Zijn dan voor ’t nageslacht verloren
Die stroomen van der burgren bloed?
Zal dan het nakroost nimmer hooren,
O Ripperda! uw’ heldenmoed?
Was ’t dan vergeefs, dien vloed van beden,
Den honger moedig doorgestreden?
Was ’t all’ vergeefs? vergeefs, o God!
En zal, op de omgestormde muren,
Alleen het licht der martelvuren
Weêrkaatsen van een moordschavot?
Helmers.
—»Dat zij sterven, de rebellen! het is hun tijd, en Ripperda zie het aan,« sprak don Frederik. »Het bloed van zooveel dappere Spanjaarden eischt wraak. De eer van Spanje en de godsdienst van Rome moeten verzoend worden. De gerechtigheid doe haar plicht!«
Andermaal gaf hij thans Romero een teeken, dat door dezen volkomen begrepen werd. Daags te voren had men hen, die biechten wilden, onthoofd,—die dit niet wilden, opgehangen. Dit zou ook thans plaats hebben. Romero herhaalde het teeken aan de capitans der talrijke macht van Spaansche soldaten, en deze droegen het aan de scherprechters over, welke, ten getale van vijf, het oogenblik verbeidden om met den moord een aanvang te maken.
Twee zwaar gewapende Spanjaarden traden thans op de rij gevangenen aan, en vier van deze werden aan de scherprechters overgeleverd. Zonder eene enkele klacht te laten ontglippen, knielden zij voor den zandhoop neder, of lieten zich de ladder opsleuren en weldra zagen hunne lotgenooten hen in den dood. Maar niet zoodra was de beurt aan het volgende gelid gekomen, of er greep een hartbrekend tooneel plaats.
—»Mijn zoon, mijn zoon! ik heb hem gekweekt met mijn bloed,« kermde eene lange dorre gestalte, wier grijze haren en ingevallen wangen haren ouderdom verrieden, en op wier gelaat de lang verduurde honger zijne sporen had gedrukt. »Weg, beulen!—het is mijn kind, mijn kind. Ik ben zijne moeder! hij zal niet sterven zonder mij!«
Gillend strekt zij de armen naar hem uit, en poogt zich met eene inspanning van krachten, die slechts de liefde eener moeder haar kon verleenen, aan hem vast te klemmen. Een drietal soldaten duwen haar echter onder den honend barschen uitroep: »terug, oude tooverkol!« achterwaarts. Doch op eens vlamt nu de woede in haar oog, de woede eener leeuwin, die men afscheurt van hare welp; en op eens baant zij zich een weg tot den jongeling, dien men naar den zandhoop voert.
—»Gerbrand!« roept zij gillend, »mijn kind, ik laat u niet vermoorden!« Krampachtig en sidderend slaat zij de dorre handen om zijn hals, kust met eene koortsachtige liefde zijn voorhoofd en mond, en laat zich niet van hem afrukken.
—»Gerbrand, uwe zuster licht te sterven!« roept zij uit, »maar ik ben van haar weggevlucht om u, om u. Zoudt gij ook sterven? Heere! hij spreekt niet: hoort gij mij niet, mijn zoon?«
Het scheen althans, dat de jongeling haar niet hoorde; want wezenloos staarde hij zijne moeder aan. Het was, alsof de aanblik van zijn naderenden dood al zijne zinnen verstompt had. Honderdmaal had hij op de wallen zijner geboortestad dien onder de oogen gezien; geene losbarsting uit het geschut, geene Spaansche kling had hem ooit een haarbreed doen wijken of terugschrikken; en thans heeft de vrees voor den dood door beulshanden hem zoo aangegrepen, dat al zijne polsen stilstaan, dat de omloop zijns bloeds gestremd, en dat alleen de flauwe beweging zijner handen het bewijs is, hoe dat lichaam nog niet afgescheiden is van de ziel. Maar opeens keert die bewustheid, die herinnering van het leven, op het zien der wanhopige grijze moeder terug.
—»O God!« barst hij uit, en drukt nu een vurigen, onstuimigen kus op het gerimpeld voorhoofd der oude vrouw. En terwijl hij dat doet, wordt zijn gevoel op eens zóó geschokt, dat hem de tranen uit de oogen springen. Maar de beulen vergunnen hem niet, zijne gewaarwordingen uit te drukken. Krachtig grijpen twee Spanjaards de moeder aan; zij rukken haar los van den zoon, zooals men een vezel van den wortel rukt, en toen zij andermaal eene poging aanwendt om zich aan het dierbare voorwerp vast te klemmen, drijven zij haar ruw en meedoogenloos met de kolven hunner musketten van de plaats af. Onder een gil stort de moeder op den grond neder, en toen men haar wegsleurde, werd er geen teeken van leven meer bij haar waargenomen. De Hemel had haar de weldaad betoond, haar de oogen te sluiten voor den moord aan haar kind.
Reeds zijn de zandhoopen door het bloed van een twintigtal slachtoffers doorweekt; en op hen, die den moord hunner makkers aanschouwen, brandt de zon met fellen gloed. Een nieuw gelid wordt uit de lange rij heengeleid, en onder deze bevinden zich twee broeders, beiden jongelingen uit de stad Gouda, die zich vrijwillig onder het gele vendel van Ripperda hadden geschaard, en die meer dan eens in vroegere uitvallen den vijand afbreuk hadden gedaan. Het voorhoofd en de wangen van een hunner dragen de sporen van voorheen bekomene wonden, en de andere houdt den linkerarm in een doek gewikkeld, tengevolge van een sabelhouw in den laatsten uitval. Hoe verschillend is de uitwerking van een en hetzelfde lot op een aantal menschen. Tusschen de soldaten in, schuift een der broeders het verband van zijn arm een weinig naar omhoog, en hij schijnt er volstrekt niet over bewogen, dat het zwaard binnen weinige seconden zijn hoofd in het zand zal doen rollen.
—»Floris!« zegt de een op bedaarden, half fluisterenden toon, »gelooft gij het nu, dat wij zullen sterven? Nog eene halve minuut, en wij zijn vermoord. Geef mij de hand, broeder! voor ’t laatst, geef mij de hand.«
—»Ik zie het, Willem!« is het antwoord, terwijl hij den broeder de hand toesteekt en ze warm drukt. »Maar zie Ripperda! Hij zal sterven als een man: dat past ook ons. Laat de Spanjaard zich vrij door moord wreken; hij kon het niet in een eervol gevecht. Vaarwel, Willem, voor eene korte wijl.«
—»Floris! onze moeder, onze zuster!.... Zij zullen zich dood treuren, als zij hooren, hoe rampzalig wij zijn vergaan.«
—»God zal haar troosten, Willem! en sterven wij niet, omdat wij onzen plicht als Nederlanders hebben gedaan?«
Maar ternauwernood had hij het laatste gezegd, toen de scherprechter hem reeds op eene ruwe wijze beval, voor den zandhoop te knielen.
Op dat oogenblik was het gelaat van Horenmaker en Ripperda op de twee broeders gericht; ook Floris zag den Fries gedurende eenige seconden aan, en juist toen de beul het zwaard ophief om den doodelijken slag toe te brengen, hoorde men opeens den weergalmenden kreet: »Leve Ripperda!«
Opnieuw wilde Floris den uitroep herhalen; doch het staal werd opgeheven en de broeder zag den romp van zijn broeder. Twee seconden nog, en hij zag het niet meer.
