Tot het aanbreken van den morgen had Ripperda zich op de vest vertoond. Ook Kenau met hare vrouwen had die geene minuut verlaten. Stompwijk toch zou den vijand, tot wien hij was overgeloopen, wel met de opschudding in de stad bekend maken; en Ripperda begreep maar al te zeer, dat een vijand de meeste kans heeft tot voordeel, wanneer hij aanvalt op eene door oproer verdeelde stad.
Geen aanval van den belegeraar had echter plaats gegrepen. Ripperda, door eene hevige koorts aangetast, had toen tegen den morgen aan Van Duivenvoorde zijne taak overgegeven en de vest verlaten; de vereenigde bede van Kenau en al de hoplieden had hem daaraan ten laatste gehoor doen geven.
—»Ik zal rust nemen,« zeide hij, toen Kenau niet afliet, »maar er zal geen tijd zijn tot rusten, de Spanjaard zal wraak nemen,—dat voorzie ik.«
Nauwelijks was hij te huis gekomen, of de afmatting, het bloedverlies, maar vooral zielesmart over het gebeurde grepen hem met vereende kracht aan. Waar echter een ander ware nedergezonken, bleef hij met ijzeren wil zich verheffen; hij vreesde, dat de rust hem zou doen bezwijken, waar hij moest staande blijven.
—»Haarlem! uw roem is bevlekt!« zeide hij, toen zijn broeder en Horenmaker hem smeekten, zich door de rust van den slaap te verkwikken, »en dat schokt mij tot in de ziel!—Asinga! dat is een tweede spooksel geweest, maar veel verschrikkelijker dan het eerste; och, dat de dag nooit gekomen ware, waarop mij de prins deze stad in handen gaf!«
Voor eenige oogenblikken viel hij in zijn leuningstoel neder, maar toen zijn hoofd op zijne borst dreigde te zinken, sprong hij eensklaps op, en de hand aan zijne rapier slaande, riep hij uit: »Maar die vlek zal uitgewischt worden—dat zweer ik: vrij ben ik—vrij wil ik blijven tot heil van Haarlem en heel het vaderland.«
Geen halfuur was verloopen, of een luid gekerm en geschreeuw deed zich op straat voor zijne woning hooren, en hij onderscheidde de woorden: »Naar Ripperda!«
—»Rust nemen!....« zeide hij, »en de onrust begint reeds; maar ga zien, Horenmaker, wat het is.«
Deze gehoorzaamde, en kwam eenige minuten later weer terug.
—»Men wilde u spreken, heer!« zeide hij, »de losbandige Walen zijn van nacht in huis gedrongen bij de weduwvrouw Lijsbet Jans; zij is eene brouwster op de Bakenessergracht en licht halfdood in haar huis. Het gespuis heeft haar met geweld kast en kist doen openen en alles van haar geroofd. Hare vrienden en geburen klagen en schreeuwen over het schendig stuk, en—zij willen recht.«
—»Recht!« hernam Ripperda met spijtgevoel, »of ’t recht niet geschonden ware! Maar—wij zullen de slang den kop vertrappen. Ga terug, Horenmaker, en zeg uit naam van Ripperda, dat haar vergoeding zal gegeven worden, zoo waar als ik leef!«
—»Kon ik ook maar vergoeding geven, Asinga, voor het bloed, dat gisteren zoo schandelijk vergoten is; maar helaas, dat staat niet in mijn macht!« voegde hij er bij.
Spoedig kwam Horenmaker terug, en de verwijdering van het gerucht bevestigde zijne woorden, dat de menigte, met die belofte tevreden, afgetrokken was.
—»Maar de lange vreemdeling is daar, heer!« zeide Horenmaker, »hij wil u spreken—dringend en onverwijld.«
—»Ik giste zijne komst,« was het antwoord; »mijn broeder! laat mij met hem alleen.«
Nadat ook Asinga zich verwijderd had, trad weldra de aldus genoemde persoon driftig het vertrek binnen, en deze was de ons bekende Eenoog. De kleurlooze tint op zijn gelaat was door een blos vervangen, en de dweepachtige gloed in zijn bruin oog had plaats gemaakt voor de uitdrukking van verontwaardiging en verstoordheid. Nauwelijks groette hij den bevelhebber, maar haastig de deur sluitende en vervolgens naar het andere einde van het vertrek gaande, zeide hij bevend:
—»Ik had het van u verwacht, heer! maar zoo gij God vreest, zult gij den man vrijlaten, op wien geene schuld kleeft.«
—»Houd op, mijnheer!« antwoordde Ripperda fier, »de kroes is vol, en slechts weinige droppels van onbillijk verwijt zouden hem doen overloopen. Heb ik uwen prediker gevangengenomen? Heb ik de hand aan hem gelegd?«
—»Genoeg, dat men hem uit zijn huis heeft gesleurd,« hernam de onbekende. »En wordt hij dezen morgen niet vrijgelaten, dan ga ik naar Zijne Excellentie, al staat er mijn leven bij op het spel. Zuiver is hij als het woord Gods, dat hij, naar de leer van mijnen grooten mr. Luther, verkondt.«
Een wrevelige trek kwam bij het noemen van den naam Luther op Ripperda’s gelaat.—De man toch, die op Genéve’s hoogeschool had geleerd—de strenge Calvinist, als hij was, kon in die dagen het niet onverschillig hooren, dat de leer van Luther voor zuiver, voor rein werd verklaard, minst van al, wanneer de groote Calvijn er rechtstreeks of zijdelings bij in de schaduw werd gesteld.—Of wie kent niet de woordenzifterij dier dagen, die zoovelen aan de schors deed hangen, in plaats van door te dringen tot de kern der zaken?—Wie weet het niet, dat de klove groot was tusschen Lutheraan en Calvinist,—den man, die aannam, wat niet bepaald streed met de Schrift en den man; die in de Schrift alleen zijn proefsteen vond, verwerpende wat de proef van dien steen niet kon doorstaan?—En nu begrijpt de lezer, waarom de onbekende Haarlem verlaten had. Ripperda, de Calvinist, had beeld en altaar, misgewaad en wijwater zonder verschooning uit den tempel geworpen. »Dat was overdrijving geweest,« had de Lutheraan hem gezegd; en de man, door den prins aan Ripperda aanbevolen, had woorden van verschil met hem gevoerd; de vreemde was uit de stad geweken, de prins had de kleine breuk geheeld; de gebeurtenis van daags te voren met den predikant van de Gasthuiskerk had de wonde weder opengerukt.
—»Ik vraag u,« herhaalde Ripperda, »heb ik de hand aan hem gelegd. Heb ik niet reeds vroeger zoo menigen mond getracht te sluiten, als men hem van ketterij hield verdacht? Ik heb den vrede bewaard waar ik kon, schoon ook ik menige dwaling zag in strijd met de Heilige Schrift. En nu valt ge mij aan: maar ik zeg het nog eenmaal—de beker is vol, en het is een beker vol azijn.«
—»Maar wie waren het, die den vromen prediker kwaad te laste legden?« vroeg de man, wiens gestalte nog in lengte scheen toe te nemen, driftig, »wie anders dan zij, die als Farizeërs, hun eigen bedorven geloof willen toetsen aan de Schrift? Wie anders dan boozen, als Stompwijk, in hun gemoed naar den Spanjaard neigende? Gods wraak zal over de stad komen, zoo de man in banden blijft, die put uit de reine bron des Evangelies, tot eere van God!«
—»Dank het aan mijne geschokte ziel, dat uwe blinde taal mijn toorn niet opwekt,« zeide Ripperda met nadruk. »Wat wilt gij van mij? Dat ik de golven afkeer—dat ik rotsen verzet? Zoo de leer van dezen uwen grooten mr. Luther dit vermag, ga dan naar den prins: vraag hem, om de taak over te nemen, die op mijne schouders rust; stel u aan ’t hoofd van deze vest, en zie dan, of gij het onmogelijke doen kunt: ik, Ripperda, kan het niet.«
—»Ik heb eerbied voor uwe koenheid,« was het antwoord, »maar heb ik mijn leven niet willen opofferen, om den gevangen Spanjaard te redden, voor wien ik borg stond? Ik ben zwak, in vergelijking van uw moed en wil; en toch heb ik het schuim van volk doen wijken, toen men om zijn dood schreeuwde: maar men heeft mij gezegd, dat gij u niet verzet hebt tegen het geweld aan den vromen man gepleegd, en vloek over hen, die de hand naar hem hebben uitgestrekt.«
—»Neen, dat zegt men niet,« sprak Ripperda met edele verontwaardiging. »Dat is weer die duivel van wantrouwen, die in de ziel huist, en aan het goede den bodem inslaat. Waarom hebt gij uwen prediker niet beschermd? Waarom hebt gij het dolle gespuis niet van hem afgekeerd? Of ben ik almachtig, dat ik het onmogelijke zou kunnen? Leg de hand op mijne borst; daar kookt, daar bruist het, maar ik acht mijne wonde niet bij de wonde in mijne ziel. Doch dit ééne woord nog: ik heb geene schuld aan het schendig stuk, zoo waar als ik een Fries ben. Wat wilt gij meer?«
Maar in plaats van te antwoorden, sloeg de man, op wien de Fries een doorborend oog richtte, den blik naar den grond.
