Wij reden op den dertienden Januari, omstreeks vier uur in den achtermiddag, door de Porta del Popolo, de Eeuwige Stad binnen, en kwamen onmiddellijk—het was een donkere, modderige dag, en het had hevig geregend—aan de uiterste grenzen van de vastenavondvreugd. Wij wisten toen nog niet, dat wij alleen het uitschot der gemaskerden zagen, die langzaam de Piazza rondreden, totdat zij eene goede gelegenheid konden vinden om tusschen de massa rijtuigen en ter goeder tijd in het midden van de vreugd te geraken. Maar wij voor ons, zoo plotseling er tusschen te komen, bestoven en vermoeid door de reis, waren niet goed voorbereid om het tooneel te genieten.
Wij waren twee of drie mijlen te voren over den Tiber getrokken, bij de Ponte Molle. Hij zag er zoo geel uit als hij behoorde te zien, en beloofde, terwijl hij tusschen zijne oude en modderige oevers stroomde, een gezicht van verval en verwoesting. De vermommingen aan het einde der vastenavondvreugd weerspraken deze belofte. Daar waren geene groote bouwvallen, geene statige teekens der oudheid, te zien;—zij liggen allen aan de andere zijde der stad. Daar schenen lange straten met gewone huizen en winkels te zijn, zooals in iedere andere Europeesche stad kunnen gevonden worden; er was bezig volk, rijtuigen, gewone wandelaars en eene menigte kakelende vreemdelingen. Het was evenmin mijn Rome (het Rome van iemands verbeelding, hetzij man of jongen: ontaard en vervallen en sluimerende in de zon te midden van eenige puinhoopen), als de Place de la Concorde te Parijs er op gelijkt. Een bewolkte hemel, een akelige, koude regen en morsige straten, alles had ik verwacht, maar niet dit; en ik beken, dat ik mij dien avond naar bed begaf in een vrij ontstemd humeur en met eene vrij aanmerkelijk verminderde geestdrift.
Zoodra wij den volgenden dag uitgingen, snelden wij naar de St.-Pieterskerk. Zij deed zich in de verte verschrikkelijk groot voor; maar toen wij er naderbij kwamen, zag zij er vergelijkenderwijze, vrij klein uit. Niets kan de schoonheid van het plein, waarop zij staat, met zijne rijen keurige kolommen en zijne spuitende fonteinen—zoo frisch, zoo ruim, en vrij, en schoon—te boven gaan. Het eerste gezicht op het inwendige, met al die uitvoerige majesteit en glorie, en het allermeest het opzien naar den koepel, verwekt een gevoel dat nimmer te vergeten is. Maar, er waren toebereidselen voor een Festa gemaakt. De pilaren van trotsch marmer werden met eenige uitstekend roode en gele lappen omwikkeld; het altaar en de ingang tot de onderaardsche kapel (die er voor is, in het midden der kerk) waren gelijk aan een goudsmidswinkel of een der eerste tooneelen van een zeer schitterende pantomime. En hoewel ik (naar ik hoop) de schoonheid van het gebouw zoo diep mogelijk gevoelde, werd ik niet sterk getroffen. Ik ben oneindig sterker aangedaan geworden in vele Engelsche hoofdkerken, wanneer het orgel speelde, of in menige Engelsche dorpskerk, als de gemeente aan het zingen was. In de hoofdkerk van St. Marcus te Venetië had ik eene veel sterker gewaarwording van geheimzinnigheid en verwondering.
Toen wij weder buiten de kerk kwamen (wij stonden omtrent een uur te staren naar den koepel, en zouden de hoofdkerk toen voor geen prijs ter wereld hebben voorbijgegaan), zeiden wij tot den voerman: „naar het Coliseum.” Binnen een kwartier hield hij stil voor de poort en wij gingen er binnen.
Het is geene verbeelding, maar klare, droge, eerlijke waarheid, als ik zeg, dat het op dit uur zoo duidelijk is en u zoo bezielt, dat, wie het ook begeert,—door er binnen te treden—gedurende een oogenblik, het geheele groote beeld zich voor den geest kan halen, zooals dit er vroeger uitzag, met duizenden van vinnige aangezichten, die in het strijdperk neerzagen, benevens een maalstroom van gevechten, en bloed en stof, welken geen taal vermag te beschrijven.
De eenzaamheid, sombere schoonheid en volslagen verwoesting er van vallen den vreemdeling in het volgende oogenblik op het hart als eene gelenigde smart; en wellicht zal hij nooit in zijn leven zich derwijze bewogen en getroffen gevoelen door een gezicht, hetwelk niet onmiddellijk in verband staat met zijne eigen genegenheid of verdriet.
Het daar te zien, hoe het elk jaar een ziertje afkruimelt; zijn muren en bogen met groenende kruiden begroeid; zijne portalen voor den dag geopend; het lange gras in zijne portieken groeiende; jonge boompjes, die opschieten uit zijne gehavende borstweringen en vruchten dragen, en een toevallig voortbrengsel zijn van de zaden, die er de vogels hebben laten vallen, welke hunne nesten hebben gebouwd in zijne scheuren en spleten; zijne kampruimte met aarde gevuld en het vreedzame kruis in het midden geplaatst te zien; naar de bovenverblijven te klimmen en van daar neder te zien op puinhoopen, niets dan puinhoopen en puinhoopen overal; de zegebogen van Constantijn, Septimus Severus en Titus; het Romeinsche Forum, het paleis der Cesars; de tempels van den ouden godsdienst, ingestort en verdwenen: dit alles is het zien van den geest van oud Rome, de snoode, wonderbaarlijke, oude stad, op denzelfden grond spokende waarop zijne bevolking trad. Het is het indrukwekkendste, statigste, luisterrijkste en treurigste gezicht, waarvan men zich een denkbeeld kan vormen. Nooit kan het gezicht van het reusachtig Coliseum in den bloedigsten bloei er van, en toen het vol en overvol was van het wakkerste leven, het hart zóó bewogen hebben als het allen moet treffen, die er thans op neerzien, nu het een puinhoop is. God zij geloofd, een puinhoop!
Evenals het uitsteekt boven de andere bouwvallen, en er staat als een berg tusschen graven, zoo heeft zijn vroegere invloed al de andere overblijfselen van de oude godenleer en oude slachtwoede van Rome, in Rome’s trotsche en wreede bevolking overleefd. De Italiaansche gelaatstrekken veranderen naarmate de vreemdeling de stad nadert; de schoonheid er van wordt duivelsch en onder het gemeene volk op straat is er onder de honderd aangezichten nauwelijks één, dat zich morgen in een hernieuwd Coliseum niet thuis zou gevoelen.
Hier was eindelijk Rome inderdaad; en zulk een Rome als niemand zich in de volle en ontzaglijkste grootschheid er van zou kunnen voor den geest brengen! Wij gingen langs den Appiaanschen Weg er uit, en trokken mijlen ver voort, tusschen graven die in puinhoopen lagen en vernielde muren, met hier en daar een vervallen en onbewoond huis. Wij kwamen voorbij den Circus van Romulus, waar de renplaats der wagens, de plaatsen der rechters, der mededingers en toeschouwers nog even duidelijk zijn te zien als in ouden tijd. Wij kwamen voorbij het graf van Cecilia Metella—en elke omheining, heg, of stuk muur, of schutting—naar de open Campagna, waar, aan deze zijde van Rome, niets is te zien dan puinhoopen. Uitgezonderd dáár, waar de afgelegen Apennijnen het uitzicht ter linkerzijde bepalen, is het geheele, ruime verschiet één onafgebroken veld van ruïnen. Gebroken waterleidingen, waarvan de schilderachtigste partijen van bogen zijn overgebleven; gebroken tempels; gebroken graven. Eene woestenij van ruïnen, wier somberheid en verwoesting geene uitdrukking vermag af te schilderen, en waarvan elke steen, die er op den grond verspreid ligt, eene geschiedenis verhaalt.
