De waarde in geld van de tabak, die in de Philippijnen
groeit, wordt geschat op vier à vijf millioen dollars, d. i.
één millioen pond sterling. Daarvan wordt bijna de helft
verbruikt op de eilanden, een vierde wordt uitgevoerd in den vorm van
cheroots (het gewone woord in het Oosten voor cigaren) en het
overige wordt in bladeren en cigaren naar Spanje gezonden, hetgeen
geschat wordt op eene jaarlijksche opbrengst van meer dan 800,000
dollars gemiddeld. De verkoop van tabak is een streng
gouvernements-monopolie, maar de onmogelijkheid om eenig geschikt
middel te vinden tot bescherming van dat monopolie is tastbaar zelfs
voor den minst aandachtigen toeschouwer. De landman, die verpligt is al
zijn product aan het gouvernement te leveren, zorgt eerst voor zich
zelf en voor zijne buren, en wendt het beste van den oogst voor eigen
gebruik aan. Buiten de hoofdplaats Manilla rookt men bijna niets anders
dan de cigarro ilegitimo, en op de hoofdplaats bemerkt
men dikwijls, dat de plant niet is uit de estanco
real. Van ambtenaren, die in staat zijn om het beste te verkrijgen
van hetgeen het gouvernement ter markt brengt, kan men dikwijls een
geschenk krijgen, dat aantoont dat zij zich met iets beter dan het
beste kunnen bedienen. En als men met de verstandigsten van de
empleados er over spreekt, dan stemmen zij toe, dat de
emancipatie van den producent, van den bewerker en van den verkooper,
en de invoering van een eenvoudig regt veel voordeeliger voor de
staats-inkomsten zou wezen, dan het tegenwoordige knellend en onmagtig
stelsel van privilegie.
De inkomsten van de tabak zijn verbazend toegenomen; zij bedroegen
zuiver
|
|
|
|
|
|
Gemiddeld jaarlijks. |
| van |
1782 |
tot |
1785 |
260,597 |
dollars |
86,865 |
|
|
1786 |
|
1800 |
4,950,101 |
|
330,006 |
|
|
1801 |
|
1815 |
7,228,071 |
|
481,871 |
|
|
1816 |
|
1830 |
8,403,368 |
|
560,225 |
|
|
1831 |
|
1835 |
3,707,164 |
|
741,433 |
|
|
1836 |
|
1839 |
4,990,011 |
|
1,247,503 |
Sedert dien tijd heeft het product meer dan vierdubbele waarde
verkregen.
In 1810 werden afgeleverd 50,000 balen (van twee aroba’s), waarvan
Gapan 47,000 en Cagajan 2,000 opbragt. In 1841 leverde Cagajan 170,000
balen, Gapan 48,000 en Nieuw-Biscaje 34,000. Maar de productie nam
verbazend toe, en zóó groot is de consumptie van de inlanders,
waarvan een groot deel geene regten betaalt, dat het niet gemakkelijk
zou zijn om zelfs approximatief de hoeveelheid en de waarde van den
geheelen tabaksoogst te schatten. Waar de fiscale autoriteiten
zóó schaarsch en bedorven zijn;—waar de
communicatie zoo gebrekkig en somtijds geheel afgebroken is;—waar
groote streken land in het bezit zijn van stammen, die in het geheel
niet of onvolkomen onderworpen zijn;—waar zelfs onder de meer
beschaafde Indianen de eigendomsregten maar ruw zijn afgebakend en het
burgerlijk gezag onvolkomen wordt gehandhaafd;—waar smokkelen,
hoewel met eenig gevaar gepaard gaande, door bijna niemand als een
vergrijp wordt beschouwd en de hoogste ambtenaren zelf cigaren van
contrabande rooken en ze hunne gasten aanbieden, omdat ze zoo heerlijk
zijn;—daar mag men wel onderstellen, dat losse wetten, losse
zeden en losse practijken met elkander in harmonie zijn, en dat een
staat van zaken, als die, welke in de Philippijnen bestaat,
er het noodzakelijk en onvermijdelijk gevolg van moet zijn. Het is
genoeg, om de kosten van het ruwe materiaal te vergelijken met de
waarde van het bereide artikel, om de groote winsten, die er mede
behaald worden, te zien. Een quintaal tabak geeft 14 kisten, elk van
1,000
cigaren, waarvan de waarde tegen 6½ dollar per kist bedraagt ...
