Met verlies van drie hunner hadden de Spanjaarden daags daarna weder een vergeefschen uitval op de runderen gedaan; daarentegen had een landman, wien de vijand eene koe ontnomen had, de stoutheid om geheel alleen zich in den Hout te wagen en met een fraai Andalusiesch paard terug te keeren, dat hem ruimschoots zijn verlies vergoedde.
Maar de Woensdag van den zeven en twintigsten van Bloeimaand moest voor Haarlem een dag zijn, die veel roem bezoedelen—die met eene zwarte kool zou worden aangeschreven.
Het was een verrukkelijke lentedag. Men verplaatse zich voor een oogenblik op dien duintop, waar de weg buiten de Zijlpoort, langs de Brouwersvaart, heenvoert. Men beklimme den Witten blink, die zijn blank en luisterrijk hoofd reeds van de tijden der Caninefaten zoo statig verhief en wiens roem evenzeer door den God van Arcadië als de schoone Najaden bezongen werd.
Misschien, lezer, zaagt ge van die hoogte wel eens op Schoten, op Bloemendaal; op dien Aardenhout, of dat Zandvoort, dat uit de golven der trotsche Noordzee schijnt te duiken. Maar gij zaagt dat panorama nooit op zoo schoon een lentedag als op dien van den zeven en twintigsten Mei des jaars 1573.
Zie! In den vroegen ochtend werden de wolken met kleuren afgezet en smolten goud en purper schitterend ineen, terwijl de veldbloempjes aan den blink haar geurig morgenoffer toewademden. Maar de zon is reeds hooger aan het azuurgewelf. De dag schijnt nog schooner te worden. Het is, als wreekt zich de natuur over de verwoesting, welke de Spanjaard van rondom heeft aangericht; want het smaragdgroen van het veld en het purper, dat door de twijgen van het geboomte blinkt, vertoonde zich nooit zoo prachtig als thans; het is, alsof de vogelen nooit schooner zongen in de schaduwrijke takken, waaruit de donder van het geschut hen reeds zoo dikwijls verjoeg.
Maar in Haarlem? Het is, alsof dat reusachtig duingevaarte er breede, donkere slagschaduwen op werpt. Binnen die benarde muren ontdekt uw oog een contrast met de verwijderde omstreken. Dáár lispelt een frisch koeltje, hier woedt de orkaan,—dáár ruischt een beekje en slingert zich door eene vallei van bloemen,—hier schuimt en bruist een stroom, die den stevigsten dam doet bezwijken; dáár wordt eene zachte vonk in de ziel gelegd,—hier blaakt een vuurberg, en gloeiende lava wordt uit de randen en kloven geperst; dáár is het majestueuze stilte,—hier een huiveringwekkend rumoer.
In Haarlem slinken de korenhoopen tot schier te tellen korrels; weldra zal er geen kruimel broods meer zijn. De armen! hoe verheugd zijn ze, als de winter, die hun geen brood gaf, door de lente vervangen wordt; op die lente volgt de zomer, die de korenaren doet rijpen—die hun brood schenkt. Maar laat het daarginds lente en zomer zijn—in Haarlem bloeit geen enkel bloempje; in Haarlem golft de korenaar niet: een monster, de naderende honger, grijnst hen aan. Zie die woeste Walen! de plunderzucht vlamt in hun oog; reeds heffen zij oproerige kreten aan; eene wrijving, eene botsing en—de losbarsting zal vreeselijk zijn.
Nog grooter, nog scherper is de tegenstelling in de gevangenis, waar sinds bijna drie weken Quirijn Dirksz zich een akelig lot spelt. In die gevangenis schiet de Meizon geen enkelen straal; geen lommerrijk geboomte weeft er een groenen hemel boven zijn hoofd; geen tapijt van bloemen ligt er uitgespreid voor zijne voeten. En voor wien is de lente weldadiger dan voor den grijsaard; een jeugdige trek komt op zijn gelaat, als zij spruitjes en bladeren schept; waggelend strompelt hij naar buiten, om een nieuw leven in te drinken, en hij keert krachtig terug. Maar Quirijn Dirksz is door winter en nacht omringd; niets dan zwarte wolken pakken zich dichter en dichter boven zijn hoofd; hij hoort niets dan het geklots der baren, het loeien van den Novemberstorm; één schok slechts en—die storm, die golven doen hem vergaan!
Gescheiden van zijne dochter, doch met meester Lambrecht Jacobs van Roosveld in denzelfden kelder, hadden beiden van den dag hunner gevangenneming af zich meer dan eens in bittere klachten over hun toestand uitgelaten. Maar bij het telkens kariger wordend voedsel, dat zich natuurlijk ook tot hen uitstrekte, werden die klachten al bitterder, en wanneer Talesius’ ziel niet vol ware geweest van gloeienden godsdienstzin, dan zouden de sombere kerkermuren meer dan eens getuige zijn geweest van zijne verwenschingen.
—»Christus, mijn Heiland! moet ik hier gedoemd wezen, tot den hongerdood?« sprak Talesius, toen het reeds lang middag geweest was en men hun den ganschen dag nog geen voedsel gebracht had. »Is dat het loon voor mijn streven naar de reinheid Uwer Kerk? Is dat mijne vergelding, omdat ik de schoonheid van Uw huis heb bemind en de woonplaats van Uwe heerlijkheid?«
—»Het wordt mij zeer kwellend, dat onverpoosde reppen over de Kerk,« sprak Roosveld, »vraag veeleer, of er brood is.«
—»Als de stad geen brood meer heeft,« hernam Talesius, »dan rest er nog in mijn huis; maar zóó ver reikt de hand der bitterheid, dat men mijne vrouw niet toelaat, mij te voeden met wat het mijne is. En van waar anders dat haastig gebrek, dan door het getal soldeniers, die, in spijt der hardnekkigheid, toch zwichten moeten voor de macht van hunnen koning en heer?«
—»’t Is niet zwaar te gissen, dat het mijn en dijn weldra woorden zullen wezen zonder klank, zoo zij het al niet zijn,« sprak Roosveld. »De gang van uwe vrouw naar dezen kelder zou haar dood wezen, zoo zij althans mondkost bij zich had. Ik zie niets dan nog donkerder nacht voor ons te gemoet. Eéne zaak evenwel zou ons mogelijk nog tot profijt kunnen wezen.«
—»Hoe moet ik dat verstaan?« vroeg Talesius.
—»In dezen zin,« was het antwoord; »afwerping van ons geloof en overgang tot de leer van den man Luther....«
—»Booswicht!.... dat in eeuwigheid niet!« riep Talesius, en op ’s grijsaards gelaat kwam het donker vuur der verachting met een heiligen gloed van eerbied voor de leer zijner vaderen. »Wee den afvallige van het waarachtig en eenig geloof,« ging hij voort, »zoo gewis als Christus leeft, zoo zullen al dezulken vervloekt zijn.«
—»Zoo dacht ook ik er over,« zeide Roosveld, »in de dagen, toen wij Adriaansz, den factoor van Trouw moet Blijken, en andere ketters met pijnbank en strop konden straffen; ja, nog lange daarna liet ik mij bedotten door zulke gedachten. Maar ik heb ze wederroepen, omdat ze gelijk zijn aan een dorren rotsgrond; gij ziet nu in, wat leed zij ons hebben gebracht.«
—»Vloek en schande over hem, die aldus spreekt,« zeide Talesius.
—»Dien vloek en die schande zal ik wel torsen,« hernam Roosveld, »en ik zeg het luide: zoo men mij de vrijheid, op zulke conditiën geven wil, dan zweer ik de kerkleer van Rome, hoe onfeilbaar gij haar moogt noemen, gansch af.«
—»Christus, mijn Heiland!« riep Talesius, terwijl eene koortsachtige huivering door zijne ziel ging, »tref mij niet in deze ure met den toorn, dien Gij op hem werpen zult. Gij, wiens tempel ik steeds getracht heb zuiver te bewaren. Gij weet het, dat de felste pijn mij niet een woord zou doen herroepen van de zalige leer, die nooit vergaan zal,—dat ze mij geen steen zal doen afbreken van de Kerk, die sedert eeuwen vaststaat en waartegen geen geweld iets vermogen zal.«
In de hem omringende duisternis hief hij eerst de handen biddend naar boven, bracht vervolgens het zilveren kruisje, dat op zijne borst hing, aan de lippen, en zeide toen op half hoorbaren toon: »Jezus, mijn Heer! is dit heilig kruis niet het teeken Uwer Goddelijke berusting, van Uw bitteren doodstrijd en het wichtig offer, dat gij ons gebracht hebt? Geprezen zij Uw naam in alle eeuwigheid!«
Ja, dat heilig kruis is een zoo heerlijk, een zoo treffend zinnebeeld van lijden en zelfopoffering; het oefent zulk een heiligen invloed uit op den weedom der ziel en het waarschuwt zoo krachtig, zoo luide tegen de nietigheid onzer verlangens; maar het hart, waarop het al dien invloed doet gelden, moet godvruchtig, moet rein zijn als de dauw des hemels; het moet vol zijn van die godsvrucht, die even verdraagzaam is als de waarachtige wijsbegeerte; het moet vreemd zijn van het bijgeloof, dat slechts onverdraagzaamheid en dweepziekte teelt. En in de borst van Talesius blaakte steeds het vuur der onverdraagzaamheid met vernielenden gloed. Evenals door opborreling, door koking, het overvloeien der lava ontstaat, zoo werd zijn gloeiende ijver eene dweepende geestdrift, die als een ongebreideld paard voortrende, om ten laatste het bedrogen slachtoffer van zichzelven te worden.
