ZESTIENDE HOOFDSTUK.

O God! het land waar zulke helden

Zich moedig tot een offer stelden—

Dat land kan nimmermeer vergaan.

Helmers.

Eene lang belegerde stad, eindelijk in de macht van den vijand, heeft voor de verbeelding altijd iets huiveringwekkends; hoeveel te meer dan eene stad, in de macht van den Spanjaard, die nog geene vest had overwonnen, zonder er bloedtooneelen aan te richten.

Hier zag men nog de puinhoopen van het Cicilia’s klooster, het convent van de heilige maagd Maria en andere, en wanneer men een blik sloeg op de menigte vernielde woningen en vooral op de verbrokkelde wallen, dan moest men met een diepen zucht, maar met bewondering tevens uitroepen: »En dat Haarlem heeft zeven maanden de macht van Spanje weerstaan! En dat Haarlem is slechts bezweken onder gebrek!« Daar zag men de Groote Markt nog met het bloed geverwd van de dapperen, door het beulszwaard gevallen; ginds scheen de grond in de Ramen te rijzen door de vele lijken, die er onder bedolven lagen, en wanneer men de blikken naar den kant van de Haarlemmermeer sloeg, dan was het, alsof de wind het geluid medevoerde: »al mijne wateren kunnen den moord niet rein wasschen!« Ginds zag men Spanjaarden, door wijn bedwelmd door de ontledigde straten zwieren, en men hoorde hen Spaansche liedjes zingen, waarvan telkens het refrein den val van Haarlem verkondigde. Opeens klonk wat verder weder het tromgerom; en dan zag men een magistraatspersoon, een verdediger, of iemand, die vroeger om godsdienstige gevoelens uit de stad was gegaan, tusschen soldaten, naar de gevangenis overbrengen. Bijna in iedere straat zag men de groenzijden gekruiste koningsvlag met het wapen van Castilië, waar men vroeger de vaandels van Ripperda en Kenau aanschouwde; Spaansche soldaten met groote zwarte hoeden en gele uniform hadden in alle wijken de eenvoudig gekleede schutters vervangen, en de geuzenpenning aan het blauwe lint had plaats gemaakt voor de sierlijke ridderorde van Calatrava aan de zilveren of gouden keten; al de huizen vertoonden op hunne gevels het sombere en doodsche van hetgeen er in de ziel der bewoners plaats greep; want Haarlem was de stad van Oranje niet meer; Haarlem was in de macht van den Spanjaard!

In ééne woning toch heerschte vreugd—zaligheid. Reeds was het middag geworden; die vreugd en zaligheid hadden er reeds van des morgens geheerscht, en—dat geene huivering u aangrijpe, lezer!—men had die te danken aan de goedertierenheid van den overwinnaar.

Venavides—edel als hij was—had ten opzichte van Magdalena zijn woord gehouden. Wel verwonderde het hem, dat don Frederik onvoorwaardelijk hare vrijheid had toegestaan; toch vermoedde hij er de heillooze drijfveer niet van. Eenige dagen daarna was door hem naar den prior van het klooster te Amsterdam de last gezonden geworden, dat men Magdalena kon vrijlaten,—en dat zij onverhinderd binnen Haarlem kon terugkeeren. Geen wonder, dat deze, op die tijding, geen oogenblik aarzelde om naar de vest te snellen met een hart, waarin de eene gewaarwording de andere opvolgde. Op bevel van don Frederik werd zij onverhinderd de Spaarnwouderpoort binnengelaten; met kieschheid zelfs werd zij door een capitan naar hare woning geleid; niets deed haar den giftigen adder aanschouwen, die onder het gebladerte lag verscholen.... Magdalena was teruggekeerd in haar huis;—de hemel, waarin zij zich op het Huis Ter Kleef eens zoo zalig had gedroomd, was voor haar geopend geworden.... Daar stortte zij aan de borst van Van Duivenvoorde; daar vroeg, daar hoorde zij niet; daar sloot zij de lang betreurde lievelingen aan haar hart; daar stroomden tranen, daar klopten onstuimig alle polsen, daar joeg de boezem met golvende bewegingen, maar neen!... wij gaan die eerste oogenblikken voorbij, die zoowel in de vreugd als in de smart iets overstelpends en verdoovends hebben, en die ons de kalmte doen missen tot het waarachtige genot. Maar wij treden de woning binnen op het tijdstip, dat Magdalena en Van Duivenvoorde, na de uitstorting der indrukken van het verledene, zich aan het tegenwoordige en toekomstige overgeven,—op het tijdstip, dat de hand van het lot de bus omschudt, die de loten van ’s menschen geluk en ongeluk bevat.

