DERTIENDE HOOFDSTUK.

Dienzelfden avond nog keerden Venavides, Verdugo en Otensee binnen Haarlem terug.

Ofschoon in het midden van den zomer, was die avond donker. Over Haarlem lag een zwart kleed uitgespreid en geene star tintelde zichtbaar aan den grauw bewolkten hemel. Barsch gierde de noordenwind over de daken der in smart gedompelde huisgezinnen, als een onheilspellende nachtgeest uit zijn schuilhoek opgestaan. Barsch en woest klonk op de in puin gebeukte wallen het geroep der Spaansche schildwachten, die de verdedigers hadden vervangen, en het was, alsof elk woord op spottenden toon verkondigde, dat de fiere stad aan het Spaarne gevallen was en nog dieper zou zinken.

—»Neen!« sprak Van Duivenvoorde, die zich een oogenblik aan de liefkoozingen zijner kinders onttrokken had. »Zijn roemrijk hoofd zal vallen. Don Frederik zal den losprijs niet aannemen, dien Venavides hem, volgens belofte, aanbieden zal. De wakkere held zal den dood der schande ondergaan. Groote God! het is uw wil; maar het is zwaar. Ripperda! edele Fries! man zoo vol wakkerheid en grootheid van ziel! morgen zult gij sterven door het zwaard van den beul, gij, die zooveel glorie hebt verworven door uwe manhaftigheid.... die in den lande de hoogste plaats waardig zijt naast Oranje. Maar daarom zult gij sterven; want ofschoon de hertog uw moed de razende wanhoop van een muiter moge noemen, hij weet, waartoe Ripperda in staat is.«

—»Sterven zal ook ik,« zeide Lancelot van Brederode, »want Alva en de duivel zijn een; maar zoo ik Ripperda kon redden, dat de beul mij dan dubbel martele; tegen dien prijs mag hij mij kerven tot het laatste lid!«

En Van Duivenvoorde en Brederode waren de eenigen niet, die zich op dat oogenblik met Ripperda’s lot bezig hielden. Dewijl dien dag nu eenige gelden tot afkoop van de plundering waren opgebracht, had men aan de Haarlemmers vrijheid gegeven, om naar hunne huizen terug te keeren, daar Frederik wel wist, dat niemand de stad zou kunnen verlaten, en hij het in zijne macht had, hen ieder oogenblik in hunne gevangenis te doen terugkeeren. Ripperda echter bleef in de Bakenesserkerk opgesloten; men wist, dat zijn doodvonnis geveld was. Geen wonder dus, dat zijne vrienden huiverden bij het denkbeeld, dat een man als hij door beulshanden sterven zou;—en dat denkbeeld joeg de gedachte aan hunne eigene donkere toekomst voor eene wijl op de vlucht. Maar niemand, die zoo zeer als burgemeester Van der Laan op middelen peinsde om Ripperda aan een smadelijken dood te onttrekken. Om dit edele doel te bereiken, wilde hij alles, wat hij bezat, ten offer brengen en voor de toekomst nog veel meer waarborgen, doch zelfs zijn vooruitziende blik, zijn beleid kon den weg niet vinden, welke hem tot de vervulling van dit doel leiden moest.


Van alles, wat Haarlem gedurende die dagen akeligs had, was niets zoo huiveringwekkend als het tooneel, hetwelk de ruimte der Lieve Vrouwe- of Bakenesserkerk aanbiedt. Men verbeelde zich—voor de vernieuwing van het jaar 1620—die oudste kerk van al de godsdienstige gebouwen binnen de stad, in den vroegen ochtend van Donderdag, den zestienden Juli. Voor weinige dagen stroomde er nog eene vrome menigte te zamen om, in de benauwdheid der ziel, te bidden; thans aanschouwt men er insgelijks eene talrijke menigte, en toch—welk een contrast!—Toen waren het mannen, vrouwen en kinderen, vrijwillig ingetreden om hunne gebeden uit te storten; thans zijn het overwonnen ingekerkerde krijgslieden, door Spanjaarden bewaakt. Toen waren het nog harten, gewapend voor de vrijheid, thans zijn het ontwapende offers van den dood. Toen waren het stilte, zachte, godvruchtige beden, knielend uitgestort: thans hoort men er de kreten van angst, woede, wanhoop. Toen vouwden zich de handen der verdedigers, thans wringen zij zich; want gisteren werden hunne broeders naar de slachtbank gevoerd, vandaag zal het hun lot zijn.