Ripperda’s wonde, diens stoute, onwrikbare moed te midden van den opstand, diens krachtige ronde taal,—alles trof hem diep en deed hem op eens zijn ongelijk erkennen.
—»Vergeef mij, Ripperda!« sprak hij, »ik heb u miskend, en ik gevoel berouw. Maar bij al wat heilig is—de man, die mijne ziel heeft verlicht voor de reine leer—die man is onschuldig, en ik smeek u, stel nog dezen dag hem in vrijheid.«
—»Dat zal wel waarachtig wezen, ook zonder dat gij het smeekt,« antwoordde Ripperda. »Men wil, dat ik ruste.... en mijne taak is verdubbeld. Bij Unico, den stamvader van mijn geslacht! nog dezen dag zal de verguizing van orde en wet hersteld worden;—dat zweer ik bij God en den prins.«
De vreemdeling wilde spreken, toen er aan de deur werd geklopt. Ripperda opende haar, en luitenant Horenmaker meldde de komst aan van Boreel.
—»Ik ben te spreken voor hem,« zeide Ripperda, »dat is de rust, die men van mij wil....!«
—»Nieuw oproer—nieuw geweld?« vroeg hij, toen Boreel insgelijks driftig binnentrad; »of roept gij mij naar den wal?«
—»Uwe hulp, heer, onverwijld, of het is met haar gedaan,« antwoordde Boreel. »Dat is een tooneel, waarbij het hart breekt. Gij weet het gebeurde van gisteren. Nadat ik het huis had verlaten, is de dolle hoop teruggekeerd. Doof voor Anna’s gekerm, hebben zij den ouden man naar de gevangenis gesleurd. Men heeft haar mishandeld en teruggestooten; want ook zij drong de gevangenis in; zij wilde haren vader niet verlaten; met moeite is het mij gelukt, haar naar huis te doen gaan; doch hare wanhoop kent geene grenzen; zoo gij mij niet krachtig steunt, heer, dan besterft zij het, en God weet, of het met den grijsaard niet reeds aan een eind is.«
—»Ook dit!« riep Ripperda, wien het vuur uit de oogen sprong, »maar wat is heilig voor woestaards, die door lage wraak zijn verblind? Horenmaker!« beval hij ijlings, »laat terstond mijn paard voorbrengen;—wij zullen zien, of men ook nu mijn gezag verschopt.«
Terwijl deze het bevel liet opvolgen, gespte Ripperda zijn rapier vast; en aan den moed en vasten wil, die uit zijn oog straalden, zou men geenszins den man in hem vermoed hebben, in wiens aderen het vuur der afmatting en der koorts brandde. Niet lang duurde het, of het getrappel van zijn paard liet zich hooren.
—»Gij gaat met mij, heer?« vroeg hij aan den onbekende, wiens wrevel werd opgewekt, omdat Ripperda eerder gezind scheen, den roomschgezinden dr. Elsen in vrijheid te stellen, dan den predikant, dien de vreemde bijna als een heilige vereerde.
—»Als het de vrijheid geldt van den vromen man, ja,« was het antwoord.
—»Ook hem!« hernam Ripperda en vervolgens Boreel, Asinga en Horenmaker gelastende, hem te volgen, verliet hij het huis. Nauwelijks hoorde Onno, het paard, de stem van zijn heer, of het stak de ooren op en hief de edele manen overeind. Even vrij als zich de Fries noemde, had ook nog nooit Onno een gareel gedragen, en bewonderde men in den Fries den moed en de onverschrokkenheid van den held,—in het paard bewonderde men de ijzeren gespierdheid der fijne schenkels en de kracht van de breede borst.
—»Verzamel,« zeide hij tot zijn broeder, »de mannen van het gele vendel, en als men tegenstand biedt, op dan voor Ripperda!«
Doch nog was hij de Warmoesstraat niet ten einde gereden, toen een der schutters, die de wacht op den toren der Groote Kerk had, hem met drift te gemoet snelde.
—»Men zendt mij tot u, heer!« sprak hij; »al de schepen van den prins zetten met volle zeilen op de stad aan; maar de Spaansche vloot gaat er op los.«
—»Heeft men dat gezien?« vroeg Ripperda, »het zou niet voor het eerst zijn, dat men zich op den toren vergist. Hoeveel wachters zijn er?«
—»Vijf, heer!«
—»Terug dan naar uw post; zie scherp uit, en breng mij onverwijld nieuwe kondschap.«
De wachter ijlde terug. Op de markt waren reeds verscheidene menschen op de been, en reeds baande een tweede torenwachter zich den weg door hen, om het bericht van den eersten te bevestigen.
—»Ik zelf moet er heen!« sprak hij. Nu gaf hij aan een bediende, die hem gevolgd was, zijn paard over, sprak eenige woorden met Horenmaker, gaf aan Asinga een bericht ter overbrenging aan burgemeester Van der Laan en snelde vervolgens in eigen persoon naar den toren. Na vluchtig de wachters ondervraagd te hebben, sloeg hij den blik naar de geuzenvloot. Holland, te zeer overtuigd, hoe Haarlem den hoeksteen van de vrijheid wilde leggen, was niet ondankbaar geweest. Zoo had Dordrecht twintig, Rotterdam vijftien schepen uitgerust. Delft had er dertien—Gorcum en Schiedam te zamen zestien geleverd,—de kleinere steden naar evenredigheid van hun vermogen. Hoewel nu deze vloot van meer dan honderd zeilen slechts uit smalschepen bestond, ten deele overdekt, ten deele open, en noch in geschut, noch in stevigheid van bouw bij die van Bossu te vergelijken was, had zij toch, sedert den zevenden April op de Meer gekomen, den vijand meermalen afbreuk gedaan, en thans was het doel harer aannadering om de stad van proviand te voorzien.
—»Het is zoo!« sprak Ripperda, »maar ik geloof, dat Bossu terugwendt?«
—»Nu, hij houdt af, heer!« was het antwoord, »zoo fluks was het anders:—maar de smalschepen maken spoed.«
—»Gezwind naar de vest bij de Janspoort!« beval Ripperda een hunner, »daar vindt gij den vaandrig Hasselaar; zeg hem, dat ik hem terstond hier verwacht.«
De wachter haastte zich te gehoorzamen. Het bericht, dat Ripperda naar den toren was gegaan, bracht intusschen aanstonds honderden menschen bijeen, en zij, die gisteren kreten van opschudding aanhieven, krioelden nu verslagen door elkander. Toen Hasselaar aankwam, wilden sommigen insgelijks naar den toren, doch eenige schutters, die op last van Horenmaker beneden post hadden gevat, beletteden dit.
—»Wat ziet gij, Hasselaar?« vroeg Ripperda, toen zich de vaandrig met zijn valkenblik voor een der kijkgaten plaatste. Deze bevestigde, wat Ripperda had gezien.
—»Ik begrijp het,« sprak de bevelhebber, »Zijne Excellentie zal ons toevoer zenden, en wellicht is de duif geschoten, die er ons bericht van moest brengen.«
—»De vloot van Bossu stelt zich weer in beweging,« zeide Hasselaar. »De manschap op onze galeien schijnt niet sterk in getal.«
—»De grootste macht van Batenburg houdt zeker het leger te Sassenheim bezet....« sprak Ripperda.