—»Leve Ripperda!« liet het zich echter opnieuw hooren uit den mond van een der slachtoffers, een langen, kloeken Waal, die, onder Bernaards en Vardeur de zes ruiterspaarden in de stad had gebracht, en wiens oogen woest en wraakzuchtig in hunne kassen rolden. »Leve de Geus!«
Die kreet, met geestdrift, met verbittering en doodsverachting aangeheven, bracht een verschillenden indruk teweeg. Hij herinnerde aan den strijd op de wallen, in de mijnen,—den strijd bij een roemrijken uitval, den strijd tegen Spanjaarden, altijd met dien kreet vergezeld. Hij deed de borst der overwinnaars van gramschap zwellen; want er lag zoo schimpend en zoo uitdrukvol in opgesloten, dat die Ripperda, die daar den dood verbeidde, de man was geweest, door wiens volharding zooveel Spanjaarden vernield waren. Ook ontglipte het niet aan Romero, hoe het aanheffen van die krijgsleus een dof rumoer deed ontstaan onder het gele vendel, dat ten getale van vierhonderd daar stond en voor de slachtbank bestemd was.
—»Dat men dien rebel tot zwijgen brenge!« beval Romero; en als de spoedige uitwerking van dit bevel, bracht een der Spaansche soldaten den Waal een slag toe, terwijl hij er den verachtelijken uitroep bijvoegde: »voort, hond, en zwijg!«
—»Laffe bloedgier!« schreeuwde de Waal met donderende stem, terwijl zijne oogen vuurstralen schoten, »dat de hand rotte, die een soldenier van Ripperda slaat! Wat zou ik zwijgen? Spreken zal ik, zoolang ik nog adem in de keel heb. Ik ben een Geus: vivat Ripperda!«
—»De beul zal hem en u een reispas naar de geuzenhel geven,« zeide een soldaat met een schimpenden, kouden lach.
—»In de hel komen niets dan laffe moorders, zooals gij,« hernam de Waal. »De hemel is voor den dapperen Geus; leve Ripperda!«
Bij deze woorden rukte hij den geuzenpenning, die aan een blauw lint om zijne hals hing, af, en het eereteeken, zooals hij het noemde, hoog boven zijn hoofd houdende, wierp hij een onverschrokken blik op Ripperda, terwijl hij met krachtige stem uitriep: »Mijnheere Ripperda! een soldaat van ’t gele vendel veracht den dood! Maar geen Spaansche beul zal dit eereteeken besmetten, terwijl ik het draag.«
Nu wierp hij het lint en den penning van zich af, eer een der soldaten het kon beletten. Vervolgens knielde hij voor den zandkuil neder, alvorens de scherprechter hem dit beval, en toen andermaal den mond openende, riep hij op krassenden toon: »Vervloekt zij duc D’Alf, de bloedgier met al zijne beulen! leve Ripperda en zijne dappere soldeniers!«
De Waal had voor het laatst gesproken, voor het laatst, bij zijne doodsverachting, zijn gloeienden haat op de Spanjaarden lucht gegeven; het staal had hem voor altijd tot zwijgen gebracht.
Er lag in die kreten iets zielsverheffends voor den Fries. Maar hoeveel pijnlijks, hoeveel verscheurends lag er tevens in de foltering om hem den dood van zoovele zijner wakkere soldaten te doen aanschouwen. Door geen enkel woord of teeken verried hij de bewustheid, dat Frederik door dit schouwspel zijn lot zoo tienvoudig verzwaarde. Ripperda was te groot om zijn vijand een enkelen zweem van smart te vertoonen, maar meer dan eens kwamen tegen Horenmaker, half hoorbaar de woorden van zijne lippen: »Iedere zwaardslag van den beul vaart ook mij door den hals. Horenmaker! kwam maar de beurt aan mij?«
Maar niet slechts, dat ieder slachtoffer, hetwelk daar den hals boog, hem schokte, ook het gansche tooneel van rondom moest iedere gevoelige zenuw doen trillen, de ziel verscheuren. Haarlem gevallen! reeds dat was ontzettend; maar in dat Haarlem een moord te zien bij het heldere licht des daags, onder den brandenden gloed der zon.... dat riep tot den hemel om wraak.
Welk een tooneel! Die gevangenen, die nog kort te voren den Spanjaard verdelgden, als offerdieren voor het slachtmes, eene lange rij te zien vormen,—hunne broeders naar den kuil of de galg te zien slepen, met de afschuwelijke en dreigende gebaren, dat een zelfde lot binnen weinige minuten ook hen wachtte. Mijn God! moest dat het loon wezen voor eene verdediging van zooveel maanden? Moest het beulszwaard de lauwerkrans wezen voor het gelegde fondament van Holland’s vrijheid en onafhankelijkheid? Hier dringt een vader zich door de Spaansche soldaten heen, en valt een zoon om den hals, dien men ruw van hem afscheurt. Daar snikt eene zuster achter den broeder, tot wien men haar den toegang verspert, zoo luide en zoo wanhopig, dat ook den broeder, die zich poogt te verkloeken, de tranen uit de oogen springen. Ginds werpt eene moeder zich voor de voeten van een Spanjaard en smeekt hem op den hartroerendsten toon, dat hij haar toelate om den zoon, dien men weldra zal vermoorden, nog het laatst vaarwel toe te roepen. Wat verder wil eene vrouw met een half uitgeteerden zuigeling op de armen zich door het midden van eenige ruiters den weg tot haren man banen; maar die ruiters omsingelen de rampzaligen, en dreigen haar onder de hoeven hunner paarden te vertrappen. Ook is het reeds te laat, ongelukkige vrouw! Zie! boor met uwen radeloozen blik door die dichte rijen heen; hij, aan wien gij u knielend wilt vastklemmen, knielt reeds voor den zandhoop; hij, wiens tranen gij wilt zien storten, stort reeds zijn bloed; de dappere geus is niet meer.
De zwaarden heffen zich onophoudelijk in de hoogte, de koord worgt onophoudelijk de slachtoffers. Hoeveel verschillende uitdrukkingen van het menschelijk gemoed op het gelaat! Hier ziet men er een, die wezenloos, voor geen belang meer vatbaar en reeds gestorven schijnt, eer hij den doodelijken slag ontvangt. Ginds drukt er een de vrees van zijn gemoed uit: zijne oogen zijn wijd opgesperd, als wilde hij het beeld der verschrikking nog nader leeren kennen; zijn mond opent zich; stijf en met doodsbleeke wangen ziet hij terug, en zijne gestalte krimpt ineen, alsof hij een bliksemstraal de lucht ziet klieven, vreezende dat die hem treffen zal. Een ander, wien de dood geen schrik aanjaagt, doch die geene woorden heeft voor zijne diepe verachting, wendt het lichaam trotsch af en werpt een zijdelingschen, honenden blik, waarin het vuur van den haat als eene gloeiende kool brandt. Sommigen knarsen op de tanden, als wilden zij er hunne beulen mede verscheuren; uit anderer mond klinkt vloektaal, een half krankzinnig gelach, een wanhopig gebrul, of zij heffen dreigend de vuisten op en trachten nog tegen te worstelen. Sommigen wringen vertwijfeld de handen, en vernederen zich, om hunne beulen op den roerendsten toon eene genade af te bidden, die zij weten, dat hun toch niet geschonken zal worden. En onder dat alles hoort men nu en dan de Spaansche bevelen, het gebriesch der paarden, wier ruiters voortdurend heen en weer rijden, om mannen, vrouwen en kinderen terug te drijven, en waar enkele Spanjaarden zich een medelijdend woord over het lot van zooveel rampzaligen laten ontvallen, daar klinkt hun de spottende taal hunner makker in de ooren: »Bij San Jago! er blijven nog geuzen en ketters genoeg in dit land!«
Nagenoeg honderd der gevangenen zijn reeds omgebracht, en de armen der scherprechters schijnen vermoeid te worden van de onverpoosde strafoefening. Ofschoon Horenmaker nog voortdurend eenige woorden met zijn heer wisselt, ontglipt het niet aan zijne aandacht, dat Frederik aan Johan van Otensee een teeken geeft, en dat deze vervolgens met de hand op Ripperda wijst.