Evenals in een vaartuig, dat op eene zandbank op het punt is van te vergaan, de schepelingen ieder oogenblik wanhopend den dood te gemoet zien, zoo ook jammert hier eene tienmaal talrijker menigte in de omsingelde kerk, waar iedere poging om zich eenen uittocht te banen, even vruchteloos is, als in het met een zwaren lijksteen bedekte graf; waar rampzaligen, uit zooveel verschillende oorden van ons werelddeel, als slachtvee opeengepakt, tevergeefs naar frissche lucht smachten en den dood in allerlei schrikgestalten om zich heen zien, totdat hij eindelijk de hand naar hen uitstrekt. Voorwaar! bij zulk eene voorstelling treedt de schitterende decoratie, waarop de gloriefeiten, in den tachtigjarigen kamp onzer voorouders bedreven, met onnavolgbare trekken zijn gemaald, eerst recht in het juiste, in het helderste licht.

Maar te midden van het radeloos stampvoeten en tandenknarsen van Franschen, Walen, Engelschen en Nederlanders, ziet men hier en daar een der rampzaligen eene kalmte en gelatenheid bewaren, welke bij al het vreeselijk treurige iets aandoenlijk-verhevens heeft, en eene tegenstelling vormt met dezulken, die geheel bewusteloos, als het ware verstompt, reeds in den dood schijnen overgegaan of liever verstompt zijn. Een hunner, op wiens gelaat de meeste kalmte, de meeste berusting licht, is Ripperda, de schrik van Frederik, hoezeer de Spanjaard het ook ontveinze. Hem daar ziende, naast zijn broeder Asinga en Horenmaker, waande men den man niet te zien, die binnen weinige uren moest vallen door den beul; maar den man, dien een heerlijk leven wachtte; niet den overwonnene, maar den overwinnaar; niet den lijder van het geloof, maar den versterkte in vertrouwen en hoop;—wel den bedrukte over anderer leed, maar toch niet den nedergebogene over eigen wee; wel den geteisterden, niet den ontwortelden eik.

—»Wat wringt gij in wanhoop de handen, mijn broeder, alsof er geen God ware,« zeide hij tot Asinga, die somwijlen kalm scheen,, maar spoedig weer in diepe radeloosheid verviel; »zie op mij! Ik weet het reeds, dat ik sterven zal, en wel op dezen dag, mogelijk al in dit uur. Gij hebt nog hoop, misschien ziet gij uwe lieve Kater, uw zoetaardigen Focco nog weder; ik niet, en geloof mij, Asinga! ik heb hem lief, alsof ik zijn vader ware.«

—»Weg met die hope!« riep Asinga, terwijl hij zich met de vuist voor het hoofd sloeg, »greep mij maar de waanzin aan, dan vergat ik tenminste nog mijzelven, sterven zal ik als gij—sterven door de hand van den beul. Of denkt gij er niet meer aan, hoe het vandaag een jaar geleden is, dat ons het zwarte spooksel verscheen en ons aanzeide, dat het over een jaar bij ons zou wezen, ons zou doen sterven? Spook van verschrikking! gij hebt niet gelogen; want ik zie u reeds naderen, om ons edel geslacht te schandvlekken. Monster! hier ben ik; grijp mij aan; neen, ik zal u den adem ontwringen; vlucht, vlucht voor mijne wraak.«

—»Mij verscheen dat spooksel, niet u, mijn broeder!« hernam Ripperda; »ja, het is een jaar geleden, toen het mij in den nacht wilde verschrikken. Maar ik vreesde het toen evenmin als thans. Er was eens een tijd, Asinga, dat ik, als zoovelen, aan spoken geloofde, maar het was dwaling van den geest. Sinds op Genève’s school mijn verstand verlicht werd, woont er niets in mij dan hetgeen van God is: en dat is zoo troostvol, als men omringd is van schrik en van angst.«

—»Schrik en angst van rondom!« riep Asinga, »een gehuil als van wolven, door het doodend lood getroffen. Weening en knersing van tanden!—hoort gij dat gebrul niet? Wat baat het, of wij bidden en smeeken om vrouw en kind weder te zien. God hoort ons niet! Wat zeg ik? Daar is geen God!«

—»Zwijg, ongelukkige!« sprak Ripperda, diep aangedaan, dat zijn broeder slechts aan de taal der wanhoop gehoor gaf. »Boven ons leeft een God, die op onze woorden en op ons hart ziet. Er is een leven na dit leven; och, of toch uw geloof blikken mocht werpen in die eeuwigheid; want derwaarts is het, dat onze weg leidt.«

