MODELLEN VOOR KUNSTENAARS.

MODELLEN VOOR KUNSTENAARS.

Men wordt angstig als men denkt aan de verbazende groeven, waarin men uit sommige kerken toegang krijgt, en die de stad ondermijnen. Vele kerken hebben crypta en onderaardsche kapellen van grooten omvang, welke in oude tijden badvertrekken waren en geheime kamers van tempels en wat niet al; maar daarvan spreek ik niet. Onder de kerk van St. Giovanni en St. Paulo zijn de kaken van eene verschrikkelijke rij holen in de rots uitgehouwen, en waarvan gezegd wordt, dat ze nog een uitgang onder het Coliseum hebben—verbazende duistere ruimten van eene groote uitgebreidheid, half onder de aarde bedolven en onbegaanbaar; waar de doffe fakkels, in de handen der oppassers zwaaiende, langs uitgestrekte gangen schemeren van verafgelegen bogen, met rechts en links vertakkingen van dwarsgangen, als straten in eene stad van dooden, en het zichtbaar doen worden, hoe de vochtigheid hier langs de muren sijpelt: drip-drop, drip-drop, en zich gaat vermengen met de waterpoelen, die hier en daar liggen, en geen straal der zon ooit gezien hebben of immer zullen zien. Volgens eenige berichten zouden dit de bewaarplaatsen zijn geweest der wilde dieren, welke voor het strijdperk waren bestemd; volgens sommigen zouden het de kerkers zijn geweest voor veroordeelde kampvechters; volgens anderen, beide. Maar de legende, die den geest het meest verplet, is, dat in de bovenste reeks (want er zijn twee verdiepingen van deze holen) de eerste Christenen, die er toe bestemd waren bij de vertooningen in het Coliseum door de wilde dieren te worden verscheurd, die naar hen hongerende wilde dieren beneden hoorden brullen, totdat, na den nacht en de eenzaamheid hunner gevangenschap, zich plotseling de middag en het gewoel van het kamptooneel, tot aan de borstweringen volgepropt, aan hunne oogen vertoonde, en zij tevens hunne gevreesde naburen er in zagen springen.

Onder de kerk van San Sebastiano, twee mijlen buiten de poort van dien naam, aan den Appiaanschen weg, is de ingang naar de catacomben van Rome—oudtijds steengroeven, maar naderhand de schuilplaatsen der Christenen.—Deze ijselijke plaatsen zijn twintig mijlen ver uitgehold en vormen eene keten van doolhoven, die zestig mijlen in den omtrek heeft.

Een magere Franciskaner monnik, met schitterend oog, was onze eenige gids in die diepgelegen en verschrikkelijke plaats. De nauwe wegen en openingen, die hier en daar zijn, en daarbij de dompige en zware lucht, wischte in ons allen ook de laatste heugenis uit van den weg, langs welken wij waren gekomen; en ik kon het denkbeeld niet onderdrukken: „Goede Hemel, als hij nu eens in een aanval van krankzinnigheid de fakkels ging uitdooven, of als hij eens daar een toeval kreeg, wat zou er dan van ons worden!” Wij gingen altijd voort tusschen graven van martelaren en kwamen langs groote onderaardsche gewelfwegen, die naar alle richtingen liepen, en door steenhoopen verstopt waren, opdat er zich geene dieven en moordenaars verschuilen en onder Rome eene bevolking vormen zouden, erger zelfs dan die tusschen haar en de zon leeft. Graven, graven en nog al graven; graven van mannen, van vrouwen, van hunne kleine kinderen, die al aansnellende hunne vervolgers toeriepen: „Wij zijn Christenen! Wij zijn Christenen!” opdat zij met hunne ouders omgebracht mochten worden. Graven met den palm van het martelaarschap, ruwelijk gehouwen in hunne steenen wanden, en kleine nissen, gemaakt om eene vaas met des martelaars bloed te bevatten; graven van sommigen, die jarenlang hier beneden leefden, aan de overigen tot herders strekten, en waarheid en hoop en troost predikten van de ruwe altaren, die getuigenis gaven van hunne zielskracht in dat uur; nog ruimere maar veel verschrikkelijker graven, waar honderden, die overvallen waren, ingesloten en ingemetseld, voor het sterfuur begraven, en gedood werden door langzamen hongerdood.