—»Bossu verdeelt zijne vloot in tweeën,« riep Hasselaar, »er wordt nog meer zeil bijgezet; men gaat de smalschepen in de flank en het front tegemoet; hoor, mijnheer! het volk van Bossu steekt de trompet: men roffelt de trom.«
—»En toch zetten de galeien van den admiraal Brand het op de stad aan,« sprak Ripperda.
—»Met volle vaart, heer!« voegde Hasselaar er bij, »zij hebben half wind....«
Bij dat laatste woord hoorde men opeens een schot, dat uit de galei van den admiraal Bossu viel. Geen tien seconden verliepen er, of verscheidene Spaansche schepen gaven de volle laag, en de donder der losbranding weerklonk door gansch Haarlem. In al de straten stroomden de inwoners meer en meer te zamen; want weldra had zich het gerucht verspreid, dat er een hevig gevecht op de Meer plaats greep. Onophoudelijk klonken nu de schoten, en Ripperda tuurde onbeweeglijk naar de vloot.
—»De Spaanschen vallen met geweld aan,« zeide hij, »maar de rook trekt over de Meer; wat ziet gij, Hasselaar?«
—»Maar al te veel, heer! de galeien van den admiraal en den baron deinzen af; de Spaanschen geven hun de volle laag; en zoo ze minder diepgang hadden, zouden zij hen al aan boord hebben geklampt. Ik ben niet zwaartillend als Pellikaen, maar ik geloof, dat het slecht voor ons zal afloopen.«
—»Ik geloof het met u, Hasselaar!« zeide Ripperda. »Maar een onvergeeflijk stuk voor den admiraal Brand, dat hij nu reeds wijkt. Dan heeft hij zijn plan kwaad belegd....«
—»Al zijne schepen wenden ’t roer en brassen af naar de Kaag,« sprak Hasselaar.
—»Dan is de hoop op toevoer weg,« zeide Ripperda, »maar moed gehouden! Ik verlaat den toren, Hasselaar! ik heb mijn besluit genomen. Blijf gij hier en zend mij binnen een kwartier bericht uwer bevinding met een der wachters naar het stadhuis.«
Met een voornemen, zoo snel gevormd als aan Ripperda’s karakter eigen was, snelde hij den toren af. Bij het openen van de trapdeur wilden ettelijke lieden naar boven dringen; doch op het gezicht van den bevelhebber, dat eene nog vastberadener uitdrukking had aangenomen, deinsden zij terug.
—»Niemand den toren op—dat beveel ik!« zegt Ripperda tot de menigte, »maar hoort en roept het van mond tot mond: »De vloot van den prins wordt vernield! Geen toevoer komt in de stad!«, dat is de straf van God voor uw kwaad!«
En opeens kwam er eene wolk van diepe verslagenheid op zoo menig gelaat, waarop gisteren niets dan wraak was te lezen. De onverpoosde losbranding van het scheepsgeschut vermeerderde nog den indruk der woorden, en uit menigen mond vernam men den uitroep: »Ja, wij hebben straffe verdiend! dat is de vinger van God!«
Nauwelijks had Ripperda bemerkt, dat hij doel treffen zou, of hij bestijgt Onno. Na zijn luitenant een paar woorden te hebben toegefluisterd, geeft hij zijn paard de sporen, en draaft door de menigte, die eerbiedig ter zijde week, naar het stadhuis. Door die menigte volgt hem weldra de onbekende met Boreel, en meer dan ooit schijnt ook opeens het ontzag voor den eersten onder het volk toegenomen. Op het stadhuis bevindt zich de gansche regeering: met ongeduld verbeidt men er de komst van Ripperda, en met korte doch krachtige woorden, deelt deze hun de zaak mede.
—»Ook ik twijfel niet, of onze vloot heeft de neerlaag,« zeide burgemeester Van der Laan, »maar dat wij niet zijn als het volk; dat wij daarom de hoop niet verliezen. Dubbel gewaakt voor de veiligheid en de belangen der stad.«
—»Nog dit uur,« hernam Ripperda met levendigheid en nadruk, »reken ik op de medewerking van den magistraat. Maar eerst zullen wij zien, wat de vrees vermag, nog dit uur, terwijl de donder van het scheepsgeschut aan ’t volk in de ooren klinkt. Gissingen over den afloop van het gevecht baten niets; de tijd zal dit spoedig leeren; hier krachtig de handen ineen; de gevangenen in vrijheid gesteld, en de kwaadgezinden tot gehoorzaamheid gebracht.«
Na eene korte beraadslaging kwam Ripperda met de regeering overeen, dat hij alleen handelen zou. Dientengevolge gaf hij last, de kelders te ontsluiten en de gevangenen vrij te laten. Hij zelf zette zich te paard en bleef nabij de Zijlstraat, om elken tegenstand van het volk gewapenderhand met het gele vendel af te keeren. Maar hetgeen hij verwacht had gebeurde. Niemand verzette zich tegen de vrijlating; reeds zag men den predikant van de Gasthuiskerk, door Steenbach en den onbekende eerbiedig vergezeld, alsook de andere gevangenen onverhinderd naar hunne woning terugkeeren. Op datzelfde oogenblik drong een der torenwachters tot Ripperda door en fluisterend deelde hij mede, dat zoowel de Spaansche als de prinselijke vloot bijna uit het gezicht was, en dat er niet te twijfelen viel aan de neerlaag van de laatste. Nauwelijks was de torenwachter weer vertrokken of eenigen uit het volk naderden met bedrukt gelaat Ripperda, en een hunner vroeg op deemoedigen toon: »Is het waar, heer, dat de schepen, die mondkost aanvoerden, in den grond worden geboord?«
—»Dat heb ik u immers gezegd?« antwoordde Ripperda, »of wordt mijn woord niet meer geloofd?«
—»Laat mij door!« klonk het te gelijker tijd, en door de menigte drong nu eene andere menigte, waaronder een man was, die zwaar gewond scheen.
—»Ik zal sterven, heer!« riep hij. »De slag, dien gij mij gisteren gaaft, zal mij ’t leven kosten, maar eerst moet ge ’t mij vergeven, dat mijne booze drift u heeft aangerand. Ik was verblind door de wraak: ik heb diep berouw.«
—«Berouw is te laat,« zeide Ripperda, op een hoogen en strengen toon, »opstand tegen de wet, geweld en moord kunnen niet door berouw alleen worden geboet. Het bloed, dat gij gestort hebt, roept bij God om wraak. Wie is er onder u, die het schendig stuk kan herroepen—die de bloedvlek afwasschen kan?«
—»De Walen hebben ons opgehitst, heer!« riep een ander.
