Twee dagen na den onvergetelijken uitval in den Hout verloren de belegerden Dirk Brazeman, den luitenant van Lancelot van Brederode, die door een musketkogel in de borst was getroffen. Intusschen klonk de roem der Haarlemmers door heel Nederland; doch de overwinning werd niet weinig vergroot en men schreef zelfs aan den graaf Van Nassau de onwaarheid, dat ook Otto van Eberstein, Fronsberger en Liques gesneuveld waren. Maar wat te dien tijde, in evenredigheid, geen minder naam maakte, was de stoute daad van een vrijbuiter. Echte waaghalzen waren de vrijbuiters, die het leger van Frederik niet zelden afbreuk deden, hetzij op schaatsen, hetzij met hunne roei-jachten. Zij hadden den toren van Westzanen tot bespiedingsplaats. Vandaar konden zij de schepen zien, die telkens uit Amsterdam levensmiddelen naar het Spaarne en het Huis Ter Kleef aanvoerden. Dan kwamen zij van achter de dijken en door de daarin gemaakte openingen den buit bespringen en behaalden meer dan eens groote voordeelen.
Zoo trok in het laatst van Maart een kornet van honderdvijftig speerruiters of lanciers van Amsterdam naar het Huis Ter Kleef. Na den dooi had veel regen den dijk langs het Y niet alleen glibberig gemaakt, maar de grond was ook zoo week, dat de paarden slechts stapvoets konden rijden en hier en daar nog diep in den modder zakten. Twee roei-jachten, met achttien koppen bemand, hadden zich op het Y achter een rietkraag verborgen; en ’t Hoen, die reeds drie jaren lang het Y en de kusten voor den Spanjaard onveilig had gemaakt, was hun aanvoerder. Nauwelijks had ’t Hoen gezien, dat de ruiters zich op dat vak van den dijk bevonden, waar zij aan beide zijden door het water waren ingesloten, of hij gaf zijne bevelen. Met het eene jacht in den voortocht blijvende, springt hij met zeven der zijnen op den dijk. Vier hunner, met lange pieken gewapend, stellen zich in het front, terwijl het tweede gelid, met musketten voorzien, zich gereed houdt om, bij genoegzame nadering der ruiters, een zeker schot te doen. Weldra zijn er vier gevallen en daar hunne pieken veel korter zijn, kunnen zij geene genoegzame vaart maken. Zij deinzen; de musketiers laden opnieuw; de ruiters wenden achterwaarts; doch nu zijn ook de vrijbuiters op den dijk aan de Amsterdamsche zijde gesprongen, en ook daar worden de ruiters op dezelfde krachtige wijze ontvangen en teruggedreven.
De Spanjaarden dus van weerskanten ingesloten, van de eene zijde naar de andere gedrongen en reeds door de langere pieken getroffen, eer de hunne de vrijbuiters kunnen bereiken, wenden opnieuw; doch van voren en van achter ontmoeten zij den dood; het eene paard na het andere blijft in het slijk zitten; zij verdringen elkander op het glibberige pad, en wie niet valt door de pieken of musketten der manschappen van ’t Hoen, wordt van het paard afgeworpen en door zijne makkers in den modder vertrapt. Weldra is het geen gevecht meer; het is een moord; de eene Spanjaard sneuvelt na den anderen en—Haarlem heeft een kornet kloeke speerruiters minder te bevechten; achttien vrijbuiters hebben honderdvijftig Spanjaarden vernield. De paarden zijn hun buit; deze worden met de wapenen en de kostbaarheden in de roei-jachten geladen; doch het meerendeel aan touwen gebonden, bereikt al zwemmende den Westzaander Overtoom, en men zegt, dat deze dieren te Purmerend voor een aanzienlijken prijs werden verkocht. Geen wonder, dat de naam van ’t Hoen daarna den Spanjaarden met nog meer schrik in de ooren klonk. De heer van Liques verlangde dien held eens te zien, bood hem vrijgeleide, en—’t Hoen aarzelde niet, als een tweede Fabricius, in diens legertent te komen. Niet weinig was Liques verwonderd, slechts een eenvoudig huisman, schoon met moedigen oogopslag, in hem te zien. Hij bood ’t Hoen geschenken aan, die deze echter weigerde, met de woorden: »de tijd kon wel eens komen, dat hij zijne gunst niet zou afslaan.« Inderdaad geraakte hij later in handen van den vijand, en toen had hij het aan Liques te danken, dat hij, zonder eenig rantsoen, vrijgelaten werd.
Welk eene schakel van worstelingen sinds den aanvang van het beleg! De laatste dagen van Maart vooral waren belangrijk. Op Zondag den negenentwintigsten liet don Frederik den Hoogendijk bij het huis Ter Hart doorgraven. Nu stevende Bossu met drieendertig Amsterdamsche schepen en zeven galeien, die daags te voren aan gene zijde van Osdorp waren gevaren, de Meer op, en spoedig begon hij met het opwerpen eener schans nabij de Fuik. Dit was eene noodlottige tijding voor de Haarlemmers; want door het insluiten van de Fuik moesten zij het water voor de stad als verloren beschouwen. Ripperda verzamelde oogenblikkelijk eenige vrijwilligers, die zich onder bevel van kapitein Binkhorst en Maurignault met de derde galei op de Meer waagden. De eersten, die zich als vrijwilligers aanboden, waren de vaandrig Hasselaar en zijn broeder Nicolaas. Op hun voorbeeld was er weldra een genoegzaam getal, en onder een hevigen wind bracht men de galei te water, om den vijand het opwerpen der schans la Goleta, nabij de Fuik, te beletten. Het doel werd echter verijdeld; want niet alleen waren de Spanjaarden reeds te ver met het werk gevorderd; maar deze met talrijke overmacht op de galei aanvallende, waren de Haarlemmers, ten einde niet geheel ingesloten te worden, gedwongen op de Kaag aan te sturen. Vandaar gelukte het den vaandrig, zich den weg naar Leiden te banen, waar zijn moed weldra op eene zware proef zou worden gesteld.
