, terwijl hare dochter Grietje zich mede bij haar had gevoegd. Spoedig had het zich intusschen door schier gansch Haarlem verspreid, hoe onder de werkzame scharen zich ook Kenau met hare dochters bevond en hoe deze zich niet ontzagen, om even onvermoeid allerlei arbeid te verrichten. Evenals eene door den wind aangeblazene en niet beteugelde vlam zich weldra aan de aangrenzende gebouwen mededeelt, had dit bericht zich al meer en meer verspreid en in de licht ontvlambare gemoederen spoedig het vuur van edelen naijver ontstoken. Geen twee uren waren verloopen, toen men nabij de Kruispoort reeds andere vrouwen en meisjes uit den gegoeden stand bijeenzag en onder haar merkte men de schoonen op, welke de lezer zich zal herinneren, op den eersten dag van het jaar in de woning van burgemeester Van der Laan te hebben ontmoet. Men zag er de vrouw van burgemeester Kies, de beeldschoone Henrica van Vliet, de vrouw van hopman Vader met hare jongere zuster Maria van Schoten, Anna en Maria van der Laan benevens andere, aan welke later het gevormde plan was medegedeeld geworden, en die er evenzeer haar zegel aan hadden gehecht.
Inmiddels had Kenau onder het gestadig aanvoeren van aarde, steen of hout reeds aan deze en gene vrouw haar plan ter loops kenbaar gemaakt; en toen zij nu op eenigen afstand Henrica met hare vriendinnen zag, gaf zij een paar dergenen, met welke zij reeds gesproken had, te kennen, dat deze zich bij haar zouden voegen, zoodra zij met de dochters van Van der Laan en Van Vliet in gesprek trad.
Weinige minuten waren verloopen, toen dit reeds plaats greep. Kenau, andermaal van de Kruispoort terugkeerende, trad regelrecht op de juffers aan, en aller gelaat kleurde zich met een hoogen blos, toen de edele weduwe voor haar stond.
—»Gij ziet mij kloek aan het werk, jonkvrouw!« zeide zij, zich rechtstreeks tot Henrica van Vliet wendende, »en gewis, dat werk is nuttig en noodig, nu de wakkere soldeniers gedrongen zijn, het blokhuis te verlaten. Met vereende kracht moeten wij ’s vijands forschheid opnieuw wederstaan.«
—»Zoo is het, juffer Borst!« zeide Henrica, »gij geeft blijk, dat de gesprokene woorden niet ijdel zijn geweest, en wij hebben schuld te bekennen, dat gij, als de eerste, ons met uw voorbeeld zijt voorgegaan.«
—»Dat wij ons verzuim dan goedmaken,« zeide Magdalena van Schoten met vuur, »door insgelijks de hand aan het werk te leggen.«
—»Ja!« liet Maria van der Laan hooren, »niet verwijld of gedraald: steken wij de hand uit, om billijk verwijt te ontgaan.« En dit gezegd hebbende, wilde zij zich van hare huik ontdoen, om op staanden voet het bewijs te geven, dat hare woorden ernstig gemeend waren.
—»Neen!« zeide Kenau, bij wie zich inmiddels hare dochters en eenige andere meisjes en vrouwen voegden. »Laat dit opzet thans varen: gij ziet, dat het niet aan handen hapert, om het begonnen werk met spoed door te zetten. Maar hoort naar hetgeen ik zal spreken.«
Vervolgens een blik om zich heen werpende, die van geestdrift en vastberadenheid gloeide, zeide zij met eene even welluidende als krachtige stem:
—»Ik ben niet zoozeer aan dit werk gegaan, als wanende, dat ik veel zou toebrengen om Kruispoort en wal voltooid te zien; maar ik wilde recht hebben tot spreken. Het blijkt, dat de vijand al meer en meer op den ondergang van Haarlem loert. Door wreedheid heeft hij tot wederkeerige wreedheid geperst; en behalve dat het feit van gisteren het licht niet kan dulden, zal het den Spaanschen overmoed in laaien brand zetten. Met zwaarder ijzer zal hij de wallen kneuzen, en wanneer de koude, die vinniger schijnt te zullen worden, de gracht bevloert, dan staat er ieder uur een geweldige storm te wachten. Wat een droevig lot toeft ons, wanneer ’t hem gelukken mocht, de wallen te winnen? Wat huiverige gedachten bekruipen mijn geest. Mechelen, Zutphen en Naarden!.... De benden van den man, die zeide: »’t land liever ontvolkt, voor wildernis te laten liggen, dan er een dwaalgeest in te gedoogen,« zullen ook Haarlem