Op Zondag nam de paus deel aan het bedienen der hoogmis in de St.-Pieterskerk. De indruk, door de hoofdkerk bij dat tweede bezoek op mijn geest gemaakt, was volkomen gelijk aan den eersten, en aan wat die is gebleven nadat ik ze veel malen had bezocht. Zij maakt geen godsdienstig effect. Het is een verbazend groot gebouw, waarin geen enkel punt is waarop het oog kan rusten, dat vermoeid wordt van het aanhoudend omdwalen. De ware bestemming der plaats is niet uitgedrukt in iets van hetgeen gij er ziet, tenzij ge het in de bijzonderheden onderzoekt—en alle onderzoek van détails is niet overeenkomstig met de plaats zelve.
Zij kan een Pantheon, of een Senaathuis, of een groot architectonisch zegeteeken wezen, dat geen ander doel heeft, dan een triomf der bouwkunst. Wel is waar, er is onder een rood verhemelte, een zwart standbeeld van St. Pieter, dat meer dan levensgroot is, en welks groote teen aanhoudend wordt gekust door goede Katholieken. Dit nu moet u wel in de oogen vallen, daar het zoozeer vooruitspringt en populair is. Maar het verhoogt den indruk der kerk, als kunstgewrocht, niet, en drukt—voor mij althans—hare verheven bestemming niet uit.
Eene breede ruimte achter het altaar was voorzien van loges, in vorm gelijk aan die van de Italiaansche opera te Londen, maar wat de versiering aangaat, veel zwieriger. In het midden van die soort tooneelzaal, aldus afgeperkt, was eene zitplaats met verhemelte, waar ’s pausen zetel stond. Het plaveisel was bedekt met een helder groen vloerkleed, hetwelk met dat groen, en met het onverdraaglijke rood en karmozijn en de gouden randen der behangsels, een geheel vormde, dat er uitzag als een verbazend groot bonbon. Op elke zijde van het altaar was eene groote loge voor vreemde dames in zwarte kleederen en zwarte sluiers. De heeren van de pauselijke lijfwacht, met roode rokken, leeren broeken, en rij-stevels, bewaarden die afgesloten ruimte met getrokken zwaarden, die in elk opzicht tot sieraad dienden; en van het altaar langs het geheele schip was er een breede doorgang afgezet, door de Zwitsersche garde van den paus, die een wonderlijk gestreepten rok droegen en gestreepte spanbroeken, en hellebaarden, gelijk aan dezulke, welke gewoonlijk rusten op de schouders van zoodanige tooneelmatige bijvoegsels, die nooit snel genoeg van het tooneel kunnen gaan, en die men gewoonlijk kan zien slenteren in het vijandelijke legerkamp, zoo eenige stuip der natuur het open veld, door de andere partij bezet, in het midden doorspleet.
Ik ging tot aan den rand van het groene vloerkleed, in gezelschap van eene groote menigte andere heeren, die in het zwart waren (er wordt geen ander paspoort vereischt), en stond er, gedurende de mis, op mijn gemak. De zangers bevonden zich in een vertrekje van draadwerk (gelijkende naar eene groote vliegenkast of vogelkooi) in een der hoeken, en zongen op afgrijselijke wijze. Overal rondom het vloerkleed was eene menigte volk, dat zich langzaam bewoog, en met elkander praatte en door kijkglaasjes naar den paus gluurde, en, in oogenblikken van steelswijze nieuwsgierigheid, de een den ander afstootte van gevaarlijke plaatsjes op de voetstukken van pilaren, en de dames op afschuwelijke wijze aangrijnsde. Hier en daar waren troepjes monniken (Franciskanen of Kapucijnen, in hunne grove, bruine kleederen en spitse hoeden), welke vreemd afstaken bij de zwierige geestelijken van hooger rang, en wier nederigheid op het hoogst voldaan moest zijn over de stooten, die ze rechts en links en alle aan zijden van schouders en ellebogen ontvingen. Eenigen van hen droegen bemodderde sandalen en zonneschermen en gevlekte kleederen, daar zij van het land waren aangekomen.
De gelaatstrekken van het grootste aantal waren zoo grof en plomp als hunne kleeding; hun grommig, dom en eentonig staren op al den glans en pracht had iets aan zich, dat half ellendig en half belachelijk was.
Op het groene vloerkleed zelf, en om het altaar geschaard, was een geheel heir van kardinalen en priesters in het rood, goud, purper, paars, wit en fijn linnen. Eenige, die van dezen waren afgedwaald, gingen door het gedrang af en aan, praatten met elkander, stelden anderen voor, of lieten zich zelven voorstellen en wisselden groeten; andere ambtenaren in gala-kleeding waren op gelijke wijze bezig. In het midden van die allen en van gluipende Jezuïeten, welke in- en uitslopen, en de uiterste rusteloosheid van Engelands jeugd, die onophoudelijk rondwandelde, zag men eenige weinige deftige personen in zwarte tabberden, welke, met hun aangezicht tegen den muur neergeknield, over hunne misboeken gebogen waren en onwillekeurig eene soort van gevleeschte menschen knippen werden, en met hunne eigene vrome beenen die van anderen bij dozijnen deden struikelen.
Naast mij op den grond lag een groote hoop kaarsen, welke aan al de geestelijken met veel ijver werden uitgedeeld, door een zeer oud man in eene roestige, zwarte kleeding met opengewerkten kraag, evenals een geknipt papieren zomerversiersel voor een vuurhaard. Elk kreeg er een. Zij slenterden er eenigen tijd mede rond en hielden ze onder den arm als een wandelstok, of in hunne handen als een staf van commando. Op zeker tijdstip der plechtigheid echter bracht een ieder zijne kaars naar den paus, legde ze dwars op diens knieën om ze te laten zegenen, nam ze weer weg en trok daarna af. Dit werd, naar gij kunt vooronderstellen, in een zeer gedunden optocht gedaan en duurde langen tijd. Niet als werd er veel tijd vereischt om eene kaars door en door te zegenen, maar omdat er zooveel kaarsen gezegend moesten worden. Eindelijk waren ze alle gezegend, en werden alle opgestoken; en toen werd de paus met stoel en al opgenomen en de kerk rondgedragen.
Ik moet bekennen, nooit iets gezien te hebben, dat zoozeer geleek naar het Engelsche herinneringsfeest van den vijfden November1. Een bos zwavelstokken en eene lantaren zou der gelijkenis de kroon hebben opgezet. Ook bedierf de paus de gelijkenis volstrekt niet, ofschoon hij een aangenaam en eerwaardig gelaat had; want daar dit gedeelte der plechtigheid hem duizelig en misselijk maakt, zoo sluit hij zijne oogen als ze plaats heeft; en als hij daar nu zoo zijne oogen houdt gesloten, en een grooten mijter op het hoofd heeft, en zijn hoofd heen en weer waggelt, naarmate hij onder het dragen geschud wordt, ziet hij er uit alsof zijn masker op het punt was van af te vallen. De twee reusachtige waaiers, welke altijd aan weerszijden worden gedragen, vergezelden hem natuurlijk bij die gelegenheid. Onderwijl hij gedragen werd, zegende hij het volk met het geheimzinnig teeken; en terwijl hij voorbijging, knielde het volk neer. Toen hij de kerk rond was geweest, werd hij weder teruggebracht, en, bedrieg ik mij niet, dan werd dit in het geheel driemalen gedaan. Voorzeker was er niets plechtigs of indrukwekkends in, en gewis zeer veel dat snaaksch en bont was. En deze aanmerking geldt de geheele plechtigheid, behalve het opheffen der hostie, toen elk man van de garde dadelijk op ééne knie viel en het bloote zwaard tegen den grond sloeg, dat eene schoone vertooning maakte.