—«Eeuwigheid!« herhaalde Asinga, »kan een God zooveel jammer gedogen? Bloed zien wij, enkel bloed; gij, ik, wij allen, die hier zijn, zullen door beulshanden vergaan, na zoo kloek eene verdediging. Het schreeuwt om wraak. Waarom niet liever gesneuveld door het rapier? Mijne vrouw, mijn kind!.... Wat booze dreef mij naar deze vest, om er weerloos en zoo rampzalig te sterven?«

—»Klaag onzen Heer niet aan,« sprak Ripperda, met de hand naar den hemel wijzende. »Gij hebt als held gestreden voor het vaderland; weet dan ook, zoo het zijn moet, als held te sterven in het geloof aan God. Die God is heilig en rechtvaardig. Geluk en tegenspoed, zegen en verderf voor geheel onze toekomst heeft Hij ons hier voorgesteld, en schoon Hij toelaat, dat men ons veroordeelt, zoo moeten wij echter Zijn ondoorgrondbaar raadsbesluit loven; want ik herhaal het, mijn broeder! rechtvaardig en heilig is Zijn gericht.«

Hadden deze woorden Asinga getroffen, of stortte hij weder in de vroegere, bijna bewustelooze ongevoeligheid terug? Zachtkens althans vouwde hij de handen en—Ripperda zag het met vreugde. Maar met smart blikte hij tevens op Horenmaker; want hij wist, dat zijn getrouwe luitenant diep geschokt werd bij de gedachte aan het lot van zijn heer.

—»Horenmaker!« zeide hij, en het was reeds de tweede maal, dat hij ook in dien zin tot hem sprak: »Kunt gij ’t mij zonder wrok kwijtschelden, dat ik somwijlen u een hard en bitter woord toewierp? Spreek, kunt ge ’t mij vergeven, dat ik een zoo trouwen vriend als gij mij steeds waart, nu en dan heb gekrenkt? De taak, die op mij rustte, had er voorzeker grooter schuld aan, dan mijn gemoed; maar toch, ik moet u kwijtschelding vragen, nu het uur nadert, dat ik van de wereld scheiden zal en van u.«

—»Heer!« sprak Horenmaker, »mijn mond heeft het reeds gezegd: nooit waart gij bitter jegens mij, maar vergeef het mij, zoo ik mijne plichten jegens u niet altijd met denzelfden ijver heb vervuld, en kunt gij dat niet, gebied dan, dat ik sterve aan uwe voeten.«

—»Hoe trouw!« sprak Ripperda, het oog, waarin een mannelijke traan blonk, afwendende, doch den vriend met warmte de hand drukkende, »dat is mij wèl en troostvol: nu ga ik met nog grooter moed in den dood.«

—»Eén wensch heb ik nog, heer!« hernam Horenmaker, »dat ik vóór u moge sterven. Zoo de beul mij deze gunst betoonde, dan zou ik hem kunnen danken; want alles kan ik trotseeren, slechts niet het denkbeeld om u te zien sterven.«

—»Als het Gods wil is, dat ook gij omkomt, mijn vriend!« zeide Ripperda, »dan voed ik een gelijken wensch, en ik zal God bidden, dat die worde verhoord.«

Ternauwernood had hij deze woorden gesproken, toen er, na het hooren van een gerucht buiten de kerk, een ijzingwekkende kreet door de kerk klonk. Van de oostzijde van het altaar tot aan de zuidzijde waar de predikstoel stond,—door eene honderd voeten lange ruimte werd die kreet herhaald en vervolgens werd alles weder stil; zoo hoort men soms te midden der nachtelijke stilte het gekras van den nachtuil, wiens schrille toon het gehoor nog pijnlijk aandoet, lang nadat de doodsche stilte weer hersteld is. Het was een oogenblik van stilzwijgen, maar een stilzwijgen van hevigen schrik en benauwdheid. Allen luisterden. Het was een dof gerucht, dat op dit oogenblik het uiterste gedeelte van de Korte Bagijnenstraat scheen bereikt te hebben,—dat vervolgens, langs de Bakenessergracht, het plein voor de kerk—nu de Vrouwensteeg—naderde. Dat luisteren duurde ongeveer eene halve minuut, en toen men zich niet bedroog, toen men duidelijk die doodsch dommelende trommelslagen van den vorigen dag hoorde, toen men dat sein tot vernieuwing van den moord van gisteren vernam, toen weergalmde op eens in de kerk de krassende wanhopige uitroep: »de dood! de dood!«

Steiler rezen nu de haren te berge; verwoeder balden zich nu de vuisten, brandender vuurstralen bliksemden nu uit de oogen der vertwijfelden, doch menige hand vouwde zich ook krachtiger samen, en menig gebed rees ook vuriger op, terwijl Ripperda zachtkens en rustig hooren liet: »Men komt! ik ben gereed!«