Na de nederlaag in den Hout had de vijand den capitan Martijn de Rason er met een uitgelezen vendel heengezonden, alsook de schans Capres laten opwerpen, ongeveer ter hoogte van de tegenwoordige herberg »het Haantje« op den Zijlweg, ter plaatse waar de scheiding is tusschen Haarlem en het dorp Overveen. Op den laatsten Maart had hij ook de Fuikschans la Goleta voltooid; maar in weerwil van het doel om daardoor aan de stad allen toevoer af te snijden, kwam er op den eersten jaardag der inname van den Briel, nog eene met buskruit geladene schuit binnen, ofschoon dit eigenlijk over het verdronken land plaats had. Reeds daags daarna kwamen al de vijandelijke schepen van de Fuik en onderhielden er den ganschen dag een levendig vuur, zonder dat er van beide zijden manschappen sneuvelden.
De vijand wel ziende, dat de toevoer nog niet geheel belet was, liet nu, meer nabij de stad, het fort Ruoda opwerpen, tegenover hetwelke, in de nabijheid der gracht, de belegerden eene vrij stevige schans aanlegden, waardoor de Spanjaarden gedwongen waren, meer verdedigender- dan aanvallenderwijze te handelen.
Intusschen was er van weerszijden eene mijn gesprongen, zonder groot nadeel teweeg te brengen. De mortieren tegen de Kruis- en Janspoorten zwegen; de vijand wilde nu enkel voor altijd Haarlem den toevoer van levensmiddelen beletten. Hij had twee bruggen over de rivier geslagen, de eene (reeds vroeger) over het Noorder-spaarne, nabij de zeven molens, de andere over het Zuider-Buiten-spaarne, ter hoogte van de tegenwoordige buitenplaats Zuiderhout en tegenover de zoogenaamde Spanjaardslaan. Het oogmerk daarmede was om de gemeenschap te onderhouden en de belegerden te nauwer in te sluiten.
Deze laatste brug te vernielen, ten einde zich daardoor een anderen weg naar de Meer te openen of liever om den eenigen, nog geschikten weg te behouden, was de taak, die voor de belegerden een heilige plicht werd. Met dit doel namen dan ook op den negenden April nagenoeg honderd schepen van de prinselijke vloot van de Kaag koers naar de Fuik. De Haarlemmers dit ziende en op ontzet hopende, voeren zonder tijdverzuim met twaalf schepen en een waterschip naar den Hout, om de brug door te zeilen en te vernielen. Dit waterschip was wel een log gevaarte van honderdacht voet lang, maar ook daardoor ongeschikt om op een eng vaarwater te wenden. Met een sterken en gunstigen noordoostenwind voer het echter met volle zeilen en eene zoo volle vaart op de brug aan, dat het er onbewegelijk in bleef vastzitten. Het tweede, een karveelschip, geraakte ongelukkig aan den grond, en de bemanning geen kans ziende de schepen te herkrijgen, verliet deze. Intusschen waren tweehonderd soldaten buiten de Leidsche Waterpoort getrokken, om den vijand in den Hout aan te vallen. Maar, wel verre, dat zich daar de onlangs behaalde overwinning vernieuwde, moesten zij voor de overmacht terugwijken. Nu sprong de bemanning van het water- en karveelschip overboord, en aan sommigen gelukte het nog, met eene schuit aan land te worden gezet. De overigen ziende, dat de schepen verlaten werden en de stevige brug niet week, trokken vechtenderhand, met een verlies van zeven hunner, stadwaarts terug. De vloot van den prins intusschen bij de Fuik liggende, schermutselde met de vijandelijke Amsterdammers; doch de felle noordoostenwind en het grof geschut aan de Fuikschans le Goleta maakten, dat er niet rechtstreeks gevochten werd. Tegen het invallen der schemering zeilde de vloot dan ook naar de Ton en het Spijkerboor, waar zij echter nog een paar malen verontrust werd, terwijl er ook nog dienzelfden avond een klein gevecht aan den Zomerweg plaats had.
Onophoudelijk waren de Spanjaarden voortgegaan met het opwerpen eener linie van schansen, strekkende over of liever van het Spaarne bij den Haarlemmerhout tot aan de Fuik. Hier verhief zich het fort Stella tegenover dat van Salvator, welke beide door de sterkte Corredon bestreken konden worden. Verder Sol en Luna, benevens andere. Maar in allen gevalle was het waarheid, dat op den tienden April eenige boden uit de Schalkwijkerpoort naar de prinselijke schepen gezonden, gedrongen waren, terug te keeren, dewijl er reeds toen niemand meer buiten de stad kon, zonder groot gevaar van in ’s vijands handen te vallen.
Dat was voor de belegerden eene donkere, onheilspellende stip aan den gezichteinder hunner hoop.—»Wij zijn ingesloten!« die maar klonk somber in de ooren der verdedigers. »Verderf dreigt ons!« dat was er de echo van, die weder door andere echo’s werd nagebauwd. Doch uit bijna aller mond klonken ook de woorden: »Den moed verdubbeld en vereenigd met list!«
Twee dagen later waren de schepen van den prins te Heemstede. De Haarlemmers meenende, dat er eenig volk aan land zou worden gezet, trokken ter hunner hulp met een vendel soldaten buiten de Zijlpoort. Vijfhonderd man begaven zich buiten de Leidsche Waterpoort en een paar honderd, aangevoerd door hopman Vader en Steenbach, buiten de Schalkwijkerpoort. De schepen naderden evenwel niet en de vijand te gelijker tijd onstuimig aanvallende, moest men terugkeeren, hetgeen met zooveel overijling plaats had, dat de beide Duitsche hoplieden door de musketten hunner eigene soldaten gewond werden. Inmiddels hadden aan de Kruispoort een achttal Spanjaarden de ongerijmde stoutheid om met twee vaandels op het bolwerk te komen en uit te roepen: »victoria! victoria! de stad is ons!« Het spreekt echter schier van zelve, dat zij nog spoediger teruggedreven werden, terwijl een hunner aan den voet der borstwering over de kling werd gejaagd.
»List met moed!« was de algemeene leus. Hierop werd reeds twee dagen later het zegel gedrukt, daar er dien nacht en den volgenden, midden door het vijandelijk leger, zes boden van den prins door de Zijlpoort binnen de stad kwamen en de tijding brachten, dat zijne excellentie allen mogelijken bijstand zou verleenen. Drie dier boden keerden weder dwars door het leger terug.