DE VASTENAVONDVREUGD. (Blz. 201).
Den volgenden keer toen ik de hoofdkerk zag, was het twee of drie weken naderhand. Ik klom toen naar den koepel; en daar men de gordijnen af- en het vloerkleed opgenomen, maar al het latwerk er gelaten had, zagen de overblijfselen van die versiersels er uit als een afgestoken vuurpijl.
Daar Vrijdag en Zaterdag plechtige feestdagen waren geweest, en de Zondag altijd een dag is welke niet meetelt in de carnavalsvermakelijkheden, hadden wij met eenig ongeduld en nieuwsgierigheid naar het begin der volgende week verlangd: dewijl Maandag en Dinsdag de laatste en beste carnavalsdagen zijn.
Des Maandagnamiddags ten een of twee uur begon er een groot geratel van rijtuigen op de plaats van het hotel, en liepen al de bedienden heen en weer. Nu en dan kwam er uit eene deur of op een balkon een of ander achtergebleven vreemdeling in eene maskerade-kleeding voor den dag, aan welk gewaad de persoon te weinig gewoon was om er zich met gemak in te bewegen en de volksmeening te trotseeren. Al de rijtuigen waren open, terwijl de voering zorgvuldig bedekt was met wit of gedrukt katoen, om te beletten, dat de zindelijke versiersels er van bedorven wierden door het aanhoudend werpen van suikergebak. Men zag de menschen in elk rijtuig, dat op het gezelschap wachtte, aan het daarin pakken en stoppen van verbazende zakken en manden vol suikergebak, en ook zulke hoopen bloemen in ruikertjes gebonden, dat sommige rijtuigen niet slechts vol waren van bloemen, maar er werkelijk van overliepen, en bij elken schok en dreun van de veeren iets van den overvloed op den grond wierpen. Om in die wezenlijke bijzonderheden niet achter te blijven, zorgden wij, twee tamelijk groote zakken suikergoed (waarvan elk omtrent drie voet hoog was) en eene groote baliemand, met bloemen gevuld, in alle haast in ons huurrijtuig, te doen plaatsen: welke schikkingen wij van onze plaats op een van de bovenste balkons met de levendigste voldoening gadesloegen. Daar de rijtuigen nu hun gezelschap begonnen in te nemen en weg te rijden, stapten ook wij in het onze en reden af, terwijl wij ons gelaat bedekten met kleine maskers van draadwerk; aangezien het suikergoed, evenals Falstaffs2 vervalschte kanariewijn, met lijm was vermengd.
De Corso is eene straat van een mijl lang; eene straat van winkels, paleizen en burgerhuizen, die somtijds uitkomen op een ruim plein. Er zijn bijna aan elk huis veranda’s en balkons, van alle gedaanten en vormen—alleen op ééne verdieping, maar dikwijls voor een of andere kamer op iedere verdieping—en, in het algemeen, daar met zoo weinig orde en regelmaat aangebracht, dat, indien het, jaar op jaar en jaargetij op jaargetij, balkons geregend, of gehageld, of gesneeuwd, of gewaaid had, zij ternauwernood op eene meer ongeregelde wijze konden neergevallen zijn.
Dit is de voornaamste bron en het hoofdbrandpunt van de carnavalsvreugd. Maar al de straten, waarin men vastenavond houdt, worden nauwkeurig door dragonders bewaakt en daarom is het voor rijtuigen noodzakelijk, dadelijk en naar volgorde door een anderen doortocht te rijden, en zoo op het Corso te komen, nabij het uiteinde dat het verst is verwijderd van de Piazza del Popolo, die het aan eene zijde begrenst. Alzoo kwamen wij tusschen de reeks van rijtuigen, en hotsten gedurende eenigen tijd vrij gerust mede, nu eens zeer langzaam voortsukkelende, dan weder eenige ellen dravende, en dan weer eens heel en al ophoudende, naarmate de voorsten meer of minder in het gedrang waren. Als eenig onstuimig rijtuig uit de reeks snelde en voorwaarts reed, met het wilde denkbeeld bezield, spoediger vooruit te komen, werd het plotseling ontmoet, of tegengehouden, door een dragonder, die, evenals zijn eigen getrokken zwaard, voor alle vertoogen doof, het onmiddellijk verzelde naar het uiterste eindje der rij, en het in het verschiet als een klein stipje deed voorkomen. Nu en dan hielden wij schutgevaarte van confetti met het rijtuig, dat het dichtst voor of achter ons reed, maar tot nog toe was het veroveren dezer zwervende en ronddolende rijtuigen door de militairen, het voornaamste vermaak.
Daarop kwamen wij in eene nauwe straat, waar eene reeks van rijtuigen op-, en eene andere afreed. Hier begonnen het suikergebak en de ruikers vrij aardig rond te vliegen; en ik was gelukkig genoeg een heer op te merken, uitgedost als een grieksch krijgsman, en welke een licht gesnorbaarden roover (die bezig was een ruiker te werpen naar een jonge dame, welke voor een venster op de eerste verdieping stond) op den neus raakte, met eene juistheid, die zeer sterk door de aanschouwers werd toegejuicht. Terwijl deze zegepralende Griek eene koddige aanmerking maakte tegen een dik heer, die in de deur stond—en half zwart en half wit was, alsof hij ter halver lijve afgeschilderd was—en die hem met het volvoeren van zijne heldendaad gelukgewenscht had, ontving hij, van den top van een huis, een oranje-appel juist op zijn linkeroor en was zeer verbluft. Voornamelijk daar hij toen overeind stond en het rijtuig op hetzelfde oogenblik plotseling voortging, zoodat hij schandelijk waggelde en zich onder zijne eigene bloemen begroef.
Nadat wij omstreeks een kwartier op die wijze waren voortgegaan, kwamen we op het Corso; en het zou moeielijk zijn, zich iets zóó vroolijks, zóó schitterends en levendigs voor te stellen, als het geheele tafereel daar was. Van de tallooze balkons (van de verste en hoogste even als van de laagste en meest nabij zijnde) fladderden in het schitterende zonlicht helder roode, groene, blauwe, witte en gouden gordijnen. Uit vensters, en van borstweringen, en van de toppen der huizen wapperden vlaggen van de rijkste kleuren, en draperieën van de vroolijkste en schitterendste tinten in de straten neer. De huizen schenen letterlijk het binnenste buiten gekeerd en al hunne vroolijkheid naar de straat gewend te hebben.
Uitstallingen van winkels werden ingenomen en de vensters, evenals loges in een schitterenden schouwburg, met gezelschap gevuld; deuren werden uit hare scharnieren gelicht en deden lange gangen zichtbaar worden, met tapijten versierd en met festoenen van bloemen en palmtakken behangen. Metselaars-stellages waren in prachtige tempels veranderd, schitterende van het zilver, goud en scharlaken; en in iederen hoek, en in elk holletje, van de voetpaden tot aan de toppen der schoorsteenen waar vrouwenoogen glinsteren konden, daar dansten en lachten en flonkerden zij, evenals het licht op het water. Iedere soort van betooverende, malle kleeding was daar aanwezig. Kleine, gekke, scharlaken buisjes; rare oude rijglijven, ondeugender dan de netste korsetten; Poolsche jassen, gespannen en nauw om het lijf sluitend, evenals rijpe kruisbessen; kleine Grieksche mutsjes, die schuins op het hoofd stonden en, de hemel weet op welke wijze, stevig op het donkere haar vastzaten. Iedere wilde, rare, stoute, bloode, korzelige dollemanssmaak werd opgeluisterd door eene kleederdracht; en iedere smaak was in de vroolijke drukte even spoedig door zijn vinder vergeten alsof de drie oude waterleidingen, die nog in haar geheel staan, dienzelfden morgen, over hare sterke bogen, de Lethe naar Rome hadden gevoerd.