Naar klinkt het geroffel eener trom ons in de ooren, wanneer een ongelukkige, die zijne plichten vergat, naar de strafplaats wordt gevoerd. Maar nu verbeelde men zich den doffen klank eener menigte trommels, wier wijd en zijd weergalmende tonen een honderdvoudigen moord aankondigen. Eene afdeeling Spaansche soldaten nadert met zwaren tred de kerk; aldaar klinkt het bevel halt, hetwelk ook het geluid der trommels doet verstommen. Zie, hoe eenige rotten de zware deuren naar den westelijken uitgang in de Vrouwesteeg ontsluiten, om er de slachtoffers uit te halen en in handen der gewapende soldaten over te leveren. Hoor dat wilde gemeng van bevelen, dat opnoemen van de namen met het aanzeggen van den dood, dat gekerm van sommige der ellendigen, dat honend schimpgelach van eenige der ruwste Castilianen;—zie die satansaangezichten van verscheidene der beulen, de weerlooze, verslagene houding van velen, die in het midden der gelederen worden geleid, en men bedenke het einde, dat hun wacht!—dan huivert men, en een traan van diep gevoel welt in ons oog.

Een kort, maar hartroerend tooneel grijpt er inmiddels in de kerk plaats.

Ripperda!« galmt het dof uit den mond van een der uitvoerders van Alva’s bevelen; en Ripperda’s antwoord klinkt op mannelijken toon: »Hier is Wigbolt Ripperda

—»En hier hebt ge mij!« laat Horenmaker hooren, die zich dicht aan hem sluit, als vreesde hij, dat men hem zou afrukken van zijn heer. Maar aandoenlijk is het te zien, hoe de razernij van Asinga eensklaps tot een stillen, verscheurenden weedom is overgegaan, hoe hij zich krampachtig en sidderend aan zijn broeder klemt en met een strak oog zijnen Schepper tot getuige schijnt te roepen, dat hij zooveel jammer, zooveel smart niet dragen kan.

—»Moed, mijn broeder!« zegt Ripperda, »hier is het eng, maar daarboven is het ruim. Denk aan den dag van onzen Heer, aan het huis van onzen Vader!—Wees Christen en held!«

—»Gij zijt Wigbolt Ripperda, mijnheer!« hoort zich deze op eens tegemoet voeren, en de oogen opslaande, ziet hij een Spaanschen capitan voor zich staan. Het is François Verdugo, die Haarlem’s bevelhebber aldus aanspreekt en er oogenblikkelijk op volgen laat: »Ja, uw dood is onherroepelijk besloten, mijnheer; maar uw broeder kan ik wellicht redden. Hij blijve hier; maar scheur u van hem los, onverwijld, zoo gij zijne redding wilt.«

—»Hoort gij dat, Asinga?« zegt Ripperda; »Godlof! gij zult leven, gij vrij zijn. Hoort gij dat? laat mij los; gij zult uwe vrouw zien en uw kind. Maar ontklem u van mij, of het is te laat.«

—»Haar zien, zien.... mijne vrouw, Focco!« roept Asinga, als ontwaakte hij verschrikt uit een benauwenden droom. »Wie zweert mij dit?....«

—»Het zal beproefd worden,« herneemt Verdugo, »maar bij de heiligen! verraad u zelven niet, zoo gij leven wilt.... en dat uw mond mijn naam niet vernoeme, of ik zou verloren zijn.«

—»Maar mijn broeder?.... wat wilt gij met hem?« vraagt Asinga. »Hij sterven, en ik leven.... neen, dat vermag ik niet!«

—»Kies, maar kies ras!« zegt Verdugo, een blik om zich heen werpende. »Slechts God en de heiligen kunnen hem door een wonder redden; maar gij kunt op mij vertrouwen; voor u zal ik doen, wat ik kan.«

—»En ik heb het u immers gezegd, Asinga!« spreekt Ripperda, »ik kan sterven; nu kan ik het met dubbele moed; leef, mijn broeder! leef voor uwe vrouw en uw kind. Gij zult uw broeder toch niet vergeten, en daarboven wordt er niet een gemist.«

—»Geen halve minuut meer, of het is te laat!« zegt Verdugo zacht, »zoo men iets vermoedt, dan zijt gij verloren.«

—»Ik kan niet leven, terwijl hij sterft,« roept Asinga snikkend, en wil zich met kracht nog vaster aan zijn broeder klemmen; »dat de beul ook mij aangrijpe: heb ik den dood niet verdiend—hij evenmin. Neen, Wigbolt, neen! men scheurt mij niet van u af.«