„De zegepralen van het geloof zijn niet boven den grond in onze prachtige kerken,” zeide de monnik, in de rondte en op ons ziende, toen wij stilhielden om te rusten in een van de lage gangen, terwijl beenderen en stof ons overal omringden. „Zij zijn hier! te midden van de graven der martelaren!” Hij was een aardig, ernstig man, en zeide het van harte; maar als ik bedacht, hoe Christenen met elkander hebben gehandeld, hoe zij, onzen hoogst liefderijken godsdienst bedervende, elkander hebben gejaagd en gepijnigd, verbrand en onthoofd, verworgd, geslacht en onderdrukt, dan schilderde ik mij een doodangst, die veel erger was dan die, welke doorgestaan werd door dit stof, toen er nog adem in was, en hoezeer die groote en standvastige harten geschokt zouden zijn geworden—hoe zij zouden hebben gekwijnd en genokt—indien een voorgevoel van de daden, welke door erkende Christenen bedreven zouden worden, in den grooten naam voor welken zij stierven, hen met de eigen onuitsprekelijke smart zou hebben verscheurd op het vreeselijke rad, en het bittere kruis, en in het verschrikkelijke vuur.

Dit zijn de plekken en strepen in mijn droom van kerken, die afzonderlijk staan en hare afgescheiden eenzelvigheid bewaren. Soms heb ik eene flauwere herinnering van de relieken; van het fragment des pilaars van den tempel, die in tweeën scheurde; van het stuk der tafel, waarop het Laatste Avondmaal is gehouden; van den put, uit welken de vrouwen van Samaria den Heiland water gaven; van twee kolommen van het huis van Pontius Pilatus; van den steen, aan welken de heilige handen werden gebonden, toen de geeseling werd verricht; van den rooster van Sint Laurentius en den steen er onder, waarop de merkteekens van het braden van zijn vet en bloed: dit alles gaf aan sommige hoofdkerken iets schaduwachtigs, hetwelk geleek naar eene oude geschiedenis of eene fabel, en ze een oogenblik tegenhielden, toen zij voor mij wegsnelden. Het overige is eene uitgestrekte woestenij van gewijde gebouwen, van alle vormen en smaak en die met elkander vermengd zijn; gebroken zuilen van Heidensche tempels, uit den grond gegraven, en, als waren het gevangen reuzen, gedwongen tot het dragen der daken van Christelijke kerken; van schilderstukken, slechte en verwonderlijke en goddelooze en bespottelijke; van knielend volk; van wierookdampen, die onder het opstijgen in en door elkander krullen; van luidende klokken, en soms (maar niet dikwijls) van een spelend orgel; van Madonnen, wier borst bestoken is met zwaarden, in een halven cirkel geschikt als een nieuwerwetsche waaier; van nog bestaande geraamten van doode Heiligen, op afschuwelijke wijze opgetooid met zwierige satijnen, zijden en fluweelen stoffen, met goud versierd, en wier uitgebleekte schedel versierd is met kostbare juweelen of met kransen van verwelkte bloemen; van het volk, dat soms was vergaderd rondom den kansel, en een monnik er in, die het kruisbeeld uitstrekte en op stoute wijze preekte; van de zon, die juist door een hoog venster binnenstroomt op het zeil, dat boven hem en dwars over de kerk is gespannen, om te voorkomen, dat zijne forsche stem zich verlieze in den galm der zoldering. Dan bestijgt mijn vermoeid geheugen eene trap, waar hoopen menschen liggen te slapen of zich in de zon koesteren, en dwaalt rond tusschen de vodden, die uitwasemingen en paleizen en hutten een Italiaansche straat.


Op een Zaterdagochtend (den achtsten Maart) werd hier een man onthoofd. Negen of tien maanden te voren had hij eene Beiersche gravin aangevallen, die als bedevaartgangster naar Rome reisde—alleen, en natuurlijk te voet—en, naar men zegt, dit vrome werk ten vierden male verrichtende. Hij zag haar te Viterbo, waar hij woonde, een goudstuk wisselen; volgde haar; hield haar, meer dan veertig mijlen ver, op hare reis gezelschap, onder het verraderlijk voorwendsel haar te beschermen; vervulde zijn onafgebroken voornemen door haar op de Campagna, op een kleinen afstand van Rome, aan te vallen, in de nabijheid van hetgeen het graf van Nero wordt genoemd (maar het niet is); beroofde haar en sloeg haar met haar eigen pelgrimsstaf dood. Hij was kortelings gehuwd, en schonk iets van hare sieraden aan zijne vrouw, aan wie hij zeide, dat hij het op eene kermis had gekocht. Zij nochtans, die de ter bedevaart gaande gravin hare stad had zien doortrekken, herkende eene kleinigheid, als haar hebbende toebehoord. Toen vertelde de man haar wat hij had gedaan. Zij verhaalde het in de biecht aan een priester; en binnen vier dagen na het bedrijven van den moord was de man gevangengenomen.