—»Ja, van de Waalsche soldeniers is het kwade stuk uitgegaan,« riep een brouwersknecht; »vervloekt zij het uur, dat die oproermakers binnen de stad bracht.«
—»Maar wij hebben ’t volvoerd,« sprak een schippersgezel, »wij hebben geluisterd naar kwade raad en boozen hartstocht: wij hebben straf verdiend.«
—»Stilte! ik beveel het,« sprak Ripperda tot den aangroeienden hoop. »Ik herhaal het u: de vloot, die mondkost aanbracht, wordt vernield. Dat is de straf van God. Ik ben het die aan Zijne Excellentie verantwoording moet doen van het booze feit. Wij zijn ingesloten van rondom: de prins zal de hand aftrekken van Haarlem, dat opgestaan is tegen het wettig gezag. Wilt gij dus, dat ik de stad verlate? Wilt gij u een ander bevelhebber in mijne plaats kiezen, zoo geve God, dat hij u uit steenen brood scheppe, en dat hij wakkerder pal sta voor de vrijheid van uwe vest.«
Evenals de wind, die den boom schudt, in elk blad eene afzonderlijke wereld beweegt, zoo ook heeft ieder enkel wezen zijn bijzonder gevoel, door wat oorzaak de menigte in beweging worde gebracht. Hierbij kwam het berouw, na het uitwoeden der wraak. De vernieling der vloot—zooals men vreesde—gaf niet weinig voedsel aan dat berouw, en Ripperda’s taal greep de wonde tot op het been aan. Levendiger dan ooit kwam de herinnering van zijne wapenfeiten op, het bewustzijn van zijn moed, dapperheid, ijzeren wil; het was, als zag men het bloed vloeien uit zijne wonde; en die wonde had hij bekomen, door op gevaar van zijn leven, kruit te voeren in de benarde vest. Geen slaap had hem verkwikt na zooveel afmatting; en toch zat hij daar fier en ongedeerd te paard, als een held, die met frissche kracht na verkwikkende sluimering den vijand tegemoet snelt. Neen, die Ripperda zou de stad verlaten!.... »Neen!« was de plotselinge opwelling in aller gemoed, »dat in eeuwigheid niet!«
—»Neen, heer! dat hebt gij niet gezegd!« sprak een burger op welsprekenden toon. »Ik was niet bij het geweld; maar ik zeg het uit den mond van allen: liever den honger met u, dan brood zonder u; verderf over de stad, zoo gij ons verliet; de zwaarste straf over de schuldigen; maar deze straffe niet!«
—»Neen, heer Ripperda!« riep een ander, »eerder sterven wij aan uwe voeten, dan dat gij ons verlaten zoudt. Geen ander dan Ripperda! met u in den dood!«
—»Pardon, heer!« liet op doffen toon de man hooren, dien de bevelhebber daags te voren nedergeslagen had, »pardon, en laat daarna mijn kop van mijn romp slaan; ik heb het verdiend; ik ben een lage schurk geweest.«
—»Zie ons berouw, heer!« sprak een ander, zich op de knieën werpende en door velen nagevolgd wordende, »wij stellen lijf en leven in uwe hand; want wij zijn het leven niet meer waard; straf ons, en hoe zwaar ook—wij zweren u gehoorzaamheid voor altoos.«
—»Staat op!« zeide Ripperda, zich afwendende, »niet voor mij geknield, maar voor God! Verzoen den Almachtige, Dien gij hebt vertoornd; ik verlang niets dan gehoorzaamheid aan wet en recht. Wie waarachtig berouw heeft over het kwaad, kome in den Doele en doe er den eed van trouw. Ik zal de vest niet verlaten, maar waken voor u allen dag en nacht; ik zal den storm, die de stad dreigt, met Gods hulp zoeken af te keeren, en meer dan ooit zij de leus van u allen: voor het vaderland: voor de vrijheid! Gij hebt mij gehoord, mannen van Haarlem! Binnen een uur in den Doele! daar zal Ripperda zijn!«
—»Leve de bevelhebber onzer stad! Leve Ripperda!« klonk het nu uit honderden monden; »gehoorzaamheid aan hem, of de dood!«
Onder deze en dergelijke uitroepingen wendde de Fries de teugels, en na met Asinga en Horenmaker gesproken te hebben, gaf hij zijn paard de sporen en galoppeerde voort.
Intusschen had het scherp oog van den vaandrig de vloot uit het gezicht verloren. Doch het doffe geschutvuur, dat zich nog uit de verte hooren deed, bewees, dat Bossu nog niet opgehouden had, de schepen van den prins op hunnen tocht naar de Kaag te achtervolgen. Op de wallen was men waakzaam, en gereed den vijand af te wachten, maar overal heerschte drukte en gewoel, geestdrift, verslagenheid, spanning.
—»De vloot van den prins heeft de neerlaag! Zij bracht proviand naar de stad, en nu zullen wij van honger vergaan,« hoorde men hier.
—»Naar den Doele, naar Ripperda!« riepen de meesten daar, »hij zal ons bijstaan in den nood! Sterve wie hem geene gehoorzaamheid belooft!«
—»Meester Elsen is een lijk!« liet zich weer in een ander gedeelte der stad hooren. »Zijne dochter besterft het ook: de gevangenis heeft het hem gedaan!«
Dat was inderdaad het geval. Veilig was de doctor te huis gekomen; doch opeens had eene beroerte, tengevolge van afwisselende vrees en schrik, een einde aan zijn leven gemaakt. De ouderlievende Anna had zich in wanhoop aan het levenlooze lichaam vastgeklemd, en Boreel’s pogingen waren niet in staat, om haar van hem af te scheuren. Haar ontzettend gegil deed eene menigte volk voor het huis te zamen stroomen, en men hoorde niets dan hare radelooze uitroepingen: »Ik moet met hem sterven! Ik laat hem niet los! God! neem ook mij het leven af!«
Geen wonder, dat deze gebeurtenis hen, die er de schuld van waren en die wezenlijk berouw gevoelden, nog te meer aangreep.
—»Ook dat hebben wij op ons geweten!« riepen sommigen; »God heeft de schepen, die ons brood brachten, doen vergaan, en nog zwaarder straffe wacht ons.«
—»Naar burgemeester Van der Laan—naar Stuiver! ook aan hen hebben wij ons vergrepen!« zeiden eenigen. »Naar Kies en Van Vliet, wij moeten boete doen voor het booze stuk.«
Velen gingen dan ook naar de woningen van den magistraat of naar het stadhuis en smeekten om vergiffenis. Deze sprak in den geest van Ripperda, en spoorde de menigte te meer aan om zich naar den Doele te begeven. Daar voerde de bevelhebber nog met meer nadruk het woord, greep hen nog dieper in het gemoed, deed hen plechtig beloven, dat zij door dubbele blijken van moed en volharding het gebeurde zouden uitwisschen, en nadat menige ruwe borst, geroerd, er den eed van gehoorzaamheid had gedaan, klonken nog krachtiger dan te voren de kreten: »Leve de brave Ripperda! Met hem de vrijheid of de dood!«
Nog verscheidene malen werd door Ripperda en anderen de toren beklommen. Tegen den avond zag men de Spaansche vloot terugstevenen. Wel vermoedden allen, dat onze schepen groot verlies hadden geleden, doch men wist niet, in hoeverre of niets bepaalds. De meesten waren naar de Kaag gevlucht, sommigen naar de Oude Wetering; doch de laatsten werden door Boshuizen, den luitenant van Bossu, achtervolgd; spoedig was een der vaartuigen overzeild, en een en twintig vielen er in zijne macht. Bijna al de manschap sprong over boord en trachtte zwemmend den naburigen oever te bereiken. De nederlaag der onzen was bijna algemeen. De schepen, na deze overwinning teruggekeerd, vielen vervolgens de schansen aan tot over het Spaarne bij den Hout; te land, door Romero bijgestaan, werden de belegerden genoodzaakt, er vier te verlaten, hare bezetting—ongeveer twee honderd man—wierp zich in de vijfde schans. Ook deze echter werd na een hardnekkig gevecht genoodzaakt, zich, op behoud van goed en leven der bezetting, over te geven, terwijl Bossu zich van het geschut dier schans, in drie metalen stukjes bestaande, meester maakte.
Toen de avond inviel, gaven dan ook de vijandelijke schepen door aanhoudende schoten, door trompetgeschal en een dof tromgeroffel hunne overwinning te kennen. Bij de Fuik, bij de forten Rammekens, Cruninghen, de Geytter en rondom gansch Haarlem werden vreugdevuren aangelegd om de stedelingen hunne nederlaag te doen gevoelen, en hun als het ware toe te roepen, dat de hardnekkige stad nu spoedig het hoofd in den schoot zou moeten leggen.
Ofschoon het niet bewezen is, dat de admiraal M. Brand later tot den vijand overging, bleek uit zijne overijlde vlucht thans maar al te zeer, dat zijn beleid uiterst gering was geweest. Schoon sommigen hem verdedigden door op de grootere macht van Bossu te wijzen, moest zijne bekende dolle drift al de schuld van de nederlaag dragen. De verslagenheid binnen Haarlem was groot; want de vijand had zich geducht gewroken over de gebeurtenis van den vijf en twintigsten Maart. De stip aan den gezichteinder werd voor de belegerden al donkerder en donkerder; doch door Ripperda’s moed en kracht voelden de meesten zich een hart onder den riem steken, en den vijand klonk het antwoord tegemoet: »Vandaag gij, morgen wij! nog hebt ge Haarlem niet!«
Weinig baatte het intusschen, dat de bisschop Van der Mathe, en andere uitgewekenen der stad don Frederik smeekten, voortaan geene gevangenen meer in het gezicht der belegerden op te hangen, wijl dan een gelijk lot misschien aan de Roomschgezinden binnen Haarlem te wachten stond. Den eersten Juni namelijk werden elf gevangenen op gelijke wijze door de Spanjaarden om het leven gebracht. Doch de weerwraak was thans edeler; daags daarna vielen ettelijke haakschutters in den Hout uit, en alleen eene tiendubbele overmacht dwong hen, onverrichter zake terug te keeren.