—»Het wordt onze beurt, heer!« zegt de luitenant, op kalmen maar veelbeteekenenden toon. »Ik bedrieg mij niet; de satan wenkt en zijne dienaren zijn gereed.«
—»Ook ik ben gereed,« zegt Ripperda op vasten toon, »gereed om te sterven, gereed om mij te verantwoorden bij God, en zoo de Spanjaard een Haarlemmer laat leven, dan zal deze mij verantwoorden bij Oranje.«
—»Hoe gansch Holland schreien zal over Haarlem’s ramp!« herneemt Horenmaker; »maar hoe ook gansch Holland wee roepen zal, dat Ripperda, die zich niet behoeft te verantwoorden, gevallen is door de hand van den beul. Maar daar nadert Romero! Ja, het wordt onze beurt! o God, dat ik den dood niet aanschouwe van mijnen heer!«
—»Wigbolt Ripperda!« klonk het nu opeens, en het was, alsof die naam door Romero uitgesproken werd. Waarom klonk deze? Geen der namen van al de andere slachtoffers was over de lippen gekomen; was het nog eene schaduw van hulde aan den bevelhebbersrang? Was het eene rechtstreeksche beschimping, omdat hij, die den gewichtigen rang van bevelhebber bekleed had, daar nu weerloos stond, van allen rang ontbloot en vernederd als de minste soldenier van het gele vendel?—Wij weten het niet; maar hij klonk en er heerschte eene zichtbaar meerdere beweging onder de gevangenen en de Spanjaarden, als waren allen te midden van het bloedtooneel nog nieuwsgierig, hoe de val zijn zou van dien eik, die het sieraad was van het bosch.
—»Vaarwel, Horenmaker!« zeide Ripperda, »de beurt is aan mij.«
—»Ja, het is geen droom,« sprak Horenmaker. »Het offer wordt geëischt: vaarwel, vaarwel!«
—»Vaarwel, trouwe vriend! kort is de strijd.«
—»De borst wordt mij verscheurd, groote God! ik kan niet meer.«
—»Moed, moed, mijn vriend!«
—»Die val, die slag is te zwaar!«
—»Niets is te zwaar, als God het wil! vaarwel, trouwe vriend; sterf als ik, met het oog omhoog; sterf als held, die voor vrijheid, godsdienst en burgerstaat gestreden heeft.«
Opeens rukt Ripperda zich nu los uit de hand, die nog eerbiedig, maar gloeiend koortsachtig de zijne drukt; want een anspessado en vier soldaten treden op hem aan; men vrage niet waarom. Op dat oogenblik houdt Johan van Otensee een strak oog op Ripperda geslagen, en deze ziet ook hem aan; maar dat is vluchtig; plotselijk wendt hij de oogen naar Verdugo, en zijne stomme taal schijnt te zeggen: »Denk om Asinga, mijn broeder; red hem!«
Hetgeen Hasselaar in het Zijlklooster aan Boreel beloofd had, had hij nagekomen. Nog denzelfden avond voor den dood van Ripperda, was Anna, met toestemming van des vaandrigs moeder, naar diens woning overgebracht geworden. Daar was inderdaad eene goede schuilplaats achter het woonvertrek; want eenige jaren geleden had zij daar een bedreigd predikant,—denzelfden, bij wien Hasselaar in Leiden het hoofd had gestooten—verborgen gehouden. Op de bede van Anna, die weder langzamerhand van haren vorigen schok hersteld was, had Boreel er in toegestemd, insgelijks in het huis van den vaandrig te blijven.
In dat huis verbeidden nu allen het lot, dat over hen besloten was, moedig voor zooveel het hun zelven betrof, neergeslagen over het vonnis, dat aan Ripperda zou volvoerd worden.
—»Is hij niet te redden, dan wil ik toch het uiteinde van den grooten man, van hem alleen, aanschouwen,« had Hasselaar gezegd, en met Boreel zich in het vertrek begeven hebbende, van waar men het gezicht op Ripperda had, sloegen zij nu en dan op dezen een blik. Ten laatste toen Ripperda naar den zandhoop wordt gevoerd, vermant zich Hasselaar weder om door de vensterreet te gluren, en—klopt zijne borst met hoorbare slagen. Snel wendt hij echter het oog af, en Boreel met de hand aanrakende, zegt hij op diep bewogen toon: »o God! zijn uur heeft geslagen; geene redding meer.«
—»Neen, geene redding!« zegt Boreel, »zijn dood staat vast. Eene rilling grijpt mij aan, Hasselaar! Ik waag den blik niet op hem. Maar wat ziet uw oog?«
—»Ontzettend gezicht!« herneemt de vaandrig, »twee soldaten met een anspessado leiden hem voort. Zij treden aan op den dichtstbij zijnden zandhoop. Nog eenige voetstappen en hij is er O Ripperda! trotsch en onbevreesd gaat hij voort; zoo streefde hij naar den wal!«
—»Hem.... zulk een lot!« roept Boreel op den toon der diepste smart. »Waarom mocht hij niet vallen door het lood! Och, of ik hem redden kon!«
—»Het kon niet; want zoo het kon, ik gaf mijn leven voor het zijne,« zegt Hasselaar, en andermaal tuurt hij naar de strafplaats, terwijl al zijne polsen onstuimig kloppen.
—»Zie hem, zie hem aan,« vervolgt hij, »verkloek u, Boreel! Het moet iets groots zijn, een man als hij in den dood te zien gaan; en toch breekt mij ’t hart.«
—»Neen, mij faalt de moed,« zegt Boreel; »mijne ziel wordt verscheurd, terwijl mijn bloed kookt. Hasselaar! is hij reeds gevallen? Hoor! hoort ge dien kreet: Ripperda—triomf!«
IJlings wendt Hasselaar het gelaat weer naar de markt; want ook hij hoort dien kreet. Hij ziet, hoe Frederik en Romero strak en onbeweeglijk het oog op Ripperda houden geslagen, en hoe Johan van Otensee nog eenige schreden dichter op hem aantreedt,—hoe ook hij hem met half ontsloten mond en doorborend oog aanstaart, als wilde hij tot in de schuilhoeken van Ripperda’s ziel indringen, en waarnemen, of geen enkele schok die zuil trillen doet. Maar met opgeheven aangezicht en in rechtstandige houding is Ripperda voortgegaan; en het is, alsof er een nieuwe blos op zijne wangen komt, terwijl hij rustig en onverschrokken voor den zandhoop stand houdt.