Zie, die kleine Emma is op den schoot der moeder gezeten, en de liefkozingen, die elkander nog kort te voren als telkens opschietende vonken aan den haard opvolgden, zijn nu eene gelijkmatige vlam geworden, die zich bij tusschenpoozing nog wel verheft, maar denzelfden gloed behoudt. De tienjarige Adolf staat tusschen de moeder en den vader, en omvat beider ineengestrengelde handen met de zijne als ware hij een jeugdig priester, die stilzwijgend bidt, dat de Hemel over deze wedervereeniging zijnen zegen geve. De jongere Arthur huppelt op de knieën van den vader, doch buigt telkens het hoofdje naar den zachten moederschoot, terwijl in zijne oogen de uitdrukking straalt, dat de moeder, voor het lange gemis, thans meer aanspraak heeft dan de vader op zijne onschuldige koozerij. Opeens springt Emma van de knieën harer moeder, loopt een paar malen huppelend rondom de kleine groep, en vraagt vervolgens op kinderlijken toon:

—»Maar hebt gij nu niets voor ons medegebracht, moederlief? Vader heeft het ons beloofd, en toen wij laatst zulken grooten honger hadden, zeide vader, dat wij maar zoet moesten wezen, en dat wij veel koek van u zouden krijgen.«

—»Ja, zoo’n mooien kerstkoek,« voegde Arthur er bij, »als gij uit Leiden gestuurd hebt; ik weet het nog wel: ik had den mijnen in twee dagen opgegeten, en toen wij laatst geen vleesch en brood meer hadden, had ik er spijt van, dat ik niet wat bewaard had. Moeder, moeder! wij hebben zoo’n honger gehad.«

Van Duivenvoorde voelde een traan opwellen bij de herinnering dier dagen van gebrek,—bij de herdenking hoe hij meer dan eens eene bete had gespaard, om iets toe te voegen aan het karig afgemeten rantsoen voor de kinderen,—en hij kon zich niet onthouden, uit te roepen: »Ja, Magdalena, hoe bang uw lot ook zij geweest, dat toch heeft u de borst niet gefolterd—het jammergeschrei om brood.«

Magdalena antwoordde door een vurigen druk harer hand en met de oogen ten halve naar omhoog gericht, als zeide zij: »Ja, daarvoor dank ik God; maar ook Hij weet, hoeveel andere dolken mij het hart hebben doorgriefd.«

—»Ja, moeder!« zeide Adolf, »wij hebben paardenvleesch gegeten; maar wij hadden er niet genoeg aan, en ge moet niet naar de poes zoeken of naar Snel; die zijn ook geslacht. Brechta zegt, dat wij daarvan zoo bleek zien en zoo mager zijn.«

—»Dat is nu verleden, lieve jongen!« zeide Magdalena met overkropt gevoel, »morgen zult gij en Arthur en Emma lekkere koek van mij krijgen,« en zij boog zich voorover op het hoofd van het knaapje, en groote heete tranen sprongen uit haar oog; nog vuriger drukte zij Van Duivenvoorde’s hand; eene wereld van zaligheid en eene wereld van smart kampten in hare ziel.

—»Maar waar zijt gij toch altijd geweest, lieve moeder?« vroeg Adolf, en hij had die vraag reeds een paar malen gedaan, zonder er antwoord op te erlangen; want schoon dieper denkende dan zijn broeder en zijne zuster, besefte hij niet, hoe vlijmend voor het hart der moeder dit antwoord moest zijn.