—»Het moeit mij, dat ge van ’s Heeren kruis geen grooter geduld leert,« zeide Roosveld bitter. »Belijd het even ruiterlijk als ik; gij hebt er berouw van in uw gewisse, dat gij deze stad door kwade praktijk onder ’s konings macht hebt willen brengen. Nu wordt het u bang in ’t gemoed, en gij weet niet, waar gij ruste zult zoeken, omdat de rust niet te vinden is. Hoort ge dien storm niet, meester Dircksz? Hoort ge die donderslagen niet?«
—»Laat af met die onzinnige godslasterlijke taal,« zeide Talesius. »Bijster slecht kent gij mijn gemoed, zoo gij er berouw in waant over eene zaak, die mij enkel grieft omdat zij niet gelukt is. Kon ik de stad, waarvoor ik gedurig wakende was, nog in deze ure onder ’s konings macht brengen, ik zou het werk volvoeren. Berouw!.... ja, het rouwt mij fel, dat ik Haarlem niet uit de hand van den ketter gescheurd heb, toen mij nog de volle macht was. Het rouwt mij, dat Haarlem zijn waarachtig geloof en wettigen heer is afgevallen, dat het in de geschiedrol van den godsdienst voor eeuwig zal geschandvlekt staan.«
—»Gij zijt in droevige dwaling; gij misleidt u zelven,« sprak Roosveld. »Helaas! dat ik naar uwe vervloekte woorden ooit het oor heb geneigd. Ik ontwaak uit mijn slaap; ik ben wakker geworden om mijne schuld te erkennen; ik ben een verrader; maar tienvoud grooter verrader zijt gij. Uwe slechte praktijken en kwade zonden hebben mij in ’t verderf gesleurd.«
En in dien donkeren kerker trokken zich de handen van Roosveld krampachtig samen, evenals wilde hij zich wreken op de grijze kruin, die onder zijn bereik stond; maar die vuisten raakten zijn eigen hoofd aan, uit berouw over de dwaasheid, dat hij nog olie had laten uitstorten in de vlam van zijn eigen gemoed.
Onder die taal van schuldbesef, verbittering en onverzettelijkheid begon de dag ten avond te neigen. Buiten Haarlem’s wallen was die dag verrukkend schoon geweest, maar nog heerlijker die avond. De zon zou weldra haar afscheid nemen en het scheen, alsof door de achtbare stilte van rondom de aarde een dankoffer bracht aan het licht, dat haar den ganschen dag zoo weldadig beschenen had. Maar buiten die vest het leven in al zijne zachtheid! binnen Haarlem de dood in al zijne wreedheid. De tegenstelling was groot.
Verscheidene schepelingen, soldaten en burgers waren in den laatsten nacht en vroeger gevangengenomen. Ook was een doopsgezinde van Amsterdam, Jan Smit geheeten, den Spanjaard in handen gevallen; maar daar hij hardnekkig weigerde, tegen de Haarlemmers als roeier te dienen, was hij naar het Huis Ter Kleef gezonden. De avond begon te naderen; de slangstukken, die zich twintigmaal hadden laten hooren, zwegen. Maar op eens vertoont zich daar voor het oog der belegerden een ontzettend schouwspel. Eenige schreden achter de eerste vijandelijke batterij, buiten de Kruispoort, ziet men eene vervaarlijke galg: eene korte poos later hangen er verscheidene der ongelukkige gevangenen aan, sommigen bij het hoofd, anderen aan de voeten, terwijl het gegil der overigen, die geboeid op den achtergrond staan, duidelijk te kennen geeft, dat hun binnen weinige seconden een zelfde lot wacht. Een oogenblik, maar ook slechts een oogenblik staren zij, die zich op den wal en de halvemaan bevinden, deze strafoefening aan, en plotselijk, als moest aller afschuw zich te gelijker tijd lucht geven, laten zich uit één mond de kreten hooren: »wraak wraak!«
—»De dood aan de verraders,« schreeuwt en tiert men, snelt naar de gevangenis, opent met geweld den hoofdingang, en dondert vervolgens op de deuren der kelders en kamers. Op den tweeden der maand was er door de Zijlpoort een vijftienjarige knaap met acht pond buskruit binnengekomen, voorgevende, door de Leidsche regeering gezonden te zijn. Eenige dagen later bekende hij evenwel, dat verraad zijn doel was geweest, zoodat hij tot geeseling en brandmerk werd veroordeeld. Thans echter zou zijn lot erger zijn. Ook bevond zich in ’t gevangenhuis nog een monnik, de vrouw van een Waalschen soldaat, benevens vijf soldaten die men in den Hout of in den voorlaatsten nacht gevangen had genomen; behalve deze, Talesius met zijne dochter Marritje, Roosveld en Van Groeneven, welke laatste tot geeseling en verbanning veroordeeld was. In een vrij goed vertrek, waar vroeger eenige oude wapenrustingen hadden gelegen, bevond zich ook nog Venavides, voortdurend onzeker van zijn lot, daar Frederik geweigerd had, hem tegen Magdalena van Duivenvoorde in te wisselen.
Aan al die gevangenen werd nu de dood gezworen, om den Spanjaard geene wreedheid schuldig te blijven.
Welk een toestand voor Talesius en Roosveld, op de deur van wier gevangenis het meeste geweld werd gedaan. Reeds van ver hadden zij den storm hooren naderen, en nu vernamen zij dat ijzingwekkend geschreeuw van: »dood! wraak!« op weinige schreden, in de gang van het gevangenhuis, van nabij.
—»Dat geldt mij!« sprak Roosveld, »’t volk schreeuwt om brood, en in ons vleesch zullen zij de tanden slaan.«
—»Christus, mijn Heiland! sta mij bij!« bad Talesius, luid en wanhopig, »gij hebt Petrus uit de gevangenis geleid; red ook mij, die voor de zuiverheid waakte van uwe Kerk.«
—»Vloek over uwen kop, dat ik uwe snoodheid deelachtig ben geweest,« sprak Roosveld; en in een oogenblik van verbittering hem met de hand bij de borst grijpende, riep hij op schrillen toon: »booze verrader! gij zult het volk toeschreeuwen, dat gij verleid en in dit leed hebt gebracht!«
—»Heilige moeder Gods, behoed mij!« riep Talesius, terwijl een dreunende slag de deur deed kraken, en de planken ten halve uit de naven wrong.
—»Hier zit de moorder van Adriaansz!« klonk het, »’t is nu ook een tijd van justitie!«
—»De strop voor de verraders!« schreeuwden anderen, en een nieuwe slag op de deur deed eene der planken wijken, waardoor men nu de woestelingen zien kon. Maar van hen zag Talesius niets. Ginds uit den linkerhoek verscheen voor hem een vreeswekkende wraakengel; deze hield eene met bloed bevlekte rol in de hand, en met bloedige, vurige letters las Talesius op die rol de namen van zoovelen, die hij, door zijn onverdraagzamen godsdienstijver, door zijn hardnekkig karakter in leed had gestort. Maar in donkerrooden gloed las hij den naam van Hendrik Adriaansz, en aan het benedengedeelte der rol vonkelde het woord: »verrader van Haarlem.«
—»Christus! ga niet met mij in ’t gericht!« sprak Talesius, terwijl de ingang tot zijne gevangenis wordt verbrijzeld en het volk naar binnen dringt.
—»Naar den wal met de verraders!« klinkt het; te gelijker tijd grijpen eenige ruwe gespierde vuisten Talesius en Roosveld aan, en alle wederstand zou vruchteloos geweest zijn. Maar Roosveld opent den mond en wil eene laatste poging aanwenden, om zijn leven te redden.
—»Gij vordert mijn dood,« zegt hij, »en ik heb hem verdiend, maar van alle kwaads, dat ik deed, is Quirijn Dircksz de schuld; hij heeft mij bedrogen; ik zweer een geloof af, dat hij tot een geloof van den booze maakte. Mannen van Haarlem! voert mij niet in den dood!«
—»’t Euvel, dat gij gebrouwd hebt, komt op uw kop,« schreeuwt men hem echter toe, »loos profijt zou ’t ons wezen, als ge de kap om den tuin hingt. Ge zijt een verrader als hij.«
—»Zoo waar als God leeft, ben ik vrij van verraad; Quirijn Dircksz draagt al de schuld.«
—»Als ik verraad dreef, dan heeft hij er deel aan,« zegt deze, »maar ik streefde naar niets dan naar de vrijheid en den welstand der stad. Mannen van Haarlem! ’t zal u bang wezen in den oordeelsdag, als gij de hand aan mijn grijs hoofd slaat.«
—»Dat niet; maar wij zullen de hand aan uw nek slaan,« sprak de brouwersknecht Heinsz, met een woesten oogopslag, »voort, naar den wal; de strik is gereed.«
Onder het onophoudelijk getier van menschen, in wier borst de Spaansche wreedheid op eens een helsch vuur heeft ontstoken, drijft men de twee rampzaligen voort. Doch nauwelijks is men, de Zijlstraat uit, op de markt gekomen, waar reeds Van Groeneven en de andere gevangenen gebracht zijn, of daar grijpt een tooneel plaats, zoo roerend en vol schrik, dat geen schilder het in één tafereel zou kunnen schetsen, zonder een deel van den groep te doen verloren gaan. Nauwelijks heeft Talesiu’s vrouw het opzet der burgers vernomen, of als eene krankzinnige ijlt zij naar de markt, waar de bagijn Ursula, hare dochter, reeds voor de menigte op de knieën is gevallen en om genade bidt. Onder smartgejammer dringt zij door den hoop heen en omvat hare dochter; maar op datzelfde oogenblik verschijnen Talesius en Roosveld, en krampachtig klemmen moeder en dochter zich aan den sidderenden grijsaard vast.
—»Doodt mij, maar niet hem,« riep zij wanhopig, »Moorders! laat af; beef voor de wrake Gods! Quirinus, klem u aan mij—ik laat u niet van mij losscheuren. Weg!—eerloos is het, te moorden tegen hem, op wien men overmacht heeft. Groote God! sta mij bij.«
Maar hare radelooze woorden worden overschreeuwd.
—»Laat af!« klinkt het echter op eens met nadruk. »Laat af, mannen van Haarlem!« Te gelijker tijd verschijnt burgemeester Van der Laan onder den onstuimigen hoop, terwijl Van Vliet, schout Van Dordt en anderen van de magistraat zich bij en nevens hem bevinden. Eene wijl staren de meest verbitterden den man aan, dien zij zooveel liefde en eerbied toedragen; een oogenblik verstomt het getier op hunne lippen, en van dat oogenblik maakt Van der Laan gebruik.