Die eerste hulp bestond in het aankomen van eenige nieuwe troepen met buskruit. Hunne aanvoerders waren de beroemde commissaris Jeronimo Tseraarts, de Waalsche hoplieden Rosoni en Dotin, een Fransch edelman Bordet, en een uit Henegouwen ontvlucht edelman, Malignai genaamd, die èn wegens hunne bekende verdiensten èn wegens het gevaarlijke van hunnen tocht, met dubbele geestdrift welkom werden geheeten. De andere hulp, daags daarna, bestond in het aan land zetten van twee duizend van ’s prinsen schepelingen, op den hoek van de Vijfhuizen (sinds lang met Nieuwerkerk en andere plaatsen, behalve de Vijfhuizerhoek, in de Meer verdwenen) met het doel om den vijand aan te grijpen. De Haarlemmers vernamen echter deze tijding te laat om er gebruik van te kunnen maken. Maar in den nacht van Zaterdag op Zondag den negentienden van Grasmaand toonde de hopman der Schotten, Beaufort, dat hij in moed voor geen der Haarlemmers behoefde te wijken. Met eenige Schotten en burgers, allen in witte hemden gekleed (hetgeen men camisade of hemd-tocht noemde) de Schalkwijker- en Spaarnwouderpoort uitgetrokken, liep hij gansch Rustenburg af, versloeg een half vendel Spanjaarden, veroverde vier standaarden en bracht evenzooveel gevangenen, onder welke zich een edelman van ’s-Hertogenbosch bevond, binnen de stad. Wel poogden des anderen daags de vijanden aan de Fuik, zoowel te water als te land, Rustenburg te hernemen; doch zij werden op de vlucht geslagen. Onder het geschut van deze schans was het, dat de koeien der belegerden buiten de Spaarnwouder- en Schalkwijkerpoort veilig gingen weiden, en hoewel de Spaanschen er dikwijls eene onderneming tegen waagden, kwam het in handen krijgen van eenige ervan hun gewoonlijk duur te staan.
Evenals in het begin der maand elf gevangen vijanden buiten de Schalkwijkerpoort werden gehangen en men eene vrouw verdronk, zoo eindigden ook de in de schans Rustenburg gevangen genomenen hun leven door den strop. Het was eene gedurige worsteling tegen worsteling, wraak tegen wraak. Het kleine gevecht van den tweeentwintigsten April op de Meer leidde evenmin tot eenigen uitslag, als twee dagen later de uittocht van eenige soldeniers naar het Spijkerboorgat, en daags daarna een poging van den vijand om zich weder van Rustenburg meester te maken. Aan beide zijden sneuvelden soldaten; doch de stip aan den gezichteinder bleef even donker. Het is waar, acht dagen te voren was een waaghals uit de stad, midden door ’s vijands leger en onder een kogelregen, naar de vloot gegaan. Drie dagen later hadden vier anderen bijna hetzelfde gewaagd en waren weder behouden teruggekeerd. Ook waren op Zaterdag daaraanvolgende vierentwintig burgers met eenig buskruit binnen de stad gekomen, en vier hunner andermaal teruggezonden. Doch bij dat alles zweefden dreigende gevaren boven het hoofd der vermetelen, en de levensmiddelen en krijgsbehoeften, op die wijze binnengevoerd, waren ontoereikend voor de behoeften. Groot was bijgevolg de blijdschap, toen men vier dagen voor het einde der maand twee met buskruit geladene schuiten binnen de stad zag komen, te meer, wijl zij met ongelooflijke moeite en zwaren arbeid over velden en door sloten waren aangevoerd en de musketten der loerende vijanden hen onophoudelijk met den dood hadden bedreigd. Doch daarentegen ging de zon van Woensdag daaraanvolgende, voor een huisgezin binnen Haarlem treurig onder.
Het was ongeveer vier ure in den middag, toen eenige hoplieden in het wachthuis aan de St.-Janspoort bijeen zaten. Sommigen waren officieren van de Haarlemmer schutters; dat zag men aan hunne olijfbruine mutsen, aan de lange stootdegens, die aan bandelieren hingen, niet onaardig met rozenrood gestreept. De Spanjaarden hadden dien ganschen dag nog geen enkel schot gedaan, en schenen dit ook niet voornemens. Men zat er dus tamelijk gerust bijeen, en velen waren er bij, die dezen dag de wacht niet hadden, doch zich enkel naar het wachthuis hadden begeven om met hunne makkers een weinig te kouten; want de vriendschap, welke er tot dusverre onder hoplieden van zoozeer afwijkende karakters van alle tongen en natiën bestaan had, was zeer opmerkelijk. Ofschoon de meesten, die daar in het wachthuis bijeenzaten, kloeke mannen waren, alleszins geschikt om de kracht der slagen en stompen van dien tijd te breken, liep Lancelot van Brederode wel het meest in het oog. Zijn hoog, glad voorhoofd en het mannelijk schoon van zijn gelaat, vereenigd met het voorrecht van sterkte en vlugheid, boden een schitterend geheel aan van al de uiterlijke hoedanigheden, waarmede wij ons de oude helden voorstellen, en waarbij zijn ruwe toon bijzonder afstak; doch het was eene gulle, hartelijke ruwheid, die bij zijne krijgsmakkers meer ingang vond dan fijne hoftaal. De meesten toch, die men daar bijeenzag, waren even ruw en ongenadig, waar zij haatten, maar ook trouw, waar zij lief hadden,—driftig van aard, maar warm van hart, onverbiddelijk voor hunne vijanden, maar oprecht voor hunne vrienden, en er lag iets treffends in die gulle mededeelingen tusschen personen, die meerendeels geene betrekking tot elkander hadden, dan dat zij voor ééne zaak streden—voor de vrijheid van Haarlem en Nederland.