—»Het moet, Asinga! het moet,« herneemt Ripperda, in weerwil van zijne verscheurde ziel zich geweld aandoende, om die mannelijke grootheid te bewaren, die hem tot nog toe niet verlaten heeft, »gij moogt niet sterven, als gij ’t lijf kunt behouden; gij hebt panden, die u aan ’t leven snoeren: laat mij los, mijn broeder, en vaarwel tot aan den jongsten dag.«

—»Wigbolt Ripperda!« weergalmt het opnieuw door de kerk; en het is, alsof die klank met een lach vergezeld gaat. Aan Asinga schijnt het toe, alsof zich een afgrond opent, alsof eene sterke, wreede hand hem van zijn broeder afrukt en hem in dien afgrond slingert. Maar daarentegen ontwringt zich Ripperda op een laatsten, dringenden waarschuwingskreet van Verdugo, aan de armen van Asinga en volgt den capitan—om aan de soldaten te worden overgeleverd.

—»Vaarwel, Asinga!« roept hij, zich omkeerende, den bewustelooze nog eenmaal toe, »wij zien elkander weder! vaarwel!« Op eens wendt hij zich thans tot Verdugo, ziet den Spanjaard, dien hij nog geen enkel woord toesprak, met een vast oog aan en zegt op erkentelijken toon: »Ik dank u, voor wat gij aan hem betoont. Noem mij uw naam.«

—»Wat zou mijn naam!« antwoordt de Spanjaard, op een toon, die den gewonen stempel van Castilliaansche trotschheid en minachting niet heeft. »Ik ben een Spanjaard; doch dit belet niet, dat mij het lot van een held als gij zijt, ter harte gaat; ik ben een Spanjaard, wien het grieft, dat hij uw leven niet redden kan.«

—»Hoe kunt gij u aan mijn lot hechten?« vraagt Ripperda; »weet gij niet, dat Haarlem’s bevelhebber een der bitterste vijanden is van uwen kapitein-generaal?«

—»Dat weet ik,« antwoordt Verdugo, »dat hebt gij gedurende zeven maanden aan het leger van den hertog getoond. Maar ofschoon uit de meeste der zonen van den Cid de aloude riddergeest moge verdwenen zijn, toch zijn er nog Castilianen, die aan de deugd en dapperheid van een vijand hulde weten te doen.«

—»Uw Venavides heeft tenminste getoond, dat hij den Nederlander recht laat weervaren, en zoo gij mijn broeder redt, zult gij eene edele daad volvoeren en op mijne dankbaarheid hooge aanspraak hebben.«

—»Het is al wat ik vermag,« hervat Verdugo. »Weet, dat señor Venavides zich den toorn van mijn bevelhebber op den hals heeft gehaald, door een losgeld voor u aan te bieden. Zoo verre ging de drift van señor Frederik, dat hij hem een ketter en rebel noemde en aan den hertog een bericht van het voorgevallene gezonden heeft. Doch zoo gij zelf hem een rantsoen boodt, wellicht kocht gij dan het leven. Hij zal uwe rechtspleging bijwonen, dit is mij bekend.«

—»Ik?« zeide Ripperda, terwijl zijne oogen fonkelden. »Ik ben een edelgeboren Fries, heer! en zulk een koopt zijn leven enkel met zijn bloed. Biedt uw veldheer mij lijfsbehoud—ik zal, ik mag het niet versmaden. Maar het afsmeeken, het zelf afkoopen van een Spanjaard.... dat doet Ripperda in eeuwigheid niet.«

Wel moest Verdugo, na hetgeen hij over Ripperda gehoord had, een dusdanig antwoord tegemoet zien, maar hij had het niet verwacht met zooveel mannelijke fierheid, met zooveel stoutheid, op geen zoo onwrikbaren toon. Hij zag de blikken gloeien van een aan den dood gewijd slachtoffer; hij zag groeven te voorschijn komen op het verheven voorhoofd van een weerloos man, die met den dood door beulshanden op het moordschavot voor oogen, zooveel waardige rust, zooveel mannelijke kalmte bewaard had. Verdugo zweeg derhalve en trad met hem voort, door Horenmaker gevolgd, totdat beiden aan den uitgang der kerk door eenige soldaten omringd werden. Dat was eene pijnlijke stonde voor Ripperda, zich ongewapend omgeven te zien door soldaten, die hij zoo menigmaal met zooveel moed had bestreden. Dat gevoelde zelfs Verdugo, ofschoon de Fries zijne smartelijke gewaarwording door niets verried.