—»Lieve Adolf!« zeide zij, »de soldaten, die zoo geschoten hebben, lagen voor de Kruispoort, voor de Zijlpoort en rond heel de stad; ik kon er niet doorkomen, want ze zouden met de geweren op mij geschoten hebben. Maar als gij van avond naar bed gaat, dan moet gij, op uwe knieën, uwe handjes samenvouwen en tot onzen lieven Heer zeggen: »Ik dank u Vader, die zijt in den Hemel, dat onze moeder weer bij ons is.«

—»Ja moeder!« antwoordde de knaap, »maar dat moet Arthur dan ook doen, en Emma, niet waar?«

—»O zeker; want die zijn ook blij; gij moet het hun dan maar zeggen, Adolf; gij zijt de oudste.«

En opeens sprong de knaap met de kinderlijke voortvarendheid om iets uit te voeren, naar Emma en Arthur, die weer bij het vensterraam speelden, om hun de woorden der moeder reeds over te brengen. Een oogenblik luisterden zij, doch gingen weer spoedig met hun spel voort en dartelden door de zaal. O, zij waren nog in dat tijdperk, waarin bij een enkelen doorn of brandnetel slechts bloempjes bloeien; zij waren nog binnen of even over de grenslijn van dat

Gelukkig perk van drie tot zeven jaren,

Als alles lacht en alles speelt.

Nog eenige oogenblikken bleven zij in de zaal, doch weldra snelden alle drie naar den kleinen, achter het huis gelegen tuin, en—Magdalena bevond zich met Van Duivenvoorde alleen.

Honderdmaal reeds was zij hem aan de borst gevallen; honderdmaal reeds had hij haar in zijne armen gekneld, warm, vurig, met al de zaligheid van een onverhoopt wederzien na eene lange, bange scheiding, en opnieuw sloeg hij de armen om haar heen en klemde haar met eene zoo gloeiende liefde aan het hart, als smolten beider zielen ineen, als zou hij zich nimmermeer van haar loswinden:—de beker van het afzijn was zoo bitter geweest; de beker der wedervereeniging was met kostbare, zoete teugen tot aan den rand toe gevuld. Maar toch.... toch lag er op den bodem van dien beker iets wrangs, dat al meer en meer naar boven borrelde, hoe meer teugen van zaligheid zij dronken.

—»O God! dat niets ons meer scheide!« sprak Magdalena, vol verrukking het oog naar omhoog slaande, terwijl Van Duivenvoorde hare lippen met vurige kussen bedekte, »en toch is er iets, dat mij waarschuwend toefluistert: »»dat geluk zal niet van duur wezen!«« Maar gewis, dat moet begoocheling zijn—een nieuwe indruk van zooveel doorgeworsteld leed.«

—»Neen, Magdalena, neen! dat is geene begoocheling, geen spel van de zinnen,« sprak Van Duivenvoorde, »ook tot mij roept die zelfde onzichtbare stem: »»het geluk heeft een gladden rand.««

—»Maar de hemel is rechtvaardig en goed,« hernam Magdalena. »Na zooveel bangheid en smart schenkt hij lange vergoeding: gewis, die stem ontstaat enkel uit de zwakheid en vreeze van ons gemoed.«

—»Mocht het zoo zijn!« sprak Van Duivenvoorde; »maar niet zelden waggelt een nieuw gebouw van heil boven een afgrond, vooral in deze bange dagen, waarin de valschheid graaft en het verraad ondermijnt. Maar,« ging hij voort, nadat hij de teruggekeerde opnieuw aan zijn kloppend hart had gedrukt, »maar, Magdalena, wat zich ook stelle tusschen ons geluk—ik sidder niet meer, nu ik u terugheb: ik voel mij sterker dan ooit.«

Gedurende eenige oogenblikken gaven beiden zich weder aan die sprakelooze verrukking over, die de oneindige ruimte van het verledene doorzweeft en zich in de verre, onafzienbare toekomst verliest om weer op het tegenwoordige terug te komen. Op den helderen stroom van de vreugd mogen de zielen der menschen te zamen vloeien—nog inniger smelten zij ineen, wanneer er donkere wolken over dien stroom hangen, of wanneer het angstiger gemoed er wolken boven waant te zien. Maar die sprakeloosheid duurde niet lang; beiden hadden zooveel gewaarwordingen, zooveel gevoelens en denkbeelden uit te drukken. Magdalena sprak weder over dien vroegeren droom, die haar als teruggekeerd in hare woning verplaatste, die haar Ripperda, Kenau, den predikant Symons en zooveel anderen in haar bijzijn tooverde; en helaas! die Ripperda sprak haar geen enkel woord van welkomst toe; want die held was gevallen met Haarlem; die vrome Symons! die in de woning van Magdalena zoo vaak de taal had gesproken der Christelijke vrijheid, welke in geest en waarheid bestaat, ook die was bezweken onder het zwaard van den beul, maar met het hervormd geloof aan Christus’ genade op de lippen. En Kenau Hasselaar!.... Magdalena verwonderde zich niet, toen zij hoorde, met hoeveel moed die vrouw had gestreden; want altijd had zij haar gekend als vol geestkracht en fierheid; maar zij bewonderde haar nu te meer en vooral over hare standvastigheid tot aan den dag der overgaaf.