—»Die heeft mijn kloeke briefdrager voor ’t vuur van de hel weggehaald,« zeide Lancelot van Brederode, toen hij eene der flesschen Malvezij opende, welke zijn knecht Alewijn de Jager over het gebroken land in de stad gevoerd en zoo even, op last van zijn heer, in het wachthuis had gebracht. »Al ziet hij er uit als een schaapskop, ’t is toch een kerel van vuur en staal, die niet één, maar drie man staat. Komaan mijne heeren Bordet en Malignai! ’t is nu niet à la santé de notre bon seigneur Joncre Willem, ’t is nu op uw salut, dat wij eene teug willen proeven. Proeven, zeg ik, want het zijn de dagen van pasteien en vette kapoenen niet meer, en wij zullen niet doen als de broeder van den Rijngraaf, die zich aan de Malvezij te barste dronk;—die dagen zijn voorbij, nadat duc D’Alf de Haarlemmer geuzen is komen bestoken. Salut, mijne heeren van Bergen en Henegouwen! want de Spanjaard heeft het slecht op u verzien!«
—»Zeer slecht, mijnheere!« zeide Bordet, terwijl hij het aangebodene glas in de hand nam en een dreigenden blik naar den kant van het Huis Ter Kleef sloeg, »maar niet slechter dan ik op hem. Toen ik hoorde, hoe de heer Van Dolhain, bij zijne vergeefsche poging tot ontzet van Bergen, den boeren in handen gevallen was, en met een jachtmes van een hunner er vier versloeg, toen riep ik uit: »jammer, dat die vier geen Spanjaarden waren.«
—»Voor ieder viertal, dat ik om hals kan brengen, wil ik een jaar levens missen,« zeide Malignai, insgelijks het glas opnemende, »maar ik zou vergeten, u bescheid te doen, mijnheere Brederode! Onze vriendschap en trouw in Haarlem; de dood aan de Spanjaards, zooals don Juan het in Tunis den Turken doet! een lang leven voor al de geuzen en ketters!«
—»Die dronk is goed,« zeide Vardeur, »maar ik zal er ook eens een instellen:« »Leve duc D’Alf!«—En nu lachte hij zoo krassend met een vloek vergezeld, dat zijn ironische dronk niet eens behoefde verklaard te worden door het slot: »dat wil zeggen—op het rad, van nu af totdat satan hem den penning tien betaalt.«
—»Pardieu! dat is een krachtige dronk,« zeide Bordet, »maar daar monsieur duc D’Alf er al zooveel om hals heeft gebracht, zouden de havikken en gieren wel bij zijn lijk treuren. Laten wij liever, als mannen van eer, hem den penning tien betalen.«
—»In Londen heb ik al gehoord, dat duc D’Alf een beruchte gelddief is,« zeide Summado, »de Engelsche kooplui in Vlaanderen, wier geld hij verbeurd heeft verklaard en in zijn zak heeft gestoken, weten er ook van te spreken; maar, mijnheer Brederode, wat is toch eigenlijk die tiende penning, of Alcavala, zooals wij, Engelschen, zouden zeggen?«
—»Dat zou een lang relaas wezen,« was het antwoord, »maar ik wil het u in ’t kort zeggen: wat vertrapping van vrijheid en conscientie niet vermocht, dat deed de tiende penning. Wij hadden onze portie gal en hyzop lang gedronken; want wij Hollanders zijn een vat van lijdzaamheid en geduld; maar dat vat raakte vol; één droppel deed het vocht van bitterheid overloopen, en die droppel was de penning tien. Nu weet ge genoeg! Maar gij spraakt daar van de Turken, mijnheer Malignai. Aan het opbreken van ’t beleg van Malta hebben wij het te danken, dat de koning tot elken prijs in ons land de ketters wil uitroeien. Doch dat gaat zoo vlot niet; zij komen als de paddestoelen voor den dag, en de meesten zijn voor den Spanjaard vergiftig ook.«
—»De nacht van St.-Bartholomeus heeft hen in mijn Frankrijk ook nog niet uitgeroeid,« zeide Bordet. »Sancerre bijvoorbeeld heeft er eenige honderden, en ofschoon de gouverneur van Berry, La Châtre, het hardnekkig belegert, kost het hem menigen kop. Dat beleg heeft al veel overeenkomst met dat Haarlem: beiden houden zich wakker en duren al bijna evenlang. Wij willen er eens op drinken, krijgsmakkers, dat de vijand van beiden moge aftrekken met bebloeden kop, of dat de belegerden sterven als mannen van eer!«
—»Waarom niet?« hervatte Brederode, andermaal zijn glas vullende: »dat men ook in Sancerre den belegeraar versla, zooals de vrijbuiter ’t Hoen het de speerruiters deed,—zooals de Haarlemmers het den Spanjaard deden in ’t Bosch.«
—»Zes maanden soldij had ik willen missen,« zeide Bordet, »zoo ik bij dien uitval had mogen zijn. De glorie van dien dag klinkt door tot in mijn land. Jammer maar, dat in plaats van dien Spanjaard Venavides, don Frederik zelf niet in het net is geraakt. Die Venavides moet een man van eer zijn.«
—»Grooter jammer,« hervatte Brederode, »dat de buit zoo door de vingers is gedropen; ik ben zoo min bang voor goede sier als dronken Claasjen—ik durf ook den buit wel aan, zooals bij ’t Vlie, maar men moet den tijd aanzien, en bedenken, dat wij zoo wat gelijk zijn aan rotten in den klem. Waarom met ’t goud en zilver de soldij van pionniers en busschieters niet vermeerd? Of is zes stuivers per dag voor de delvers geen schraal loon, en hebben de busschieters wel meer dan acht gulden in de maand, schoon ze voor vrij wat heeter oven staan te gapen?«
—»Voor een deel is er toch profijt van getrokken,« merkte Matthijszen aan. »Willem Duks en zijne drie gezellen hebben van den magistraat reeds zesendertig pond gehad, tot vereering, omdat ze met gevaar naar de schepen van den prins zijn geweest; en aan de vierenvijftig burgers, die ’t geschut in de vest hebben gesleept, zal ook vereering worden gedaan. Aan mijnheer Ripperda en anderen zijn zilveren wijnkannen geschonken; bij ’t kwade vergete men ’t goede niet.«
Op dat oogenblik werd het gesprek eenigszins afgebroken door de komst van hopman Vader, aan wien velen als uit één mond naar den welstand zijner vrouw vroegen. Na het droevig ongeval namelijk met Maria van Schoten, was hare zuster Magdalena wonderdadig aan den dood ontsnapt, en het scheen, alsof de Vliegen van Namen het op die woning in de Zoetestraat hadden gemunt. Een paar dagen geleden toch was door de ijzeren tralie van het huis een zware kogel in het woonvertrek en op het bed van Magdalena gevlogen en was vervolgens, in zijn loop gebroken zijnde, in de kamer gesmoord, zonder noemenswaardige schade aan te richten.