87.50 doll.
| Het quintaal tabak kost |
5.00 |
doll. |
|
|
| Bereiding |
5.25 |
|
|
|
| 14 kisten tegen 2 realen |
3.50 |
|
13.75 |
|
| Winst |
|
73.75 |
doll. |
De cheroots (cigaren) worden in twee vormen vervaardigd;—die
van de Havannah, waarvan het kleinste einde tot een punt wordt
gedraaid,—of aan de beide einden afgesneden, de gewone
Manilla-vorm. Er bestaan verschillende kwaliteiten van, zoo als: eerste
grootte, 125 in een kistje—1ste Regalias, 1ste Caballeros en
Londres; tweede grootte, 250 in een kistje—2de Regalias en 1ste
Cortados, 2de Caballeros, 1ste Havannas (gewone grootte en die
gewoonlijk in gebruik zijn, nos. 2 en 3 worden het meest
gevraagd); 500 in een kistje—nos. 2, 3, 4 en 5
Havannas, 2 en 3 Cortados. Behalve deze worden er nog ongehoorde
hoeveelheden papier-cigaren (cigarillos) door de inlanders
verbruikt. Zij worden verkocht in pakjes van 25 tegen 5 cuartes; 30
tegen 5⅓ cuartes; 36 tegen 5 5⁄7 cuartes.
De prijzen bij de estanco voor deze cigaren per kistje, zijn
aldus:
| Imperiales |
een kistje van |
125 |
cigaren |
3,750 |
dollars. |
| Regal. en Caball. |
|
125 |
|
3,125 |
|
| 1 Hav. 1 Cortad. |
|
250 |
|
3,500 |
|
| 2
2
|
|
500 |
|
4,000 |
|
| 3
3
|
|
500 |
|
3,500 |
|
| 4
|
|
500 |
|
3,000 |
|
| 5
|
|
500 |
|
2,500 |
|
| Londres |
|
125 |
|
1,875 |
|
Naar deze laagste prijzen worden orders gegeven op de maandelijksche
openbare verkoopingen. De vraag is zóó groot, dat men
moeijelijk iets anders dan versche cigaren kan krijgen, die men 2
à 3 jaar moet bewaren, vóórdat zij goed zijn.
De ontvangst van de tabak en de bereiding van de cigaren staan onder
eene administratie, waarvan de hoofdzetel te Manilla is. De magazijnen
beslaan eene onmetelijke uitgestrektheid en waarschijnlijk vinden wel
20,000 menschen bezigheid in de bereiding van dit artikel van weelde,
om maar niet diegenen te noemen, welke bij de productie worden
gebezigd. De provinciën, waar inrigtingen zijn voor de ontvangst
van tabak, zijn Cagajan, La Isabela, Nieuw-Ecija, La Union, Abra en
Cajan. De grootste cigaren-fabrieken zijn in Binondo (Manilla) en
Cavite, gelegen in de provincie van dien naam.
Fr. Blanco beschrijft volgenderwijs de Nicotiana
tabacum op de Philippijnen: «Het is eene jaarlijksche plant,
ter hoogte van een’ vadem opgroeijende, die de tabak levert voor
de estancos (régie). Hier, even als overal,
verschillen de kwaliteit en smaak. Over het algemeen prefereert men de
tabak van Gapan, maar die van de Pasy-districten, Laglag en Lambunao in
Iloilo, van Maasin of Leyte, wordt om de fijne aroma verkozen, evenzeer
als die van Cagajan, wanneer die eenige jaren oud is, daar zij anders,
even als de tabak van het eiland Negros, den mond verbrandt. Het is een
bedwelmingmiddel en veroorzaakt meermalen opzwellingen. Het rooken is
niet ongezond en zelfs noodig in deze streken; zij verdrijft
slijmachtigheid en is een heilmiddel voor de gevolgen der vocht en de
ochtendmist; zij is dan alleen nadeelig voor de gezondheid, wanneer men
er een onmatig gebruik van maakt. Snuif verdrijft de hoofdpijn en
naargeestigheid. Een klein stukje gerookte tabak aan een stokje, voor
den neus van de hagedis gehouden, die hier de chacon
(waarschijnlijk de ghiko) genoemd wordt, veroorzaakt haren
onmiddellijken dood. «Dit is eene wreede gewoonte» (voegt
de pater er bij), daar dit insect zeer nuttig is; het vernielt toch een
aantal andere schadelijke insecten; bovendien bevredigt zijn sissen den
bijgeloovige, die denkt, dat gedurende den tijd dat het zijn geluid
doet hooren, er geene aardbevingen of watervloeden zullen plaats
hebben.»
De Alcalde-major van Cagajan zeide mij, dat
hij in 1858 uit die provincie voor niet minder dan 2 millioen dollars
aan waarde van tabak naar Manilla zond. Het is de beste soort van de
Philippijnen en wordt in bladen naar de hoofdstad gezonden. Hij
spreekt met zeer veel lof van het karakter der
Indianen; hij zegt dat zij zelden oneerlijke daden plegen en dat men
zeer gerust goederen door de provincie kan zenden. De hoeveelheid
verzonden bladen bedroeg 300,000 balen, die in zeven kwaliteiten waren
verdeeld, waarvan de prijzen van 2 tot 7 realen per quintaal beliepen
en eene aanzienlijke winst opleverden. De tabak, die de inlanders
gebruiken, is niet aan het monopolie onderhevig, en op mijne vraag
hoeveel een cigaar in Cagajan kostte, luidde het antwoord:
«Casi nada» (Bijna niets). Zij
worden wel is waar niet zoo goed gerold als die van de
gouvernements-tabak, maar de ruwe grondstof is toch de beste.