Niet weinig verwonderd waren de belegerden, toen zij Woensdag daaraanvolgende eene zonderlinge figuur ontwaarden op de kat, waarvan de schot Cuningham vroeger de kruin afgeschoten had. Men verbeelde zich een toestel, bestaande uit een driehoekigen bak, uit dikke voor het klein geweervuur ondoordringbare planken samengesteld, opgeheschen aan vier hooge masten, die stevig in den grond waren geplant, zoodat dit toestel nu de kruin der kat verving. Die bak was aan de achterzijde open en van weerskanten met schietgaten voorzien, terwijl er verscheidene musketiers post op hadden gevat, ten einde de walverdedigers afbreuk te doen en in de stad te schieten. Dezelfde Schot was evenwel oorzaak, dat de vijand op die wijze niet meer dan twee schoten in de stad zond.
—»Vuur!« beval hij, nadat hij aan een paar valken eene goede richting had laten geven; en reeds bij het vijfde schot werd een der touwen, waarmede men het stormhuisje op en neder wond, doorschoten. Oogenblikkelijk kantelde nu het zonderling gevaarte, en eenige Spanjaarden tuimelden er uit.
—»Zij breken hals en beenen,« riepen de Schotten, »de Spanjool verstaat er zich niet op, om als eene kat, gaaf op de pooten te land te komen.«
—»Kijk! daar slingert de bak, als een gehangen dief, die door den wind wordt geschud,« riep een ander. Werkelijk was de toestand van de musketiers, die zich thans nog in het wiegelend stormhuisje bevonden, even zonderling als onaangenaam. Spoedig echter lieten zij zich langs de masten naar omlaag glijden, doch niet zonder dat eenigen hunner nog door de dubbelhaken en serpentijnbuksen getroffen werden, terwijl de lust, om de belegerden aldus te bestoken, hun spoedig benomen werd.
Ofschoon eenige dagen geleden de burger Wielmaker en twee anderen de stoute, gevaarvolle taak op zich namen om zich met eenige duiven naar den prins te begeven, was er tot nog toe geen antwoord gekomen. Sommigen vreesden, dat Wielmaker gevangen was genomen of dat de Spanjaarden weer een duif geschoten hadden. In den vroegen morgen echter van den 8en Juni, terwijl velen hunne verontwaardiging lucht gaven, dat een Haarlemmer schipper aan de Fuik tot den vijand was overgeloopen, klonk opeens uit verscheidene monden het gelijktijdig geroep:
—»Een duif! een briefdrager naar de stad!«
De vogel klapwiekte eene geruime poos in de lucht, als zocht hij naar het beschermende dak, doch vervolgens daalde hij boven de woning van den onbekende neder.
Spoedig vernam men nu, dat er een brief van Batenburg was gekomen; deze gaf er zijne verwondering in te kennen, op de twee vroeger afgezondene brieven nog geen antwoord te hebben ontvangen. Voorts meldde hij, dat de prins weldra de stad zou trachten te ontzetten; dat men op het laatst van Mei eene poging gedaan had, om den hertog van Medina Celi op te lichten, terwijl deze de baden te Spa gebruikte; dat echter deze onderneming mislukt was, doch dat men niet zou aflaten, alles te beproeven in het belang van de ingeslotene stad.
—»Luttel troost,« riepen de hulptroepen, »men belooft alles goeds en er volgt niets dan kwaad.«
—»Wij moeten het schrift zien,« sprak een ander, »of denkt de magistraat, dat wij onnoozel genoeg zijn, ons te laten verblinden? Het is een tijd van benauwing. Men spijst ons met wind van brieven, die anders luiden, dan ons diets wordt gemaakt.«
Twee dagen later werden er dan ook, om den vrede te bewaren en alle wantrouwen weg te nemen, uit de beide schutterijen zestien personen benoemd met het recht om al de brieven, welke in de stad kwamen, of er uit verzonden werden, te lezen en den inhoud aan de belegerden mede te deelen. De namen van vijftien hunner worden aangetroffen, en onder deze vindt men Pellikaen, benevens den proviandmeester Jan Pieterszoon Deijman. Daags te voren had men ook eene volkstelling gedaan, en het aantal mannen, vrouwen en kinderen 20770 bevonden, onder welke 1836 weerbare burgers en 3071 soldaten van verschillenden landaard. Een groot aantal voorzeker in eene van rondom ingeslotene stad, waar de levensmiddelen van dag tot dag slonken, waar men reeds drie dagen te voren de burgers op moutkoeken en de krijgslieden op tarwebrood gerantsoeneerd had, en waar de honger reeds een akelig lot begon te voorspellen.
Naarmate de runderen verminderden, moesten ook de uitdeelingen van brood grooter worden, waardoor de voorraad van graan zichtbaar afnam, en echter namen de burgers den schijn aan, alsof ze nog rijken voorraad hadden. Want toen op den dag der volkstelling de vijand hun schimpend toeriep, dat zij brood noch bier meer hadden, waagden een paar vermetelen zich buiten de Zijlpoort, lieten er eenig brood en bier in handen van de Spanjaarden en riepen toen schimpend terug: »Ziedaar een ontbijt, Spanjolen! wij hebben grooter voorraad dan gij, en wilt gij er meer van, haalt het dan binnen de vest.«
Intusschen gingen aanval en wederstand onophoudelijk voort.
Op den tienden Juni werden de fabrikant Pieter Jansz en zekere Symon Score benevens twee kinderen door het vijandelijk geschut gedood. Ook sprong er nog eene vijandelijke mijn, die echter in plaats van schade aan te richten, oorzaak was, dat de belegerden, te midden van den rook, eene andere mijn bemachtigden.
Nadat des anderen daags Georgius l’Estannier, deken van Geervliet, met eenige andere uitgewekenen tevergeefs verzocht hadden, een gesprek met de belegerden te houden, trachtten, in den vroegen morgen van den volgenden dag, de vijanden uit den Hout de laatste koeien der stedelingen te lichten.
—»Op, mannen van Haarlem!« beval Ripperda, »op, uit de vest, eer men ons den laatsten mondkost ontneemt!«
—»De dood aan den Spanjaard!« klonk het, en zoo forsch was de aanval, dat in weinige oogenblikken acht vijanden neergesabeld en de overigen met verlies van een der onzen op de vlucht werden gejaagd. Met verdubbelde macht keerden echter de vijanden des namiddags terug; reeds hadden zij zes der koeien in hunne macht, toen hun deze door eenige haakschutters ontnomen werden, waarna de Spanjaards, hun doel andermaal mislukt ziende, de koeien doodschoten en dus eene wraak oefenden, die voor de belegerden grievend was.
Doch prangender werd de nood. Reeds begon de stad niet ongelijk te worden aan een zeedijk, die, bij storm en hooggaanden vloed, evenzeer in zijn grondslagen onderwield als aan zijne kruin verzwakt wordt en toch kracht genoeg schijnt te hebben om den golfslag te trotseeren. Maar evenals de landlieden intusschen middelen beramen om kruin en glooiing door steen of aarde te versterken, evenzoo beraadslaagden de verdedigers der stad om het gevaar af te keeren.
Reeds in den vroegen ochtend van Dinsdag den zestienden Juni waren de voornaamste officieren en regeeringspersonen benevens de vaandrig Hasselaar in den Doele vergaderd, en ook Kenau vermeerderde door hare tegenwoordigheid het achtbare en krijgshaftige van dezen kring.
Meer dan ooit waren de oogen op Ripperda gevestigd; want de bleekheid, nog op zijn gelaat zichtbaar, deed zijne oogen te meer schitteren, zijn treffenden ernst te meer uitkomen. De krachtige handhaving van zijn bevelhebberschap, te midden van het oproer, had aller eerbied nog verhoogd; met te grooter verwachting hingen allen aan zijne lippen, te meer, daar de vaandrig Hasselaar naast hem stond.