—»Hoe ’t mij bang wordt in de ziel!« zegt Hasselaar, terwijl hij een kille hand naar Boreel uitstrekt. »Eene huivering vaart mij door de leden. Hij knielt; groote God! Ripperda knielt: eenige seconden nog en—het is met hem gedaan.«
—»Met hem gedaan!« roept Boreel. »Geen wonder redt hem! God! erbarm u zijner: strek de hand naar hem uit.«
—»Neen, vergeefs, te vergeefs!« roept Hasselaar met een overkropt gevoel. »Hij moet sterven, sterven.... zijn bloed zal stroomen door de hand van den beul. Weg, weg van hier; ik kan niet meer: het breekt mij de ziel!«
Snikkend rukt zich de jongeling van het venster; hartstochtelijk grijpt hij de hand van Boreel, en op die hand stroomen heete tranen neder. Te veel was het voor zijn onversaagd, maar toch zoo gevoelvol hart, den moord te aanschouwen van een man als Ripperda.
Maar vele anderen zagen het, en Johan van Otensee wilde het zien. Terwijl op weinige schreden afstands Lodewijk Horenmaker op het punt is, door het staal te vallen, en terwijl in Ripperda’s oogen hetzelfde vuur van moed en onbezwekenheid gloeit, als waarmede hij zoo dikwijls den Spanjaard te keer ging, laat zich opeens de kreet hooren: »Leve de Geus! Ripperda triomf!«
Weergalmend klinkt het zoo op het oogenblik, dat de Fries de knie buigt, en onbeschrijfelijk is het contrast van dien geestdriftvollen kreet met het nare tooneel van rondom. Ripperda geknield,—Ripperda, die nooit de knieën boog dan voor God! Ripperda met de handen samengesloten—Ripperda, die de hand slechts aan het rapier sloot om ’s vijands macht er mee te knotten. De leeuw, knielende voor den jakhals; de adelaar buigende voor den gier. Maar Ripperda knielt en buigt voor den Hemel; maar Ripperda vouwt de handen voor God; maar Ripperda slaat den blik op zijn Schepper; zijne lippen bewegen zich, en voorzeker stamelen die lippen: »Ik sterf, omdat ik het heil beoogde van mijn vaderland: o God! red Nederland, voor welks redding ik Haarlem verdedigd heb; ontvang mijn geest!«
Opeens verheft zich een bloedig zwaard. De lotgenooten huiveren; want dat zwaard doet een hoofd vallen, waarvan het gelaat nog kalm en onverwrikt blijft, zooals het een soldaat past, die een braaf en dapper leven met een edelen dood heeft bezegeld; want Wigbolt Ripperda van Winsum is de schrik van den Spanjaard niet meer.
De indruk van Ripperda’s dood op de overige gelederen van het gele vendel was diep maar kort. Hoe kon het ook anders? Geen oogenblik verpoozing had er plaats gehad met het onthoofden en ophangen van hen, die reeds zoovelen hunner broeders hadden zien sterven: reeds was Horenmaker, moedig, onverschrokken, naar het voorbeeld van zijn heer, in den dood gegaan: reeds was ook een predikant van Steenbach, Willem van Lubeck, door de koord omgebracht en opnieuw zag men de lange rij dunnen; opnieuw zag men een tooneel van vruchteloos gekerm, wanhoop, gegil.
Toen echter ten laatste het van bloed doorweekte zand geene nieuwe stroomen meer kon indrinken; toen de armen der scherprechters van afmatting nederzonken, begon opeens eene andere beweging plaats te grijpen. Nu eens zag men Romero eenige schreden dichter naar de ruiters rijden en aan de capitans eenige half hoorbare bevelen geven; dan weder zag men hem naar Frederik terugrijden en met Johan van Otensee eenige woorden spreken, terwijl op last van dezen een anspessado zich naar de scherprechters begaf en hun door uitdrukkingen en gebaren oogenschijnlijk eenige bevelen mededeelde. Opeens zag men, hoe deze laatsten de zwaarden naar den grond bogen; onder de gevangenen ontstond een dof gemompel, en misschien flikkerde er op dit tijdstip bij sommigen een flauwe straal van hoop. Dat gemompel gaat echter spoedig in eene spanning over, toen zich de trommels laten hooren, en vervolgens het bevel klinkt om van richting te veranderen. Aanstonds wordt aan die bevelen gehoorzaamd. De ruiters en voetsoldaten, met het front naar het stadhuis gekeerd, maken eene rechtsche wending; de gevangenen volgen dit voorbeeld, en bijna te gelijker tijd klinkt het bevel tot den marsch. Het getal der ongelukkige slachtoffers bedraagt thans nog tweehonderd zeven en veertig: en deze verbeelde men zich eene lange rij te zien vormen van twee en zestig gelederen of rotten van vier naast elkander. Op evenredige afstanden rijden aan de beide flanken een paar ruiters, met lange pieken en breede klingen gewapend; eenige soldaten met zijdgeweer en geladene musketten marcheeren op gelijke afstanden tusschen in, en de voorhoede bestaat uit twintig ruiters van den gesneuvelden Lorenzo de Perea met eenige tamboers, terwijl de achterhoede door een gelijk getal van karabiniers en soldaten van het Siciliaansche vendel gesloten wordt.
—»Tamboers, roert de trom!« beveelt opeens de capitan Auecia, nadat men, de Smedestraat voorbij, met de achterhoede reeds aan de Jansstraat gekomen is, en aanstonds laat zich een akelig dof getrom hooren, dat aan de gevangenen als een doodenmarsch in de ooren klinkt.
—»Wat zal ’t ons nu wezen?« vraagt de eene lotgenoot angstig somber aan den anderen.
—»Moeten wij terug naar de kerk?« vraagt deze.
—»Heeft er bloed genoeg gestroomd voor vandaag?« vraagt gene.