De rijtuigen stonden nu bij drieën naast elkander; op breedere plaatsen vier; dikwijls moesten zij allen langen tijd stilstaan. Zij vertoonden zich altijd als een saamgepakten hoop van afwisselende schittering; en langs de geheele straat, te midden van een regen van bloemen, deden zij zich voor als bloemen van een grootere soort. Van sommige waren de paarden met prachtige dekken en tuigen versierd, bij andere waren zij van den kop tot de pooten met fladderende linten getooid. Enkele werden gereden door koetsiers met verschrikkelijke groote, dubbele mommen, waarvan het eene gezicht naar de paarden keek en het andere zijne buitengewone oogen naar het rijtuig wendde, en beide kletterend onder den hagel van suikergebak. Andere koetsiers waren als vrouwen gekleed, met krullen gekapt en zonder mutsen, en die, wanneer er eenige wezenlijke moeielijkheden met de paarden plaats hadden (dat bij zulk een samenloop van omstandigheden niets zeldzaams was,) er nog belachelijker uitzagen dan men verhalen of beschrijven kan. In stede van op de banken, in de rijtuigen te zitten, plaatsen zich de schoone Romeinsche vrouwen om beter te kunnen zien en gezien te worden, in dezen tijd van algemeene teugelloosheid, voorop, met hare voeten op de kussens—en o! de fladderende rokken en aardige middeltjes, de gezegende vormen en lachende gezichten, het vrije, goed geluimde, bevallige figuur dat ze vertoonden! Er waren ook groote rijtuigen, vol bekoorlijke meisjes—dertig of misschien meer te zamen,—en de volle lagen, die uit en naar deze branders vol toovernimfen gevuurd werden, vervulden de lucht gedurenden tien minuten, met bloemen en bonbons. Rijtuigen vol menschen, die lang op eene plaats moesten wachten, begonnen een geregelden aanval tegen andere rijtuigen, insgelijks met volk opgepropt, of tegen de lieden aan de benedenvensters; en somtijds mengden zich de toeschouwers, van een hooger gelegen balkon of venster in de grap, en ledigden, terwijl ze beide partijen aanvielen, groote zakken confetti, die als eene wolk neerkwamen, en ze, in een oogenblik, zoo wit maakten als molenaars. Weder volgen rijtuigen op rijtuigen, kleedingen op kleedingen, kleuren op kleuren, groepen op groepen zonder ophouden. Mannen en jongens die zich aan de wielen en achter aan de rijtuigen vasthouden, en hun spoor volgen, en onder de pooten der paarden bukken, om de verspreide bloemen op te rapen en ze weer te verkoopen. Gemaskerden te voet (meestal de grappigsten) in phantastisch overdreven hofkleedingen, die het gedrang door monsterachtig groote lorgnetten beschouwen en altijd een aanval van liefde krijgen, op het gezicht van eene of andere oude dame aan een venster. Geheele rijen Policinelli, die in de rondte slaan met blazen, aan stokken vastgehecht; een wagen vol uitgelaten, razende en tierende dollemannen; een rijtuig vol ernstige mammelukken, benevens hun standaard met paardestaarten, in het midden; eene partij heidinnetjes, die het erg te kwaad hadden met een schip vol matrozen. Een man verkleed als een aap op een kruk, omgeven door vreemdsoortige dieren, met varkenskoppen en leeuwenstaarten, door hen onder den arm meegesleept of bevallig op den schouder gedragen. Rijtuigen volgen op rijtuigen, kleedingen op kleedingen, kleuren op kleuren, groepen op groepen, en dat zonder ophouden.
Wanneer men het aantal gemaskerden in aanmerking neemt, dan werden er misschien niet veel wezenlijke karakters volgehouden of voorgesteld, maar het hoofdvermaak van het tafereel is in de volkomen goede luim er van gelegen; in de schitterende, oneindige en flikkerende verscheidenheid, en dáárin, dat men zich geheel aan de gekke gril van het oogenblik overgeeft—en zóó geheel en al besmettelijk, onweerstaanbaar is het, dat de bedaardste vreemdeling, tot aan zijn middel in bloemen en suikergoed staande, evenals de wildste van al de Romeinen van zich afslaat, en tot halfvijf uur aan niets denkt, wanneer hij door het steken der trompet en door de dragonders, die hij (tot zijne bittere smart) de straten ziet schoonvegen, plotseling herinnerd wordt, dat hij daarvoor alléén niet op de wereld is.
Hoe de straat ooit schoongeveegd wordt voor den wedren, die ten vijf uur zal plaats hebben, en hoe de paarden voortrennen, zonder eenige lieden te vertrappen, is meer dan ik zeggen kan. Maar de rijtuigen vertrekken door de dwarsstraten, of langs de Piazza del Popolo, en een aantal menschen zitten in tijdelijk opgeslagen galerijen op het laatstgenoemde plein, en duizenden staan aan beide zijden er van, als de paarden op de Piazza gebracht worden, aan den voet van dezelfde kolom, welke, eeuwen geleden, neerzag op de spelen en wedrennen van den Circus Maximus.
Op een gegeven teeken vertrekken zij. Zij snellen, als de wind, voorbij de levende laan op het Corso: zonder berijders, zooals iedereen weet: met glinsterende versiersels op hunne ruggen en door hunne gevlochten manen gedraaid: en met kleine zware kogeltjes, vol punten, aan hunne zijden slingerende, om ze aan te prikkelen. Het gerinkel der versiersels, en het gekletter hunner hoeven op de harde steenen; de woede en snelheid van hunne vaart langs de weergalmende straten; ja, zelfs het kanon dat afgevuurd wordt—al dit geraas is niets bij het gejoel der menigte, hare kreten, het klappen in de handen. Maar het is spoedig gedaan—bijna dadelijk. Nog meer kanonschoten doen de stad dreunen. De paarden zijn door de tapijten gegaan, die over de straat zijn gespannen om ze tegen te houden; de eindpaal is bereikt; de prijzen zijn gewonnen (zij worden gedeeltelijk door de arme joden gegeven, als eene vergoeding, dat zij zelven niet in het renperk behoeven te loopen), en nu is er een einde aan de pret van den dag.
Maar indien het tafereel op den voorlaatsten dag schitterend en vroolijk en volgepropt is, bereikt het, den volgenden dag, zulk een rijkdom van glinsterende kleuren; er is zulk eene krioelende menigte en dartel rumoer, dat alléén de herinnering er van mij op het oogenblik nog duizelig maakt. Dezelfde vermaken, grootendeels verhoogd en versterkt door den ijver, waarmede ze nagejaagd worden, duren een langen tijd. De wedren vangt weder aan, de kanonnen worden afgevuurd, de kreten en het handgeklap worden herhaald; weder hoort men kanonschoten; de wedren is voorbij en de prijzen zijn gewonnen. Maar de rijtuigen, van binnen gevuld met suikergoed, zijn van buiten zoo bepoeierd en stoffig, dat men ze ternauwernood voor dezelfde voertuigen herkennen kan van drie uren vroeger. In plaats van zich in alle richtingen te verspreiden, verzamelen zij zich op het Corso, waar zij spoedig in elkander geklemd worden, als eene zich ternauwernood bewegende massa. Want het vermaak met de Moccoletti, de laatste vroolijke dolheid van den vastenavond, zal nu plaats grijpen; en verkoopers van kleine waskaarsen, evenals die, welke in Engeland kerstmiskaarsjes genoemd worden, schreeuwen lustig aan beide zijden van den weg: „Moccoli, Moccoli! Ecco Moccoli (ziehier waskaarsjes)!” een nieuwe kreet in het rumoer, die den anderen kreet, welke men reeds bij tusschenpoozen den ganschen dag boven alle andere heeft gehoord, den kreet namelijk van: „Ecco Fiori! Ecco Fior-r-r-i (ziehier bloemen)!” geheel en al overschreeuwt.