—»Misschien, dat het sommigen uwer verwondert, den jongen Hasselaar hier te zien,« begon hij, op dien klaren en ongekunstelden toon, welke door het hart tot het verstand dringt. »Maar ik vraag het u af met rondheid; is iemand uwer er tegen, dat hij voortaan bij iedere vergadering zij? Hoe jong in jaren—hij is oud in moed,—en zijn tocht van Leiden heeft daar de kroon opgezet. Mijne lofspraak zal hem niet deren; want bij hoogheid van moed voegt hij nederigheid van hart. Ik wensch dus, dat hij spreke als gij allen, en dat wij in den jongeling den rijpen man zien....«
Vragend rustte Ripperda’s oog op de vergadering; Hasselaar sloeg het zijne neder, en geestdriftvol en als eene stem, was het antwoord:
—»Zoo zij het! Leve de dappere vaandrig!«
—»Dat verheugt mij,« hernam Ripperda, »en nu, mijne heeren en wapenbroeders! dat wij spreken en besluiten, en daarna handelen, zooals het mannen voegt. Ofschoon wij allen er op rekenen moeten, dat deze wallen ons graf kunnen worden, zoo zult gij allen wel liever een graf delven voor onze vijanden. Gelijk een koning, die zijn troon niet kan verdedigen, geen troon waard is, zoo ook is geen bevelhebber eener stad dat vertrouwen waard, wanneer hij niet ieder middel ter verdediging aangrijpt. Hoe hooger de zee gaat, hoe vaster de stuurman het roer omklemt; ook hier wast het water van dag tot dag, en het dreigt reeds tot aan de lippen te komen: het geschrift van den prins bevestigt ons dit.«
Nu legde hij den brief open, die een uur geleden door een duif was aangebracht geworden.
—»Thans weet ik, wat jonker Sonoij wil,« ging hij voort, »begeerig naar vroeger verijdelden roem, is hij den tweeden dezer maand des nachts uit Waterland getrokken. Met vijf vendels, vele delvers en achttien zeilen, begaf hij zich van Schellingwoude naar den Diemerdijk. Met gering verlies van volk en in ’t gezicht van den vijand, heeft hij dien ingenomen, doorgestoken, en er in zes schansen post gevat, drie aan den Amsterdamschen, drie aan den Muiderkant. Maar wat baat hem de dijk, als hij de Diemermeer niet in zijne macht heeft? Zonder vertraag hebben de Amsterdammers er vijf galeien met ettelijke kleine schepen op gebracht. Wel zijn de Westfriezen met grooter macht op de Meer gekomen; wel heeft de Hoornsche galei, die men spottend eene wortelschuit noemde, de nieuwe groote galei van Amsterdam genomen en veel gevangenen in Hoorn gebracht, maar het groote doel, om den vijand allen toevoer af te snijden, is geenszins gelukt en gelukken zal het nooit, zoolang de Diemermeer niet gansch in de macht is van de onzen.«
—»Ik vat niet,« sprak Lancelot van Brederode, »dat Sonoij, de galeien van den Moorddam niet wakker en onstuimig aanklampt. Maar wat zeg ik? Ken ik dan het bootsvolk niet? Sonoij’s roem te water staat bijster laag aangeschreven, en onwil van de rauwe gasten zal wel geen mindere hinderpaal zijn.«
—»Men geeft ons hoop,« hernam Ripperda, »maar ik zie er die niet in. Aan moed schijnt het nochtans niet te ontbreken. Wie zal Batenburg den verdienden lof niet geven? De vijand Valdez mocht zich te Ouderkerk nestelen—Batenburg heeft er zich weinig over bekreund. Wakker is hij doorgedrongen. Hij heeft verleden Donderdag de vijf vendels, die hem van Amsterdam wilden verdrijven, overvallen; den schijn aannemende van te willen vluchten, heeft hij hen van voren en van achter zóó aangegrepen, dat er maar tien den dood zijn ontsnapt. Een moedig Romeinsch feit; maar ’t zou voor Amsterdam eerst dan een ring in den neus zijn, als het de Diemermeer niet vrij had. Zoolang men de Vecht niet sluit,—zoolang men geene bezetting op het Huis Gruntestein legt, zoolang is het bezit van Ouderkerk voor Batenburg zonder nut. Aan den Spanjaard rondom onze stad moet de toevoer worden afgesneden; dit kan ons redmiddel wezen, en met klem van taal moet dit aan Zijne Excellentie voor oogen worden gesteld.«
—»Daar komt alles op aan,« zeide Jeronimo Tseraarts; en het was ook het gevoelen van allen, die met aandacht naar Ripperda’s woorden hadden geluisterd.
—»Maar hoe zal er schrift aan den prins worden gezonden?« zeide Lancelot van Brederode. »Vervloekt zij het uur, toen aan het volk beloofd werd, hen inzage te geven van ieder schrift. De ellendige Stompwijk, dien ik met hart en ziel aan het rad wensch, heeft er velen aangestoken en verleid, om naar den Spanjaard over te gaan: elke zaak zal aan den bloedhond verkraaid worden, en zoo hij ook hiervan de lucht krijgt, zal alles verloren spel zijn.«
—»Eenmaal is aan het volk dat woord gegeven,« zeide burgemeester Van der Laan, »en elk woord moet ongekreukt blijven. Doch geen nood! Wat, bij schrifte, geen geheim kan zijn voor het volk, worde bij monde gedaan. De taak is vol gevaar; maar het moet. Ik zelf wil die op mij nemen, en met Zijne Excellentie spreken over datgene, wat ons redmiddel kan zijn.«
—»Heb mijn dank, edel heer, voor dezen wil,« zeide Ripperda, »en uwe woorden zijn de mijne: dat een onzer den prins spreke, wordt dringend vereischt. Vorder dit het eerst van mij, en ik ben terstond bereid; maar u, edel hoofd van de burgerij, moet ik smeeken uw leven te bewaren; want dat weet gij allen—wie het waagstuk op zich neemt, diens levens is op den kant des teerlings gezet.«
Nauwelijks had Ripperda gesproken, of er had een verheven wedstrijd van helden plaats; de geestdrift op aller gelaat werd verhoogd, en de edelman Bordet het woord opnemende, zeide:
—»Niet gij, heer Ripperda! niet gij, heer Van der Laan! Toen ik voor deze stad het rapier aangreep, klopte tevens mijn hart voor hare belangen—dat betuig ik als man van eer. Maar toch ben ik vreemdeling; geene magen of vrienden zullen hier treuren over mijn dood. De Spanjaard heeft mij den dood gezworen, omdat ik Bergen hielp verrassen en tegen mijne belofte in ’s prinsen dienst ben gebleven; laat dan zijn wrok verdubbeld worden, omdat ik voor Haarlem zijn ondergang heb gezocht. Levend krijgt hij mij nooit in handen; dien eed heb ik sedert lang gedaan, en zal hem houden. Te eerder dus de kans, dat ik uwen prins van Oranje spreke, en dat ik alzoo eene eerlijke poging doe tot ontzet van de stad.«
—»Gij zijt een man van eer!« sprak Brederode, »gave God, dat ieder Nederlander zoo vurig ontgloeid ware voor de belangen dezer stad. Maar nooit gedoog ik het, dat gij gaat. Sedert lang brandde ik van lust naar een wakker stuk tot verderf van den Spaanschen jakhals. De gelegenheid is nu daar; in het holle van den nacht verlaat ik de stad; ik ben een Geus, die aan water en vuur is gewoon, en al had ik tien levens te missen, liever zou ik ook tienmaal sterven, dan dat een Spanjaard mij levend in handen kreeg; op mij dus de taak, heer Ripperda! ik bid er u om.«
—»’k Ben bewust van uw moed, heer!« zeide de wakkere Boreel, »maar niet evenzeer van uw recht tot deze zaak. Ik ben om Haarlem mijne woonstad gaan verlaten; voor Haarlem ook ben ik ieder uur gereed te sterven. Onze rechten staan gelijk, en ik ben gewis, dat mijnheer Ripperda ook de mijne zal laten gelden.«
Ripperda’s oogen vonkelden van geestdrift over aller moed, en hij wilde spreken, toen Hasselaar op bescheiden toon om het woord vroeg.