—»Dappere verdedigers!« spreekt hij, »maakt u niet schuldig aan moord, of, zoo waar als God leeft, voor altijd verliest gij uw roem. Dat zou een te gruwelijk en onvergeeflijk stuk wezen. Bedenkt het! bloedstorting buiten gerecht of oorlog zal zwaar te verantwoorden zijn.«
Eene lange rede ware even dwaas als vruchteloos geweest; want reeds waren er ettelijken onder den hoop, die bij zijne laatste woorden uitroepen: »Hun bloed kome op onzen kop! wij zullen ’t boeten—niet gij.«
—»In eeuwigheid zal het niet te verantwoorden wezen, noch door u, noch door mij,« herneemt Van der Laan. »Wee, die de hand uitstrekt tot moord!«
Nauwelijks heeft Van der Laan dit gezegd, of eenigen willen aflaten; doch tegelijk springt iemand met een rapier in de eene en een musket in de andere hand, op hem aan: in zijne oogen brandt een donker vuur; de aderen van aangezicht en voorhoofd zijn als blauwe koorden opgezwollen en iedere gelaatstrek drukt verbittering en wraakzucht in den hoogsten graad uit. Zoo iemand, dan staafde hij het gezegde, dat een achtbaar gelaat des booswichts wrevel opwekt.
—»Wat kalt gij van moord?« schreeuwde hij. »’k Zal verdoemd wezen, als aan die schavuiten geen recht wordt gedaan. Naar de vest en zie de wreedheid van den Spanjaard. Tsa, mannen, wie gereed is, toeve niet! oog om oog, tand om tand.«
—»Heere Christus! genade,« roept Talesius’ vrouw, »heilige moeder Gods, ontferm u zijner. Moorders! laffe moorders! wat heeft hij gedaan? Zoo gij uw honger wilt boeten, slaat dan de tanden in mijn vleesch. Zijn dood zal eeuwig branden op uwe ziel.«
—»Mijn vader!« roept Ursula, »om den wil der heilige maagd, wees moedig en sterk in het eenig geloof aan onzen Heere Jezus! Streef naar den dood, zoo als gij geleefd hebt—hou en trouw aan de leer, die tot zaligheid voert.«
—»Snoer den mond, kloosterheks,« schreeuwen een paar der hevigst verbitterden de vrome non toe, wier boezem onder den weerstand tegen de woestelingen reeds ten halve ontbloot is en de zichtbare sporen draagt van den kamp, om zich vast te klemmen aan haren vader.
—»De dood aan ’t verradersgebroed!« klinkt het op den hoek van de Smedestraat, die men inslaat, om door de Kruisstraat de Kruispoort te bereiken.
—»De strop aan de moorders van mijn vader!« roept een der zonen van Hendrik Adriaansz, den factoor der Rederijkkamer, vroeger op eene zoo onvergeeflijke wijze door Talesius, Roosveld en Van Groeneven ter dood gebracht. Nauwelijks hebben de mannen en vrouwen, die als eene aanstortende zee volgen, de akelig bleeke gestalte van dien zoon aanschouwd, of van links en rechts en uit het midden des volks groeit het geschreeuw aan, evenals de zee nog in woede toeneemt, wanneer de storm uit eene andere streek op haar aangiert,—en luid klinkt het nu van alle kanten: »de dood aan de moorders van Adriaansz.«
Geene genade, Talesius! de koord wacht u! De glans der zon, die zoo heerlijk de schepping heeft beschenen, verguldt reeds den toren van St.-Bavo’skerk. Maar uwe naar den hemel gerichte blikken zien in de met goud omboorde wolkjes niets dan opeengehoopte dampen, als de rampspoeden van eene ten onder gebrachte stad. In dat zacht geruisch van den avondwind hoort gij niets dan het schor gehuil van den storm. Dit oogenblik is verschrikkelijk! Van alle kanten niets dan bittere verwijtingen wegens vroegere handelingen van geloofshaat, wegens dwang gevolgd door pogingen tot verraad in verband met den Spanjaard. Geen zweem meer van de vroegere eerbiedige vrees, die hij als rechter in de schepenbank inboezemde, of wanneer hij als burgemeester met achtbaarheid en nadruk zijne bevelen gaf. Geen mededoogen met eene vrouw, die aan hem vastgeklemd, de lucht met hare wanhoopsklachten vervult:—niets dan hoon en ruwe bespotting tegen de maagdelijke Ursula, die hem door tranen en gebeden smeekt, de martelkroon te dragen voor Rome’s geloof, en die zich aan zijn hals laat voortsleuren. En wie nadert daar, om in Talesius’ vollen beker nog een droppel alsem te storten? Het is Hasselaar; ook in zijn oog ziet men bitterheid. De vaandrig dringt zich door de menigte, nadert hem en ziet hem wrevelmoedig aan.
—»Meester Quirijn Dircksz!« roept hij hem toe, en Talesius wendt het verwrongen aangezicht naar den jongeling, »meester Dircksz! nu is ’t een andere tijd dan toen ge mijn vader te dooden zocht door naschrijving aan den schout van Kampen. Heugt u die booze rank nog, waarvan gij geene vrucht hebt geoogst? ’t Is nu óók een tijd van justitie.«
Dat was geene logen. Talesius had Dirk Hasselaar, den vader, wegens diens godsdienstige begrippen van het leven willen berooven: doch de schout van Kampen was edelmoedig genoeg, hem te waarschuwen, en Dirk Hasselaar sneuvelde vervolgens onder graaf Lodewijk in den slag van Jemmingen, waar hij door een Spaansch ruiter doorstoken werd. Maar de edelmoedigheid van den schout van Kampen wischte de daad van Talesius niet uit. De herinnering welde op in het gemoed van den zoon en—het bittere verwijt was geuit. Doch wij vergeven het den jongen held, omdat hij er te gelijker tijd berouw over gevoelde en omdat in lateren leeftijd de gulhartige bekentenis van dat berouw meer dan eens over zijne lippen kwam.
—»Hasselaar! dat was laag,« zegt hij in zich zelven, »Quirijn Dircksz moet gered worden. Naar Ripperda. Naar den wal Hasselaar! Dáár is uwe plaats.«
IJlings verlaat hij den dollen hoop; een edeler vuur dan ooit brandt in zijn oogen en, als voortgezweept, snelt hij met het musket naar den wal.
—»Kenau Simonsz!« roept hij zijne moei toe, terwijl hij naar zijn adem hijgt. »Waar is Ripperda? de woestaards gaan voort! Zij hebben den oudburgemeester en al de gevangenen uit de kelders gehaald; de strop wacht hun. Er is geen band of orde meer.«
—»Hoe!« roept Kenau, »is Ripperda er dan niet? En gaat niemand hen te keer?«
—»Zij dreigen zelfs burgemeester Van der Laan en Stuiver met den dood; de storm zal niet te stillen zijn.«
—»Ripperda is gewond!« roept Maria van der Laan, die op dit oogenblik insgelijks naar Kenau toesnelt, »het volk neigt naar niemand het oor.«
—»Ripperda gewond? Dan gaat Kenau Simonsz hen te keer,« roept zij met vuur, »misschien heeft het schuim van volk nog ontzag voor eene vrouw. Brechta Proosten! neem mijne plaats in op de vest.« En met haar rapier in de hand, wil zij den wal verlaten, terwijl het vuur van moed, dat in hare oogen schittert, nog verlevendigd wordt door de vlam der verontwaardiging.
—»Om Godswil, waag u niet!« roepen Henrica van Vliet en Geertruida van Brederode als uit een mond. »De vrouw van Quirijn Dircksz en Ursula worden bij de haren rondgesleept; ’t volk is verblind door de wraak!«
—»Als het schip ten gronde dreigt te gaan, moet het roer te vaster worden omklemd,« roept Kenau. »Naar mij zullen de woestelingen hooren. Al moest ik sterven—ik ga hen te keer.«
Niets is in staat, de fiere aanvoerster terug te houden, nu zij weet, dat Ripperda gewond is en dat het gemeen ongebreideld voortholt. Maar te midden van het getier, dat van de Smedestraat wordt overgevoerd, naderen eenige mannen van het gele vendel de vest, en deelen in haast mede, dat Ripperda midden onder den dollen hoop is, en dat het hem gelukken zal, hen tot bedaren te brengen.
—»Goddank!« roept nu Hasselaar tot zijne moei. »Blijf dus op den wal! Wel heeft Brederode het bevel, maar Ripperda verlaat zich ook op u.«
—»Op dan, vrouwen van Haarlem!« roept Kenau, »waken ook wij voor de vest!«
Nauwelijks had Hasselaar de woedende menigte verlaten of de verbittering schijnt zich nog meer lucht te geven.
—»Waar is de Spanjaard?« klonk het, »al heeft hij riddertuig om den hals, hij moet aan den strop.«
Opeens ontstaat er grootere beweging onder den hoop, evenals weinige droppels water het vloeiende, opborrelende metaal met geweld uit den smeltketel doen springen. De menigte bevindt zich op dat oogenblik vlak voor het huis van den hopman der galei—van Gerrit de Jong, in de Smeestraat.
—»Daar is de Spanjool!« laat zich uit sommiger mond hooren.
—»Naar de vest met den don!« is de weerklank op dit geroep. Doch men heeft zich bedrogen.
—»Ripperda!« fluistert de een. »Ripperda!« roept een ander, en binnen een paar seconden hoort men de stem van Haarlem’s bevelhebber zelven. »Ja, daar is Ripperda!«
Velen had het reeds bevreemd, dat hij niet eerder was gekomen. Doch al spoedig sloeg die bevreemding tot de hoogste bewondering over, toen men hoorde, dat hij gewond was. Teruggekeerd van den noodlottigen uitval in den voorlaatsten nacht, gevoelde hij des morgens hevige pijn in den rechterschouder. Eerst toen liet hij zich aan de bekomene kwetsuur gelegen liggen, bij de gedachte, dat de kogel in het vleesch was blijven zitten. Zonder er een woord over te spreken, had hij zich, na op Brederode het bevel te hebben overgedragen, persoonlijk naar meester Florisz begeven en dezen ernstig doen beloven er aan niemand van te zullen reppen. Het niet rond, maar scherphoekig lood werd uit de wonde gehaald; en in weerwil der hevige pijn, in weerwil zelfs van een aanval van koorts, bezocht Ripperda de wallen en onderhield zich als altijd met de verdedigers. Maar op het oogenblik, toen de burgers in de kelders waren gedrongen, toen Boreel, hopman Gerrit van der Laan en Cornelis Mattheusz Schatter naar zijn huis snelden,.... toen werd aan Ripperda, onder eene hevige koorts, het verband gelegd. Toen kon het gebeurde niet meer geheim blijven. Nauwelijks hoort hij, wat er plaats grijpt, of snel rukt hij zich uit de hand van meester Florisz los, doet zijne wapenrusting aan en ijlt met drift uit zijn huis.