Wanneer de schitterende behangsels en kleedingen tegen het vallen van den avond eene nare, zwaarmoedige, algemeene tint aannemen, beginnen hier en ginds lichten te flikkeren: voor de ramen, op de toppen der huizen, op de balkons, in de rijtuigen, in de handen van voetgangers: langzamerhand; trapsgewijs; al meer en meer; totdat de gansche, lange straat ééne glansrijke en schitterende vlam is. Dan zoekt iedereen, daarbij tegenwoordig, maar één doel te bereiken, namelijk, de kaarsjes van andere lieden uit te dooven, en zijn eigen brandend te houden; en iedereen, man, vrouw of kind, heer of dame, vorst of landman, ingeboren of vreemdeling, gilt en schreeuwt en joelt zonder ophouden, om den overwonnene te bespotten: „Senza Moccolo, Senza Moccolo (zonder kaarsje)!” totdat men niets meer verneemt dan een reusachtig koor, dat deze beide woorden herhaalt, met een schaterend gelach vermengd.
Op dien tijd is het tafereel een der buitengewoonste dat men zich verbeelden kan. Rijtuigen, die langzaam voortrijden, terwijl iedereen op de zitplaatsen of voor op den bok staat, en zijn kaarsje, tot meerdere zekerheid, op armslengte van zich af houdt; sommigen in een papier als een peperhuisje: anderen met een hoop onbeveiligde kaarsjes, allen brandende; eenigen met brandende fakkels; anderen met kleine dunne kaarsjes; voetgangers, die tusschen de wielen doorkruipen om hunne kans af te wachten en naar een bijzonder licht te springen en het uit te slaan; anderen tegen de rijtuigen opklimmende, om zich met geweld van de lichtjes meester te maken. Eenigen jagen een ongelukkigen voetganger om zijn eigen rijtuig heen, ten einde het licht, dat hij ergens gekregen of gestolen heeft, uit te blazen, vóórdat deze bij zijn gezelschap, in het rijtuig stapt, en het in staat kan stellen hunne uitgeblazen kaarsjes te ontsteken. Weder anderen, die, met den hoed in de hand, aan het portier van een rijtuig staan en nederig eene of andere goedhartige dame een vlammetje verzoeken, om eene sigaar op te steken; en wanneer zij nog in twijfel staat of ze het doen zal of niet, deze de kaars uitblaast, welke zij met zooveel teederheid in haar handje gevat hield; andere lieden aan het venster, die met lijnen en hoeken naar kaarsjes visschen, of lange wilgen-teenen, aan welker einde zakdoeken gebonden zijn, naar beneden houden, en de kaarsjes behendig uitslaan, wanneer de eigenaar er trotsch op is dat ze nog branden; anderen, die hun slag waarnemen, op hoeken van straten, met verschrikkelijk groote dompers evenals hellebaarden, en die plotseling op vlammende fakkels nedervallen; weder anderen, die om eene koets staan en daar blijven staan; anderen, die eene kleine koppige lantaren onder een regen van oranjeappelen en ruikers pogen te bedelven, of in geregelden aanval eene piramide van menschen bestormen, die een man in de hoogte beuren, welke een klein, dun kaarsje boven zijn hoofd houdt, waarmede hij ze allen tart! Senza Moccolo! Senza Moccolo! Schoone vrouwen, die in de rijtuigen staan, en spottend naar uitgedoofde lichten wijzen en onder het voorbijrijden in hare handen klappen, en uitroepen: „Senza Moccolo! Senza Moccolo!” Lage balkons vol lieve gezichtjes en bevallige kleedingen, strijdende tegen aanvallers op straat. Eenige houden ze terug als zij er tegen opklimmen, eenige die zich naar omlaag buigen, eenige die overleunen en eenige die achteruitspringen—keurig gevormde armen en borstbeelden—figuren vol bevalligheid—brandende lichten, fladderende kleederen. Senza Moccolo, Senza Moccolo, Senza Mo-cco-loo-o-o-o!—totdat, in de allergrootste geestdrift van het geschreeuw en de dolste verrukking van de pret, de klokken het Ave-Maria luiden en de vastenavond terstond is geëindigd—als eene waskaars uitgeblazen, met één ademtocht.
Des avonds was er een gemaskerd bal in den schouwburg, even naar en vervelend als een te Londen, en alléén opmerkelijk wegens de bondige wijze, waarmede de zaal ten elf uur ontruimd werd; hetwelk geschiedde door eene rij soldaten, die zich op den achtergrond van het tooneel tegen den muur schaarde, en, evenals een groote bezem, het geheele gezelschap voor zich uitdreef. De pret met de Moccoletti (in het enkelvoud is het Moccoletto, dat eene verkleining van Moccolo is, en eene kleine lamp of kaars beteekent) wordt door sommigen voorondersteld eene belachelijke rouw plechtigheid te zijn voor de overlijdende vastenavondvreugd—daar kaarsen bij een katholieken rouw onmisbaar zijn.
Maar of het zoo is, dan of het een overblijfsel der oude Saturnalia zij, of eene samenstelling van beide, of zijn oorsprong aan iets anders te danken hebbe—altijd zal ik mij de pret herinneren als een allerschitterendst en bekoorlijkst gezicht; niet minder opmerkelijk wegens de goede luim van allen, die er bij tegenwoordig waren, zelfs tot de heffe des volks (en onder degenen, welke op de rijtuigen klommen, waren onderscheidene mannen en jongens van de gemeenste klasse), als om zijne onschuldige levendigheid. Want, hoe vreemd het ook moge klinken, voor een spel, zóó vol gedachteloosheid en waardoor de persoonlijke bevalligheden zoozeer aan den dag worden gelegd, is het zoo vrij van eenige smet van onzedelijkheid als eenige algemeene vergadering der beide geslachten met mogelijkheid zijn kan; en terwijl het aan den gang is, schijnt er in het algemeen een gevoel van bijna kinderlijke eenvoudigheid en vertrouwen te bestaan, dat men zich met smart herinnert, als het Ave-Maria het voor een geheel jaar heeft uitgeluid.
Gebruik makende van een gedeelte van de stille verpoozing tusschen het einde van de vastenavondvreugde en het begin der Heilige Week, gingen wij gemoedelijk aan het werk, om Rome te zien; en daar wij iederen ochtend vroegtijdig uitgingen, en elken avond laat terugkwamen, en den geheelen dag hard werkten, zoo geloof ik, dat wij bekend raakten met iederen paal en pilaar der stad en van de naastbijgelegene streken, en voornamelijk zoovele kerken bezochten, dat ik dit gedeelte van de onderneming geheel opgaf vóór het half voleindigd was; daar ik anders, wat mij betreft, zoo lang ik leef nooit weder een voet in eene kerk gezet zou hebben. Maar ik droeg er zorg voor, dat ik bijna iederen dag, hetzij vroeg of laat, naar het Coliseum ging, of naar buiten in het open veld, aan gene zijde der graftombe van Cecilia Metella.