—»Mijnheer!« zeide hij, »duid het aan mijne jonkheid niet ten kwade, zoo ik den bal missla. Toen ik van Leiden terugkwam, was mijne taak reeds niet zonder bezwaar, en dat het nu elf dagen geleden, aan den braven Wielmaker gelukt is, mag wel een geluk worden geheeten. Aan mijn vermaak voor de jacht heb ik het evenwel te danken, dat iedere weg buiten, mij zoo goed is bekend als binnen de stad. Met mijn musket, een verrejager en uw last aan Zijne Excellentie, ga ik op pad; mocht ik toch den Spanjool in handen vallen, welnu, eene eerlijke logen, neem ik op mijn geweten, zoo ik er ’t lijf door kan houden en de stad van dienst zijn. Is nochtans de strop niet te ontgaan, ik zal getroost wezen. Ik kan maar eens sterven; vrouw noch kind zal om mij krijten, en ik zal God bidden, dat hij mijne goede moeder in haar leed sterke! Allen, die ik hier zie, zijn mannen, veel dienstiger voor de belegerde stad, dan ik ben. Laat mij dus gaan, edel heer! dat bewijs van uw vertrouwen in zoo jong een borst, zal mij tot groote vreugd zijn, en zoo het waar is, dat ik een klein deel heb van den moed mijner moei, wees dan verzekerd, heer, dat dit deel er tienvoudig door wordt vergroot.«
—»Voorwaar, wakkere borst, uw aanbod verrast ons niet,« sprak Ripperda, »maar waar de wil en de moed zoo algemeen zijn, vermag ik niet meer te zeggen: »Niet gij, maar gij zult het zijn.« Beslisse dus het lot, zoo gij allen daarin genoegen neemt.«
—»Neen, heer! geen lot zal beslissen,« liet Jeronimo Tseraarts hooren, »uit eerbied voor zooveel ijzeren wil en moed heb ik gezwegen, maar thans moet ik spreken. Herinner u slechts, wat ik zeide, toen ik binnen Haarlem kwam: »Zoo eene wichtige zaak persoonlijke mededeeling aan Zijne Excellentie vordert, dan zou de prins er gaarne mijnheer Houtin of mij mede zien belast.« Gij hebt daaraan toen uwe goedkeuring gehecht; het dunkt mij dus oorbaar, dat aan het verlangen Zijner Excellentie worde voldaan.«
—»Dit gevoelen is ook het mijne,« voegde Houtin er bij.
—»Gij hebt recht, heer Tseraarts, ik herinner het mij. Geen woord behoeft hier dus meer,« zeide Ripperda, de vergadering met goedkeuring overziende. »De begeerte van den prins zij geëerbiedigd; de zaak is beslist. Maar mijnheer Houtin ga dan met u, en een honderdtal mannen, die mij hun leven hebben aangeboden, zullen u vergezellen. Krijgsbroeders! gij hebt het gehoord, en—deze dag zal mij onvergetelijk zijn.«
Mocht aan allen, die zich zoo gaarne door deze zending zouden onderscheiden hebben, dit besluit minder aangenaam zijn—niemand verhief er zijne stem tegen, en allen drukten aan Tseraarts en Houtin hunnen wensch uit voor den gelukkigen uitslag der taak.
—»En nu, mijne vrienden, op wie het vaderland trotsch zijn mag,« hervatte Ripperda, »de zending aan Zijne Excellentie is in deze woorden vervat: Nog vreest ons de vijand; dat zagen wij gisteren; hij wilde stormen maar deinsde af, toen wij kloek als in Louwmaand hem te keer gingen. Maar de slag op de Meer is ons noodlottig geweest; wij zijn ingesloten van rondom, elke toevoer is afgesneden, de honger wordt een vreeselijk zwaard. Weldra zal het aanbod van den braven Wielmaker, om zijne paarden te slachten en uit te deelen tot spijs, aanvaard worden. Aan geen krachtigen uitval is meer te denken, zoolang ons kruit ontbreekt. De vest te verdedigen is meer dan ooit de hoofdzaak geworden en ik heb reeds het plan gemaakt tot het opwerpen van een nieuwen wal. Maar de kracht moet bezwijken, waar de mondkost ontbreekt. Kruit dus en brood, hulp tot ontzet, of afsnijding van den toevoer aan de Spanjaarden. Bezetting dus op het Huis te Gruntestein om dat doel te bereiken. Mislukt dit, dan behoort de poging op Nieuwersluis herhaald te worden. In den hoogsten nood worde de Lekdijk doorgestoken en aldus het Sticht onder water gezet: dat is de laatste hoop, om den vijand te doen opbreken. Maar,« en hier nam Ripperda’s stem meer nadruk aan, »mocht ook alles mislukken,—geene redding mogelijk zijn, toch zal geene klacht ons ontglippen. Als kruit noch lood ons meer rest, zullen mannen en vrouwen enkel strijden met het rapier—strijden tegen den honger en den vijand. Zoo de honger ons aan schimmen doet gelijk wezen, zullen die schimmen den Spanjaard nog tot schrik zijn. Geene overgaaf! gestreden, totdat wij sterven voor het vaderland, voor de vrijheid!«
Ripperda zweeg. Er had eene korte, plechtige stilte plaats, alsof eene onzichtbare stem gesproken en allen met eerbied vervuld had. Een oogenblik—en die zelfde stem voegde er op nog plechtiger toon bij: »Spreekt, mannen, broeders! Spreekt met de hand op uwe borst. Wie is er onder u, die niet instemt met deze woorden?«
Niemand antwoordde; maar vervolgens stond burgemeester Van der Laan op, en het achtbaar hoofd tot hem richtende, zeide hij op indrukwekkenden toon:
—»Heer Ripperda! lees in het diepst onzer ziel, dat gij ons aller tolk zijt geweest. Wat gij gesproken hebt, als bevelhebber, spreek ook ik, als hoofd van de burgerij, steeds gedachtig den eed aan een te vroeg gestorven held. Mijne heeren Tseraarts en Houtin! God zij met u op uw gevaarvollen tocht. God geleide u veilig naar den prins, onzen heer.«
Na deze woorden stonden allen op. Tseraarts en Houtin kruisten hunne zwaarden. Rondom de tafel gegroept, kruisten de anderen die met hen, en allen vernieuwden den heiligen eed van onbezwekenheid en trouw. Vervolgens herhaalde ieder den wensch van burgemeester Van der Laan, met betrekking tot de gevaarlijke onderneming; daarna beraadslaagde men over de wijze hoe, en eindelijk snelden allen naar hunne posten op de vest, terwijl Ripperda zich naar de woning van den Eenoog begaf.
Sedert acht dagen was deze niet op den wal geweest; ook had men hem de godsdienstoefening der Lutherschen in de kapel van het St.-Jacobs-Gasthuis—ter plaatse waar thans het Roomsch-Katholiek wees- en armhuis is—niet zien bijwonen, hetgeen hij anders nooit verzuimde. Daarentegen had de predikant iederen dag hem bezocht en uren bij hem doorgebracht, doch juist toen Ripperda zijne woning op de Bakenessergracht bereikte, ging er de gardiaan van het Augustijner klooster, Martinus van Herenthals uit. Ripperda groette dien braven geestelijke, van wien de Eenoog hem altijd met achting en eerbied sprak, zonder de zonderlinge betrekking tusschen hen slechts zijdelings op te helderen, en—vervolgens trad hij zelf het huis binnen.
In een langen tabbaard zat de onbekende; zijn gelaat was nog bleeker geworden, en verried de ongesteldheid des lichaams, welke toeneemt, wanneer de ziel wordt geschokt. Voor hem lagen eenige der voornaamste geestelijke liederen door dr. Mart. Luther, benevens een bijbel. Dit was eene Hollandsche vertaling van dien van Luther, door een ouderling van Emden, en zoo gebrekkig, dat men een paar jaar te voren in die stad het voorstel tot eene nieuwe vertaling gedaan had. Nochtans gebruikte men hem en veelal was er eene, veertien jaren vroeger door Guido de Brès te Rijssel vervaardigde Nederlandsche geloofsbelijdenis bij ingebonden. Dicht bij zijn stoel stond het verschrikkelijk tweesnijdend wapen, waarmede hij zooveel verwoesting onder den vijand had te weeg gebracht; overigens was er niets in het vertrek, dat de aandacht boeide; doch die bijbel, dat zwaard en de man zelf boeiden de aandacht reeds genoeg.