In de navraag naar het belangrijke artikel koffij in Australië
en Californië zal waarschijnlijk in den loop van tijd ruim door
den Spaanschen Archipel voorzien worden. In de wijze van productie
leveren de Philippijnen niets eigenaardigs op. Wanneer de grond is
gezuiverd (op eene groote uitgestrektheid door vuur), wordt hij gedigt,
de bodem bereid en na gedurende twee of drie dagen onder water gezet te
zijn, worden de spruiten dan in de daartoe gemaakte gaatjes gestoken,
waarna zij in het volgende jaar kunnen worden afgesneden. Het gebruik
van de ploeg vermeerdert het product niet weinig. De kultuur van suiker
breidt zich snel uit. De oogst heeft gewoonlijk van Maart tot Mei
plaats. Vier groepen arbeiders worden daarvoor gebruikt; de snijders en
karrevoerders in het veld, de slijpers en kokers in de fabrieken. In de
wijze van behandelen zijn allengs verbeteringen ingevoerd, naar mate
grooter kapitalisten en meer energieke aanplanters zich voordoen,
terwijl de vestiging van raffinaderijen, die toeneemt, menige gelukkige
verandering zal te weeg brengen. Vele ruwe suiker, die ik te Manilla
zag afleveren om er brooden van te maken, zag er veeleer als modder dan
wel als een kostbaar levensgenot uit. Hoezeer langzaam, gaan de
verbeteringen toch voort, en de tegenwoordigheid van een aantal
Chinezen in de verschillende afdeelingen van de fabrieken is daarvan
wel het sterkste bewijs. Deze Chinesche werklieden bezitten gewoonlijk
groote practische kennis. Zij komen meestal van Fokien, eene provincie,
waarin de suiker-productie op groote schaal plaats heeft en waar men
groote suiker-raffinaderijen vindt, het meest echter van de
kandij-suiker, in welken vorm de Chinezen gewoonlijk de
suiker aankoopen ter consumptie, waarvoor zij ze dan tot poeder
vermalen. Ik heb verscheidene uitgestrekte etablissementen te
Chang-chow-foo, ongeveer 30 mijlen van Amoy, bezocht, zijnde eene
haven, van waar veel uitgevoerd wordt.
Er bestaan verscheidene soorten van het suikerriet. De
zambales wordt tot voedingsmiddel gebruikt; de encarnado
(roode), morada (purperkleurige), blanca (witte) en
listada (gestreepte), leveren de siroop voor de fabrieken. Het
planten der spruiten geschiedt tusschen Februarij en Mei. Het onkruid
wordt door de ploeg verdreven en de planten worden binnen tien of
twaalf maanden rijp. In sommige provinciën worden hoeveelheden
voor drie achtereenvolgende jaren gebouwd; in anderen laat men den
grond een geheel jaar door rusten, waarin dan maïs of andere
producten groeijen. Wanneer het afgesneden is, wordt het riet naar
molens gebragt, die de inlanders kabajavan noemen, om
vermalen te worden. De molens bestaan uit twee cylindrische steenen met
tanden van het molave hout; een buffel draait het wiel en het sap wordt
aan de kokers gezonden. De verbeteringen van het Westen zijn
langzamerhand ingevoerd en een tal oeconomische vorderingen hierin
gemaakt. Vermeerderde navraag, uitgebreider cultuur en bovenal de
aanwending van grootere kapitalen en meerdere vlijt, zullen
ongetwijfeld de Philippijnen tot een der grootste producerende landen
maken. Er zijn vele tabellen gepubliceerd, waaruit blijkt dat de
gemiddelde jaarlijksche winst op de koffijkultuur van 20 tot 30 pCt. en
in sommige provinciën nog veel meer bedraagt.
Rijst, die veel minder geproduceerd wordt, rekent men dat eene
gemiddelde jaarlijksche winst van 12 à 20 pCt. oplevert; Turksch
koren geeft eene gemiddelde winst van ongeveer 20 pCt.; die op
kokosnoten kan ongeveer gelijk gesteld worden met de winst op rijst,
maar de conditiën zijn zoo verschillend dat men hieromtrent
moeijelijk eene bepaalde rekening kan maken. Men kan echter als vrij
zeker aannemen, dat geld, met gewone voorzigtigheid in
landbouw-producten gestoken, een interest van 20 à 30 pCt.
oplevert.