Op deze tochten ontmoetten wij dikwijls een gezelschap Engelsche toeristen; en steeds had ik een grooten, maar nooit voldanen lust, een gesprek met hen aan te knoopen. Het bestond uit zekeren mijnheer Davis en eenige zijner vrienden. Het was onmogelijk den naam van mevrouw Davis niet gewaar te worden, daar zij in groot aanzien stond bij haar gezelschap, dat overal was. Gedurende de Heilige Week was het bij elk gedeelte van ieder tooneel, van elke plechtigheid. Veertien dagen of drie weken te voren bezochten zij iedere grafplaats en kerk, en galerij van schilderstukken en elken bouwval; en gedurende al dien tijd heb ik bijna niet gemerkt, dat mevrouw Davis een oogenblik stilzweeg.
Diep onder den grond, boven op de St.-Pieterskerk, buiten op het veld, en bijna stikkende in het Joden-kwartier, bleef mevrouw Davis altijd dezelfde. Ik geloof niet, dat ze ooit naar iets zag; en ze had altijd iets verloren uit eene strooien mand, die ze vasthield, en hetwelk zij met al hare macht beproefde te vinden van onder eene aanzienlijke hoeveelheid Engelsche halfstuiverstukken, die op den bodem er van lagen, evenals zand op den oever der zee. Ambtshalve was er altijd een Cicerone aan het gezelschap verbonden (dat bij contract van Londen was overgevoerd, vijftien à twintig koppen sterk), en als hij maar naar mevrouw Davis keek, dan berispte zij hem onmiddellijk, door te zeggen: „Wel, God zegen je, man, maak het me niet lastig! Ik versta geen woord van al wat je kakelt, en zal het ook niet verstaan, al zou je babbelen tot je blauw in je gezicht werdt!” Mijnheer Davis droeg altijd eene snuifkleurige overjas, en eene groote groene paraplu in zijne hand, en bezat eene talmende nieuwsgierigheid die voortdurend in hem brandde en die hem aanspoorde buitengewone dingen te verrichten, zooals de deksels van lijkbussen op te lichten, en er in te kijken alsof zij zuurgoed inhielden; met de punt zijner paraplu langs opschriften te strijken en met diepdenkendheid te zeggen: „Ziet ge, hier is eene B, en daar is eene R, en zoo zullen wij het vinden; is het niet?” Zijne oudheidkundige gewoonten waren oorzaak, dat hij dikwijls achterbleef; en een van de doodsangsten van mevrouw Davis, en van het gezelschap in het algemeen, was eene eeuwigdurende vrees dat Davis verloren zou raken. Dit was oorzaak, dat ze om hem riepen in de allervreemdste plaatsen en op de meest ongelegene tijden. En wanneer hij dan eindelijk langzaam uit een of andere begraafplaats kwam stappen, evenals eene vreedzame vampyr, uitroepende: „Hier ben ik,” dan was het onveranderlijk antwoord van mevrouw Davis: „Je zult nog levend begraven worden in een vreemd land, Davis; en er helpt niets aan of men u waarschuwt of niet.”
Mijnheer en mevrouw Davis en hun gezelschap waren waarschijnlijk binnen negen of tien dagen van Londen overgevoerd. Achttienhonderd jaren geleden wilden de Romeinsche legioenen, onder Claudius, niet naar het land van mijnheer en mevrouw Davis gevoerd worden, voor reden gevende, dat het buiten de grenzen der wereld lag.
Onder de ploerten (of mindere lieden naar de mode van Rome) was er een die mij bijzonder vermaakte. Men kan er hem ten allen tijde vinden; en zijn hol is op de trappen van de Piazza di Spagna (het spaansche plein), welke naar de kerk van Trinita del Monte voeren. Duidelijker gesproken, zijn die trappen de groote verzamelplaats voor kunstenaars’ „Modellen”, en daar wachten ze geduldig tot ze gehuurd worden. De eerste maal dat ik die trappen opklom kon ik niet begrijpen, waarom die gezichten mij zoo bekend voorkwamen, of waarom zij mij reeds voor jaren schenen omgeven te hebben, in alle mogelijke verscheidenheid van kleeding of handeling, en wat de oorzaak was, dat zij in Rome in het heldere daglicht voor mij oprezen, evenals zoovele gezadelde en getoomde nachtmerries. Ik zag spoedig, dat wij reeds sedert eenige jaren de kennis hadden aangeknoopt en voortgezet langs de muren der verschillende schilderijtentoonstellingen. Daar is een oud man, met lange witte haren en een verschrikkelijk grooten baard, die, zoover mij bekend is, den halve catalogus van de Koninklijke Academie heeft doorgewandeld. Dit is het eerwaardige of aartsvaderlijke model. Hij draagt een langen stok, en iedere kwast en draai van den stok heb ik, getrouw nageteekend, herhaalde malen gezien. Daar is een andere man, in een blauwen mantel, die zich altijd het voorkomen geeft alsof hij in den zonneschijn (als dezen er is) ligt te slapen, en die, ik behoef het, geloof ik, niet te zeggen, altijd klaar wakker is en zeer nauwkeurig op de schikking zijner beenen acht geeft. Dit is het dolce far niente model. Daar is een ander man, in een bruinen mantel, die tegen een muur leunt, met zijne armen in den mantel gevouwen, en rondziet met gluipende oogen, die juist zichtbaar zijn onder zijn breed geranden hoed. Dit is het moordenaarsmodel. Daar is een ander man, die gedurig over zijn schouder ziet, en altijd doet, alsof hij vertrekt, maar nimmer weggaat. Dit is het trotsch en versmadend model. Wat huiselijk geluk en heilige families betreft, deze moeten zeer goedkoop zijn, want zij zitten bij hoopen op de trappen; en het aardige van de zaak is, dat zij de meest valsche landloopers der wereld zijn, voornamelijk te dien einde afgericht en huns gelijken niet hebbende in Rome of in eenig ander gedeelte van den bewoonbaren aardbol.
Ik herinner mij, dat ik in mijne vorige vermelding van de vastenavondvreugd gezegd heb, dat men die voor een snaaksche vrouw hield (want zij eindigt met deze plechtigheid) om de grappen en vroolijkheden van de Vasten, en dit herinnert mij weder aan de wezenlijke begrafenissen en rouwprocessiën van Rome, welke hier, evenals in andere gedeelten van Italië, voornamelijk door een vreemdeling opgemerkt worden, wegens de onverschilligheid waarmede men, in het algemeen, het aardsch omhulsel beschouwt, nadat het leven er uit is ontvloden. En dit geschiedt niet omdat de overlevenden den tijd gehad hebben de nagedachtenis der dooden van hunne wel-herinnerde verschijning en vorm op aarde af te scheiden; want de begraving volgt te spoedig op den dood, daar zij bijna altijd binnen de vier en twintig, en somtijds binnen de twaalf uren plaats heeft.
Te Rome zijn de grafputten in eene groote, vlakke, open, akelige ruimte, evenals ik ze reeds te Genua beschreven heb. Toen ik ze omstreeks den middag bezocht, zag ik eene enkele kist van geschaafde planken, niet gedekt door eenig doodkleed en zóó licht gemaakt, dat de hoef van een of anderen voorttredenden muilezel haar zou hebben ingetrapt. Men had haar zorgeloos, op eene zijde liggende, aan den ingang van een dezer graven, alleen gelaten, in regen en zonneschijn. „Hoe komt die hier?” vroeg ik den man, die mij de plaats rondvoerde. „Zij is een half uur geleden hier gebracht, Signor!” zeide hij. Ik herinnerde mij, dat ik de processie ontmoet had, toen zij terugkwam en die vrij stevig aanstapte. „Wanneer zal zij in het graf neergelaten worden?” vraagde ik hem. „Als de kar komt en de put heden avond geopend wordt,” antwoordde hij. „Hoeveel kost het om op zulk eene wijze hier gebracht te worden, in plaats van met de kar?” vraagde ik hem. „Tien scudi,” zeide hij, (ongeveer vijf en twintig gulden en vijftig centen Nederlandsch courant). „De andere lijken, waarvoor men niets betaalt, worden naar de kerk van Santa Maria della Consolazione gevoerd,” vervolgde hij, „en hier des nachts gezamenlijk met de kar gebracht.” Ik stond een oogenblik naar de kist te turen, op welker deksel twee letters gekrast waren, en wendde het hoofd af, met eene uitdrukking op mijn gelaat, waaruit hij, zooals ik vooronderstel, geene goedkeuring van zijne wijze van zien bespeurde; want hij zeide, terwijl hij zijne schouders met groote levendigheid optrok en vriendelijk glimlachte: „Maar hij is dood, Signor, hij is dood. Waarom niet?”