—»Ja, daar is Ripperda!« roept hij, en dringt met al zijne geestkracht in het midden van den dichten hoop.
—»Houdt op, mannen van Haarlem; staat Ripperda te woord,« zegt hij, »eischt gij recht? Wilt gij wraak? Wendt u dan tot mij.«
—»Wraak—niets dan wraak; dat is recht,« roepen er een paar tegelijk, »en wreken zullen wij ons door den strop.«
—»Maar wat wilt gij met die gevangenen?« vraagt hij ernstig doch bedaard.
—»Dat zijn de schelmen, door wie wij onze wraak op den Spaanschen beul zullen koelen.«
—»Dat zult gij niet, zoolang mijn gezag geldt,« zegt Ripperda met nadruk, »of zoo een booswicht met eene toorts uw huis in vlam zette, zoudt gij u dan wreken op de toorts? Wie mannen van eer zijn, staan Ripperda te woord.«
—»Dat ben ik—dat zijn wij!« laten verscheidene stemmen tegelijk hooren.
—»En wie van u beloofde mij gehoorzaamheid, toen ik in den Doele tot de burgers van Haarlem sprak?« laat hij er ijlings op volgen. Doch slechts twee stemmen gaven het antwoord: »Wij!«
—»En die belofte zoudt ge nu met den voet trappen, door laag geweld?« spreekt hij; »voor altijd uw roem en eer verliezen, die door heel Holland weerklinkt? Bedenkt, dat met de eer alles verloren is. Kent uw plicht, mannen van Haarlem! Gehoorzaamheid aan Ripperda, die borg voor u staat bij den prins!«
—»Voor Ripperda willen wij in den dood!« roept men, »maar wraak op deze schelmen; ’t zijn de verraders van onze stad.«
—»Dan zullen zij gestraft worden naar wet en recht!« herneemt de bevelhebber, »maar slaat de hand niet als moordenaars aan hen; want dat zweer ik bij God en den prins—streng zal hij gestraft worden, die zijn rapier tot een moordstaal misbruikt!«
—»Het is geen moord; het is bloed voor bloed!« roept er een, »daarom dragen wij het rapier.«
—»Vervloekt is het rapier, dat zich tegen wet en gezag keert,« zegt Ripperda, »schande en verderf voor Haarlem, als men zóó het recht met den voet zou verschoppen. De wreedheid van den vijand geeft u geen recht, om uwe wraak te koelen op gevangenen, die in de macht der justitie zijn, en over wie de wet uitspraak zal doen.«
Ripperda’s laatste woorden bleven niet zonder indruk, en Talesius hiervan gebruik makende, zeide luide tot hem:
—»Zoo waar als Christus leeft, zult gij Hem mijn dood verantwoorden. Al wat ik deed, was tot Haarlems welzijn; er kleeft geene schuld op mijn ziel.«
—»Nog eens, mannen van Haarlem! laat de hand van hen af!« zeide Ripperda krachtig. »Eischt eene andere, maar edele wraak; dan zal Ripperda u rugsteunen en in den dood voor u gaan.«
Voor een oogenblik schijnt de storm te bedaren; want van mond tot mond verspreidt zich nu ook, dat de bevelhebber gevaarlijk gewond is en dat hij dit verzwegen heeft om in de harten der burgers geen enkel vonkje van hun moed uit te blusschen. Maar nauwelijks hoort Heinsz het gemompel, om naar de gevangenis terug te gaan, of hij roept op dof dreigenden toon:
—»Weg met Ripperda, die verraders in vrijheid stelt!« Tegelijk nadert hij den Fries met een dier stoute gebaren, welke bij een oproer zoo geducht zijn en hem grimmig aanziende, schreeuwt hij donderend:
—»Naar de galg met het gespuis! verdoemd, wie ’t weerstreeft!«
—»Ik weerstreef het, laffe moorder, die recht en plicht schendt!« roept Ripperda, en ziende, dat een paar anderen Heinsz willen ondersteunen, laat hij er met al den nadruk van zijn bevelhebbersrang op volgen: »Op voor Ripperda! grijpt den rebel!«
Zijn broeder Asinga en Horenmaker willen zich op die woorden van Heinsz meester maken; doch deze als een aangeschoten wilde stier op den Fries aanspringende, onder den uitroep »hel en dood!« wil hem een slag met zijn musket toebrengen. Maar nu schiet opeens al het overwicht van den bevelhebber, al de moed van den ongeschokten held met vuurstralen uit Ripperda’s oogen. Nu is hij niet enkel de warme vaderlander, die in den Doele ’s volks zin voor vrijheid te meer deed ontbranden; nu is hij niet enkel de dappere verdediger, die in den storm op de wallen den vijand afsloeg; nu is hij ook de koene bevelhebber, die den storm van het oproer te keer gaat,—die weet, dat er oogenblikken zijn, waarin willekeur en geweld door volkomene schrikinboezeming alleen kunnen beteugeld worden,—dat daar, waar balsem niet baat, het mes van den wondheeler soms heilzaam is.
—»Sterve, wie mij aanrandt!« zegt hij, en terwijl hij den woesteling met de eene hand het zware musket ontrukt, brengt de andere hand met het platte van het rapier hem een zoo forschen slag op het hoofd toe, dat Heinsz een kreet van gramschap en pijn uitstoot en bedwelmd op den grond stort.
—»Dat is doodslag aan de burgers van Haarlem!« roepen twee anderen, grijpen Ripperda bij den arm en willen hem zijn wapen ontwringen. Tot nog toe had de Fries rustig op zijne plaats gestaan; maar nu men hem zijne kling wil ontnemen, springt hij eene schrede voorwaarts, werpt met een schok één der bespringers voor zijne voeten, doet den anderen, door een breeden houw op den arm, insgelijks neervallen en laat, dreigend, aan de overigen het zwaard in de oogen blinken.
—»Terug tot orde en plicht!« roept hij, met een vuur van verontwaardiging en edelen toorn op het gelaat, »toont u weer de brave burgers en helden van Haarlem, die slechts den vijand te keer gaan—geen laffe moorders. Gehoorzaamheid aan Ripperda, of vreest zijne straf!«
En nu dalen een paar armen, die zich tegen hem willen opheffen, neder; een paar gebalde vuisten ontsluiten zich; want de edele gramschap van den dapperen Fries boezemt hun ontzag in. Nu eens zien zij den geduchten Heinsz aan, die als levenloos op den grond ligt, terwijl de tweede aanrander, als eene half vertrapte slang voor Ripperda’s voeten kruipt; dan weder staren zij op den bevelhebber, die geen voet terugdeinst, maar rustig en onversaagd elken aanval schijnt af te wachten, en van sommigen laat zich de uitroep hooren: »Terug naar de gevangenis met de verraders! Gehoorzaamheid aan Ripperda!«
—»Wraak op den Spanjaard, niet op dezen!« laten anderen hooren; en werkelijk gaan nu de meesten naar de gevangenis terug. Zulk een krachtdadig te keer gaan van oproer en schennis hadden zij niet verwacht: Ripperda’s beleid en ridderlijke onverschrokkenheid, misschien de vrees voor eene gelijke straf, schijnen hen ontwapend te hebben; de woede schijnt te bedaren; het is, alsof men terug wil keeren tot gehoorzaamheid en plicht, en met de woorden: »hij heeft recht!« gaan de meesten weder langzaam naar de gevangenis.
Maar hetgeen wij daar schetsten, was niet ongelijk aan eene aardbeving. Opeens toch opende zich de grond; men voelde schokken, die van angst deden sidderen; de onderaardsche kolk spuwde vlam en rook; de zon werd verdonkerd; dof geraas klonk; vernieling dreigde in ’t rond. Een oogenblik daarna—de schokken verflauwden; de vlammen namen af, men zag geene rookwolken meer; er heerscht een oogenblik rust.... Maar het is de rust van den dood. Opeens dreunt het meer dan ooit; nieuwe kolken openen zich; de gansche omtrek staat in gloed; de reeds losgewrikte steenen worden geheel van hunne voetstukken gerukt, en zij, voor wie reeds de hoop begon te lichten, zijn plotseling bedolven in een graf van puin.
De meesten, niet allen keerden terug; want zoo gloeiend was de verbittering over de wreedheid van den Spanjaard, dat sommigen nog aarzelen, in weerwil van Ripperda’s koene handelwijze, dat sommigen nog woorden van geweld en oproer doen hooren. Dat ziet de bevelhebber van de stad, en—hij begrijpt, dat het smeulend vuur nog niet gebluscht is.