De consumptie van rijst is algemeen en het overschot van den oogst
wordt op de Chinesche markt gebragt. De verschillende soorten van rijst zijn door ons reeds vroeger
besproken, maar men kan dit product onder de twee algemeene benamingen
van water- en bergrijst classificeren. De waterrijst wordt
even als in Europa en Amerika verbouwd; het zaaijen van de drooge rijst
heeft gewoonlijk vóór het zaaijen van de waterrijst, op
het einde van Mei plaats. Zij is gewoonlijk breeduit op de heuvels
geplant, moet zorgvuldig nagezien en gewied worden en wordt in 3
à 4½ maand rijp. Zij wordt aar voor aar ingeoogst.
Fr. Blanco beschrijft vier soorten van water- (de
agua) en vijf van bergrijst (secano). Van de eerste soort
wordt de lamujo (Oryza sativa lamujo) het meest verbouwd,
vooral in Batangas. De getande rijst (Oryza aristata)
groeit in Ilocos. Van de bergrijst wordt die, quinanda (Oryza sativa quinanda) genaamd, als de beste geacht. De bouw
van de waterrijst begint met de bereiding van zaadgaatjes (semillero), waarin, bij het begin van den regen-mousson, het
zaad wordt geworpen, na eene volkomene bezwangering van den grond met
water, waarvan verscheidene duimen op de oppervlakte blijven liggen.
Het ploegen en eggen levert eene massa vochtigen modder op. Gedurende
het groeijen van het zaad, wordt de irrigatie voortgezet en na zes
weken kan het gewas op de rijstvelden worden overgeplant. Mannen
trekken gewoonlijk de planten uit en brengen die naar de velden over,
waar vrouwen, op de knieën gelegen, de planten afzonderen en ze in
gaatjes steken, die op geregelden afstand van ongeveer 5 duim van
elkander verwijderd zijn. Men laat ze dan eenige dagen liggen om wortel
te schieten, waarna de gronden op nieuw geïrrigeerd worden. De
rijst groeit ter hoogte van iets meer dan een el en kan na verloop van
vier maanden worden ingeoogst. Het is een gewoon gebruik om iedere aar
afzonderlijk af te snijden met een instrument, waarvan de Indiaansche
benaming jatap is. In sommige plaatsen wordt een sikkel
gebruikt, dien men lilit noemt. Aan den lilit bevindt zich een
haak, waardoor verscheidene aren worden verzameld, die, met de
linkerhand bijeen genomen, door de sikkel, in de regterhand, worden
afgesneden. De oogst van waterrijst verschilt van dertig- tot
tachtigvoudig.
De bergrijst wordt breed uit gezaaid, nadat er geploegd en
geëgd is, terwijl buffels worden gebruikt om het zaad in den grond
te trappen. Somtijds wordt hiervoor meerdere
zorg gedragen en maakt men gaatjes op geregelde afstanden, waarin drie
of vier rijstkorrels worden geworpen. Eene zorgvuldige bebouwing en
uitroeijing van onkruid moet eene honderdvoudige opbrengst geven.
Pater Blanco beweert, dat een derde van den rijstoogst te loor gaat
door de willekeurige en nonchalante wijze, waarop het rijp geworden
bewerkt wordt.
De Philippijnen leveren ongetwijfeld een groot veld voor de
indigo-kultuur op, maar deze is verwaarloosd en men heeft niet genoeg
zorg voor de fabricatie gedragen. De planters beweren dat men in Europa
een vooroordeel heeft tegen indigo van Manilla; maar zulk een
vooroordeel kan alleen uit de ondervinding ontstaan zijn en zou door
grootere zorg van de zijde der planters, fabrikanten en exporteurs uit
den weg geruimd kunnen worden. De oogst is nogtans onzeker en wordt
dikwijls beschadigd of vernield door onstuimig weder en door
verwoestingen der rupsen. Het zaad wordt breed-uit, onmiddellijk na het
gematigde jaargetijde, geplant. Het groeit snel, maar het onkruid, dat
te gelijker tijd opkomt, moet uitgeroeid worden. Het kan in de
regenmaanden, meestal in Junij, worden ingeoogst. Al de noodige
bewerkingen worden niet naar de verbeterde wijze van Britsch-Indië
gemaakt, maar zoo als de Spanjaarden die ingevoerd hebben. De Indianen
gebruiken, even als de Chinezen, de verw in zijnen vloeibaren
toestand.