—»Zij is wel, God lof!« antwoordde Vader, »voor zooveel zij het wezen kan na den jammerlijken dood van Maria. God heeft ons wonderbaar voor nieuwen rouw bewaard: de kogel hangt al met eene ijzeren keten aan de tralie, ten toon; dat is uit dankbaarheid en tot heugenis.«
Allen wenschten den oprechten Duitscher hartelijk geluk met de zonderlinge bewaring zijner vrouw, en vervolgens bracht men het gesprek weder op het groote onderwerp—de gelukkige en roemrijke herwinning van de Fuik—waarbij gansch Haarlem zooveel belang had. Hetzij echter, dat aan den Schotschen luitenant Cuningham, die zich door de vernieling der kat zoo verdienstelijk had gemaakt, dit herhaald gesprek begon te vervelen, hetzij hij dit voordeel eenigszins aan zijn landgenoot Beaufort misgunde, hij zeide althans:
—»Bij St.-George! zwijg toch van die Fuik en Rustenburg: het is al Rustenburg en Fuik wat men hoort. Ware ik van het begin af hier geweest, ik had dat ding, wat gij Fuik noemt, wel met vuurduivels bezet, dan zou ons de pas langs de Meer niet zijn afgesneden. Maar wat zegt gij ervan, vriend Summado! zouden ze in Engeland en Schotland tegenwoordig ook over Fuiken redeneeren?«
—»Ik denk het wel niet,« antwoordde de Brit. »Na het steekspel van Greenwich is alles in een marmottenslaap overgegaan. De hertog van Norfolk denkt er niet meer aan om met Maria van Schotland te trouwen. Hij is tot asch verteerd. Hertog François vrijt niet hard om de hand van de schoone Elizabeth. Bij St.-George!—en ik heb meer recht om er bij te zweren, dan gij,—alles is pover en dood; en ziedaar de reden waarom wij binnen de wacht van de St.-Janspoort te Haarlem zitten.«
—»En,« voegde Cuningham er bij, »ieder uur gereed zijn, om tegen de invoerders van de Alcavale te vechten, alsof wij die verduivelde schatting moesten betalen. Maar het begint er niet beter voor ons uit te zien. Het kon wel gebeuren, dat ik geen 97 jaar zal worden, zooals mylord van Pawlet, en dat ik de aardige kermissen en de lieve Schotsche dansmeisjes niet meer zien zal.«
—»Welnu, gij hebt er uw deel van gehad;—de dood ziet in Schotland en Engeland even bleek als in Haarlem. Als hij komt, denk ik, dat gij wel, evenals ik, hem staan zult. Ik ten minste ben niet bang voor hem. Maar hoe of onze vriend Beaufort het op Rustenburg maakt?«
—»De Rust zal er hem wel niet doen roesten, denk ik. Doch kijk onze Waal eens: »hij schiet vuur uit zijn neus,« zooals de dichter zegt.«
De Waal, dien Cuningham bedoelde, was kapitein Vimi, een kort, ineengedrongen man met donkerkleurige gelaatstint en koolzwarte haren. Hij was bedaard, voorzichtig en ervaren, doch uiterst gezet op strenge krijgstucht, en zijne drift was onbeperkt, wanneer een zijner soldaten die overtrad.
—»Ik kom hier, kameraden!« sprak hij, »om u te waarschuwen. Gij herinnert u den moord van den eersten Maart. Welnu, de booswichten zijn ontdekt en ik heb hen doen vatten. Zij moeten gestraft worden.«
—»Wie zijn het?« vroegen eenigen als uit een mond.
—»Mecchels, dien ik verdacht hield en Vervan. In het kwartier bij den snijder, waar zij thans zijn, komen dezen middag drie hunner makkers en dwingen de vrouw beteren mondkost af, dan zij geven kan. De leerjongen komt op last van den snijder mijne hulp inroepen. Ik begeef er mij heen en, in een aangrenzend vertrek luisterende, hoor ik het rumoer. Zij waren dronken, en ik hoor Vervan met een zwaren vloek tot Mecchels zeggen: »Snijd haar den hals af, zooals gij het aan die oude tooverheks deedt,« en het antwoord volgt: »grijpt gij ze dan maar weer bij den strot.« Nu hoor ik bedreigingen, hulpgeschreeuw en—stuif het vertrek binnen, waar drie der deugnieten de vrouw van den snijder willen mishandelen. Aanstonds laten zij af; en ik heb hen doen opsluiten. Maar geen halfuur geleden, of een tiental belhamels, even dronken als zij, hebben mij onstuimig hunne loslating geëischt, en mij den dood gezworen zoo ik het wagen durf, een hunner makkers te doen straffen.«
—»Straf, zoo waarachtig als wij leven,« zeide de Waalsche hopman Dotin, die niet minder gestreng was dan Vimi »de twee booswichten vooral verdienen den strop.«
—»Dat is het voorspel van grooter kwaad,« zeide Pellikaen. »Eene vinnige straf zou de aanleiding kunnen wezen tot dolle muiterij. Gewis, als zich het zwarte spook van oproer laat zien, dan zal het jammer zijn zonder einde.« En wanneer Pellikaen niet in het bijzijn van zoovelen ware geweest, zou hij het donkerst tafereel van zijne zwaarmoedigheid en angstige voorgevoelens hebben opgehangen.
—»Wat spreekt gij aldus?« zeide Vimi. »Straf is een breidel, en ik zweer het, zij zullen hunne straf niet ontgaan.«
—»Waar zou het heen, lieten wij ons gezag niet gelden?« sprak Dotin. »Mecchels bovenal is het aanstekendst als de pest: laat hem vrij—gedaan is ’t met ons gezag.«
—»Maar uw gansche vendel,« hernam Pellikaen, »is wild en losbandig. Wat zult gij doen, wanneer hunne weerbarstigheid zich niet meer beteugelen laat?«
—»Niemand kent dat vendel beter dan ik,« antwoordde Vimi, »het is als een wild en koppig paard, dat met de kinketting moet geprangd worden. Het is een rauwe hoop van opgeraapte Luikerwalen; maar hoe weerbarstig ze zijn, ik vrees hen niet, op mijne eer! al stond man voor man tegen mij op, de booswichten zullen de koord niet ontgaan.«
—»En ik zal u rugsteunen, kameraad!« sprak Dotin.