—»Wat schuilt gij nog te hoop, mannen?« zegt hij op ronden toon, waarvan de gramschap geweken is. »Of zou het te verantwoorden zijn voor God en den prins, wanneer gij de handvesten en wetten der stad aldus had geschonden? Streng zou de straffe geweest zijn, en weg ware uw roem, die nu door heel het vaderland weerklinkt. Op, mannen van Haarlem! naar de vest; denkt aan den storm op den wal, aan den uitval in het Bosch! Op, voor Ripperda! voor de vrijheid en ’t vaderland!«
En in nog menig wraakzuchtig brandend oog neemt de gloed af; nog vele oproerige rimpels verdwijnen; en aan sommiger mond ontsnapt de uitroep: »Voor Ripperda! Ripperda heeft gelijk! Hun dood zou ons geen profijt, maar wel nadeel doen! Naar de vest!«
Op het oogenblik echter, dat velen op het punt zijn naar de vest terug te keeren, verneemt men, op het einde van de kleine Krocht afkomende, een onstuimig geraas en geschreeuw. Eenige Walen, die reeds den ganschen dag uit hoofde eener te geringe toedeeling van spijs en drank, oproerige woorden hebben doen hooren, naderen den dichten hoop en schreeuwen: »Verraad, verraad! men heeft ons aan den Spanjaard verkocht.«
—»Weg met het Spaansch gebroed!« laten anderen hooren: »aan de galg met de verraders!«
—»Leest, mannen, leest!« roept een lange, holoogige Waal, met vermagerde trekken en wilde, over het aangezicht slingerende haren. »Leest dat geschrift. Stompwijk is zoo flus tot den vijand overgegaan.«
Dat was waarheid. Stompwijk, het rumoer en den opstand ziende, begreep maar al te zeer, dat het dringend tijd was, zich voor de woede van het volk uit de voeten te maken, daar het, bij den dood van Talesius en Roosveld, niet onbekend zou blijven, hoe hij medeplichtig was aan het ontworpen plan. Maar alvorens hij naar het Spaansche leger overliep, moest hij zich nog wreken op hen, die hij wegens vroegere gebeurtenissen haatte, en die hij reeds gedeeltelijk bij de Haarlemmers verdacht had gemaakt. In der haast schreef hij op een blad papier dat ook anderen, die hunne straf misschien ontgaan zouden, aan het verraad schuldig waren, en wel bepaaldelijk: de predikant van de gasthuiskerk; Jasper; Reijer Roothoofd—gewezen oud-pastoor van Spaarnwoude—en doctor Elsen. Het geschrift, met de namen van dit viertal gaf hij aan een Waal, wel wetende, dat deze niet lezen kon, en met den last, om het aan zijne woning te brengen. De Waal echter argwaan opvattende, liet het geschrift aan zijne makkers lezen, waardoor het binnen weinige oogenblikken verspreid en alle twijfeling aan de verraderlijke handelwijze van Stompwijk geweken was.
Maar op eens schuilden er nu ook in de oogen van het volk vele verraders in de stad, en Talesius en Roosveld waren er de hoofden van. Deze wilden stad en burgerij in handen van den Spanjaard brengen en hen even barbaarsch doen sterven als de ongelukkigen, die daar aan de galg hingen. Het geschrift gaat van hand tot hand, en van velen hoort men den gelijktijdigen uitroep:
—»Wij zijn omringd van verraad! Naar de galg! naar de galg!«
—»In de gevangenis met Elsen en zijne schavuiten!« roept de een.
—»Naar Roothoofd!« roept een ander, »hun huis onder den voet!«
—»Eerst executie aan deze! De belhamels het eerst!«—schreeuwen mannen en vrouwen, terwijl een woest gedruisch de lucht vervult. Men keert weer naar de Smeestraat terug; op nieuw sleurt men de gevangenen, die zich reeds gered waanden, voort.
—»Heilige moeder Gods! wees mij nabij!« roept de vrouw van Talesius, en weer slingert zij zich om den hals van haren ongelukkigen man, terwijl zij met haar oog Ripperda en den onzichtbaren draad zoekt, waaraan hare hoop en wanhoop over een afgrond hangen.
—»Weg met Ripperda; hun bloed kome op onzen kop!« tieren de verbolgensten, toen Ripperda, met zijn rapier in de vuist, zich als een dam voor het volk plaatst.
—»Moordt dan eerst Ripperda, eer ge plicht en eer schendt!« roept de koene Fries. »Zoolang ik kan, ga ik geweld en moord te keer.«
Ontzagwekkend klinkt zijne stem; maar het oproer versmoort ze. Evenals op zee de eene luchtstroom den anderen doet ontstaan—de eene golf de andere in beweging brengt, zoo stuwt de een den anderen met steeds klimmenden aandrang voort. En toch schijnt de aanpersende stroom den dam, die door een enkelen is opgeworpen, niet zoo aanstonds te kunnen doorbreken. Tweemaal heft Ripperda, als een muur pal staande, zijne kling op, en tweemaal valt een der razenden voor zijne voeten. Maar op eens hoort men uit den mond van Asinga en Horenmaker, die zich naast hem hebben gedrongen, een uitroep van schrik. Eene doodsche bleekheid komt op het gelaat van den aanvoerder van het gele vendel; het verband op zijne wonde is losgesprongen; het bloed vloeit van tusschen zijne kleeding over den pols en de vuist, die het zwaard omklemt.
—»Terug, mijn broeder! om Godswil, terug!« roept Asinga; en te gelijker tijd slaat ook Horenmaker de beide armen om zijn heer heen. Nog wil Ripperda zich losrukken om de muiters te keeren en onwrikbaar vast te staan. Maar de wrevel op zijn aangezicht wordt donkerder, en het bloed uit zijn arm vloeit sterker. Asinga ziet, dat het volk, door al de drift van den hartstocht verhit, zijn leven niet ontzien zal, en met hulp van Horenmaker en eenige mannen van het gele vendel, ontrukken zij den Fries aan den aandrang des gewelds.
—»Weg met Ripperda, hij is geen burger van de stad!« schreeuwen sommigen.
—»Aan den strop met de verraders! Voort naar de vest!« tiert men. En nu den dam hen niet meer tegenhoudt, stuift het vergramde volk onder een afgrijselijk geschreeuw voorwaarts. Vergeefs, dat burgemeester Van der Laan, Stuiver, Kies en Van Vliet nog eene laatste krachtige poging aanwenden; vergeefs dat zij, met gevaar van hun leven, de verbitterden willen bedaren; elk hunner woorden schijnt nog eene heviger vlaag van woede te zullen doen uitbarsten.
—»Waar zijn de mannen van ’t gele vendel? Op voor Ripperda!« roept deze, »nu of nooit!«
En hoe verzwakt door bloedverlies wegens het losgesprongen verband, flikkert de moed meer dan ooit uit zijne oogen en kleurt zijn wangen weer met een licht rood.
—»Nu of nooit!« herhaalt hij. »Asinga, Van Duivenvoorde! Op met de mannen van ’t gele vendel! Met de kling het geweld te keer!«
—»Met lijf en ziel!« zegt de Fransche edelman Bordet; want Van Duivenvoorde gaat met den Eenoog het volk te keer, dat zich nu ook van Venavides wil meester maken. »Voor onze eer en voor Haarlem! De wapenen tegen ’t geweld!«
—»Bij God en den prins!« zegt Ripperda. »Liever wil ik sterven dan Haarlem’s roem zien vertrapt. Voort, Asinga; verzamel eenigen van ’t gele vendel, en ga naar den wal; die zullen mij hou en trouw zijn tot in den dood!«
Te gelijker tijd snelt hij zelf met Horenmaker, Bordet en anderen de Moerinnesteeg in. Opeens toch verspreidde het gerucht zich, dat men Talesius en Roosveld bij de St.-Janspoort om het leven zou brengen, terwijl voor de overige ongelukkigen de galg ter hoogte van de Kruispoort stond opgericht. Op dat oogenblik echter ijlen Van der Laan, Stuiver en Van Vliet op Ripperda toe.
—»Om ’s Hemels wil, mijn heere Ripperda!« zegt de eerste op ernstigen, dringenden toon, »ga hen niet met de wapenen te keer, of de ramp zal nog deerlijker wezen. Al de Walen zijn het eens met hen; het zal bloedstorting zijn zonder end.«
—»Ik vrees hen niet,« antwoordt Ripperda, »ik ben de bevelhebber der stad, in naam van den prins.«
—»Ook ik vrees den dood niet, voor Haarlem’s heil,« hervat Van der Laan. »Maar een gevecht van burgers tegen burgers zal heel de stad in vuur en vlam zetten, en toch zal men aan het gruwelijk stuk de hand leggen.«
—»Gij moogt niet gaan,« zegt Van Vliet, »ik smeek het u af. Gij zijt te noodig voor Haarlem, dan dat doodslag uw deel wezen zou.«
—»Gij deedt meer dan gij kondt,« spreekt Stuiver, »de menigte is verblind door wraak, en ziet niet, in wat borst zij ’t rapier stoot. Laat die wraak uitwoeden; te grooter zal het berouw zijn!«
Met warmte drukt Van der Laan hem de hand, en allen smeeken hem zoo vriendschappelijk, dat hij oogenblikkelijk het verband mocht laten vernieuwen, totdat Ripperda eindelijk toegeeft en met dit doel een der nabij gelegene huizen binnentreedt. Ondertusschen is de opschudding algemeen; schot op schot wordt gehoord, vermengd met gevloek en getier. Eenige Walen hebben strooien beelden gemaakt van nonnen en priesters; in het gezicht van den Spanjaard slaan en doorsteken zij die beelden onder weergalmend geschreeuw van wraak. De Spanjaarden steken hunne stormhoeden op staken, en in het leger gaat een hoonend geschater op, wanneer de Walen hunne musketten op die stormhoeden afschieten, denkende, dat het vijanden zijn. De lucht weergalmt van het spoorloos geraas; en het gespuis dreigt ieder met den dood, die het verhinderen wil, met de wraakuitoefening voort te gaan.
Nauwelijks is een nieuw verband op Ripperda’s wonde gelegd, of Asinga snelt met een twintigtal soldaten van het gele vendel uit de Cicilia-steeg hem tegemoet.
—»De wraak moet uitwoeden,« zegt hij tot zijn broeder. »Al de Walen zijn tot weerstand gereed.«
—»Die ellendigen!« roept Ripperda. »Verwenscht zij het uur, waarop de Waalsche soldeniers in deze vest kwamen. Ware ik liever gestorven, dan had ik deze dag van schennis niet aanschouwd! Maar,« roept hij opeens met dubbele geestdrift en moed, »meer dan ooit de wallen bewaakt! Stompwijk is naar den vijand overgegaan: meer dan ooit gewaakt voor de verdediging der stad!«
—»Al de posten zijn Goddank bezet!« spreekt Asinga.
—»Maar ik wil er mij persoonlijk van overtuigen en met eigene oogen zien, of in dit hachelijk oogenblik geene maatregelen tot verdediging verzuimd worden. Voort, naar de wallen! onze laatste ademtocht zij aan Haarlem’s behoud gewijd!«
Ondertusschen laat zich op den duur schot op schot hooren. Dat geknal, schoon reeds sedert bijna zes maanden van dag tot dag herhaald, heeft thans iets akeligs. Niet zonder reden; het bolwerk bij de Janspoort tot aan de Kruispoort leverde een huiveringwekkend tooneel op. Reeds waren de vijf soldaten benevens de Waalin en de knaap opgehangen; doch ijselijker werd het schouwspel, toen men de hand sloeg aan mannen, die nog kort geleden tot Haarlem’s achtbaren magistraat hadden behoord, die aanzienlijke en gewichtige ambten bekleed hadden en wegens rang en stand in de maatschappij zoover verheven waren boven degenen, die hen thans onder schimp en hoon, het leven benamen.