—»Wat brengt gij, heer?« vroeg hij, nadat Ripperda naar zijn welstand gevraagd had; en nu deelde deze het verhandelde in den Doele mede, met bijvoeging, dat Tseraarts en Houtin in een met kloeke roeiers bemand jacht zouden vertrekken, en dat zij een korf met duiven zouden medenemen.
—»Nog zijn al de duiven niet op de til terug,« was het antwoord; »er moeten er door den vijand geschoten of weggevlogen zijn. Ook zijn ze onrustig; zij schijnen de zwarte dagen te zien, die komen zullen; zij vreezen de terugkomst naar eene plaats, waar de engel van het verderf zal rondgaan.«
—»Dat kan zijn,« sprak Ripperda, »maar waartoe dat onheilspellend oog! Ik houd u voor een man van ijzer, en geen ijzer buigt immers, voordat de moker het met geweld treft?«
—»Al de mannen van ijzer zullen vergaan,« was het antwoord; dat wij vrij roepen: »Vergaan de vijanden! dat zij als kaf voor den wind door den storm van den krijg worden verstrooid. Zie, heer! de wapenen van die vijanden, flikkeren als eene donderwolk aan den betrokken hemel. De duisterheid zal zegevieren over het licht. Naar hooger plaats dus dan deze nietige aarde den blik gericht.«
—»Maar zoolang wij op deze aarde zijn,« sprak Ripperda, »moeten wij onzen arm niet laten verlammen door de gedachte aan eene donkere toekomst. God heeft ons allen een hart, bloed en kracht gegeven om tegen onze onderdrukkers te strijden; zoo die kracht verdwijnt, zoo ons hart verzwakt, bidden wij dan: God! geef ons eene roemvolle overwinning of een roemvol graf.«
—»Roem, wereldsche roem!« hernam de andere, »wat is die? Deze booze wereld met al haar roem is slechts een pluimpje, dat door den wind wordt heen en weer gejaagd, en nooit tot rust komt. Maar sterven in het geloof aan den Zoon van God, zie daar, wat onze roem zijn moet. Door het geloof alleen worden wij gerechtvaardigd. Zie,« en hij wees op den bijbel, »iedere dag en uur worde dat boek aan ons geloof getoetst. Eenmaal heb ik het als mijn groote mr. Luther omhelsd. Ik ben er om vervolgd en met vloek om beladen; maar ik zal er in sterven, onverwrikt: zoo ik de wereld kon koopen met al hare schatten en haar roem, en ik moest een duimbreed terugwijken, »weg er mee,« zou ik uitroepen, »weg met alles, wat door mot en roest vergaat: het geloof alleen blijft; door het geloof alleen worden wij gerechtvaardigd.««
Ripperda’s gelaat werd min of meer bewolkt. Den bijbel toetsen aan ons geloof! dat was vermetelheid, dat was heiligschennis in het oog van hem, die geleerd had, zijn geloof en ieder gedeelte daarvan geheel en alleen aan den Bijbel te toetsen; dat wondde het hart van den Calvinist, vol van het besef, dat zij Gods woord weer in zijn geschondene eer en ontzag herstelden, en daarnaar de Christelijke zeden regelden en hervormden. Die wonde deed met al den eerbied en het ontzag jegens de groote mannen, welke voor hen zooveel groots te weeg gebracht hadden, tevens bitterheid opwellen. Maar Ripperda, zoo meesterlijk heerschappij voerende over zichzelven, bedwong die bitterheid. Het verwijt van die dagen tegen de Lutherschen: »uwe rechtvaardiging om niet, is een stokpaardje voor logen en bedrog,« kwam niet over zijne lippen. Zijn edel gemoed wilde den man niet grieven, dien hij, in weerwil van diens dweperij, groote achting toedroeg om zijne onvergelijkelijke dapperheid, met wiens afkomst en lotgevallen hij wel niet volkomen bekend was, doch van wien hij wist, dat er een venijnige adder aan zijn leven knaagde, en die hem zelven als den bevelhebber der stad hoogelijk vereerde.
—»Zonderling mensch!« sprak hij »als Christen te leven, om eenmaal zalig te sterven, dat wilde ik reeds in mijne jeugd; en nu wil ik door het geloof, met vast vertrouwen, de toekomst tegenzien. Op aarde zij het geweten onze gids—in den Hemel waakt God. Maar wat wilt gij? de toekomst u donkerder en donkerder voorstellen, het zwaard laten rusten, en alleen door het geloof strijden?....«
—»Wat ik wil, heer? Ik wil bidden totdat ik sterf, en sterven zal ik, ofschoon één woord van mijn mond—het wegrukken van dezen band, die mijn oog bedekt, mij zou doen leven.—Wat ik wil? Op de snede van dat zwaard daar.... zit de dood. Daar zal ik mee strijden voor het geloof van mijn heer Luther, voor gerechtigheid, voor waarheid, tegen onderdrukking van vrijheid, valschheid op de lippen, onbarmhartig gezag; als een bliksem zal het hun tegemoet flikkeren; want aan Christelijk geloof voegt Christelijke heldenmoed. Maar, ach! waarom moet de vrijheid van geloof door zooveel bloed worden gekocht? het was toch niet onder het gekletter van staal en het rooken van bloed, dat de Zoon van God aan het menschdom liefde predikte. Liefde.... wat zeg ik? Niets dan haat woont er; niets dan haat en verachting viel ook mij ten deel; die haat en die verachting zullen mij volgen tot aan mijn dood; maar, zooals gij wèl zegt, heer Ripperda, in den Hemel waakt de Zoon van God, die enkel Liefde is.«
Hij vouwde de handen, hief met heilige geestdrift het oog naar boven, en scheen niet te denken, dat Ripperda zich in zijne tegenwoordigheid bevond. Met verwondering zag deze hem aan, en de vraag kwam op zijne lippen: »Christenheld, leg mij uw hart bloot; laat mij zien, wat worm daar knaagt, en bij mij zult gij liefde en vriendschap vinden.« Maar opeens trad de onbekende naar zijn zwaard, en met fonkelend oog het geduchte wapen op den bijbel leggende, riep hij uit: »Dit is het Evangelie van Christus! Het geloof zal niet vergaan!«.
—»En nu, heer!« zeide hij, »ga met mij naar mijne duiven.« Ripperda hem volgende, kwamen beiden op de achterplaats, waar de groote til er eene menigte van allerlei soort bevatte. Op zijne lokkende stem had er aanstonds groote beweging onder de gevederde dieren plaats en de meeste vlogen naar hem toe.
—»Maar hier woont de onschuld; deze dragen mij liefde toe,« zeide hij, »en dat ze niet meer allen terugkomen als vroeger, dat is geene ontrouw, geen verraad. Hoeveel wilt gij er, mijnheer?«
—»Veel behoeft niet,« sprak Ripperda, »want spoedig moet het lot van deze stad beslist worden. Een kleine korf van die, welke bijzonder tilvast zijn, zal genoeg wezen.«
—»Dus die te broeden zitten,« hernam de vreemde, »gij ziet, het getal is zeer groot; in den hoogsten nood, dien ik vooruit zie, kunnen ze tot spijze strekken; maar dan moeten ze uit mijn oog; de proviandmeester Deijman kome er dan de zieken en zwakken mee te hulp.«
—»Heb dank voor deze zorg,« zeide Ripperda aangedaan, »maar God geve, dat het zoover niet kome! Gelukt de gevaarlijke tocht van Tseraarts, dan zal Zijne Excellentie de stad bijstaan; aan het behoud van Haarlem hangt de hoop van heel het vaderland; en bidden wil ik als gij, dat die hoop niet verga!«
—»Ja, gebeden!« zeide de vreemde, »gebeden dag en uur; maar ieder dier gebeden zal alleen verhoord worden aan gene zijde van het graf.«
Nog spraken beiden eene geruime poos; en toen de bevelhebber van Haarlem de woning verliet, gevoelde hij zich innig geroerd.