—»En ook zij waagt het niet, tot mij te komen!« sprak zij, weinig wetende, hoe Kenau op datzelfde oogenblik in het huis van den vaandrig getuige was van een aandoenlijk tooneel. »Ook zij niet! durft dan niemand mijn geluk komen aanschouwen na zoolang een leed? Hoe deerlijk moet de vrees wezen in iedere woning, hoe bijster groot de angst om er buiten te gaan.«

—»Eilaas, Magdalena! nog kent gij niet half het wee en den omvang van het lot, dat Haarlem heeft getroffen,« sprak Van Duivenvoorde geroerd, en weer schetste hij haar eenige der tafereelen, die wij reeds den lezer voor oogen hielden. Niet zelden werd het gemoed van den wakkeren verdediger zoo diep bewogen, dat hij moest ophouden: meer dan eens vloeiden Magdalena’s tranen op de hand, die zoo vurig de hare omklemde, en nu en dan moest zij uitroepen: »Vader in den Hemel! hoe nietsbeduidend was mijn lot in vergelijking van zooveel smart!«

Van Duivenvoorde was thans aan zijne ontmoeting met Venavides gekomen en juist schetste hij dien bangen dag, waarop de Spanjaard naar het leger teruggekeerd was, toen er aan de kamerdeur geklopt werd. Het was de huisknecht.

—»Daar is burgemeester Van der Laan; hij klopt zacht aan de deur,« zeide de bediende, »moet ik hem binnenlaten?«

—»Van der Laan?« vroeg Van Duivenvoorde verwonderd en verrast. »Hij? voorzeker! zonder verwijl! maar neen, ik zelf ga hem tegemoet.«

De bediende begaf zich vooruit en Van Duivenvoorde, Magdalena toeroepende, dat hij den gewezen burgemeester ook in hare tegenwoordigheid zou brengen, volgde hem op den voet.

Inderdaad trad Van der Laan het huis binnen, rustig als altijd, en zonder een zweem te vertoonen, dat hij iets waagde, door zich op straat te begeven, hoezeer de meesten daartoe den moed niet hadden. Maar nauwelijks was de deur weder achter hem gesloten, of Van der Laan greep zoo krachtig en zoo vurig, zonder echter een woord te spreken, de beide handen van Van Duivenvoorde, dat deze hem met verbazing en eveneens sprakeloos aanzag. Zulk eene stomme taal heeft echter vaak dieper zin dan een vloed van woorden; en een zeer diepen zin had zij vooral thans. Onophoudelijk en met afgewend gelaat Van Duivenvoorde’s handen sterker en hartstochtelijker in de zijne klemmende, trok hij hem met zich voort naar de kamer, waar zich Magdalena bevond. Daar snelde opeens ook zij hem tegemoet en met den onbedwongen uitroep: »Godlof, dat ik ook u zie; mijnheer!« stak zij met een warm en erkentelijk gevoel van vriendschap de rechterhand naar hem uit.

Een traan, uit eene krachtige, mannelijke ziel naar het oog geweld, als de tolk van een innig getroffen gevoel, is kostbaarder dan eene echte parel. Zulk eene parel blonk er eensklaps in het oog van Van der Laan, toen dat oog op Magdalena rustte; en voorzeker zulk een traan zou ook de eerste taal van Ripperda geweest zijn. Opeens laat Van der Laan nu Van Duivenvoorde’s handen los, en bijna te gelijker tijd die der vrouw aangrijpende, zegt hij op krachtigen maar toch treffend aandoenlijken toon: »Den Heiland zij lof en dank toegebracht! Dat is eene zaligheid, die u kracht geeft tot het dragen van zwaarder kruis!«

—»Hoe! wat spreekt uw mond? wat is de zin van uwe woorden?« vraagt Van Duivenvoorde schielijk en geroerd, terwijl hij, op zijne beurt, de hand van den burgemeester aangrijpt.