Tot het laatst toe zwijgend op het gevloek van ’t volk, dat hij verraderlijk het rapier tegen zijne stad had gevoerd, was Van Groeneven reeds de eeuwigheid ingegaan. Hetzelfde lot wacht nu Roosveld en Talesius.
Wel rijst bij den laatsten telkens de twijfel in de ziel op, of hij in het oog der menschen niet zwaar heeft misdaan; wel roept hij de vervlogene jaren en de jongste dagen terug; wel ziet hij de bleeke schimmen van Adriaansz en anderen, de rol waarop in bloedige letters het woord: »verrader van Haarlem,« vlamt. Maar telkens ook schijnt dit alles zich weer in damp op te lossen; hij merkt het slechts aan als het spel eener angstige verbeelding bij het naderen van een onwaardigen dood. Neen! geene schuld kleeft op zijne ziel; er kan geene schuld op kleven. Zijn godsdienst is te heilig, te vlekkeloos, om tot misdrijf te voeren; die godsdienst heeft hij altijd warm, vurig vereerd, beschermd, gehandhaafd in al zijn verheven zin, in al zijne reinheid. Adriaansz was een snoodaard, die Christus lasterde en de heilige waarachtige leer schond. Dirk Hasselaar, en zooveel anderen waren ketters en verguizers van den tempel Gods. Filips van Spanje was zijn heer; en streefde deze niet naar de glorie, om Gode behagelijk te zijn? Versmaadde die niet een standbeeld op de aarde voor eene plaats in den Hemel? Strafte die het lichaam niet, om de ziel te redden?—Kon hij dus meer, om naar de inspraak van zijn gemoed te handelen, dan door de poging om het verdwaalde Haarlem weer onder het gezag van zijn koning en heer te brengen, die de rots, de steunpilaar van Rome was?—»Neen! er kleeft geene schuld op mijne ziel,« sprak hij dan; »wat ik deed, was tot eer van den godsdienst, tot welzijn dezer stad.«
—»Snoer den mond, verrader!« schreeuwde men hem toe, »wij ruiken uwe trekken; gij hadt allen wel op de palei willen brengen, die niet bogen voor ’t crucifix. Maar ’t is uit met uwe booze ranken; ’t is nu óók een tijd van justitie.«
—»Genade, mannen broeders!« bad Roosveld, »wat ik deed, was in weerspraak met mijn gemoed; Quirijn Dircksz’ woorden hebben mij geblinddoekt; hebt medelijden met mij, en ik zal u dingen zeggen van wichtig profijt.«
—»Hij wil biechten,« riep een der woestelingen met een kouden, spottenden lach, »welnu, de monnik is nog niet opgeknoopt; die zal wel absolutie geven voor een zevenstuiversstuk.«
Een ruw gelach op deze woorden scheen te getuigen van sommiger bijval over deze bespotting. Maar dat hoongelach was in scherpe tegenstelling met de smart en de wanhoop van Talesius’ vrouw: met geweld had men haar van hem afgerukt, doch zij hield niet op met de vruchtelooze pogingen, om zich opnieuw aan hem vast te klemmen.
—»Christus, mijn Heer!« kermde zij, »voorkom dezen gruwel.—Snoode moorders! laat af met dit bloedgericht: laat mij los, laat mij los.—Hij strekt mij de hand toe—voor het laatst. Moeder Gods! laat mij die hand nog eens omklemmen! Quirinus! uwe ziel is vrij van schuld.... Christus! doe ook mij sterven: voor mij is geen leven meer....«
Onverpoosd zijn hare inspanningen om zich los te wringen; zij is aan eene half verbrijzelde boot gelijk, die tusschen ruwe ijsschotsen geklemd, door het geweld van den stroom nu eens eene kleinere dan eene grootere speling krijgt, doch altijd tusschen de ijsklompen gekneld blijft, om ten laatste geheel te worden verbrijzeld.
—»Al lang genoeg gewacht! zij hebben ’t biechten toch niet in den zin,« klinkt het nu. »De dood aan de moorders van Adriaansz! de dood aan de verraders!«—
—»Spaart mijn leven, mannen broeders!« smeekt Roosveld nog eenmaal; »al mijn have en goed zal het uwe wezen; ik zal de religie van Rome afzweren, en mijn mond zal u vernoemen, wie de verraders der stad zijn.«
—»Wat baat ons uw have of goed, als wij van gebrek zullen vergaan?« schreeuwt men hem toe.
—»Gij zult er de eer niet van hebben, als een ketter in den dood te gaan,« roepen anderen.
—»En uwe snoode makkers kennen wij al,« laat er een hooren, die den strop in de vuist houdt, »morgen hangen zij naast u, of wij bewaren hen tot mondkost als de honger ons drijft.«
Onder deze laatste woorden, die met het stormachtig geschreeuw der overigen vergezeld gaan, wordt de doodelijke strik om Roosveld’s hals geslingerd en sleurt men hem de ladder op, den spot drijvende met de smeekingen en beloften, door doodsangst uit zijn gemoed geperst.
Talesius intusschen slaat andermaal een blik op de menigte rondom de galg en op de walgangen. Zijn dood is dan onherroepelijk besloten: dat leest hij op de aangezichten van het gespuis: dat hoort hij in het weergalmend geschreeuw; dat ziet hij aan de slachtoffers, reeds opgesleurd naar het moordhout.—Reeds nadert er een met den strop in de vuist, en op dat oogenblik stoot zijne wanhopige vrouw een zoo luiden gil uit, dat zijne ziel er door verscheurd wordt.—Ook de van hem afgerukte Ursula ziet het beslissend oogenblik dáár, en ofschoon zij zich den weg tot haren grijzen vader niet meer banen kan, roept zij met eene, als door hooger geestdrift bezielde stem: »mijn vader! streef moedig naar den dood voor Christus! de Hemel is geopend en de Heiland zit aan Gods rechterhand. Vader, ik zal uwe uitvaart vieren: ik zal bidden voor uwe onschuldige ziel.«
—»Al de vigilies en zielmissen zullen hem niet uit de hel houden,« schreeuwt haar iemand toe; »Quirijn Dircksz is een verrader en al de verraders gaan in het eeuwige vuur.«
—»De strop! de dood!« klinkt het wild; doch nog vóór dat de koord om ’s grijsaards hals wordt geworpen, opent deze voor het laatst den mond en spreekt luide: »Dat zeg ik u, voor Gods troon! Ik sterf gerust in mijn plicht en in een geloof, dat waarachtig is: gij moogt beven, boosdoeners; want in den Hemel zal er streng gericht over u zijn. Ik zal u dagen voor Christus’ rechterstoel.«....
—»Sterve de moorder van Adriaansz! de verrader, van de stad!« klinkt het nu onstuimiger; de oogen branden; twee ruwe vuisten vatten hem aan; op eens wordt de grijsaard aan het schandhout geslingerd, en nog eens en voor het laatst hoort men den uitroep van zijne lippen: »Christus! ontvang mijne schuldvrije ziel!«
Nauwelijks hangt de ongelukkige, of de zielssmart zijner vrouw slaat tot wanhoop, tot razernij over. Terwijl Ursula eensklaps onder de galg, met weedom de oogen naar den hemel heft en snikkende bidt, dat zij evenzoo zalig mocht sterven als haar vader, rukt de moeder zich uit het volk los; met al de kracht der krankzinnigheid slaat zij de handen in hun aangezicht, rijt en scheurt zich de kleederen aan flarden en geeft hare smart, in zinnelooze woorden van verwijt en verbittering, lucht. Nu vreest, nu siddert zij niet meer; zij is verblind van wanhoop. Maar de menigte hoort in hare woorden niet den razenden weedom eener vrouw; zij hoort er slechts klanken in, die te meer verbitteren en de wraak aanblazen.
—»De dood aan al het gebroed!« galmt het wild; en als komt bij allen eensklaps een zelfde besluit op, grijpen een tiental woestaards de moeder en Ursula met duivelsche wreedheid aan.
—»Gesmoord dat gespuis!« schreeuwt de eene.
—»Zij zijn dol!« tiert een schippersgezel. »Hun de voeten gespoeld!«
Nu sleurt men de twee rampzaligen, die de lucht van haar gegil doen weergalmen, van den walgang naar de aangrenzende Bakenessergracht, waarover toen, langs de vest, en dus rechtuit, eene brug liep, ter hoogte waar thans het wed in de Jansstraat begint, en niemand is er, die het opzet weerstreeft. Ook zou iedere poging daartoe vruchteloos zijn geweest. Menschen, in een geringen stand van de maatschappij geboren en opgevoed, hebben naar vulkanen gelijkende hartstochten, wanneer hun band verbroken wordt. Dan toch is iedere vonk van edelmoedigheid uitgebluscht, ieder zaadje van vergevensgezindheid verstikt, dan vorderen zij altijd eene bloedige wraak.
Nauwelijks is men, ter hoogte van het tegenwoordige wed, aan de Bakenessergracht gekomen, of moeder en dochter worden door de woedendsten aangegrepen en in het water geworpen. Geene woorden van vertwijfeling, geen verscheurend gegil, geen radeloos handenwringen kan de menigte van deze dubbelen moord terughouden. Onder schimpend getier, hoon en godslasterlijk gevloek worden de ongelukkigen versmoord en—binnen weinige seconden is een huisgezin vernietigd, waartegen de haat des volks reeds zoolang heeft gesmeuld.
En na dit alles heeft nog de storm niet uitgewoed. Stompwijk heeft nieuwe slachtoffers aangewezen, en de verbittering slaat zelfs geloof aan de woorden van een booswicht, wanneer zij er voedsel voor hare vlam in vindt. De predikant van de Gasthuiskerk, doctor Elsen, Jasper en Reijer Roothoofd zijn dan ook verraders; men vraagt niet naar bewijzen; het woord verrader is genoeg, om naar hunne huizen te snellen en hen, zoo al niet te dooden, dan toch gevangen te nemen. Wet en orde zijn toch eenmaal aangerand en verscheurd; wat zal de dolzinnigen verder terughouden in hunne vaart?