In dit onbegrijpelijk land zijn geen bepaalde tijden voor de bedeeling of de uitvoering des rechts, en hij was na dien tijd aanhoudend in de gevangenis gebleven. Des Vrijdags, toen hij des middags met de andere gevangenen at, kwamen ze hem zeggen, dat hij den anderen dag zou worden onthoofd, en namen hem mede. Het is zeer ongewoon, doodstraffen in de Vasten ten uitvoer te leggen; maar daar deze misdaad zeer erg was, achtte men het raadzaam, door hem op dien tijd ter dood te brengen, een voorbeeld te stellen; dewijl er alsdan een groot aantal pelgrims uit alle streken naar Rome komen om de Heilige Week. Ik hoorde het Vrijdagavond en zag de plakkaten aan de kerken, die het volk vermaanden, voor de ziel van den misdadiger te bidden. Ik besloot er heen te gaan om hem ter dood te zien brengen.

Het onthoofden was bepaald ten veertien en een half uur, Romeinsche tijdrekening: of kwartier voor negenen des ochtends. Ik had twee vrienden bij mij; en daar wij niet anders dachten dan dat er eene overgroote menigte menschen zou zijn, waren wij reeds ten halfacht ter plaatse. De plaats waar de straf zou worden uitgevoerd, was in de nabijheid der kerk van San Giovanni de collato (Sint Johannes de onthoofde)—een twijfelachtig compliment aan Sint Johannes den dooper, in eene van de onbegaanbare straten zonder voetpad, waaruit een groot gedeelte van Rome bestaat—eene straat van vergane huizen, die niemand schijnen te behooren, en nooit bewoond te zijn geweest, en welke voorzeker nooit naar eenig plan of met eenig doel werden gebouwd, en geene schuiframen hebben, en er eenigermate uitzien als verlaten brouwerijen, en magazijnen konden wezen, als er maar iets in ware. Tegenover een van deze—een wit huis—was het schavot opgeslagen, een onzindelijk, ongeschilderd, misselijk ding, dat er, natuurlijk, heel gek uitzag: ’t was zoo wat zeven voet hoog: met een hoog, galgvormig raam er op staande, waarin het mes hing, dat, bevracht met eene schrikkelijke massa ijzer, geheel gereed was neer te vallen, en helder blonk in de morgenzon, als die, nu en dan, eens van achter eene wolk uitkeek.

Er was niet veel volk in de nabijheid; en dit werd door troepen pauselijke dragonders op een aanmerkelijken afstand van het schavot gehouden. Er waren twee- of driehonderd infanteristen onder de wapens, op hun gemak hier en daar in groepen bijeen staande, en officieren wandelden bij tweeën en drieën op en neer, en snapten met elkander en rookten sigaren.

Aan het einde der straat was eene open ruimte, waar stellig een vuilnishoop was, en stapels gebroken aardewerk en hoopen van groente-afval, daar zulke dingen in Rome door ieder overal worden neergeworpen, en er geen bijzondere plek mee wordt begunstigd. Wij kwamen binnen een soort van waschhuis, dat behoorde tot eene woning, op die plaats gelegen; en dáár staande op eene oude kar en op een hoop karrewielen, die er tegen den muur waren opgestapeld, hadden wij, door een groot getralied venster, het uitzicht op het schavot en de straat die er achter lag, tot door het plotselijk links wenden van deze, ons perspectief eensklaps afbrak, en gesloten werd door een dikken officier, met een steek op het hoofd.