—»Groote God! versta ik u wel?« roept Magdalena, die, in weerwil harer vrouwelijke geestkracht, den plotselingen schok van hare ziel niet verbergen kan, »waart gij de stem, die zoo fluks mij toeriep: »»dat geluk zal niet van duur wezen?««

—»Neen, edele vrouw!« antwoordt Van der Laan op bedaard-plechtigen en toch gevoeligen toon tevens: »dat was de stem van den hemel, die in geluk en tegenspoed altijd gehoord wordt; mogelijk was het voorgevoel, maar hoe nietsbeteekenend is dat, waar het gegrond vermoeden spreekt.«

—»Gegrond vermoeden! o, dien zin versta ik,« zegt Van Duivenvoorde, »maar spreek, spreek! zie mij kloek om te hooren: ik huiver, ik beef niet meer, nu ik haar terug heb.«

—»Ja, spreek!« roept Magdalena, »hangt dat weerzien over een afgrond?—ik ben moedig. Laat den storm op mij los! zoolang heb ik hem weerstaan.«

—»Na, ik moet spreken,« herneemt Van der Laan, »hoe fel het mij grieft: maar ik weet, dat gij eene vrouw zijt vol moed. Ook u ken ik, mijn vriend! ik weet, dat smart u doorvlijmen zal; maar gij zult rustig blijven, hoe ook donkerder wolken zich boven u saampakken.«

—»Dat zij losbreken over mijn hoofd,« zegt Van Duivenvoorde, »boven die wolken woont de Vader van ons lot.«

—»Hoor mij aan,« zegt de burgemeester; »toen ons aller lot zoo bang was,—toen de ijzeren noodzakelijkheid ons met hare netten omspande, toen Haarlem moest vallen, heb ik niet opgehouden met bidden tot mijn Heiland. Gij weet het, hoe ik steeds gezocht heb, te waken voor het heil en het welzijn dezer stad:—dit is nog mijn eenig streven voor zooveel en zoolang ik kan, schoon de stad in de macht is van Spanje. Waar ik troost of raad geven kan; wat ik doen mag als man van eer en overeenkomstig mijn geweten, daar zal ik het doen; want het lot van Haarlem is het mijne. Mijn vriend.... bereid u voor op uwe gevangenneming; of zoo gij nog twijfelen mocht, gij, die aan het hoofd der gewapende burgerij stond, weet dan, dat reeds de schout en de onderschout, met mijn vroegeren ambtgenoot Stuiver naar de gevangenis zijn overgebracht; hopman Barendse, Pellikaen en de vaandrig Hasselaar zijn eveneens uit hunne huizen gelicht, en.... aan mijn zoon Gerrit is hetzelfde lot wedervaren. Moedig is hij gegaan, zonder tegenstreving, hoe pijnlijk het zijn wakker gemoed mocht vallen. Maar het moest; wie zich te weer stelt, dien wacht de dood gewis.«

—»Ook zij!—die allen!« zegt Van Duivenvoorde, »voorzeker, dan is er geen twijfel meer. Dan is ook Van Vliet reeds in de gevangenis; en geen wonder eilaas, dat hij dan nog den voet niet in mijn huis heeft gezet!«

—»Neen!« hervat Van der Laan, »men rept er van, dat uw neef Van Vliet de stad is ontweken, ofschoon dit bijna ondoenlijk is. Zeker is het nochtans, dat zijne vrouw en Henrica niet in hare woning zijn; men heeft die geheel doorzocht, maar niemand gevonden.»

Inderdaad was het aan burgemeester Van Vliet gelukt, uit Haarlem te vluchten. In het gewaad van den molenaarsknecht van zekeren Aalbrecht Klaasz, en door dezen bijgestaan, had hij het waakzaam oog der Spanjaarden weten te ontkomen. De wijze hoe, was echter niet bekend, doch ontwijfelbaar met geen gering gevaar vergezeld geweest.

—»Mij zal men niet te vergeefs zoeken,« zegt Van Duivenvoorde; »ook zal ik mijn rapier niet tegen de knechten van den beul keeren, want eene eerlijke kling zou geschandvlekt worden door het bloed van een henker. Maar mijne kinderen! o, mijn Vader—de strijd is zoo bang. Hen, die ik zoolang heb beschermd,—mijne Emma, mijn Arthur, mijn Adolf, die ik zoo liefheb. Magdalena! eerst hebben zij uwe zorg en uwe liefde moeten derven!—nu zullen zij hun vader missen. Eilaas! ik zie hen daar spelen; zie, ze zijn gelukkig—en die schijn van geluk doet mij te levendiger mijne smart gevoelen. Van der Laan, trouwe vriend! hoe gevoel ik de zwakheid van het menschelijk hart, als het sterk en kloek zijn wil: mijne borst wordt met dolksteken doorvlijmd, als ik in de toekomst doordring.«