Toen de menigte voor de woning van hopman De Jong, in de Smeestraat, verder voorttrok, heerschte er in en bij het raadhuis niet weinig gewoel. Men zocht ook den Spanjaard Venavides in handen te krijgen.
—»Waar is de Spaansche hond?« schreeuwt men elkander toe; »als de schelm ’t ontgaan is, steken wij het raadhuis in brand.«
—»’t Is een dag van executie!« roepen anderen, »zuiveren wij de stad van al ’t gebroed.«
—»Toomt uw moedwil en wrevel op dezen Spanjaard,« zegt Van Duivenvoorde, die geen middel onbeproefd laat om het volk met al de zachtheid van zijn karakter tot bedaren te brengen. »Hij is zijne gevangenis niet ontgaan, maar er is borg voor zijne veiligheid gesteld.«
—»Dat raakt ons niet,« roept men. »’t Is een Spanjaard, die onze broeders vermoordt; ’t is een vijand van de stad, wij vorderen zijn lijf en zijn leven....«
—»Bij den rechtvaardigen God,« herneemt Van Duivenvoorde, »hoort één woord uit mijn mond: de dood van dezen vijand zou gansch Haarlem in dieper leed storten. Eed- en woordbreuk jegens hem zal het doodsein wezen voor allen, die in ’s vijands macht zijn....«
—»Die don kan onze broeders niet redden,« roept men, »toch vinden allen den dood door den strop: van zijn leven hebben wij geen profijt.«
—»Naar de galg met den Spanjool!« hoort men, en van de liefde en toegenegenheid, welken men Van Duivenvoorde steeds toedroeg, schijnt geen zweem meer te bestaan. Men schijnt er niet aan te denken, hoe in het leger des vijands—zooals men toen nog meende—zijne vrouw nog altijd tusschen leven en dood zweeft, en al had Van Duivenvoorde hun dit thans willen herinneren, dan nog zou het misschien even vruchteloos zijn geweest.
—»Beukt op de deuren en sloten!« tiert men, de zware musketkolven dreigend omhoog zwaaiende, en in verschillende richtingen door elkander rennende, »al de hoeken doorzocht! geen pardon voor den Spanjaard.«
Met aangezichten, waarop een donker vuur gloeit, stormt nu een zestal den steenen trap op, die naar het vertrek van Venavides leidt; doch nog hebben zij slechts weinige schreden gedaan of zij zien zich door een man in hunne vaart gestuit. Onverschrokken snelt hij op hen aan, en toch is het geduchte slagzwaard, dat hij in de manhafte vuist geklemd houdt, niet opgeheven. Men verbeelde zich een leeuw, die door zes tijgers dreigt besprongen te worden en die hij met al zijne meerderheid als koning der dieren, te gemoet treedt, niet om zelf den aanval te doen, maar om het oogenblik af te wachten, dat zich die vijanden brullend op hem werpen; dan eerst zal hij hun zijne klauwen doen gevoelen.
—»Wien zoekt gij—wat wilt gij?« vraagt hij op beslisten toon.
—»Den don!« antwoordt een hunner, »hier moeten wij wezen; hier is de verblijfplaats van den schelm!«
—»Daar hebt gij hem!« herneemt hij, »wilt gij ook hem den dood der schande doen sterven?«
—»Gij zijt het niet, dien wij zoeken,« is het antwoord, en luide ontsnapt, met eene soort van verbazing, de uitroep aan hun mond: »Gij zijt de Eenoog, u zoeken wij niet. Den Spanjool!«
—»Gij zoekt den moord,« spreekt de onbekende; want niemand anders dan deze was het, »maar ik ben het, die borg bleef voor zijn leven, en dat leven zal ik beschermen ten koste van het mijne.«
Iets dergelijks hadden de wraakzuchtigen niet verwacht. Twee hunner hadden in den storm van Louwmaand en in den gedenkwaardigen uitval van Lentemaand aan zijne zijde gevochten. Zij waren getuigen geweest van zijne onnavolgbare dapperheid; en ofschoon zij in dit oogenblik van verbittering zijn gevreesden arm niet duchtten, werden zij toch aangegrepen door een gevoel van heimelijk ontzag, dat zich met den eerbied paarde, dien men hem reeds toedroeg in de eerste dagen van het beleg. Wie was hij, die op de meesten een zoo zonderbaren invloed uitoefende? Het was geene liefde, geene genegenheid, zooals men anders voor Van der Laan en Duivenvoorde gevoelde; het was geen schuldige eerbied, zooals men Ripperda toedroeg, het was een meer gedwongene eerbied, maar toch een zoodanige, die vermogen scheen uit te oefenen, waar de liefde voor Van der Laan en het ontzag voor Ripperda het doel misten. Desniettemin was thans de zucht om de wreedheid van den Spanjaard te vergelden, zoo hevig, dat twee hunner in weerwil van zijne woorden zich gereed maakten om door te dringen, uitroepende: »Wij eischen den don, niet uw leven.«
—»Zoo waar als ik leef,« hernam nu de onbekende, zonder nog het tweesnijdend zwaard op te heffen, »zoo gij u den weg naar zijn verblijf anders dan over mijn lijk baant! Met dit rapier verdedig ik zijn leven tot mijn laatsten droppel bloeds. Sterven kan ik, maar mijn woord van eer breken nooit. Kiest! ik ben Venavides of ik ben de Eenoog.«
—»Uw dood geeft ons geen baat,« zegt nu een hunner.
—»Hij spreekt recht,« liet een ander hooren, »dat woord van borg moet ongeschonden blijven.«
—»Dat dan de don in de hel brande, zonder dat wij hem den dood aandoen,« zeide een derde; en, als vereenigden zich allen met dezen wensch, zoo klonk het nu uit hun mond: »van hier, mannen! naar de Schachelstraat!«
Inderdaad was nu in een oogenblik het raadhuis verlaten, hetzij dan uit eerbied voor den vreemde, hetzij uit vrees voor diens geduchte kling, en nauwelijks had de menigte zich verwijderd, of het raadhuis werd door eenige manschappen bezet, ten einde eene tweede aanranding desnoods met gewapende macht te wederstaan.
In de woning van doctor Elsen had dan ook al spoedig eene aandoenlijke gebeurtenis plaats. Nauwelijks had Boreel vernomen, hoe Stompwijk zijn overgang naar den vijand nog misdadiger had gemaakt door zijne wraakgierige poging om anderen in leed te dompelen, of zijn besluit om den ongelukkigen doctor te redden, was genomen. Op eens stond de grijsaard, diens folterende vrees, zijne Anna hem levendig voor den geest, en al zou hij den vader slechts met verlies van zijn eigen leven hebben kunnen redden, dan zou hij geene minuut geaarzeld hebben. IJlings had hij zich naar de Schachelstraat begeven, en in Anna’s huis. Daar stond hij dan weder, waar hij sinds zooveel weken den voet niet gezet had; daar zag hij dan weder haar.... Maar al die beelden van herinnering waren thans vluchtig, of liever, zij werden door de donkere stormwolk, die reeds naderde, verdrongen, en met eene ernstige, doch zachte stem riep hij uit: »Anna! het geldt uw vader! ik kom u tot hulpe zijn.«
—»Symon!« riep het meisje, zenuwachtig de armen aan hem vastslaande, »heilige Maria! wat zal het mij zijn...?«
—»Bedaar, Anna! ik wil uw redder wezen. Waar is uw vader?«
—»O God! hij ligt daar.... benauwd door schrik over het rumoer.... Hij schijnt van ’t leven beroofd.«
—»Hij moet voort uit dit huis, geen tijd valt te spillen,« sprak Boreel, en met weinige woorden deelde hij haar mede, wat er plaats greep, en wat de gevolgen zouden kunnen zijn.
—»Groote God! dat zal zijn dood wezen,« riep Anna, de handen wringende en beurtelings een smeekenden blik naar omhoog en op den geliefde werpende; »Symon! dat zal de deerlijke vervulling wezen van uwe vroegere voorspelling....«
—»Geen vertraag, Anna! beveiligen wij uw vader voor het gespuis; hij moet uit deze woning worden gebracht....«
Dit zeggende, trad Boreel naar het vertrek, waar de doctor, door de dienstmaagd en twee geburen bijgestaan in een bewusteloozen toestand verkeerde, terwijl het zweet op zijn voorhoofd parelde, en er tusschen zijn gelaat en dat van een doode geen onderscheid zichtbaar was.
—»Uit dit huis moet hij onvertraagd!« sprak Boreel en met al het vuur van zijn edel gemoed, met al den spoed, waartoe het gevaar drong, trachtte hij de vrouw van den schrijnwerker, die aan de linkerzijde van des doctors huis woonde, te bewegen, den vader eene schuilplaats te verleenen, totdat de woede der menigte zou bedaard zijn. Maar, als verschrikt, sprong deze eene halve schrede terug en terwijl zij het teeken des kruises maakte, riep zij uit: »De Heere beware mij voor zoo een gevaar! de rabauwen zouden hem vinden en mij doodslaan.«
—»Heilige moeder Gods!« riep de andere, »streeft het volk naar dit huis, dan moet ik van hier, of geldt het ook mij?«
Zonder naar de verdere woorden van Boreel te luisteren, vloden beiden met angstige gebaren uit het vertrek naar het voorhuis; het was, als dreef een booze geest haar plotseling uit de woning, waar zij nog een oogenblik te voren eenige deelneming betoond hadden, als niet vermoedende, dat dit met gevaar vergezeld was.
—»Rampzaligen!« sprak Boreel, »maar wees moedig! Anna! ik blijf bij u.«
—»Mijn vader!« kermde Anna, »ik heb het voorzien, in wat ramp gij zult storten. Het zal uw leven gelden; ik hoor reeds het getier. Symon! wat wilt gij doen tegen dit geweld?«
Met korte woorden deelde Boreel haar een plotseling genomen besluit mede, waarvan de uitvoering nabij was; want reeds hoorde men duidelijk het geschreeuw der menigte: »naar de Schachelstraat!—daar woont ook een Spanjool!«—en weldra rinkinkten de geweerkolven vlak voor de woning van den doctor.