—»Anspessado!« zeide hij tot een onderofficier, die zich reeds gereed maakte, om eenige rotten voor- en achterwaarts te laten marcheeren. »Verwijder uwe manschappen tot op eenige passen achter ons, vanwaar zij ons volgen zullen.«

Deze kiesche handeling bleef voor Ripperda evenmin onopgemerkt, als dat Verdugo, toen het geleide het plein—nu de Vrouwesteeg—opging, zich aan zijne linkerzijde plaatste en alzoo met hem voortstapte totdat men ten laatste het marktveld bereikte, waar reeds de ongelukkigen ten getale van vierhonderd het sein tot den lafhartigsten moord verbeidden.

—»Mijne taak is afgedaan!« zeide thans Verdugo, »Friesche held! het tijdstip van uw dood nadert. Dat God en zijne heiligen met u zij in den overgang naar de eeuwigheid, vaarwel!«

—»En gij redt mijn broeder?« vroeg Ripperda zacht en op dien toon, welke duidelijk bewees, dat alleen het lot van Asinga, niet het zijne, hem zwaar op het hart lag.

—»Dat zal ik zoo ik kan,« gaf Verdugo door een wenk met de hand te kennen; want tot Ripperda had hij het laatste woord gesproken. Vervolgens een ander teeken gevende, hoorde men een korten roffel, waarna eene sterkgespierde in het rood gekleede gestalte op den Spanjaard aantrad. Dat was de scherprechter, die daags te voren met eenen Albert Markuse en den schout van Amsterdam, met drie wagens stroppen binnen Haarlem was gekomen. Verdugo hield zich met zekeren afkeer op eenige schreden afstands van hem verwijderd, en vervolgens op Ripperda wijzende, als wilde hij zeggen: »ziedaar uw slachtoffer!« begaf hij zich naar dien kant van de markt, waar toen don Frederik met eenige Spaansche edellieden verscheen.

—»Ziet gij hem, heer! dien gij zeven maanden lang weerstaan en afbreuk gedaan hebt?« vroeg Horenmaker, toen hij Alva’s zoon in het oog kreeg.

—»Ik zie hem, mijn vriend!« antwoordde Ripperda, »maar hij is mij niet tot hinder. Ik ducht hem zoo min als den dood.«

—»Dat de beul mij het eerst aangrijpe,« hernam Horenmaker, »opdat ik uw bloed niet zie stroomen.«

—»Waarom, trouwe vriend?« vroeg Ripperda, »gij zult mij moedig zien en onveranderd totdat de slag valt. Ik heb mij genoeg voorbereid op dit uur, en genoeg gebeden tot mijnen Heer.«

Juist bij deze woorden liet de klok der St.-Bavo’skerk tien slagen hooren, en het was voor velen, die daar den dood verbeidden, alsof het reine metaal nog nooit zulk een doffen grafklank had doen hooren. Don Frederik bevond zich op dat tijdstip met Romero, Otensee en anderen, allen te paard, aan het begin van de Barteljorisstraat. Doch opeens zag men hem dwars over de markt zijne richting nemen naar het gat van de Houtstraat, en langs de keten der slachtoffers, van links en rechts door talrijke gewapenden omringd, heenrijden. De gedachten van ’s hertogs zoon gedurende dat oogenblik zijn niet overgeleverd aan de nakomelingschap; doch dewijl hij zich daags te voren, bij het ombrengen der driehonderd krijgslieden, niet op het marktveld vertoond had, mag men vooronderstellen, dat de nieuwsgierigheid om het uiteinde van Ripperda te aanschouwen, hem thans op de strafplaats deed komen.

—»Zijn vonnis is geveld,« sprak Frederik, »en het worde volbracht!«

Vervolgens gaf hij een teeken met zijn degen, hetwelk door de capitans herhaald werd; daarop vernam men weder het geluid der trom, dat eenigen seconden duurde, en eindelijk las een provoost met luider stemme voor: »dat die hopman het leven en de vrijheid kon bekomen, die bij de heilige kerk en onder de hem voor te schrijvene plechtigheden, zweren wilde, den prins van Oranje, als het hoofd der ketters en oproerlingen, het leven te benemen.«

Nauwelijks had dit plaats gehad, of uit het midden der gevangenen liet zich een schelle kreet hooren, evenals die van een krankzinnige, bij wien de woede zijner razernij zich opeens met dubbel geweld verheft.