—»Daarom kwam ik hier,« zeide Vimi; »ik heb u mijn plan gezegd en gij allen moet mij op handslag beloven, dat gij ieder sein tot rebellie straffen en strenge tucht zult handhaven.«
—»Gewis, dat beloof ik, dat zweer ik,« riepen de meeste hoplieden als uit een mond.
—»Een woord,« liet Matthijszen hooren, en aller oogen waren op hem gericht, »hoe grimmig de tronies mogen wezen, een onvergeeflijk stuk moet gestraft worden; en of het Haarlemmer, Duitscher of Waal zij, ik zal den toom niet in slappe hand houden. Maar laat ons niet verzuimen met mijnheere Ripperda te spreken: dit is onze allereerste en schuldige plicht.«
—»Wel gezegd!« riepen allen; want ieder had eerbied voor de geestkracht en den moed van Ripperda, en bovenal Matthijszen, hoezeer hij nog dagelijks van de moeder zijner Maria de bittere woorden moest hooren, dat Ripperda de schuld was van Van Schagen’s dood en dat die moord hem eeuwig op het geweten zou branden.
De gesprekken namen thans eene andere wending; Pellikaen en Matthijszen hadden het wachthuis verlaten en wandelden nu voor hetzelve in de frissche lentelucht heen en weer.
—»Weet gij niet,« vroeg Matthijszen, »of onze kloeke scherpschutter Hasselaar spoedig terugkeeren zal. Gisteren ging de spraak, dat hij den vijand in handen was gevallen.«
—»Daarvan kan niemand iets weten, zoo Ripperda het niet weet,« viel Matthijszen hem in de rede. »Maar in Leiden zal hem het hart wel sterk naar zijne magen in Haarlem trekken, en hij heeft courage genoeg om een stouten stap te doen.«
—»Dat heeft hij; maar ik droomde van nacht, dat hij bij het Huis Berkenrode gevangen is genomen, en ik vrees, dat mijn droom ook zal uitkomen.«
—»Altijd vol bekommering en lichtgeloovigheid!« hernam Matthijszen; »dat zijn twee kwalen, waaraan ge getrouwd zijt. Wanneer zult ge toch dien ballast eens van u afwerpen?«
—»Het is geene bekommering zonder grond,« hervatte Pellikaen; »of heb ik den dood van onzen vriend Vlasman niet vooruit gevoeld? En niet lang meer, vriend, of het zal ook met ons gedaan wezen.«
—»Welnu, als dat Gods wil is voor het welzijn van onze stad—ik vrees den dood niet.«
—»En wat zal het met onze stad dan worden? De donkere dagen naderen meer en meer, en alsof dat nog niet genoeg was—nog worden we bedreigd door verraad. Of zou ik niet weten, dat de magistraat groote suspicie heeft op mr. Quirijn Dirksz en Lambrecht Jacobsz? Maar....gij zit in de vroedschap en moogt er dus niet van reppen.«
—»Ik weet, dat er suspicie bestaat,« hernam Matthijszen. »Maar zijn de twee bewakers niet met hun lijf borg, dat er bij meester Quirijn niemand toegelaten wordt?«
—»Wat zou die scherpe bewaking?« zeide Pellikaen. »Gisterenavond nog was er groote oploop voor de deur. Men wil Marritje, zijne dochter, hebben zien ingaan bij Stompwijk. Er worden lagen onder onze voeten gelegd.«
—»Die wij zullen weten te verijdelen,« sprak Matthijszen op vasten toon. »Weg met alle vrees! Laat ons geene musschen en spreeuwen wezen, die zich verschuilen als de storm opsteekt, maar laat ons arenden zijn, die te hooger opvliegen, hoe harder de wind blaast. De tijd is te kostbaar, om dien met praatjes over losse geruchten te verbeuzelen; en wat er van aan is, dat zullen Ripperda en Van der Laan wel uit den weg ruimen. Over wat anders gesproken: tegen den avond zou ik in den Hout een paar posten zien te lichten: vraag aan Ripperda, of gij er mee op uit moogt. Dit zou u afleiding bezorgen.«
—»Dat waagstuk zal wel geene vrucht dragen,« zeide Pellikaen, »er staan nu Spanjaards op post, en die slapen niet. Maar ik ben bereid, al was het maar enkel om u te toonen, dat ik geen zwaar hart zonder courage ben.«
—»Dat hebt ge den laatsten van Louwmaand getoond,« zeide Matthijszen, »en als ’t beleg nog van langen duur moet wezen, dan hoop ik, dat gij ’t nog dikwijls toonen zult. O, Pellikaen!« en hij sloeg hem hartelijk op den schouder, »dag op dag voel ik den lust aangroeien om nog eens zoo’n dag als de vijf en twintigste Maart te beleven. Zie, leven en sterven voor het vaderland, is mijn leus: maar kon ik zoo een dag voor mijn leven koopen, ik gaf het graag ten beste....«
—»Kijk—daar komt onze Eenoog,« zeide Pellikaen, »wat gaat hij driftig.«
—»Hij komt op ons aan,« sprak Matthijszen. Werkelijk naderde hen de onbekende, en de beide officieren vluchtig groetende, vroeg hij haastig: »Hebt gij Van Duivenvoorde niet gezien? Ik vond hem niet in de Smedestraat, en Ripperda verlangt hem te spreken.«
—»Hij is zooeven hier geweest, maar daarop naar den Pijntoren gegaan,« zeide Matthijszen.
—»Dan vind ik hem misschien daar,« was het antwoord, en even vluchtig, doch beleefdelijk groetende, snelde hij weer aanstonds voort.