Onder de talrijke kerken is er eene, die ik verkozen heb om er bijzonder melding van te maken. Het is de kerk van de Ara Cœli, die men vooronderstelt, op de plaats van den ouden tempel van Jupiter Teretrius gebouwd te zijn, en aan eene zijde genaderd wordt door eene hooge steile trap, die onvolmaakt schijnt zonder eene groep gebaarde wichelaars er bovenop. Zij is opmerkenswaardig, omdat zij een wonderdadig Bambino of houten pop bezit, den Zaligmaker, als kind, voorstellende, en ik zag het eerst dit wonderdadig Bambino (kind: het is de vaste naam er van) op de volgende wijze:
Wij doolden op zekeren achtermiddag door de kerk en zagen langs hare reeks sombere pilaren, (want al deze oude kerken, op de puinhoopen van oude tempels gebouwd, zijn duister en treurig), toen de brave koerier kwam binnenloopen met een grijns op zijn gelaat, die zich van het eene oor naar het andere uitstrekte, en ons verzocht hem zonder een oogenblik oponthoud te volgen, daar zij aan eenige uitverkorenen het Bambino zouden laten zien. Diensvolgens snelden wij naar eene soort van kapel of sacristie, vlak bij het hoofdaltaar, maar niet in de kerk zelve, waar de uitverkorenen, die uit twee of drie katholieke heeren en dames (geen Italianen) bestonden, reeds vergaderd waren: en waar een jonge monnik, met ingevallene wangen, verscheidene kaarsen aanstak, terwijl een ander eenige kerkelijke gewaden over zijn grof, bruin kleed aantrok. De kaarsen stonden op een soort van altaar, en daarboven waren twee fraaie beelden, zooals gij ze op iedere Engelsche kermis zien kunt, die, zooals ik denk, de Heilige Maagd en Sint Jozef voorstellen, welke godvruchtig gebogen zijn over eene houten doos of koffer, welke gesloten was.
Nadat de monnik met de ingevallen wangen, nummer een, de kaarsen had aangestoken, viel hij, in een hoek, voor het belangrijk stuk op zijne knieën, en de monnik nummer twee lichtte, na een paar fraai versierde en met goud gewerkte handschoenen aangetrokken te hebben, den koffer met grooten eerbied op en zette dien op het altaar. Vervolgens, na de knieën vele malen gebogen en zekere gebeden gemompeld te hebben, opende hij hem, lichtte er het deksel af en nam er verscheidene satijnen en kanten kleedjes uit, die er binnenin lagen. De dames hadden van het begin af aan geknield; en de heeren vielen nu ook godvruchtig neder, toen hij eene kleine houten pop ten toon stelde, die in uiterlijk zeer geleek naar generaal Tom Thump, den Amerikaanschen dwerg, prachtig uitgedost in satijn en gouden kant, en als in een gloed staande van de schitterende juweelen. Er was nauwelijks eene plaats op de kleine borst, of nek, of maag, of het flonkerde van de kostbare offeranden der geloovigen. Onmiddellijk daarop lichtte hij haar uit de doos, en terwijl hij haar te midden der knielenden ronddroeg, raakte hij het voorhoofd van iedereen aan met haar gelaat en stak haar lompen voet uit, om gekust te worden—eene plechtigheid, die zij allen volbrachten, tot zelfs een kleine, smerige straatjongen, die van de straat was binnengeslopen. Toen dit gedaan was, legde hij het beeldje weder in de doos; en nadat het gezelschap opgestaan was en nader bij trad, sprak het al fluisterende over de meerdere of mindere schoonheid der juweelen. Vervolgens plaatste hij er het deksel weer op, sloot de doos, zette haar op hare plaats, sloot alles weder (Heilige Familie en al) achter een paar dichtslaande deuren, ontdeed zich van zijne geestelijke kleeding, en ontving de gewone „kleine belooning,” terwijl zijn metgezel, door middel van een domper, aan het einde van een langen stok vastgemaakt, de lichten achter elkander uitdoofde. Toen de kaarsen alle uitgedoofd en de gelden verzameld waren, vertrokken zij, en dit deden de toeschouwers ook.
Ik ontmoette datzelfde Bambino eenigen tijd daarna, toen het in groote staatsie naar het huis van een zieke ging. Het wordt te dien einde steeds naar alle gedeelten van Rome gedragen; maar ik heb vernomen dat het niet altijd zulke goede gevolgen heeft als men wel verwachten kon; want, wanneer dit het bed van zwakke en zenuwachtige menschen nadert, die op het uiterste liggen, verzeld door eene talrijke menigte, dan gebeurt het niet zelden, dat zij doodelijk schrikken. Het is vooral populair in bevallingen, waar het zulke wonderen heeft verricht, dat, indien eene dame langer dan gewoonlijk in arbeid verkeert, een bode met alle haast wordt afgezonden, om de onmiddellijke komst van het Bambino te verzoeken. Het is een zeer voordeelgevend eigendom, en men stelt er veel vertrouwen in—voornamelijk de godsdienstige corporatie waaraan het behoort.
Het verheugt mij te weten, dat het door sommige goede Katholieken, die niet al te kortzichtig zijn, voor niet onfeilbaar wordt gehouden; zooals mij verhaald is geworden door den naasten bloedverwant van een priester, zelven een Katholiek, en een geleerd en vernuftig mensch. Deze priester nam van mijn berichtgever de belofte af, dat hij, wat er ook gebeuren mocht, nimmer zou toestaan dat het Bambino in de kamer zou gevoerd worden van eene zieke dame, waarin zij beiden belang stelden. „Want,” zeide hij, „als zij (de monniken) haar daarmede lastig vallen, en in hare kamer dringen, zal het haar zekerlijk dooden.” Diensvolgens keek mijn berichtgever uit het venster, toen het er heen werd gedragen, en weigerde, onder vele dankbetuigingen, de deur te openen.
Hij beproefde in een ander geval, waarvan hij niet meer kennis droeg dan die, welke hij als voorbijganger, juist op het oogenblik verkregen had, te voorkomen dat het in eene kleine, ongezonde kamer werd gevoerd, waar een arm meisje lag te sterven. Maar het gelukte hem niet, en zij stierf, terwijl de menigte zich rondom haar bed verdrong.
Te midden van het volk, op hun gemak in de St.-Pieterskerk komende om op den grond te knielen en in stilte te bidden, zijn de leerlingen van zekere scholen en seminariums voor priesters en anderen, twintig of dertig in getal. Deze jongens knielen altijd op eene rij, de een achter de ander, met een langen knorrigen meester, in een lang zwart pak gekleed, en die de achterste is; evenals een spel kaarten, die gerangschikt zijn om met ééne aanraking om te vallen, en een verschrikkelijk grooten schoppenboer aan het einde hebben. Als zij eenige oogenblikken voor het hoofdaltaar gelegen hebben, staan zij op en gaan naar de kapel der Madonna, of naar het sacrament, en vallen daar in dezelfde orde neder; zoodat, indien iemand tegen den meester aan zou vallen, eene algemeene en plotselinge omverwerping van de geheele reeks er noodzakelijk op moet volgen.