De consumptie van den betelwortel is ongeloofelijk groot. Er
bevinden zich in de stad Manilla 898 magazijnen en winkels, waarvan in
429 (of ongeveer de helft) geprepareerde betel of de grondstoffen tot
bereiding daarvan worden verkocht. In twee magazijnen wordt het blad,
waarin de areca-noot wordt gewikkeld, in ’t groot verkocht; men
vindt 105 winkels voor dit artikel in het klein, terwijl men in 308
winkels voor onmiddellijk gebruik verkoopt de noot met de kalk voorzien
van den bujo (blad van sirie), die dadelijk gebruikt wordt en eene nog
grooter behoefte voor den inwoner is dan de rijst, die hij eet, of het
water, dat hij drinkt.
Van de areca geeft Pater Blanco, in zijne Flora de Filipinas,
het volgende berigt: «Deze soort van palm, waarmede iedereen
bekend is en die, even als de vrucht, door de
Indianen bonga wordt genoemd, groeit tot de gemiddelde hoogte
van den kokosnotenboom op. De stam is aan de basis dunner dan bovenaan,
zeer regt op, terwijl er zich verscheidene rondten aan bevinden door de
vereeniging der bladen, voor dat zij afvallen, als zij tot eene zekere
hoogte gegroeid zijn. Het gebruik van de noot, die eenigzins kleiner is
dan een kippenei, is wel bekend. Als er gebrek is aan de bonga,
gebruiken de Indianen de bast van de guava of van de antipolo
(Artocarpus). Met kalk en het peperblad vermengd, maakt zij het
speeksel rood. De Indianen gebruiken dit speeksel voor hunne kinderen
als een middel tegen de koliek en de werking van de koude lucht. Rijp
zijnde, is de vrucht rood en kan zij, naar ik meen, als een roode
verwstof gebruikt worden. Met koperrood maakt het een zwart kleursel
uit, maar in minderen graad dan die van de aroma. Het lagere gedeelte
der bladeren, talupac genaamd, is zeer zuiver, breed, wit en
buigzaam; zij dienen uitmuntend om iets in te wikkelen en strekken tot
veel nuttige doeleinden. De spruiten worden gezouten en gegeten en
smaken zeer goed; maar als zij afgesneden worden sterft de
boom.»
Pater Blanco zegt van de sirie (Pimenta betel), waarvan de
bladen tot omhulsels voor de areca-noot en kalk worden gebruikt:
«Deze plant is algemeen bekend, ten gevolge van het veelvuldige
gebruik van de betel of bujo, zooals de Spanjaarden de betel
noemen. Die van Pasay, nabij Manilla, wordt als goed erkend; die van
Banang, in Batangas, is de beste van die provincie en waarschijnlijk
boven de betel van Pasay te verkiezen. De boom vereischt een eenigzins
zandachtigen bodem; maar wanneer hij, zooals in Pasay, te zandachtig
is, verhelpt men dit door visch of den bast van de Ajonjoli
(Turksch koren), of van andere olieachtige vruchten als mest te
gebruiken. De boom moet veelmalen van water worden voorzien. De wortels
worden na een jaar vernieuwd, maar wanneer men ze laat doorgroeijen,
komen bloemen als de litlit (Piper obliquum) voort. De vrucht
wordt door de inlanders poro genoemd. Van den Piper
parvifolium wordt een bedwelmende drank gemaakt. De Indianen
gebruiken de bladen als een voorbehoedmiddel tegen de cholera. Al de
soorten van Piper zijn nuttig tegen slangenvergift. De wond
wordt eerst gekorven, en òf het sap òf de gekookte
bladen van de plant daarop gelegd en dikwijls
verwisseld. «Ik werd eens ontboden»—zegt de schrijver
van de Flora van de Antillen—«bij een neger, die
door een slang in de dij gebeten was. Het gif had reeds
verschrikkelijke verwoestingen gemaakt. Alle hulpmiddelen der kunst
hadden niets gebaat. Thans verscheen een neger en vroeg bladen, ten
einde de gewone wijze van genezing toe te passen. Daar geen hoop op
herstel meer scheen te bestaan, aarzelde ik niet. In weinige
oogenblikken werd de voortgang van het gif gestuit door het eenvoudige
gebruik van Piper procumbens. Bij de derde maal was de
genezing voltooid.»