niet verschoonen, dat reeds zooveel gloeiende kolen op zijn hoofd heeft getast. Eilaas! wie kan er aan denken zonder schrik? Verdelging met vlam en smook; wee door gansch de stad; de roover in de huizen, woeden op jeugd en ouderdom, ambt en achtbaarheid, en al dat moorden, plunderen en rooven onder hoongelach en kortswijl van den Spanjaard. En wie bevangt geene vrees bij het denken aan de eerlooze dartelheid van den vijand? Wie huivert niet bij ’t denken aan zijne schendende hand, bij het derven van ’tgeen aan onze maagden het dierbaarst is. Op dan, altegaar! grijpt spies, bus en rapier ter hand, om den bloedgier te toonen, dat Haarlem niet slechts mannen heeft, maar ook vrouwen, den dood braveerende voor het behoud harer veste.«
Niet zoodra had zij deze woorden gesproken: niet zoodra had zij andermaal de van moed en geestdrift gloeiende blikken rondom zich geslagen, of uit meer dan een mond, liet zich de kreet hooren:
—»Ja! ook vrouwen gaan den Spanjaard te keer! Met moed gekampt voor de vrijheid der stad!«
—»Voorwaar!« zeide Maria van der Laan, »uwe kloekhartige taal toont wat u bezielt; gij hebt mijn vurig verlangen tot feller vlam aangeblazen....«
—»Ja, ook onze zwakke handen grijpen bus en rapier aan,« sprak Maria van Schoten, »en gij, Kenau Simons! gij zult onze aanvoerster zijn....«
—»Goed gezegd, Maria!« liet Henrica van Vliet hooren, »onder zulk eene aanvoerster stel ik mij moedig in ’t geweer.«
—»Nog één woord,« hernam Kenau, »mijn doel zal bereikt worden; daar is luttel twijfel aan. Ik lees het in uw aller oog, het klinkt mij toe uit aller mond. Niet langer gewacht dan, maar het ijzer gesmeed, terwijl het heet is. Wel is uw aller woord mij tot borg, dat men niet achterwaarts treden zal; maar in iedere zaak moet orde zijn, wil men er ’t rechte nut van trekken. Vandaag nog de namen geschreven van die zich gewillig hebben gesteld, en dat mijnheer Ripperda worde gesproken, die aan dit besluit zijn zegel hechten moet.«
—»Kloeke vrouw, die mij nog kloeker heldin voorspelt!« zeide Ripperda, welke met Van der Laan en anderen, vol bewondering en geestdrift, alles gehoord en gezien had, »voed geen twijfel, dat de bezegeling dezer zaak achterwege zal blijven. Wigbolt Ripperda sluit er zich aan met de volle ziel; want aan Haarlem, aan het behoud van heel het land is al zijn streven gewijd. Beve de Spanjaard, als hij deze maar hoort, als hij vrouwen ziet naast den soldenier. Bij den Hemel en bij Oranje! deze dag zal nimmer uit mijn geheugen worden gewischt.«
Inderdaad zag men een tooneel waarover de majestueuze tint van den jare 1573 verspreid lag—een tooneel zoo grootsch als eerbiedwekkend, zoo aandoenlijk als schoon. Hier eene schare van vrouwen en maagden, onder welke sommige van fijn gevormde leest en schoonheid, wier eenvoudige kleeding haren minderen stand verried, doch ook zij, wier deftig, schoon van pracht ontdaan, gewaad de blijken droeg van haren hoogen stand: teedere vrouwen, die door wil en geestkracht dra in kloeke mannen als herschapen zouden worden. Dáár krijgslieden, haar met eerbied omringende, of door blik en woord haar besluit huldigende. Ginds achtbare mannen, op hunne dochters of vrouwen met vreugd neerziende en sommigen zich zelfs geweld aandoende, om een opwellenden traan van aandoening te bedwingen. Ripperda, de koene, de onbuigzame, de man van ijzer en staal en toch de waarachtige Christen, tegenover de wakkere, schier even onbuigzame Kenau Hasselaar. En rond die allen eene andere menigte, dravende, lasten torschende en een bolwerk opwerpende, dat nog hechter zal worden, omdat ook voortaan vrouwen het tot nevenbolwerk zullen zijn. Hoeveel moed, hoeveel geestdrift! welk een metalen wil.... Mannen en vrouwen plechtig een verbond sluitende, dat zij welvaart, bloed en leven veil hebben, niet slechts voor Haarlem, maar ook voor de vrijheid en het heil van heel het land. Voorzeker, roemvolle stad aan het Spaarne! dat tooneel diende wel naast zooveel andere in marmer gegrift te staan.