—»Ik weet het, mijn vriend, ik weet het,« herneemt Van der Laan, in wiens oog andermaal een traan welt, »geen lot is grievender, dan dat van u beiden; want het is de neerzinking in den nacht na den opgang van de zon. De smart in mijne woning kan niet half zoo zwaar vallen; vandaar dan ook, dat ik naar uw huis ben gegaan om u voor te bereiden, om u te bemoedigen met hetgeen de vriendschap vermag.—Edele vrouw, zoo kloek en zoo vol moed, hef dus weer de oogen boven de starren, daar woont de groote Beschikker van ons lot; wat Hij doet, is welgedaan.«

—»Ja, Vader in den Hemel, Uw wil geschiede!« zegt Magdalena, op den vromen Christelijken toon der berusting, het eigendom van zoovelen, welke in die donkere dagen ten volle doordrongen waren van den echten geest des Evangelies, als een strijd in de waarachtige overtuiging der onafhankelijkheid van eene hoogere macht en genade. »Maar versterk mij, o Vader! want nu voel ik, dat ik zwak ben—zwakker dan ooit.«

Op dat oogenblik snelden de drie kinderen vroolijk en luidruchtig de zaal binnen; alleen de oudste groette kinderlijk eerbiedig den gewezen burgemeester, doch Arthur of Emma schenen hem ternauwernood op te merken; beiden hadden eenige bloempjes in de hand, waarmede zij dartelend op Magdalena toeliepen en haar deze aanboden onder den gelijktijdigen uitroep: »Lieve moeder, kijk eens, die zijn voor u.«

Het waren eenige leliën en St.-Janskruidjes, en het was een aandoenlijk gezicht, toen de kleine Emma, onder de woorden: »Moederlief! daar houdt gij immers zooveel van!« haar een klein ruikertje van het St.-Janskruid met een paar leliën op de borst wilde steken. Magdalena weerde haar niet af, maar opeens welden er eenige tranen met kracht uit de oogen en vloeiden op het ruikertje en de kleine handjes van Emma neder. Emma zag de tranen, zag vervolgens hare moeder strak in het aangezicht, en vroeg toen op onschuldigen toon: »Waarom schreit gij nu, moederlief?«

Een vurige kus met eene zachte omhelzing was het antwoord op deze vraag, en dat antwoord zeide zooveel. Of was dat St.-Janskruid niet de beteekenis van geluk? Waren die leliën niet het zinnebeeld van den terugkeer des geluks? O, er is geene taal, die aandoenlijker spreekt dan de taal der bloemen: in de eenzaamheid zijn de bloemen onze welsprekendste vriendinnen; in smart, lispelen zij, als God’s Engelen, ons zoeten troost toe. Maar zoo ooit, dan zeiden zij thans eindeloos veel: ja, het geluk was voor Magdalena teruggekeerd, maar de tranen, die op de zachte blaadjes neervallen, kondigden de verwoesting van dat geluk aan: er waren bloemen ontloken, maar het oogenblik dier ontluiking was het sein der verwelking.

—»En van die lievelingen zal ik afgescheurd worden!« zeide Van Duivenvoorde, terwijl hij Van der Laan’s hand nog vuriger, maar bevend in de zijne drukte. »Matthijszen, Vlasman, Schatter! hoe gelukkig zijt gij, dat ge zijt gevallen door het rapier. Heere! dat is te veel.«

En nu wendde hij het gelaat af, opdat de kinderen zijne tranen niet zouden zien. Maar Van der Laan zag, hoe hij te gelijker tijd de handen vouwde en de oogen ophief, als bad hij met weinige, maar vurige klanken om sterkte en berusting.