—»Een raadselachtig man!« zeide Pellikaen, »maar ik begrijp het al: ik heb gehoord, dat Van Duivenvoorde den Spanjaard Venavides in de gevangenis heeft gesproken, en dat aan don Frederik diens uitwisseling voor zijne vrouw zal worden voorgeslagen.«
—»Gij hoort altijd meer dan een ander,« merkte Matthijszen aan; »maar, dat is mij bekend, dat Venavides een edel en dapper man is.«
—»Onze Eenoog meet althans zijn lof zeer uit,« hernam Pellikaen; »maar zie eens, wat stapt hij driftig aan! Hoe rad is hij weer ter been, na de hevige krankheid, die hem aangreep, daags na den grooten uitval in den Hout. Hij houdt zich weer vol ijver met zijne duiven bezig, naar ik hoor, en hij zal zeker wel met dien voorslag naar het leger gaan? Of zult gij het soms doen? Maar ik zou wel durven wedden, dat het vergeefsche moeite zal wezen.«
—»Ik zal eene andere taak op mij nemen,« zeide Matthijszen, »er moet noodig een bode naar de schepen van den prins afgaan; dat is een gevaarlijk werk geworden; maar ik heb Ripperda mijne dienst aangeboden, en met Gods hulp hoop ik, dat het werk mij gelukken zal.«
—»En wanneer zal dit zijn?«
—»Overmorgen, geloof ik.«
Nog spraken zij er eene poos over, en zooals altijd zag Pellikaen er bezwaar in, en noemde het een waagstuk, ofschoon hij zelf niet geaarzeld zou hebben, dat waagstuk te ondernemen. Matthijszen daarentegen wist ieder bezwaar uit den weg te ruimen, en zoo al pratende keerden zij weder naar het wachthuis terug, geenszins vermoedende, dat voor Matthijszen de dag zoo noodlottig zou zijn, en dat aan ieder voornemen van dien moedigen verdediger nog denzelfden dag een slagboom zou worden gesteld.
Tamelijk gerust waren de hoplieden daar bijeen. Enkelen zaten te troeven of pikuet te spelen. Anderen spraken over godsdienstige verschilpunten. Lancelot van Brederode gewaagde over zijn gesneuvelden luitenant Brazeman, over de onthalzing van Jan van Blois van Treslong, een bloedverwant zijner vrouw, door Alva; hij verhaalde van zijne tochten als bevelhebber van de Geuzenvloot, of vertelde de gebeurtenis van Polyxena, de dochter van den graaf Van Mansfeld—hoe zij, bij Hendrik van Brederode, op het Huis te Vianen logeerende, door Palemedes van Chalon was geschaakt geworden. Nu en dan ging de bierkan rond; de buitenlandsche hoplieden koutten over hun vaderland, of brachten eene teug aan hunne veraf zijnde bloedverwanten en vrienden: men dronk op de spoedige en behoudene terugkomst van den vaandrig Hasselaar; men bracht menigen dronk aan de wakkere vrouwen van Kenau’s vendel, sprak over vroegere en nog te doene uitvallen, over de mijnen en vooral over de tegenmijnen; want—niet verre van het wachthuis waren de delvers rusteloos bezig met graven en wroeten in den schoot der aarde.
Wel heerscht op de wallen, op de halvemaan schijnbare stilte; wel laten de mortieren of musketten zich niet hooren: geen krijgsgeschreeuw weergalmt er; geene stormladders worden beklommen; vriend en vijand schijnen de wapenen te hebben neergelegd.
Schijn. Verwissel het daglicht voor de schemering: betreedt de tegenmijnen! daar ziet gij leven, beweging; een bedrijvig tooneel. Daar loert, daar ondermijnt men; daar is de spade van den delver onverpoosd werkzaam om zich een doortocht te banen; daar dragen donkere gestalten de voorwerpen aan, die weldra ontvlamd, een daverenden slag zullen doen hooren; die eensklaps, eer gij het vermoedt, den grond zullen doen sidderen, en vriend of vijand vernielen. Dan zal die stilte vervangen worden door gewoel.
Het was ongeveer zeven ure, toen kapitein Vimi, uit de wapenplaats eener verdedigingsmijn in het wachthuis terugkeerende, aan zijne makkers te kennen gaf, dat er spoedig eene ontploffing zou gehoord worden.
—»Wij hebben onder den bedekten weg den vijand ontmoet,« sprak hij; »onze pionniers hebben op een vijandelijken mijntak gestooten; ik heb hen doen terugtrekken.«
—»Bij Ripperda! dan staat de Spanjaard op glad ijs,« riepen eenigen tegelijk, »dan wordt het nacht voor hem.«
—»Vervolgens hebben wij nabij den gang des vijands eene kleine dampmijn geladen en onzen mijntak, zoo goed en zoo spoedig als de omstandigheden dit toelieten, versperd en opgestopt: de Spanjaard denkt, dat wij hem den voortgang willen beletten, maar zal spoedig den dood vinden.«
Zoo was het. De vijand naderde om den hinderpaal te vernielen. De verdedigers waren inmiddels op de gezegde wijze aan het werk gegaan. Zij hadden, onder aanvoering van hopman Dotin, eene met kruit gevulde kist aangevoerd, en niet zoodra waren de Spanjaards in genoegzamen getale bezig om zich een weg te banen, of onder een dreunenden slag sprong de mijn vaneen—en don Frederik telde vijftig zijner beste krijgslieden minder.
—»Vivent les Gueux!« klonk het bijna ter zelfder tijd, en het gerucht dezer nederlaag verspreidde zich weldra door gansch Haarlem; jong en oud stroomde naar de wallen, vele krijgslieden sprongen op de borstweringen, en de luide kreten der belegerden lieten zich tot in de vijandelijke schansen hooren, waar men even spoedig van de noodlottige gebeurtenis onderricht was.
—»Vuur uit de slangstukken!« beval men daar, »wraak over den dood dezer dapperen! wraak op de rebellen!«
—»Weest achtzaam!« beval Ripperda, die in een oogenblik naar den wal was gesneld; »van de borstweringen af. Terug, mannen van Haarlem!«
IJlings werd de vermaning opgevolgd; en gelukkig, dat men achter de borstweringen en schanskorven terugtrok; want geen vijf minuten waren verloopen, of de slangstukken gaven vuur. Maar het scheen besloten, dat de Spanjaarden niet geheel ongewroken zouden blijven. Gerrit van Schagen, een bloedverwant van Christoffel, werd bij de eerste losbarsting door een kogel in de borst getroffen. Het oogenblik zijner wonde was dat van zijn dood: maar ter zelfder tijd zonk ook Matthijszen onder den uitroep: »dat geld mijn leven!« op den grond neer; want met Pellikaen en een paar anderen zich achter Van Schagen bevindende, werd hij door het ijzer in den linkerarm getroffen.