—»Wat wil de Spaansche bloedhond?« laat er een hooren, dien eene koude onverschilligheid over zijn lot heeft aangegrepen. »Moeten wij doodhongeren?«
—»Men zal ons vrijlaten,« stamelde een ander. »God redt ons.«
—»Vrijlaten, dwaas!« sprak een Haarlemmer turfdrager, Reijer Simonsz geheeten, die zich eenige maanden geleden onder het gele vendel had geschaard, »het pardon is bij God, niet bij duc d’Alf. Ons bloed zullen zij drinken; de henkers zijn het moorden niet zat; maar men breekt ons te langzaam den hals. Een andere dood wacht ons; niet vrij, maar de dood.«
Deze laatste woorden werden op een grijnzenden toon uitgesproken; maar ofschoon hij, die ze sprak, inwendig huiverde, blaakte tegelijk de begeerte naar de vrijheid met eene vuriger vlam in zijne borst. Was er eene hoop, eene verachting, welke aan die vlam voedsel gaf? De oogen van den ongelukkige wenden zich althans zijdelings naar alle kanten. Nu eens ziet hij recht voor zich heen: de voorhoede heeft den hoek van de lange Bagijnenstraat bereikt; maar zij slaat die straat niet in. Reijer Simonsz maakt een der middelste rotten van de lange rij uit, en hij is de eerste aan de linkerflank. Plotselijk slaat hij een schelen blik naar de Bagijnenstraat; hij ziet er snikkende mannen, vrouwen en kinderen door elkaar woelen; geen ruiter of voetsoldaat bevindt zich aan zijne linkerzijde, en de zucht naar redding fluistert hem toe: »Vlucht, ontvlucht den moord!« Twee seconden echter aarzelt hij en—die aarzeling is reeds te lang. Als een helsche geest schiet er opeens een ruiter aan zijne zijde en blijft hem nabij. De voorhoede treedt echter om de St.-Bavo’skerk voort, en slaat vervolgens de Damstraat in. Bij het hoekhuis de roode leeuw, waar de Franschman Bordet zich weinige dagen te voren het leven benam, heerscht eene akelig gewoel en gekerm. Van de oude Groenmarkt, van de lange Veerstraat en andere gedeelten dringen mannen en vrouwen aan, die zich tot nog toe op meerderen afstand hadden gehouden, omdat sommigen begonnen te hopen, dat de gevangenen zouden gespaard worden. Maar gedurende dien korten afstand van het stadhuis tot aan de Damstraat heeft onder de menigte van burgers het eene gerucht het andere verdrongen, en het algemeen gejammer, dat er werd aangeheven, bewijst maar al te zeer, dat de geruchten wanhoopverwekkend zijn.
—»O Heer!« roept er een, die zich door het volk den weg naar de gevangenen wil banen, »zij worden allen te Rustenburg vermoord.«
—»Groote God! het gaat de poort uit,« roept een ander, de handen wringende, »zal men hen verdrinken in de Meer?«
—»Christus, sta bij!« roept een grijsaard, die reeds tweemalen op het punt is geweest, vertrapt te worden, doch zich andermaal sidderend en jammerend op de been houdt; »mijn zoon! waar is mijn zoon? toeschreeuwen moet ik hem, dat hij zal gesmoord worden; waar is hij? Heer, sta ons bij!«
En in die Damstraat heeft een tooneel plaats van schrik en vertwijfeling. De kreten van mannen, vrouwen en kinderen vermengen zich met die der gevangenen; de Spaansche ruiters en voetsoldaten, die zich aan weerskanten van de rij bevinden, laten vloeken en bedreigingen hooren; en zij, die te dicht op de rotten der gevangenen aandringen, worden door de hoeven der paarden gewond, of met de pieken en musketkolven afgekeerd. Sommigen echter, die mannen, vaders, broeders of kinderen onder de ongelukkigen hebben, laten zich niet afschrikken, maar dringen, in vertwijfeling en onder een luid gegil door, en zoeken met verwilderde blikken, in welk gelid deze zich bevinden. Hierdoor ontstaat eenige verwarring onder de soldaten en ruiters; sommigen hunner dringen te ver vooruit, of blijven te veel achterwaarts, en men ziet enkele rotten, aan wier linker- of rechterflank zich gedurende eenige oogenblikken geen karabinier of musketier bevindt.
Dat oogenblik maakt zich Reijer Simonsz ten nutte.
—»Vlucht!« roept hem andermaal de zucht naar lijfsbehoud toe, en snel ter linker- en rechterzijde, naar voren en achter heenziende, is zijn besluit genomen. Het toeval schijnt zich over hem te willen ontfermen. Al de huizen in de Damstraat zijn gesloten; de door angst aangegrepene bewoners hebben de vensters dichtgedaan en menige deur is zelfs door boom of grendel verzekerd. Maar één huis is open; Simonsz ziet het; het is de woning van Hans Jan Verwer, waar hij vroeger wel eens het eene of andere werk verricht had. Zijn besluit is genomen; de deur staat half open; nog eenige schreden, dan is hij bijna vlak voor den ingang; wat zou hem terughouden? De dood is immers over hem besloten; onverschillig dus, of zijn doel al dan niet gelukt. Nog eens werpt hij een blik ter zijde, fluistert den naast hem gaanden makker de woorden in het oor: »verraad mij niet!« en schiet vervolgens als een pijl uit den boog naar binnen.
—»Godlof!« roept hij uit, en waagt het niet, om te zien of men zijne vlucht ontdekt heeft, of men hem nazet. Maar toch siddert hij aan al zijne leden; want het zou een wonder zijn, zoo de beulen hem niet missen. Dat wonder heeft echter plaats; geen der Spanjaards heeft het bemerkt; zijn makker, die den moed niet heeft, hem na te volgen, verraadt hem niet, en Reijer Simonsz bevindt zich in het huis. IJlings begeeft hij zich naar den kelder, dien hij kent, en zoekt er den donkersten schuilhoek. Maar eenige minuten daarna hoort hij, dicht bij zich, beweging. Er valt een lichtstraal door de geopende deur op hem, en te gelijker tijd hoort hij een uitroep van schrik en angst.
—»Stil!« zegt hij, aanstonds ziende, dat het de vrouwelijke dienstbode is; en zich weinig over haren schrik bekommerende, springt hij, evenals eene in de engte gebrachte rot op haren vervolger, op haar aan.
—»Zoo gij roept, wring ik u den hals dicht!« voert hij haar met onderdrukte, doch verstaanbare stem toe, en grijpt haar tegelijk zoo krachtig bij de keel, dat zij geen geluid meer kan voortbrengen.
Nu hij echter ziet, dat zij van haren eersten schrik eenigszins tot bedaren komt, laat hij van lieverlede haren hals vrij, en op de vraag, vanwaar hij kwam, deelt hij haar met korte woorden de toedracht van het gebeurde mede.
—»Als iemand u gezien heeft, zijn wij allen om hals,« spreekt zij; en tracht hem voorts te bewegen, om het huis te verlaten. Maar Reijer Simonsz poogt haar gerust te stellen, doch verklaart tevens, dat hij te gelukkig den dood is ontsnapt om andermaal zijn leven op het spel te zetten. Hij zegt, dat hij bij het aanbreken van den nacht door de Beek zal zien te ontsnappen, doch dat hij tot zoolang in zijn schuilhoek moet blijven. Dit wordt ten laatste toegestaan, en Simonsz behoefde niet bang te wezen, dat hij door de dienstmaagd verraden zou worden; want het gevolg daarvan ware ook voor haar noodlottig geweest. Het waagstuk werd intusschen bekroond; Reijer Simonsz ontsnapte wonderbaarlijk aan den dood; en wanneer hij later deze gebeurtenis verhaalde aan degenen, die haar te boek hebben gesteld, voegde hij er altijd bij: »maar gij kunt denken, hoe bang ik het had.«
De stadswaag, waarbij de Spanjaarden een wachthuis hadden, aan de linkerhand latende, heeft het strafgeleide, over het slepershoofd en de tegenwoordige Appelmarkt, reeds de brug over het Binnen-Spaarne betreden, en van alle kanten stroomen meer en meer de Haarlemmers aan, om te zien, wat het eindlot van het gele vendel van Ripperda zijn zal. Al doffer en doffer klinken de trommelslagen, terwijl de tocht door de Hoogstraat en vervolgens door de Achterstraat voortgaat; maar hoe akeliger die tonen des doods in de ooren klinken, des te minder schijnt een der slachtoffers den moed te hebben, om het voorbeeld van Simonsz te volgen. Reeds heeft de voorhoede de St.-Antoniestraat bereikt, zonder dat de gevangenen met zekerheid het lot kennen, dat boven hun hoofd hangt. Toch vermoeden zij het; want nu worden zij de Schalkwijkerpoort uitgevoerd, en opeens laat zich vervolgens hier en daar de gillende kreet hooren: »o God! de dood te Rustenburg of in de Meer.«
—»Als honden zullen ons de beulen doen smoren,« kermen eenigen op radeloozen toon, en slaan zich met de vuisten voor het hoofd. Niemand twijfelt langer, en alleen het dommelend geraas der trommels belet, dat men langs de geheele lange lijn van gevangenen de uitboezemingen der wanhoop hoort. Maar waarheen Spanjaarden? Waarom zoolang de heete Juli-zon op uw hoofd te laten branden, om weerlooze gevangenen te vermoorden? Maar zoo luidt het bevel van don Frederik. Reeds heeft men een eind wegs afgelegd, toen sommige der slachtoffers zoozeer door angst worden bestreden, dat hunne beenen aan het lichaam de dienst schijnen te weigeren.