Van de gewassen der Philippijnen mag de bamboe het uitgebreidste,
het nuttigste en het schoonste genoemd worden. De gracieuse groepen van
Canas (zijnde de Spaansche benaming; in het Tagaleesch heet het Bocaui)
behooren onder de bekoorlijkste sieraden van het eiland en zijn met
kwistige hand en in groote verscheidenheid aan de oevers van stroomen
en rivieren, op heuvels en in vlakten verspreid, digt bij de
woonplaatsen der inlanders. Het gedruisch der ligte takken, die bij het
minste koeltje bewogen worden, geeft eene voortdurende levendigheid aan
het landschap, terwijl zij tot dagelijksch gebruik voor het volk
dienen. De Bambus arundo groeit hoog op en zijn riet bedraagt
soms meer dan 8 duim in middellijn. Men vindt er wel eens een kleine
steen, tabaxir genaamd, in, waaraan de Indianen wonderlijke
geneeskundige hoedanigheden toeschrijven. De Bambus lumampao en
de lima zijn zoo hard, dat het hout gebruikt wordt om brons te
polijsten. De bamboes dient tot velerlei gebruik: voor het voedsel van
mensch en dier; tot de wapens, waarmede men hun het leven ontneemt;
voor de huishoudelijke gemakken; voor de benoodigdheden tot den arbeid;
voor den bouw van bruggen, die soms honderde voeten lang zijn en
waarover zwaar geschut gerust kan trekken; voor scheeps- en bouwwerk;
voor schuilplaatsen, voor woningen en alle soorten van huishoudelijke
zaken; voor vaatwerk van alle grootte om te bewaren en buizen om water
of andere vloeistoffen te leiden; voor matten, voor palissaden, voor
schavotten, voor muziek-instrumenten, zelfs tot orgels in de kerken;
voor honderdlei voorwerpen van vermaak, kortom voor alle benoodigdheden
des levens. Op deze ruwe stof maakt de ruwe kunstenaar zijne proeven;
takken, stammen, wortels, bladen, alles heeft zijn nut. Er
bestaat eene weelderige productie van, die echter nog zeer vermeerderd
kon worden door zaaibedden en snoeijen. Sommige bamboes groeijen zeer
hoog op. Die, welke de inlanders cauajang totoo en de
Spanjaarden caña espino noemen, bereikt eene hoogte
van 40 tot 50 voet, terwijl de stam meer dan 8 duim in middellijn
bedraagt. Een der gedeelten daarvan kan somtijds twee maatjes haver
bevatten. Eene infusie van deze bamboe is vergiftig voor dieren, maar
de bladen worden door paarden en rundvee gegeten, terwijl de jonge
spruiten tot salade voor menschen dienen. De cauajang
quiling (caña macho van de Spanjaarden) groeit
tot eene hoogte van ongeveer 40 voet, terwijl de stam de grootte van
een mansarm heeft. De dikte van den bast en de geringe holte maken deze
soort tot de sterkste; zij wordt gebruikt om lasten op de schouders te
dragen; een vierde van den geheelen stok, ter lengte van twee el, in
tweeën gespleten, kan een grooter gewigt dragen dan een man. Het
riet heeft eene buigzaamheid dat den last voor den drager verligt. De
verschillende soorten van de bamboe zijn moeijelijk te tellen. Het
inwendige van de osin levert eene witte zelfstandigheid op, dat tot
geneesmiddel voor ziekten van de uriën en van het oog dient.
Ik heb eens hooren zeggen dat het kristallen paleis bij London met
verschillende voorwerpen van bamboe kon worden gevuld. Uitgenomen het
glas, kon het paleis zelf alleen uit deze grondstof zijn vervaardigd,
en de opzigters van het gebouw met kleederen, hoeden en strafwerktuigen
van bamboe worden voorzien. De boomen zouden een botanischen tuin met
in verscheidenheid en schoonheid uitmuntende vormen en kleuren vullen,
en zoo schilder- en dichtkunst, waarin de bamboe eene voorname plaats
bekleedt, wierden toegelaten, zouden de zalen van de Louvre niet
toereikend zijn voor de schilderijen en rollen van bamboe.
De verschillende soorten van riet, rottingen en dergelijke van de
Calamus-familie, zijn van groot gewigt en hebben veel waarde. De
palasan is dikwijls 300 voet lang en in Mindanao moet men er van
driemaal deze lengte gevonden hebben. Zij worden voor koorden en kabels
gebruikt; maar daar de vezels verdeeld kunnen worden, tot een zeer
fijnen draad toe, worden zij tot fijne weefsels bearbeid, waarvan
sommige, in den vorm van sigarenkokers en hoeden, tot ontzagchelijke prijzen worden verkocht. Wanneer
zij niet aan rook blootstaan, zijn de vezelen zeer duurzaam en kunnen
de insekten weêrstand bieden.
De inlandsche benaming voor hennep is anabo; de Spaansche
canamo; maar de ruwe stof, die in den handel als manilla-hennep
bekend is, wordt in de Philippijnen, volgens de Indische benaming,
abaca genoemd. Het is een zeer belangrijk artikel van uitvoer
geworden. In het jaar 1858 toch werden niet minder dan 25,000 tonnen
uit Manilla alleen naar vreemde landen verscheept. Van deze hoeveelheid
ontving Groot-Brittannië ongeveer een vierde, en het overige
gedeelte ging naar de Vereenigde Staten. Naast suiker en tabak neemt de
hennep de eerste plaats op de lijst der uitgevoerde producten in. Zij
wordt niet alleen voor touwwerk, maar ook in de weeffabrieken gebruikt.