Het sloeg negen, het sloeg tien uur, en er gebeurde niets. Al de kerkklokken luidden als naar gewoonte. Een klein parlement van honden kwam op de open plaats bijeen, en jaagde elkander na, binnen en buiten den kring der soldaten. Trotsch ziende Romeinen der gemeenste klasse, in blauwe mantels en rosse mantels en onbemantelde lompen, gingen af en aan en praatten met elkander. Vrouwen en kinderen scharrelden aan de zijden van de smerige menigte. Eene groote modderige ruimte was geheel onbezet gelaten, gelijk eene kale plek op een menschenhoofd. Een sigarenverkooper, met een aarden pot met glimmende houtskolen in de eene hand, ging op en neer, terwijl hij zijne waar uitventte. Een pasteiverkooper verdeelde zijne aandacht tusschen het schavot en zijne klanten. Jongens beproefden de muren te beklimmen en buitelden weer naar omlaag. Priesters en monniken maakten zich tusschen het volk met de ellebogen ruimte, en stonden op de teenen om een kijkje van het mes te kunnen nemen, en gingen toen weer heen. Kunstenaars met allerzonderlingste hoeden uit de middeleeuwen, en baarden (den hemel zij dank) uit geene eeuw hoegenaamd, wierpen schilderachtige blikken rondom zich. Een heer (ik denk dat hij met de schoone kunsten in betrekking stond) ging op en neer, in een paar rijlaarzen en een rooden baard, die op zijne borst neerhing; en zijn lang en schitterend rood haar, in twee vlechten gestrengeld, waarvan er, aan de voorzijde, langs elken schouder één tot aan de middel neerhing, was met zorg gevlochten en geschikt.

Het sloeg elf uur, en nog al gebeurde er niets. Onder de menigte liep het gerucht, dat de misdadiger niet wilde biechten; in welk geval de priester bij hem bleef tot het Ave Maria luidde (zonsondergang); want het is hunne liefderijke gewoonte, nimmer het kruisbeeld vóór dat oogenblik voorgoed weg te wenden van iemand, die, in zulk een toestand zijnde, weigert te biechten, en dus een zondaar is, dien de Heiland verlaten heeft. Het volk begon af te zakken. De officieren haalden hunne schouders op en schenen te twijfelen. De dragonders, die elk oogenblik tot onder ons raam kwamen rijden, om eene ongelukkige huurkoets of kar weg te jagen, zoodra zij zich gemakkelijk had geplaatst, en bedekt was met vroolijk volk (maar nooit vroeger), werden trotsch en driftig. De kale plek had geen enkel haartje gekregen, en de dikke officier, die het perspectief sloot, verbruikte eene schrikkelijke hoeveelheid snuif.

Plotseling klonk er trompetgeschal. „Geef acht!” luidde het dadelijk onder de infanterie. Zij trokken op naar het schavot en werden er romdom geschaard. Ook de dragonders galoppeerden naar hunne standplaatsen meer in de nabijheid. De guillotine werd het middelpunt, van een bosch van glinsterende bajonetten en blinkende sabels. Het volk drong naderbij tot naast de soldaten. Een lange slingerende stroom van mannen en knapen, die den optocht van de gevangenis af had verzeld, kwam naar de open plaats toevloeien. De kale plek was nauwelijks van het overige te onderkennen. De sigaren- en pasteiverkoopers lieten alle gedachten van handel voor het oogenblik varen, en zich geheel aan het genoegen overgevende, zochten zij naar een goed plaatsje tusschen de menigte. Nu eindigde het perspectief in een troep dragonders. En de dikke officier, die den degen had getrokken, zag strak naar eene kerk in zijne nabijheid, welke hij kon zien, maar die voor ons, de menigte, onzichtbaar was.

Na eene korte poos zag men eenige monniken uit die kerk en het schavot nabij komen, en, boven hunne hoofden uit, het beeld van Christus aan het kruis, onder een zwart verhemelte, langzaam en treurig naderen. Dit werd rondom het schavot gedragen, naar de voorzijde en toen naar den misdadiger gekeerd, opdat hij ’t tot zijne laatste oogenblikken zou kunnen zien. Het was nauwelijks geplaatst of hij verscheen barrevoets op het plat. Zijne handen waren gebonden, en de boord en het halsgedeelte van het hemd was bijna tot aan de schouders weggesneden. Het was een jong man—zes en twintig jaren,—sterk gebouwd en welgevormd. Bleek aangezicht; kleine donkere knevels en donkerbruine haren.

Het bleek, dat hij had geweigerd te biechten alvorens men hem zijne vrouw zou hebben gebracht, om hem te bezoeken: men had een escorte naar deze gezonden, waardoor de vertraging veroorzaakt was geworden.

Hij knielde dadelijk onder het mes, zijn nek plaatsende in eene holte, daartoe gemaakt, in eene dwarsplank, welke holte gesloten werd door eene andere, daarop passende plank, geheel gelijk aan de pillory4; onmiddellijk onder hem was een lederen zak. En daarin rolde zijn hoofd dadelijk.

De scherprechter vatte het bij de haren, wandelde er het schavot mede rond, en toonde liet aan ’t volk, vóór iemand goed wist dat het mes zwaar en ratelend was neergevallen.