Een kreet van schrik en smart liet zich hooren; want toen Ripperda en Pellikaen toesnelden, gudste het bloed uit de wonde en men zag met ontzetting, dat de arm even boven den elleboog, bijna geheel van het ligchaam was afgerukt.
—»Meester Florisz—te hulp!« riep Ripperda; doch ter gelijker tijd toesnellende, poogde hij den eersten bloedstroom te stelpen.
—»Hulp, mannen, staat bij!« riepen Pellikaen en anderen, die inmiddels evenals Ripperda, door het stevig omwinden van doeken, het bloedverlies trachten tegen te gaan.
—»Dat geldt zijn leven« sprak Pellikaen, »geene redding zal hier doenlijk zijn.«
—»Meester Florisz? Meester Claasz! gezwind of het is te laat,« riep men hier en daar.
En terwijl eenigen Van Schagen te hulp snelden, hielden anderen zich met Matthijszen bezig; maar vooral getuigde Ripperda’s krachtdadige bijstand van zijne innige belangstelling in den braven verdediger.
Binnen weinige minuten had er op dat gedeelte der stad een levendig, maar aandoenlijk tooneel plaats. Oud en jong, mannen, vrouwen en kinderen snelden aan; want in een oogenblik had zich de droevige gebeurtenis door de naastbijgelegene wijken verspreid.
—»Wie is er dood?« riepen sommigen, die nog niet wisten, wie er getroffen waren.
—»Steekt de handen uit en staat bij!« spraken anderen, die naar hunne huizen vlogen om eene draagbaar of windsels te halen.
—»Terug—terug!« lieten eenige gewapende burgers hooren, »de kogels vliegen over ons hoofd!«
—»Daar komt meester Florisz!« klonk het opeens, toen men den heelmeester door de menigte zag heendringen.
—»Hij is al dood! ’t Is al met Van Schagen gedaan!« zeiden een paar vrouwen, die weder terugdrongen, tot schreiens toe aangedaan. Het is Matthijszoon, die in de vroedschap is,« hoorde men. »Jezus Maria—ze zeggen, het is met hem gedaan.«
—»Och, lieve Heer!« klaagde men, »moest het hem zóó vergaan? En dat op dezen dag! na zooveel wakker verweers; hoe dikwijls is hij den vijand met kloekheid te lijf geweest.«
—»Toen hij viel, greep hij nog met de hand naar zijn goed rapier,« sprak een ander, »wat het een man vol courage was.«
Inmiddels gaven de slangstukken onverpoosd vuur. De meeste hoplieden waren uit het wachthuis toegeschoten, en op Ripperda’s bevel, deden zij de menigte zooveel mogelijk uiteengaan. Toen mr. Florisz en de andere chirurgijn, Jan Claasz, kwamen, droegen de burgers den heer Van Schagen reeds van de plaats des ongeluks af, en zijn eerste woord was: »hij is dood!«
Dit was zoo; Van Schagen had, na de bekomene wonde, geen minuut meer geleefd; Matthijszen daarentegen gaf door een gesmoord en smartelijk gesteen te kennen, dat hij nog leefde. Ook hij werd door eenige burgers weggedragen en Ripperda, benevens andere officieren, vergezelden den stervenden held. Reeds waren de bloedverwanten en vrienden van Van Schagen insgelijks op het gerucht toegesneld, en bij iedere schrede, die men vorderde, hoorde men uitboezemingen van diepe smart, deelneming en schrik. Niemand had dien dag zulk eene ramp voorzien; te grooter was dus de algemeene verslagenheid. Maar terwijl die bloedverwanten tot het lijk doordrongen, terwijl de een er de handen samenwrong, de andere half wezenloos den trein volgde, legden tevens ook de meeste der aanwezigen toch de grootste deelneming voor Matthijszen aan den dag, en tot aan zijne woning toe, vergezelde hem eene menigte van allerlei rang en stand, vol deernis over den vermoedelijken dood van een even rechtschapen vroedschapslid, als moedigen verdediger der wallen.
—»Wat zal het zijn, meester Florisz?« vroeg Ripperda, toen men den zwaargewonde in zijne woning had gebracht, »wat denkt gij over zijn toestand, die mij diep in ’t gemoed grijpt.«
Mr. Florisz schudde met het hoofd, en toen Ripperda zijne vraag had herhaald, antwoordde hij fluisterend:
—»De dood, mijnheere! de dood! voor zulk eene kwetsuur is geene heeling. Mogelijk nog eenige dagen levens, maar—het einde de dood.«
—»Haarlem!—Maria—Ripperda!« dit waren de eenige woorden, welke nu en dan flauw of met een dof gekreun over de stervende lippen kwamen; en terwijl de heelmeester het verband legde, vreesde men ieder oogenblik, dat de levensdraad reeds afgesneden werd.
—»Haarlem! gij vraagt offers waarbij het hart bloedt,« sprak Ripperda, met diep en edel gevoel, »maar iedere ramp zal ons sterker doen worden; tegenspoed is de smeltkroes, waarin de mensch wordt gezuiverd; uit den nacht van tegenspoed zal het licht der vrijheid opgaan.«
—»’k Heb het voorzien,« zeide Pellikaen. »De stormwind groeit aan; de wolk boven de stad wordt donkerder. Haarlem zal niet het kerkhof van den Spanjaard—het zal zijn eigen graf zijn.«
Zoo sprak Ripperda, zoo sprak Pellikaen. Hoeveel verschil, hoeveel tegenstelling in beider karakters. Ripperda, de vaste rots, maar toch de rots, waaruit eene rijke, frissche bron springt, alsof de hand van Mozes die had aangeraakt. Pellikaen, de treurwilg met pal staanden tronk, maar neerhangende, beweeglijke takken. En toch hierin aan elkander gelijk, dat beiden den storm tarten en niet ontworteld worden door het geweld van den stroom.