Het is de vezel van eene plantaansoort—de Musa trogloditarum
textoria.—Dampier zegt, dat zij alleen op het eiland Mindanao
voorkomt; maar zij groeit daar tegenwoordig in onbeduidende hoeveelheid
tegenover de productie van Luzon, Panay en andere eilanden van den
Archipel. Naar de fijnere kwaliteiten is een belangrijke vraag voor de
weverij en deze worden, in den regel, zorgvuldiger behandeld. Zij neemt
gemakkelijk roode en blaauwe verw aan; hiervoor neemt men de
morinda en marsdenia, inlandsche planten. Men zegt, dat
de vrucht kan gegeten worden, maar ik heb ze nergens op die wijze zien
gebruiken en geloof ook niet, dat zij met de beste der heerlijke
plantanen van de Philippijnen kan wedijveren. Pater Blanco zegt, dat
van deze niet minder dan 57 soorten bestaan. De inlandsche benaming is
saguing. Er zijn curieuse traditiën aan deze vrucht
verbonden. De Arabieren zeggen dat zij in de wereld is gebragt door
Allah, toen de Profeet zijne tanden verloor en niet langer de dadel kon
nuttigen. Zij wordt somtijds Adams voorschoot genoemd, in de
veronderstelling dat Adam en Eva met de bladen van deze plant hunne
naaktheid hebben bedekt. Zij wordt algemeen gebruikt, zoowel raauw als
op verschillende wijzen gekookt.
De koffij-kultuur zou zeer uitgebreid kunnen worden. Voor dit, en
trouwens voor elk tropisch product, bestaat naauwelijks eene grens voor
de door niemand toegeëigende landen, die tot de
productie daarvan geschikt zijn. Sommige soorten der koffij zijn van
uitmuntende kwaliteit, bijna niet te
onderscheiden van die uit Arabie, ofschoon over het algemeen is zij
minder goed.
Er bestaat inderdaad een merkwaardig contrast tusschen de groote
verbeteringen, die in den Nederlandschen Archipel en de Britsche
koloniën, Ceylon bijv., hebben plaats gehad en de stagnatie, door
de te stationnaire gewoonten van den Indiaanschen producent,
veroorzaakt. Hij let weinig op eene goede keus van den bodem, de
temperatuur of hoogte van den grond, de keus van het zaad, de snoeijing
van den boom, de verzorging van de vrucht, de afscheiding van de
buitenbasten en andere bijzonderheden, die tot de betrekkelijk geringe
uitbreiding van de koffij-productie kunnen gerekend worden bij te
dragen, vooral als men de ontzaggelijk toegenomen vraag naar dat
artikel in aanmerking neemt en de wonderbaarlijke ontwikkeling van die
kultuur in Nederlandsch Indië, Ceylon en elders.
De qualiteit van de cacao is uitmuntend en ik heb nergens beter
chocolade gedronken dan op de Philippijnen, maar de boom wordt meestal
tot eigen gebruik van de eigenaars geplant. Vooral in de kloosters zijn
de monniken trotsch op hunne chocolade, die onder hun toezigt en uit
vruchten van hunne eigene gronden en tuinen wordt bereid. De keuze van
grond en plaats vereischt hierbij eenige aandacht; verder wordt de
vrucht ingezameld als zij rijp is en behoeft, na het afnemen van den
buitenbast, slechts in de zon gedroogd te worden.
De vrucht wordt in November gezaaid en de schaduw van den banaan
dient tot hare bescherming. De cacao van Zebu moet even goed zijn als
die van de Caracas. Op het eiland Negros bestaat eene groote productie
van zelf. De Indiaan slurpt de cacao in suikersap op en op vele
plaatsen wordt de drank tweemaal daags genuttigd.
De aanvoer van katoen is eene van de meest belangrijke
kwestiën, voor zoover de Engelsche fabriek-bevolking betreft, en
ik was verwonderd over de bekrompenheid, de parva sapientia, die
zoo velen betoond hebben, welke hunne aandacht aan dit onderwerp hebben
gewijd. De verwachting dat het Negerland (Afrika) in staat zal
zijn het bestaande vacuum in het aanbod aan te vullen, is eene
ijdele hoop, ontstaande uit de onbekendheid met
het karakter en de gewoonten van de inlandsche stammen, die in
teleurstelling en kwelling zal eindigen. Het vermogen van Britsch
Indië is groot en de elementen van welslagen worden daar gevonden;
maar het vermogen van China is veel grooter en ik meen dat, zoo in twee
of drie jaren China in staat was om ruwe zijde tot eene waarde van tien
millioen pond sterling naar de markt te verzenden en onmiddellijk in
het gebrek aan Europeschen voorraad te voorzien, wij dan ook uit China
later een onbeperkten toevoer van ruw katoen kunnen voorzien; thans
reeds worden meer dan 350 millioen zielen van zijn eigen volk door
zijne katoenvelden gekleed. De prijzen in China zijn bijna gelijk met
die van Indië, zoodat, ofschoon daardoor een invoer tot eene
jaarlijksche waarde van 2 of 3 millioen pond sterling in de zuidelijke
provinciën van China kan plaats hebben, van invoer in het Noorden
bijna geene sprake kan zijn. De qualiteit, de wijze van kultuur, van
reinigen, van pakken, alles is voor groote verbeteringen vatbaar; hunne
belangen zullen de Chinezen wijs maken, zoodat de Yang-tse-Kiang het
kanaal tot oplossing van de katoen-kwestie kan worden.