—»Ik kan en wil niet meer,« roept een Amsterdammer, wien men de uitputting op het gelaat ziet. »Als ik toch sterven moet, dat ze mij dan voortsleepen.«
En nu valt hij op den grond neder, evenals iemand, die door eene plotselinge machteloosheid aangegrepen wordt. Twee der Spanjaarden hebben hem reeds op het lijf getrapt, en een der paarden, meedoogender dan zijn ruiter, is reeds over hem heengesprongen. Maar opeens voelt hij zich een slag met een musketkolf toebrengen, en deze beweging gaat met den vloekenden uitroep vergezeld: »Op muiter! sta op, hond!«
—»Sla mij dood, beul, of sleep mij voort!« is het antwoord; »Ik verzet geen voet meer.«
—»Gij zijt bang voor den dood, lafaard van ’t gele vendel!« roept de soldaat, terwijl hij de musketkolf opheft, om er den ongelukkige een doodelijken slag mede toe te brengen.
Maar nog is het woord »lafaard« niet ten volle uitgesproken, of de Amsterdammer rijst ijlings van den grond op. Een slag, een houw had hem daartoe niet kunnen bewegen; maar het woord »lafaard« is pijnlijker voor zijn gevoel dan de grootste mishandeling. Opeens nemen zijn oogen een gloed aan, in tegenspraak met de uitputting op zijn gelaat, en terwijl hij dreigend de vuist tegen den Spanjaard balt, roept hij op verontwaardigden, trotschen toon uit: »Dat liegt gij, bloedhond! een soldaat van Ripperda vreest den dood niet.«
—»Carajo, dat zal men zien!« herneemt de soldaat, »voort dan, en ik zal u smoren, rebel!«
—»Als gij het kunt,« is het wederantwoord, »maar ik weet, dat gij het kunt; waarom heet het vendel van Romero het moordvendel niet?«
—»Al de ketters en muiters moesten versmoord worden,« roept de soldaat op krassenden toon, »want ze zijn de kling niet waard van een dapper Spanjool.«
—»Maar de Spanjool is wel de geuzenkling waard,« schimpt de Amsterdammer, terwijl hij weder voorttreedt, »dat hebt gij voor Haarlem geproefd; en had mijne stad u niet zoo wakker bijgesprongen, dan was Haarlem het kerkhof van al de Spanjaards geweest.«
Terwijl de Amsterdammer dit laatste zeide, ziet hij plotseling, hoe de meesten zijner lotgenooten met wilde blikken het hoofd omwenden en vervolgens een doordringenden smartelijken kreet uitstooten, evenals de veroordeelden tot de pijnbank, aan wie men de eerste graden der foltering doet ondergaan. Ook hij wendt de oogen naar den kant van Haarlem terug, en nu ziet hij op eenigen afstand dezelfde beulen, die reeds honderdvijftig slachtoffers hebben omgebracht. Thans echter zijn ze niet met het bloedige zwaard gewapend; maar de aanblik van hetgeen zij met zich voeren, is nog vreeselijker. Het zijn koorden, en die voorwerpen kunnen voor niets anders bestemd zijn, dan voor hen, die daar, tusschen de zwaar gewapende Spanjaarden voorwaarts gaan.
Thans bevindt zich het geleide in de nabijheid van de Eendenkooi. Hetzij wegens de afmatting van ziel en lichaam, hetzij uit eene doffe onverschilligheid over hun verder lot, bij de zekerheid van toch den dood niet te zullen ontgaan, vallen opeens twee der ongelukkigen op den grond neder, en belemmeren aan de op hen volgende makkers den voortgang. Er heeft eene kleine stremming, eene botsing plaats, en oogenblikkelijk laat zich het dreigend gevloek der Spanjaarden hooren.
—»Sleept de honden voort!« beveelt een anspessado, »of slaat hen dood.« Spoedig brengen dan ook een paar soldaten hun eenige klingslagen toe. Niets kan hen echter bewegen, op te staan, en toch schijnen de soldaten er voor te huiveren, om hen af te maken.
—»Doe gij het!« roept een hunner zijn makker toe, »ik wil hun moorder niet zijn.«
Maar op hetzelfde oogenblik springt een der ruiters van zijn paard af, en terwijl hij een Spaanschen vloek uitbrengt, gelast hij twee zijner makkers hem te helpen. Onder ruwe mishandelingen en verwenschingen wordt nu het tweetal aan den staart van een der ruiterspaarden vastgebonden, en terwijl zijn berijder het dier de sporen in de zijden slaat, sleurt de klepper, brieschend, de rampzaligen met zich voort. Nu eens valt een hunner neder, en wordt door de hoeven gekwetst, terwijl zijn aangezicht over den grond wordt voortgesleept; dan weder kort de ruiter den teugel om hem de gelegenheid te geven, weer op te rijzen; en al de lotgenooten huiveren bij dit nieuwe schouwspel van wreedheid; maar ook velen wagen het niet, zich aan eene zelfde wanhopige wederspannigheid over te geven, hoezeer de dood hen wacht. Zoo blijft de mensch te midden van een bijna wis verderf nog dikwijls eene flauwe hoop op redding koesteren, die hem terughoudt om het oogenblik van dat verderf te verhaasten of te verzwaren.
Nog altijd blijven, gedurende den tocht, eenige mannen, vrouwen en kinderen uit Haarlem het strafgeleide nabij, en alleen de doffe, holle klanken der trommels beletten, dat men onverpoosd het snikkend geschrei en luid gejammer hoort. De voorhoede bevindt zich nu ter hoogte of tegenover een aanzienlijk vierkant gebouw, met fraaien ronden toren, door een ruimen vijver besloten, waarover eene prachtige steenen brug met zes bogen naar den voorhof geleidt. Het is het slot van Heemstede en niet ver van daar zal het lot der gevangenen worden beslist! Nog slechts eene wijl—dan is de bange tocht volbracht,—dan zullen de slachtoffers uitrusten.