Het tooneel in al de kerken is zoo vreemd mogelijk. Dezelfde eentonige, ziellooze, slaperige zang, die altijd voortduurt; hetzelfde sombere gebouw, welks somberheid nog sterker wordt door het schitterende van de straat er buiten; dezelfde lampen, die dof branden; hetzelfde volk, hier en daar knielende, van een of ander altaar naar u toegekeerd; dezelfde priesterrug met hetzelfde groote kruis er op geborduurd. Hoe verschillend in uitgebreidheid, vorm, rijkdom en bouwstijl de eene kerk van de andere moge wezen, het is altijd hetzelfde. Er zijn dezelfde vuile bedelaars, met het binnensmonds prevelen hunner gebeden ophoudende om te bedelen; dezelfde ellendige verminkten, die hunne wanstaltigheid aan de deuren ten toon spreiden; dezelfde blinden, die met kleine potjes, als peperbossen—hunne aalmoesbossen—rammelen; dezelfde onhebbelijke zilveren kronen, gesteld op het geschilderde hoofd van enkele Heiligen en Maagden, in volgepropte schilderstukken; zoodat een klein beeldje op een berg een hoofdsieraad heeft, dat grooter is dan de tempel op den voorgrond, of mijlen omtreks van het nabijgelegen landschap; hetzelfde geliefkoosde reliekkastje of beeld, bedolven onder kleine zilveren harten en kruisen en wat dies meer zij; die tevens de hoofdzakelijke voorwerpen van den handel en de uitstalling van al de juweliers zijn; dezelfde gekke mengeling van eerbied en onwelvoegelijkheid, van ijverig geloof en koelheid; daar zij op de steenen knielen en er met gedruisch op spuwen; uit hun gebed opstaan om eventjes te bedelen, of om zich met eenige andere wereldsche aangelegenheid te bemoeien, en dan weer neerknielen, om de deemoedige smeekbeden te hervatten bij het punt waar zij ze hebben afgebroken. In eene kerk stond eene knielende dame een oogenblik uit haar gebed op, om ons haar adreskaartje als onderwijzeres in de muziek te overhandigen, en in eene andere brak een deftig heer, met een zeer dikken wandelstok, zijne gebeden af en stond op om zijn hond te ranselen, die tegen een anderen hond blafte, en wiens gekef en gejank door de kerk weergalmden, toen zijn meester bedaard den draad zijner vroegere bespiegelingen weer opvatte—maar evenwel tevens een oog op den hond bleef houden.
Bovenal is er voor de bijdragen der geloovigen steeds eene inzamelbos in den een of anderen vorm. Soms is het eene geldbos, geplaatst tusschen het houten, levensgroote beeld des Verlossers en den aanbidder; soms is het een kistje voor het onderhouden der H. Maagd; somtijds een beroep op de mildheid, ten behoeve van een populair Bambino; soms is het een zak, op het eind van een langen stok, hier en daar tusschen het volk gestoken, en waarmede een wakkere sacristijn ijverig rinkelt; maar men vindt ze er altijd, en vaak in verschillende vormen in dezelfde kerk, en over het algemeen goede zaken makende. Deze ontbreekt ook niet in de vrije lucht—de straten en wegen,—want zoo dikwijls ge wandelt en daarbij aan alles denkt, behalve aan eene blikken geldbos, springt u zulk een voorwerp uit een klein huisje aan den weg in de oogen, aan welks top is geschilderd: „Voor de zielen in het vagevuur,” een beroep, dat meermalen wordt herhaald door hem, die de bos houdt, terwijl hij ze voor u schudt, bijna evenals Janklaassen de gebarsten schel doet klinken waarvan zijn driftige aard een orgel maakt.
Dit herinnert mij, dat eenige Romeinsche altaren van buitengewone heiligheid het opschrift voeren: „Elke mis, op dit altaar gelezen, bevrijdt eene ziel uit het vagevuur.” Ik ben nooit in staat geweest, de kosten van zoodanig een dienst te weten te komen; maar zij moeten nogal aanzienlijk wezen. Er zijn ook onderscheiden kruisen te Rome, die, als men ze kust, aflaten voor onderscheiden tijdruimte geven. Dàt in het midden van het Coliseum verschaft er een van honderd dagen; en men kan er van den ochtend tot den avond menschen zien, die het kussen. Het is zonderling, dat eenige van die kruisen eene willekeurige populariteit schijnen te verkrijgen. Het genoemde is er een van. In een ander gedeelte van het Coliseum, is een kruis op eene marmeren plaat, met het opschrift: „Wie dit kruis kust, heeft aanspraak op tweehonderd veertig dagen aflaat.” Maar ik zag niet, dat het door iemand werd gekust, ofschoon ik dagen achtereen in het strijdperk zat, en het door troepen op troepen boeren zag voorbijgaan, op weg om het andere te kussen.
Enkele bijzonderheden te kippen uit den grooten drom van Romeinsche kerken, zou de dolste daad der wereld zijn. Maar St. Stefano Rotondo, een vochtig, beschimmeld gewelf eener oude kerk in den omtrek van Rome, zal mij bovenal in het geheugen zweven, uithoofde van het afschuwelijke schilderwerk, waarmede de muren er van zijn versierd. Dit verbeeldt de marteling van Heiligen en Christenen uit den vroegsten tijd; en zulk een panorama van afgrijselijkheden en slachting zou zich geen mensch in zijn slaap kunnen voorstellen, al zou hij een geheel en rauw speenvarken tot avondmaal gebruiken. Mannen met grijze baarden worden er gekookt, gebraden, geroost, geschroeid, door wilde dieren verscheurd, door honden vaneengereten, levend begraven, door paarden vaneengetrokken of met bijlen kleingehakt; aan vrouwen worden de borsten met ijzeren tangen afgescheurd, de tongen uitgesneden, de ooren afgedraaid, de kaken gebroken; lichamen, die op de pijnbank uitgerekt of aan een paal gevild of verpletterd worden, of in het vuur verteren. Deze behooren tot de minst erge onderwerpen, die zulk een indruk op u maken en u de ziel doorvlijmen, dat elk lijder u dezelfde gelegenheid geeft u te verwonderen als toen de arme oude Ducan verscheen in Macbeth, en de Lady verbaasd stond, dat hij zooveel bloed in zich had3.
In de Mamertijnsche gevangenis is eene bovenkamer, boven welke gezegd wordt—en licht mogelijk dat het aldus was—de kerker van St.-Petrus te zijn geweest.
Deze kamer is thans ingericht als een bedehuis, aan dien Heiligen gewijd, en ook die blijft als eene afgescheidene plaats in mijne herinnering levendig. Zij is zeer klein en laag van verdieping, en het akelig sombere der verschrikkelijke, harde, oude gevangenis zweeft er nog over, als ware het er in een dichten nevel door den grond naar boven gekomen. Onder de massa gelofte-offeranden, welke er aan den muur hangen, zijn voorwerpen van welke het vreemd is dat zij bewaard worden en die zonderling afsteken bij de plaats—geroeste dolken, messen, pistolen, knuppels en verschillende werktuigen van geweld en moord, welke, pas gebruikt, hier gebracht en opgehangen zijn, om den beleedigden Hemel te verzoenen, alsof het bloed, hetwelk er nu op zat, er af zou druipen in gewijde lucht, en geen stem zou hebben tot schreien. Het is daar alles zóó stil en zóó eng en zóó grafachtig, en de kerkers er onder zijn zóó donker en zóó verborgen en doodsch en naakt, dat die kleine donkere plek tot een droom in een droom wordt; en in het droomgezicht van groote kerken, die langs mij heen kwamen rollen als eene zee, vormde zij eene kleine golf op zich zelve, die in geene andere versmolt en met de overige niet voortrolde.