Boreel had zich naar het voorhuis begeven, en in Anna’s ziel was eensklaps een plan tot rijpheid gekomen, voor welks uitvoering hare gloeiende ouderliefde de waarborg was. Wie haar ooit verweten had, dat haar gemoed te teeder, te lafhartig was om zich onder Kenau’s vendel te scharen, die zou gelogenstraft worden. Aan de angstige dienstmaagd bevolen hebbende, zich naar het bovengedeelte van het huis te begeven, had zij een rapier ter hand genomen, en naast haren bewusteloozen vader geknield, deed zij, met de oogen ten hemel, deze gelofte: »Heilige maagd Maria, dat zweer ik plechtig, dat ik zijn leven verdedigen zal, tegen wie het aanrandt, dat men hem niet dooden zal dan ten koste van mijn bloed.«
Nauwelijks was deze gelofte gedaan, of zij hoorde een zwaren slag met den klopper op de deur toebrengen, maar ook te gelijker tijd den doffen uitroep: »Niet gewacht tot men opendoet!—beukt de deur stuk!«
Reeds maakten een paar handen zich gereed om al de zwaarte der musketkolven op de deur te doen nederkomen, toen Boreel, deze hevige aanranding niet afwachtende, eensklaps de deur opende en op mannelijken doch tevens kalmen toon de vraag deed: »Mannen van Haarlem! wat is uw wil?«
Verwonderd, hem te zien, die hen zoo menigmaal op de vest of bij eenigen uitval had aangevoerd, wierp de eene een donkeren blik op den anderen, doch als lazen zij wederkeerig op elkanders aangezichten reeds het antwoord, eer het uitgesproken was, riepen een paar tegelijk: »Den ouden schelm moeten wij hebben, die heult met den Spanjaard.«
—»Zijn oude nek moet aan den strop gelooven,« schreeuwde een ander, in wiens holle blikken een donker wraakvuur brandde, »wie zijt gij, die voor den verrader in de bres springt—Spanjaard of Geus?«
—»Vraag den vijand, wie ik ben,« sprak Boreel; »het zal hem nog wel heugen, dat ik een geuzenrapier voer,« en dit zeggende, sloeg hij met de hand op het gevest van zijn degen, zonder het wapen nog uit de scheede te halen.
—»De schelm Stompwijk droeg ook een geuzenrapier,« liet dezelfde stem hooren, »wij zijn omringd van verraad. Aan ’t licht met den Spaanschgezinde, of wij vallen in huis.«
—»Een blijk, dat de meester van dit huis verraad heeft gepleegd,« sprak Boreel, »en bij den prins en Ripperda! ik stel hem zonder vertraag in uwe hand.«
—»Hier!« schreeuwden verscheidenen tegelijk, en woest en driftig zwaaide een hunner het geschrift van Stompwijk boven zijn hoofd.
—»Wie is zoo deerlijk geblinddoekt, dat hij een verraderswoord gelooft?« sprak Boreel met nadruk en waardigheid. »Bij de zaligheid mijner ziel zweer ik, dat de booswicht van enkel haat brandt tegen dezen man.«
—»’t Is gelogen!« riep er een, »wij kennen de schobbejakken wel, die ons aan duc D’Alf verkoopen.«
—»Neen! hij heeft recht,« riep een ander, »kwalijk betrouwd, die op euvels bouwt.«
—»Hier met den grijskop!« riep een kloekgebouwde schipper, en terwijl hij onder een vloek, met zijne musketkolf op den grond sloeg, scheen hij op het punt, de deur binnen te stormen.
Dit geluid trof ook het oor van Anna, toen zij daarbinnen de heilige maagd vurig en met eene van ouderliefde gloeiende ziel, om uitkomst smeekte; doch tevens herhaalden hare lippen de heilige belofte en terwijl zij het rapier vaster in de maagdelijke hand klemde, scheen zij eene cherub, die Gods altaar voor iedere bezoedeling bewaakte.
Veel heeft de man van moed en geestkracht gewonnen, wanneer te midden van opstand zich slechts ééne stem vóór hem verheft; en alles hangt er slechts van af, die stem tot zijn nut aan te wenden. Boreel had gehoord, hoe een enkele hem bijviel; op het gelaat van anderen hetzelfde bespeurende, en ongaarne tot den stap van geweld overgaande, riep hij nu op krachtigen toon: »Wie is er, mannen van Haarlem! die een verrader vertrouwt?«
—»Hij heeft recht,« lieten eenigen hooren.
—»In de gevangenis met hem; daar moet hij zich zuiveren,« sprak er een, en te gelijker tijd stemden de meesten met hem in.
—»Welnu,« sprak Boreel, »erge krankte heeft meester Elsen aangegrepen; maar dat zweer ik op mijne eer en bij Ripperda, dat heden of morgen aan uw eisch zal voldaan worden,—en ’t zal hem niet zwaar vallen, van zich af te werpen, wat hem een verrader heeft aangedicht.«
In den aanvang aarzelden sommigen der meest verbitterden om zich deze belofte te laten welgevallen; anderen, die ’s krijgsmans woord van eer meer op prijs wisten te stellen, hielden er zich mede tevreden; en onder een dof gemompel van den eenen, en luid gevloek van den anderen kant, verlieten de oproerlingen weldra de woning, waar moed en beleid verbittering en wraakgevoel hadden afgekeerd.
Op den hoek van den Anegang en de Warmoesstraat liet zich nu het rumoer hooren; doch de woning van doctor Elsen was verlaten; en met den uitroep: »Geen gevaar meer, Anna!« snelde Boreel naar het binnenvertrek terug, om beiden zijne hulp te betoonen.
—»Godlof!«—stamelde het meisje, terwijl zij gloeiende van dankbaarheid, hem met beide armen omstrengelde. »Godlof, Symon! en hoe zal ik u genoeg danken?—Dat was een bange stond;—maar gij hebt mijn vader gered.—Heb dank, heilige maagd! mijn gebed is verhoord.«
—»Ik had een heviger storm gevreesd,« sprak Boreel; en hij, die zooeven moedig eene menigte losbandigen tegenging, voelde zich thans van aandoening geschokt bij de heilige tranen van dankbaarheid en ouderliefde, die van Anna’s wangen stroomden. In al zijne volheid trad nu weder het tooneel der smartelijke scheiding, de strijd tusschen liefde en krijgsmansgevoel, de bange krachtige worsteling van tegen elkander aandruischende machten voor zijn geest....
—»Maar ’t is tijd van handelen,« sprak hij in zich zelven, en terwijl hij Anna, in haar overstelpend gevoel, zachtkens uit zijne armen loswond, zeide hij: »Gij hebt mijn woord gehoord, Anna! dat moet heilig zijn; maar uw vader!.... nog is hij onbewust van zijn doen; er moet hulp worden geschaft.«
Nu naderde hij den doctor, die op eenige zachte kussens op den grond uitgestrekt lag, en wiens flauwe ademhaling alleen tot bewijs strekte, dat het leven dat zwakke lichaam nog niet verlaten had. Maar nog had hij zich niet ten halve tot hem gebogen, toen Anna zich bij de borst van den grijsaard op de knieën nederwierp en met zachte stem uitriep: »Heilige moeder Gods! ik dank u.« Vervolgens raakte hare zachte hand, met de lichtheid van een donsveder, de hand en het voorhoofd van haren vader aan, en de hoop straalde in haren blik, dat hij weder spoedig tot zijne bewustheid zou terugkeeren. Zoo menigmaal toch had zij hem uit een schijnbaren dood zien ontwaken; en zij zelve was dan de frissche dauwdrup voor het kwijnend, half verstorven blad geweest. Maar nu had zij het woord gehoord, dat Boreel aan de menigte had toegesproken!.... Haar vader naar de gevangenis!.... Hemel! dat woord was heilig, dat moest vervuld worden; maar hoe? Zij sidderde, terwijl zij beurtelings op Symon, op den vader blikte.
—»Het moet,« stamelde zij, »maar de Heer zal kracht geven naar kruis. Heilige Maria, dat smeek ik.«
—»Anna!« fluisterde Boreel haar toe, en uit zijne gebogen houding oprijzende, gaf hij haar een teeken, om zich met hem uit het vertrek te begeven. Te gelijker tijd verscheen nu weder de dienstmaagd, nog angstig als eene ree, die wel de honden niet meer achtervolgen, doch die zich nog niet veilig acht voor nieuw gevaar.
—»Stil!« zeide Boreel, den vinger aan zijn mond brengende, toen de dienstmaagd hare gemengde gewaarwordingen door uitroepingen aan den dag wilde leggen, »bij den Meester!.... wees niet meer bang.«
—»Ik moet nu voort,« sprak Boreel tot Anna, »ik vermag hier niet te toeven; want schoon de donkerheid invalt, nog brengt de avond aan de stad geene rust aan. Ik hoor nog het leven in de verte en mogelijk kan ik ook anderen tot hulpe wezen in ’t gevaar. Beangst u nu verder niet al te zeer, Anna! Wat uw vader nog dreigen mag, zal wel afgedreven worden; ’k zal nu middel beramen wat te doen staat.«
—»Symon!« sprak het meisje. »Na de heilige maagd, is al mijn vertrouwen op u: ik zal u niet terughouden van uw plicht,—o, moogt gij ook anderen zoo groote weldaad bewijzen, als gij mij hebt gedaan. Symon! ik dank—ik dank u; de moeder Gods zij met u.... en ook met mij.«
Dat laatste sprak Anna veel zachter uit: maar des te warmer was de druk harer hand, toen de jonkman zich verwijderde, na de herhaling, dat hij op verdere middelen ten opzichte van haren vader peinzen zou.—Beiden gevoelden diep op dat oogenblik; want ook het verledene sprak luide op den bodem van hunne ziel, en toch werd er door Boreel, door Anna geen enkel woord van gerept. De beker van het tegenwoordige was te zeer met edik gevuld om er nog alsemdroppelen van vroegere dagen in te mengen; en—Boreel was niet naar de woning van de geliefde gesneld.—Hij was er heengedreven door plichtgevoel en de volle bewustheid, dat de man, op wien wraakzucht en haat zouden neerkomen, geen verrader was. Hij had het dreigend gevaar willen afkeeren van het huis, waar aan zijn edel hart eene grievende wonde geslagen was, en wij zagen in hoeverre zijn edel voornemen bekroond werd.