—»Halt! tamboers, de trom!« klinkt het weldra, en nu gaan de holle tonen plotselijk in helsch dommelende, kort afgebrokene klanken over. Dit duurt slechts eenige seconden; maar die seconden zijn verschrikkelijk. Zij geven aan de soldaten van het gele vendel de wreede zekerheid van het lot, dat hen wacht. Men heeft den mond van de Haarlemmermeer bereikt! Men is aan het einde van het Spaarne, aan de Ton, vanwaar Haarlem zoo vaak te vergeefs kruit en leeftocht van de prinselijke vloot had verwacht. Een blik op die monding zooals zij toen was, is genoeg om niet verder te vragen, waarom de Spanjaard zijne slachtoffers zoo ver buiten Haarlem heeft voortgesleept. Zie! ettelijke schreden lang verheft zich daar een hoofd of kade, tegen welks voet de golven van de Haarlemmermeer schuimen en klotsen, wanneer de wind over het vlak blaast en het beroert. Het is daar diep, in vergelijking van het Spaarne, en de dood strekt er veel gretiger de armen uit naar zijne prooi.
Op dat water houden eenige der gevangenen thans de oogen gericht: dat zal hun graf wezen, en dat graf staren zij aan. Het water wordt door geen enkel windje bewogen; trillend slechts weerkaatst het de zonneschijf, die op de hoofden brandt: ontzettende tegenstelling! een koesterende zon werpt hare heldere stralen op een duister graf. Minder akelig ware het geweest, wanneer wilde zwermen van zeevogels met een schor en klagend geluid over de klotsende golven hadden heengevlogen,—wanneer de waterklomp donker en dreigend zijne schuimende baren had voortgestuwd en wanneer die baren, onder het gerommel van den donder, tegen den oever hadden gebroken. Maar die stilte! dat was eene rampvoorspellende tegenstelling met den aan te vangen moord!
Terwijl zich nog het tromgeroffel en hier en daar eenige bevelen lieten hooren, verschijnen de beulen. Twee aan twee worden de soldaten van het gele vendel, onder welke zooveel Haarlemmers zijn, aangegrepen; men plaatst hen rug tegen rug, en met eene duivelsbehendigheid is in weinige seconden de koord zoo vast om de armen en het lijf geslagen, dat de twee gevangenen ten eenenmale weerloos zijn. Dit heeft slechts weinige voeten van den rand des waters plaats, en ééne ruwe voortstuwende beweging naar dien rand is genoeg om er hen van af te doen storten.
Maar ook deze moord, ook deze verdelging eischt een grooter getal uitvoerders dan er in den aanvang voor gesteld waren. Tweehonderd zes en veertig zijn er tot den dood bestemd! Honderd drie en twintig maal moeten zich de armen uitstrekken om een tweetal aan te grijpen en aan elkander vast te snoeren.... neen! ook zulk eene vernieling gaat te tragelijk voort; vijf beulen voor eene zoo lange rij slachtoffers! De soldaten van het Siciliaansche vendel moeten hun te hulpe komen; de soldaten van het Siciliaansche vendel zijn het moorden gewoon.
Voorwaar, wij hebben den blik niet buiten het vaderland te slaan om er een hemelschreiend schouwspel te ontdekken. Haarlem biedt er ons een aan. Had de Spanjaard slechts dezen gruwel begaan, dan reeds hadden wij zijn naam aangeschreven met bloedigen inkt.
Nochtans zijn er enkele soldaten, die onder de uitvoering door huivering worden aangegrepen; een hunner heeft een paar weerloozen van den rand der steilte naar beneden geduwd; hij heeft hun bangen gil, hun dommelenden val gehoord, en—opeens vaart hem eene rilling door de ziel.
—»Verdoemen mij de heiligen, als ik naar een van dezen nog de hand uitstrek,« roept hij uit, »dat grijpt mij in de borst, en ’t zal eeuwig op mijn geweten branden. Al had ik nog honderd jaren levens—dezen dag vergeet ik nooit, o San Jago! o San Dominico!«
Veel lichter viel het ook inderdaad den bevelhebber, zulk een vernielingsbevel te geven, dan aan de soldaten, het ten uitvoer te leggen. Wellicht moge er eenige vrees, eenig bijgeloovig denkbeeld bij hen opgekomen zijn; doch medelijden, verontwaardiging en afschuw waren ook op veler gelaat zichtbaar. Niet meer zoo ruw en wreedaardig als op de markt, weren zij diegenen af, welke de deerniswaardigen om den hals vallen en een hartverscheurend vaarwel toeroepen. Hier laten zij een grijzen vader doordringen; daar rukken zij eene moeder niet met geweld van haren zoon af; want ook dat tooneel hier en ginds en overal treft sommigen diep. Zielschokkend is het, te zien, hoe eene vrouw, die zich, met twee kinderen op den arm, reeds van de markt heeft voortgesleept, thans haren man omklemt. Als vuur gloeien hare tranen, luide snikken versmoren hare stem; en toch wil zij spreken met hem, dien zij in dit leven niet meer zien zal.
—»Sterven.... zoo! dat ook ik sterve!« roept zij uit, »Diederik, kus mij, voor ’t laatst.... och, nog eenmaal!«
Zij rukt zich van hem af—niet om te scheiden, maar om de twee kinderen, die de honger verschoonde, aan de sidderende borst van den geliefde te drukken.
—»Heere, waarom hen gespaard?« gilt de vader, terwijl hij de jonge knaapjes beurtelings vurig kust en dan de wanhopige oogen naar omhoog slaat.
—»Om weezen te worden!« kermt de moeder, »maar ik zal ook sterven; ook zij zullen sterven.... want hier, Diederik, zal ’t mij te bang wezen. Jezus! is er dan geene uitkomst, geene hulp?«
—»Enkel de dood!« zegt hij onafgebroken, »de dood! bid voor mij, Maria! ik kan het niet meer.«
—»Houd mij vast; laat mij niet los!« roept zij, en zucht en gilt zoo smartelijk, dat haar hart schijnt te breken, »dat de beul mij aan u vastbinde; ik wil met u sterven.«
—»Mijne kinders!« zegt de ongelukkige op smeekenden toon, »ook die strijd nog—voor den bangen dood!«
Hartstochtelijk, bijna onstuimig grijpt hij, als nog niet gebonden zijnde, met de eene hand het jongste knaapje aan, en terwijl hij met de andere de vertwijfelde vrouw omstrengelt, drukt hij eene menigte gloeiende kussen op het bleeke voorhoofdje; op eens begint het kind te schreien, als wierd het door een droom in zijn wiegje wakker geschrikt; het steekt de armpjes naar de moeder uit, maar die moeder ziet het niet meer: het is nacht voor haar geworden, zij heeft geene bewustheid meer. Twee der soldaten erbarmen zich en voeren haar naar de achterhoede; de vader verzinkt in een gevoelloozen toestand en laat zich, als wezenloos, van de panden afscheiden. Eenige oogenblikken nog, dan zinkt hij, aan een lotgenoot vastgebonden, in de diepte, en wanneer voor den geest der moeder het licht weder aanbreekt, zal het met de waarheid gepaard zijn, dat zij weduwe is en hare kinderen weezen zijn.