Vervolgens keerde hij zich weder bemoedigd tot Van der Laan en Magdalena, en terwijl hij een beteekenisvollen blik op de laatste sloeg, zeide hij zacht en vriendelijk tot den oudste der knapen:

—»Lieve Adolf! speel nog eene poos met Emma en Arthur in de tuin, maar geef uw vader eerst nog een kus.«

—»Hemel! dat is reeds de afscheidskus,« fluisterde Magdalena, toen zij zag, hoe Adolf’s lippen die van den vader aanraakten. Op Adolf’s mond scheen eene vraag te voorschijn te komen; doch hij uitte ze niet. Ook een kind gevoelt soms zoo diep. Beurtelings kuste Van Duivenvoorde Emma en Arthur eveneens, doch hij deed het op eene wijze, dat de kinderen er den bitteren groet des vaarwels niet in konden zien; want die groet was het. Van Duivenvoorde kon niet uitroepen: »Vaart-wel, lieve kinderen! mogelijk ziet gij op deze wereld uw vader niet weer.« Niet ongewoon, met liefde te gehoorzamen, begaven zich de kinderen werkelijk naar den tuin, en nauwelijks hadden zij de kamerdeur achter den rug of Van Duivenvoorde, Magdalena aan zijne borst drukkende, riep nokkend uit: »hard en zwaar was die strijd; maar hij is volstreden. Magdalena, wees kloek en vol moed.«

—»Dat wil, dat zal ik!« was haar antwoord. »Met moed zal ik den beker drinken, hoe bitter hij ook zij.«

—»Mijn trouwe luitenant!« sprak Van Duivenvoorde, »het smart mij, dat ik niet één woord kan spreken tot hem.«

—»Dat verlangen zal vervuld worden, mijn vriend!« zeide Van der Laan, »ook hij is reeds gevangengenomen.«

Dat was zoo; want het was de zeven en twintigste Juli en—Alva had op dien dag het beruchte plakkaat onderteekend, dat den een en twintigsten Augustus afgelezen werd, en waarbij aan Haarlem’s burgers vergiffenis verleend werd »behoudelijk en wel verstaande, dat in dese gratie niet begrepen sullen wesen seven en vijftig burgeren en inwoonderen der voorschrevene stad, die wij sullen doen uitkiesen en in gevangenis bewaren om te besien, hoe hen die van de voorschreven stad voordaan sullen regerenAmpzing en anderen vermelden hunne namen, en wij treffen de meeste hoplieden, vaandrigs en magistraatspersonen op die lijst aan. Achtereenvolgens werden de meesten—onder welke ook de onbekende—gevangengenomen; doch op denzelfden dag werden ook nog Jan Dirksz Schatter, benevens de secretaris Jan Aelbersz Raad en de schepen Pieter Bal uit hunne woningen gelicht. Die dag vooral was in vele huisgezinnen een dag van droefheid en wee;—want het leven van deze hing als aan een dunnen draad over een grafkuil.

—»Ook hij—mijn trouwe makker in lief en leed!« zeide Van Duivenvoorde, »ook hij in de gevangenis, misschien sterven? Maar wat vraag ik?« ging hij op eenigszins bitteren toon voort; »zijn niet allen des doods schuldig, die het rapier voerden tot verdediging en het heil van deze stad?«

—»Hun roem zal niet minder groot wezen dan hunne dapperheid was,« zeide Van der Laan met nadruk, »maar eeuwige schande en vloek over hen, die ook nu nog een graf delven voor hunne medeburgers. Maar ik oordeel niet; aan God zij het gericht!«

Eenige seconden behielden nu allen het stilzwijgen. Van Duivenvoorde brak dit het eerst af, en weder Magdalena’s hand grijpende, zeide hij op vasten toon: »de wraak zal mij dan van u afscheuren, mijne liefste; één woord dus: hebt gij moed om van mij te scheiden, eer het bange uur slaat? Geen Spanjaard moet u noch mij zien beven; geen enkelen traan moet hij aanschouwen om er met duivelsche vreugd over te lachen.«

—»De hemel weet het,« antwoordde zij kalm. »Hij schonk mij moed, zelfs tot het allervreeselijkste.«

—-»Nu dan, Magdalena! zoo ga ik hem onversaagd te gemoet. Kus mij, kus mij; val voor ’t laatst aan mijne borst; voel haar kloppen, gloeien van liefde en van smart; maar als de beul komt, scheur u dan van mij los; laat mij dan gaan; geene seconde dan meer.«

Geen antwoord volgde, maar vier armen omstrengelden zich op eenmaal vaster, inniger; twee paar oogen vermengden hunne gloeiende tranen; twee boezems klopten tegen elkander; maar twee paar lippen waren voor eene korte poos onbeweeglijk. Voor eene poos slechts; want Van Duivenvoorde ontsloot die lippen en zeide op zachten toon:

—»Magdalena! als gij het Onze Vader bidt, zult gij er dan ook mij in gedachtig zijn?«

—»Dat zal ik, en den Heer bidden, dat Hij u doe wederkeeren«

—»Zult gij met Arthur, met Emma, met Adolf iederen dag spreken over mij? hen kussen, terwijl gij mijn naam noemt, en mijn lot voor hen verhelen, zooals ik het uwe heb verheeld?«

—»Ja, en hen liefhebben en verzorgen, dubbel liefhebben, altoos.«

—»En als ik sterf.... niet bang en wanhopig klagen, totdat ook u het hart breekt en zij vaderloos zijn en moederloos?«

—»Sterven.... o spreek het niet uit dat woord! dan zou ook ik wenschen te sterven; maar neen! ik moet leven voor hen.«

—»Maar ik ga getroost, Magdalena! moedig, nu ik u kan toeroepen: »»vaarwel!«« nu de Heer mij verhoord heeft, nu ik u nog eens aan mijne borst druk. Gij zijt mijne dierbaarste! meer dan mijn leven bemin ik u.«

En diezelfde woorden lispelde ook zij; en toen hoorde Van der Laan, dat beider mond zachtkens een vaarwel sprak, als ware het oogenblik der scheiding reeds daar. Langzaam onttrok zich vervolgens Van Duivenvoorde aan de armen der geliefde, en toen weer de hand van den gewezen burgemeester grijpende, die de stomme maar diep geroerde getuige van dit tooneel was, zeide hij op plechtig-gevoeligen toon: »Ook van uw mond eene belofte, wakkere, edele vriend!—Zult gij doen, wat ge kunt, om Haarlem weer op te beuren uit zijn lot?—Beloof mij dat ernstig; want zoo de dood mij moet treffen, zou die dood minder zwaar wezen, wanneer ik hoop had, dat de stad mijner geboorte weer de stad van Oranje mocht zijn.«

—»Die belofte valt niet zwaar,« antwoordde Van der Laan, »voor hem, wiens ziel vol is van een gelijken wensch. Maar ik spreek haar uit; ik reik er u de hand op. Zóólang als ik nuttig zijn mag voor Haarlem, zoolang zal ik hier blijven en niet insluimeren; maar zoodra het gevaar mij dreigt, Spanje trouw te moeten zweren, dan ontvlied ik de stad, gelijk men vlucht voor den giftangel van eene slang; want trouw aan Oranje, trouw aan de vrijheid van het vaderland, dat zal mijne leus blijven tot aan den dood.«

Vast en warm drukten de beide edele mannen eene poos elkander de hand; en die handdruk scheen een plechtig en heilig verbond tot moed en trouw. Vervolgens liet Van Duivenvoorde zijne hand zachtkens los; want een voorgevoel zeide hem, dat de Spanjaard niet lang meer zou toeven. Kalm en gelaten verrichtte hij eenige kleine bezigheden, klom een paar malen op een stoel om door het hooge vensterraam een laatsten blik op zijne kinderen te werpen, en nu gereed, knelde hij voor het laatst zijne vrouw in de armen, toen zich een hard geklop aan de deur liet hooren.

—»Daar zijn zij!« sprak hij, »ik kom; ik ben gereed. Vaarwel, Magdalena! vaarwel: ik ga, met den blik op God.«

—»Vaarwel!« fluisterde ook zij; »vaarwel en, zoo het zijn moet, tot in den dood.«

—»Vaarwel, eeuwig wel!«

Twee paar armen omstrengelden elkander voor het laatst; evenals de takken van twee boomen. Maar een storm stak op,—hij ruischte door het geboomte en—de takken waren ontstrengeld om verdeeld, op zich zelven, den storm te weerstaan.

Voor het laatst voelde Van der Laan zijn handdruk; voor het laatst zag hij hem met die hand op Magdalena wijzen, en hij verstond deze taal. De deur werd voor Alva’s soldeniers ontsloten, en op krachtig fieren toon klonken hun de woorden te gemoet: »Dien gij zoekt.... hier is hij!«

Zoo biedt een ceder moedig het hoofd aan den orkaan. Een slachtoffer ging, een slachtoffer bleef; en God, zoo ondoorgrondbaar, maar toch altijd wijs en rechtvaardig, had gewild, dat beiden op den dag der wedervereeniging gescheiden werden—gescheiden tot aan de andere zijde van het graf.