Er bestaat geene bepaalde reden waarom katoenen wol niet op grootere
schaal uit de Philippijnen wordt uitgevoerd. Zij wordt goedkoop
geproduceerd en kan volgen op den oogst van de bergrijst. Er is een
binnenlandsche aanvraag voor, die den planter schijnt te bevredigen,
daar katoen bijna opgehouden heeft een artikel van vreemden handel te
zijn. De stapel wordt gezegd klein te zijn. De plant groeit jaarlijks
en levert den oogst binnen twee of drie maanden, nadat zij gezaaid is.
Zij wordt in de middagzon ingezameld, voordat de regen-mousson invalt,
die de plant en het zaad vernielt.
Kokosnotenboomen (Cocos nucifera), die de Tagalezen
Nioc noemen, dragen veel bij tot sieraad, gemak en de welvaart
voor de inlanders. Stam, tak, blad en vrucht, alles strekt tot nut. Van
het sap worden olie, wijn en geestrijke dranken gemaakt. De bast wordt
voor run en touw gebruikt; de schil van de kokos wordt uitgeperst en in
verschillende vormen gesneden voor lepels, koppen en huishoudelijke
benoodigdheden; de gebrande schil dient om
zwart te verwen. De stam maakt dikwijls den vorm, de bladen het
dak van de Indiaansche huizen uit. De vezelen
der bladen worden tot kleederen verwerkt; die van de vrucht tot
borstels. Het merg wordt gegeten of in gebakken gedaan, terwijl aan de
melk zeer veel geneeskracht wordt toegekend. De wortel dient,
geroosterd, tot genezing van dysenterie.
Een Spaansche schrijver zegt dat een Indiaan niets dan zijn
cocal (kokostuin) behoeft om gemakkelijk te leven. De boom geeft
hem water, wijn, olie, azijn, voedsel, touw, koppen, borstels,
bouwmaterialen, zwarte verw, zeep, dak voor zijn huis, touwen voor
zijn’ rozenkranzen, paklinnen, roode verw, medicijnen, pleister
voor wonden, licht, vuur en verscheiden andere benoodigdheden. Na zeven
jaar levert zij vruchten op. Deze goede natuurgaven mogen al niet de
helpers en bevorderaars zijn der beschaving, toch dienen zij tot
vergoeding die het woeste leven dragelijk, en zoo al niet genotrijk,
bijna gelukkig maakt.
Tegenwoordig groeit slechts eene zeer kleine hoeveelheid peper,
ofschoon dit vroeger een der hoogst geschatte producten der eilanden
was. Men zegt dat de Indianen al hunne peper-plantaadjes vernielden,
ten gevolge van bedrog, jegens hen door de kooplieden uit Manilla
gepleegd.
Pogingen om sommige der meer kostbare specerijen in te voeren, als
kaneel en noten-muskaat, zijn niet geslaagd.
Vruchten vindt men in overvloed. Er zijn niet minder dan 57 soorten
van den banaan. De Manilla mango is overal in de Oost beroemd. Men
vindt vele soorten van oranje-appelen, ananassen in groote hoeveelheid,
guavas, rozen-appelen, terwijl men de mangostan in Mindanao heeft. De
chico is de geliefkoosde vrucht van den winter; zij heeft veel
overeenkomst met den medlar en is uitvoeriger beschreven in het anders
onvolledige werk, de Flora van Pater Blanco.
Onder de rijkdommen van de Philippijnsche eilanden, bekleeden de
boomen der bosschen eene voorname plaats. Eene verzameling van 350
soorten werd gezonden naar de wereld-tentoonstelling van Londen, in den
vorm van prisma’s. In het jaar 1858 publiceerde kolonel Valdes
een verslag over den aard en de deugdelijkheid van het Philippijnsche
hout voor woningen (maderas de construccion). De
stukken, waarmede men proeven deed, waren dobbelsteenen van 1
duim en kegels van een vierk. duim en 1 el breedte. Het hout werd een
jaar lang gedroogd. Met elke soort werden vijf proeven genomen en de
gemiddelde resultaten op het rapport gebragt1.