—»Ik wil hem vermoorden!« klonk het. »Ik, Vardeur, zal hem het hart uit het lijf rukken, dat zweer ik bij al de duivels, die er zijn.«

Een oogenblik sloeg Frederik het aangezicht naar dien kant heen, doch Romero hem naderende, zeide zachtkens: »Hij is dol, señor! De man, dien hij van ’t leven wil berooven, is de hertog, uw vader. Hij is meer dan van zijn verstand beroofd.«

Frederik scheen het de moeite niet waardig te achten, te antwoorden; doch voorzeker moet hem bij die woorden eene rilling door de ziel zijn gegaan.

—»Ik zal hem vermoorden!« krijschte intusschen Vardeur, »gij denkt dat ik dol ben, bloedgespuis! maar ik ben het niet; ik zweer, dat ik het niet ben. Ik zal het zijn, die duc d’Alf vermoordt: Vardeur is wel bij zijn verstand!«

Misschien op dat oogenblik ja, maar reeds kort na de overgave der stad was de woeste kapitein der garde van graaf Lumeij in zijn verstand gekrenkt geworden. En het zonderlingst daarbij was, dat hij zijn woesten aard geheel scheen afgelegd te hebben. Tweemaal had hij gedurende zijn gevangenschap een korten, maar hevigen aanval van woede gehad, en thans was het de derde of laatste maal. Van ziedenden toorn fonkelden zijne uitgezette oogappels, en een wit schuim kwam bij tusschenpoozen op zijne lippen. Nu eens balde hij de vuisten, en dan scheen al de gramschap en verbittering van den dierlijken mensch tot den hoogsten graad van werkzaamheid bij hem opgevoerd; hij krijschte als een roofvogel of blafte als een hond, en sloeg dan weder op eens tot uitdrukkingen over, die zijn haat tegen al wat Spaansch was, op eene ondubbelzinnige wijze te kennen gaven. En dit duurde zoolang, totdat een capitan aan eenige soldaten last gaf, hem met geweld tot stilte te brengen. Noodeloos middel, inderdaad! binnen weinig tijds zou de hopman door den beul voor altijd tot zwijgen worden gebracht; wreedaardig zouden zij hem doen vallen; naar wier dood hij altijd met zooveel razende verbitring gehaakt had.

—»Die verharde ketters en muiters!« zeide Frederik, toen niemand zich aanbood om dien eed te zweren, en Ripperda benevens zijn luitenant met een fier, verachtelijk stilzwijgen het hoofd afwendden; »zij willen dus liever ter hel, dan zich door eene roemrijke daad de vrijheid en het hemelrijk koopen! Dat zij sterven de rebellen; het is hun tijd!«

Ja, het was zoo, en wij mogen juichen, dat er niemand gevonden werd in staat tot dien roemrijken muichelmoord. Maar, Frederik! bied Ripperda, dien gij veinst niet op te merken, hoezeer gij telkens een zijdelingschen blik naar hem wendt, den ridderlijken kamp eens aan. Zeg hem eens, dat hij leven en vrij zijn zal, zoo hij u overwint; dan zult gij dien ongewapenden, in ’t zwart—het zinnebeeld der vastheid—gekleeden man, die reeds voor den beul knielt, eens zien oprijzen als een leeuw; dan zult gij dien Fries, van wiens kracht en moed nog geene enkele vonk is uitgebluscht, eens als een tweede Hector op u zien aanstuiven; en ten trots van al uwe heiligen, Frederik! ten trots zelfs van uwe bekende dapperheid, zult gij zijn voet op uw nek voelen. Houdt dus dit aanbod terug, en zeg veeleer met luider stem, dat Ripperda, de muiter, de punt van uwen ridderdegen onwaard is.

—»Neem aan mijn laatsten groet, Horenmaker!« zegt Ripperda, toen hij Johan van Otensee den scherprechter een teeken ziet geven, dat hem een naderend einde voorspelt, »het zal mijne beurt eerst zijn. Vaarwel, mijn trouwe vriend! Sterf als ik met het oog op God; sterf als held....«

Het bleek echter, dat er alvorens nog een onvoorzien tooneel moest plaats grijpen. Het is op dit oogenblik, dat Ripperda onder het gevolg van Frederik een ruiter ziet verschijnen, en die ruiter is Pedro de Venavides.