Onverpoosd worden de gevangenen uit de rij gesleurd: onverpoosd omklemmen de koorden armen en handen, en onverpoosd worden zij van den rand der diepte geworpen. Zie! het is alsof het water zich verdeelt, en zijne bedding wil ontblooten, opdat de uitvoerders der euveldaad op die bedding de flauwe worstelingen zouden aanschouwen en voor den verderen moord verschrikt terugdeinzen. Zij, die zonder een kreet te laten hooren, zich in het groote graf lieten storten, schijnen nu uit de diepte doffe klaag- en jammertonen aan te heffen en half gebrokene benauwde klanken te doen oprijzen.
—»Wraak, wraak over de beulen!« klinkt het uit den vloed; »Holland, Holland, wreek dezen moord!«
Maar een nieuwe doffe val versmoort voor een oogenblik deze klanken, en telkens wanneer de stroom eene nieuwe prooi ontvangt, doet zich het tromgeroffel harder en doller hooren, opdat het wee- en wraakgeschrei, dat ontzettend tot in de verte weergalmt, de Spanjaarden niet in het geweten zou grijpen. Toch kan dat geweten genoeg aangegrepen worden, wanneer die Spanjaarden het tooneel van rondom overzien. Hier bidt er een met luider stemme en met de handen samengevouwen. Daar heft er een de verwilderde blikken insgelijks naar den hemel, en ook hij bidt; maar hij bidt sprakeloos; zijne taal is een wanhopig handengewring. Ginds laat een ander de oogen naar alle richtingen rollen, of die oogen draaien als van eenen krankzinnige, woest in hunne kassen rond. Sommigen staan stokstijf en wezenloos gelijk oudtijds de misdadigers, die men door myrrhe en hyzop hun vonnis deed vergeten. Anderen schudden de vuisten of barsten in een schamperen grimlach uit; maar het is de woede der machteloosheid, de grimlach der razende vertwijfeling. Voor den geest van anderen schijnt eene wereld van gedachten te zweven, en door eene andere wereld van denkbeelden vervangen te worden, ofschoon die geest niet vermogend genoeg is om op een ervan een rustpunt te vinden; het is een rad van gewaarwordingen, dat pijlsnel ronddraait en zich slechts vluchtig aanraken maar niet grijpen laat;—het is een bajert, waarin men geen voorwerp duidelijk onderscheiden kan, daar er duizenden in en door elkander opeen liggen gehoopt.
Het wijde en diepe graf blijft inmiddels zijne prooi verzwelgen. Toch zijn er enkelen, die het die prooi betwisten. Wij weten het immers: ieder insect zelfs tracht zijn leven te verdedigen tegen zijne vijanden. Wij weten, hoeveel pogingen eene vlieg aanwendt om zich aan het weefsel eener spin te ontworstelen. En wij! hoe hevig zijn niet onze worstelingen tegen den dood? Welke nare stuiptrekkingen, wanneer ons aardsche leven verstoord wordt! wat schouwspel als er een mensch zieltoogt, als zijne trekken verwrongen worden, zijne ledematen zich krommen en zijn aanzijn wordt vernietigd. Zie! daar gelukt het aan de bovenmenschelijke inspanning van twee slachtoffers, die reeds in den vloed zijn geworpen, zich aan hunne koorden te ontrukken. Hunne armen, hunne handen geraken vrij; men ziet opeens een tweetal hoofden boven den waterspiegel uitsteken, en vier armen klieven den stroom. Niet naar den wal, ongelukkigen! want iedere poging om u daar te redden, zou door uwe moordenaars afgewend worden. De wijde Meer op! van den oever! hoopt op den weldadigen stroom! verzamelt uwe krachten! houdt moed! misschien ontvlucht ge nog den dood, die u reeds in zijne macht had!
Maar opeens wordt de Spaansche capitan Auecia de worsteling gewaar en opeens laat zich uit zijn mond het bevel hooren: »Vuur!«
—»Vuur, musketiers!« herhaalt hij, op het tweetal wijzende, en nu brengen vier soldaten den vinger aan den trekker van hun geweer! er knallen vier schoten; doch hetzij de soldaten verkeerd aanleggen, hetzij hun gevoel er tegen opkomt om dien gruwel te plegen, geen der schoten treft doel. Duidelijk ziet men, hoe beiden hunne krachten inspannen, om zich van den wal te verwijderen; zij reppen zich voort met breede slagen en onvermoeide armen, en zien niet om naar den oever,—toch blijven zij onder het bereik van den Spanjaard; hun dood staat vast.
—»Dat geen der rebellen ontkome!« roept Auecia en andermaal knallen eenige musketschoten. Ook deze missen het doel, doch geene menschelijke inspanning is in staat om den wijden plas over te zwemmen; minst van al dus vermogen zij het, wier krachten reeds ten halve uitgeput of weg zijn. Een der soldaten van het gele vendel buigt reeds het hoofd onder water, en een paar schreden verder volgt hem zijn makker. Nog eens vertoonen de afgematte hoofden zich boven den vloed; weer zinken zij; een paar armen komen nog flauw en met eene stuipachtige beweging te voorschijn; ook deze verdwijnen van de oppervlakte, dalen naar den bodem en—van de rampzaligen wordt geen spoor meer gezien; in den schoot der golven vinden zij hun graf.
De rij van gevangenen slinkt van oogenblik tot oogenblik; weldra zijn er maar enkelen meer; haast is de vernieling voltooid. Sommige der lijken worden, op den bodem des waters, naar den mond van het Spaarne voortgesleurd; en den stroom en de kronkeling der rivier volgende, zullen zij nog dienzelfden dag binnen Haarlem terugkeeren, er terugkeeren als om de graven te zoeken van vrienden, broeders, vaders, kinderen, die er door het zwaard zijn omgebracht.
Eindelijk worden de twee laatsten van het gele vendel van Ripperda den stroom in de armen geworpen. Men hoort geen geween, geen gekerm, geen bang gezucht meer dan van hen, die van den moord aan kinderen, vaders, broeders, vrienden de verslagene of vertwijfelde getuigen zijn geweest; en wie weet, hoe lang zij daar nog radeloos de handen zullen wringen, terwijl de beulen reeds naar de stad zijn teruggekeerd. Maar die twee laatsten van het gele vendel schijnen eenige seconden den dood zijn buit te betwisten. Een hunner worstelt geweldig en het gelukt hem, den rechterarm uit de koord te scheuren. Opeens verschijnt hij onder een angstvollen, wanhopenden kreet met zijn lotgenoot ten halve op de oppervlakte, en terwijl hij een wijdgeopenden blik werpt, roept hij op doffen toon: »wraak! wraak over den moord!« Hij zinkt, maar nog eens heft hij het lichaam en het loodkleurig gelaat op; de rauwe wanhopige kreet uit het diepst der borst gaat in een dof afgebroken geluid over; hij slaat den stervenden blik naar den hemel, wijst stuiptrekkend, dreigend met de hand naar omhoog en roept andermaal met half gesmoorde stem: »wraak, Haarlem, wraak!«
Hij zinkt, de voeten lager dan het hoofd, en hij rijst niet meer; maar uit het graf, waarin hij zinkt, schijnt nogeens die kreet op te stijgen,—nogeens, en vervolgens niet meer.
Rust zacht in dien waterschoot, rampzalige! gij hebt den hoeksteen van Holland’s vrijheid gelegd, en eene stem uit den Hemel daalt neer: »Mij komt de wraak toe? Ik zal het vergelden!«