—»Señor!« zegt Venavides, met edele drift op zijn gelaat, terwijl hij tevens de teugels van zijn paard kort en den eerbied jegens zijn veldheer nog niet uit het oog verliest. »Gij hebt mij een ketter en muiter genoemd, en ik zal dien hoon weten te dulden, maar hoor mij andermaal aan: Met twee duizend kronen kan ik den aangeboden losprijs verhoogen. Bij uw geweten en bij uwe riddereer; wijs het rantsoen niet van de hand, señor! de stem der menschheid eischt het, en ik smeek het u in den naam der moeder Gods.«

—»En ik weiger het in den naam van satan!« voerde Frederik hem heftig tegemoet, terwijl hij, in zijne plotseling opbruisende gramschap, de gouden sporen in de zijden van zijn paard sloeg, doch te gelijker tijd door een ruk aan de teugels, het snuivend dier belette, in den galop te schieten. »Bij den hertog en mijn veldheersstaf;—ik verklaar u schuldig aan rebellie: señor Romero! ontneem hem zijn degen.«

—»Venavides een rebel? dat is gelogen door den mond van een Toledo!« riep de Spanjaard, wiens niet minder opwellende toorn hem slechts een gedeelte van Frederik’s woorden verstaan deed. Maar zelfs het kleinste gedeelte was genoeg om den edelman te doen beseffen, dat iedere verdere poging vruchteloos zijn zou. »Op mijne eer! er wordt meer dan moed vereischt, om een held als Ripperda te overwinnen; maar weinig lafheid is er noodig om zijn moordenaar te zijn.«

—»Bij de heiligen! dat gaat te ver!« lieten Romero, Auecia en een paar anderen hooren, terwijl de aanvoerder van het Siciliaansche regiment reeds op het punt was, Frederik’s bevel te gehoorzamen, doch bij al zijne stoutheid, toch eenigszins terugdeinsde voor de fiere en dreigende houding van Venavides.

—»Grijpt hem!« riep Frederik op forschen toon, en wees met rollende blikken op den man, dien Alva zelf hem eenmaal had aanbevolen. Romero hield zich echter, als gold dit bevel thans hem niet, en gaf eenige der capitans het teeken, dat zij Venavides zouden ontwapenen. Deze had nochtans het besluit genomen, zich in geen geval door zijne eigene krijgsmakkers te laten ontwapenen. Juist toen hij Auecia, De Lodoigna en Zimbro gereed zag hem aan te grijpen, trok hij met de rechterhand zijn rapier, hield met zijne linker de teugels van zijn paard in tot eene achterwaartsche beweging, en riep tegelijk krachtig: »Bij San Jago, dat nooit!«

Bijna rechtstandig steigerde het ros van Venavides uit den kring, waarin het zich met zijn ruiter begeven had;—en nauwelijks voelde het zich minder belemmerd of het schoot als een pijl uit den boog naar den kant der Smedestraat over het marktveld.

—»Bij God en San Jago! dat nooit!« riep Venavides op een zoo luiden toon, dat deze in weerwil van het rumoer van rondom door enkelen gehoord werd. Nog eenige schreden van de Smedestraat verwijderd, deed hij zijn paard, te midden van diens ren, eensklaps stilstaan, wierp zich met drift uit den zadel, en de teugels over den kop slingerende, scheen hij het moedig dier de vrijheid te geven.

—»Dat men Venavides aangrijpe!« sprak hij vervolgens met vlammende blikken zonder rondom zich te zien; »maar de Castiliaanschen ridder en edelman ontwapent geen landgenoot.«

Zonder eene seconde te aarzelen, rukt hij zich de gouden keten met de ridderorde van Calatrava van den hals, verbrijzelt die, en roept met eene van verontwaardiging trillende stem: »Vervloekt zij de krijgsdienst, die mij dit eereteeken gaf!«

»Grijpt hem!« dondert Frederik de capitans toe, welke Venavides naijlen en met hunne degens op hem aanstuiven. Maar het is te laat—om eene daad te verijdelen, welke, door Venavides gepleegd, eene smet werpt op de wapenen van Spanje. Op eens verbreekt Venavides zijn rapier met kostbaar gevest evenals glas, werpt vervolgens de stukken met diepe verachting links en rechts om zich heen en herhaalt op gelijken sidderenden toon: »Vervloekt zij de krijgsdienst, waarin ik dit rapier droeg.«

Reeds hebben Auecia en De Lodoigna hem aangegrepen; want Venavides biedt geen wederstand. Maar de linkerhand nog vrij hebbende, haalt hij zijn dolk te voorschijn, slingert dezen met kracht omhoog en roept nu bedaard maar sarcastisch: »Ontziet mij niet, dienaars van den beul, ik heb geene wapenen meer!«

Don Frederik geeft thans meer door gebaren dan door woorden bevel, dat men Venavides naar het Bagijnhof brengen en hem daar als gevangene bewaken zal,—terwijl hij, om elken verderen nadeeligen indruk te voorkomen, oogenblikkelijk gebiedt, met de strafoefening een aanvang te maken.