Toen het de vier zijden van het schavot was rondgedragen, werd het op een paal aan de voorzijde geplaatst—eene kleine streep zwart en wit, opdat er de lange straat op mocht staren en de vliegen zich er op konden neerzetten. De oogen waren naar boven gekeerd, als vermeden zij het gezicht van den lederen zak, en waren naar het kruisbeeld gericht. Elke blos en kleur van leven was er op dat oogenblik uit vervlogen. Het was dof, koud, lijkkleurig, als was. Het lichaam evenzeer.

Er was veel bloed. Toen wij het raam verlieten en dicht bij het schavot kwamen, was het zeer morsig; een van de beide mannen, die er water overheen goten, zich omkeerende, om den ander behulpzaam te zijn het lijk in eene kist te lichten, trippelde naar hem toe als ging hij door de modder. Vreemd was het, de schijnbare vernietiging van den hals na te gaan. Het hoofd was zoo glad afgesneden, dat het scheen alsof het mes rakelings langs de kaak was gegaan, en die bijna beschadigd of het oor afgeschaafd had; en het lijk zag er uit als ware er niets boven den schouder gelaten.

Niemand bekreunde er zich om, of was in het minst aangedaan. Men zag geene blijken van walging, of medelijden, of verontwaardiging, of droefheid. Mijne ledige zakken werden onmiddellijk onder het schavot eenige malen in het gedrang onderzocht, toen het lijk in de kist werd gelegd. Het was een leelijk, morsig, slordig tooneel, dat misselijk maakte en alleen slachting vertoonde; uitgezonderd het belang van het oogenblik voor den ongelukkigen handelenden persoon. Ja! zulk een gezicht bevat eene beteekenis en eene waarschuwing, die ik niet wil vergeten. Zij, die in de loterij speculeeren, plaatsen zich op gunstige punten, om de bloeddroppels te tellen die er hier en daar uitspatten, en bezetten dat getal. Men acht zich tamelijk zeker een prijs daarop te krijgen.

Ten behoorlijken tijde werd het lichaam weggereden, het mes schoongemaakt, het schavot afgebroken en den geheelen afschuwelijken toestel weggenomen. De scherprechter, ex officio buiten de wet gesteld (welk een schotschrift op de straf) die op doodstraf de brug van St. Angelo niet mag overgaan, behalve om zijn werk te verrichten, keerde naar zijn hol terug en de vertooning was uit.


Aan het hoofd der verzamelingen in de paleizen van Rome staat, natuurlijk, het Vatikaan met zijne kunstschatten, zijne verbazende galerijen en trappen, en reeksen op reeksen van onmetelijke kamers, in den hoogsten en eersten rang. Er zijn veel edele standbeelden en overheerlijke schilderijen; maar het is geene ketterij wanneer men zegt, dat er eene groote menigte prulwerk ook is. Vindt eenig oud stuk beeldhouwwerk, dat opgedolven werd, plaats in eene galerij omdat het oud is, en zonder de inwendige verdiensten in aanmerking te nemen; en vindt het honderden bewonderaars omdat het daar is, en om geene andere reden ter wereld; daar zal er ook geen gebrek wezen aan voorwerpen, die geheel onverschillig zijn in het eenvoudige gezicht van hem, die zulk een alledaagsch eigendom bezichtigt, als het hem zoo weinig zou kosten door den bril van anderen te zien, en zich, alleen door de kleine moeite van napraten, als een man van smaak voor te doen.

Ik voor mij erken volmondig, dat ik mijn natuurlijk gevoel van vatbaarheid voor hetgeen natuurlijk en waar is, in Italië of elders niet kan achterlaten, zooals ik met mijne schoenen zou doen als ik in het Oosten reisde. Ik kan niet vergeten, dat er zekere uitdrukkingen des gelaats bestaan, die eigen aan zekere hartstochten, en zoo onveranderlijk van aard zijn als de gang van een leeuw of de vlucht van een arend. Zaken, zóó algemeen bekend als de gewone evenredigheden van menschenarmen en beenen en hoofden, kan ik uit mijne stellige wetenschap niet wegwisschen; en als ik voorstellingen voor oogen krijg, die deze ondervinding en herinneringen geweld aandoen, dan kan ik, ’t moge wezen waar het wil, ze niet met een eerlijk gemoed bewonderen en acht het best dit te zeggen, in spijt van een verheven critischen raad, dat wij soms bewondering moeten aan den dag leggen ofschoon wij ze niet gevoelen.

Daarom beken ik: Als ik een jongen, vroolijken kadraaier een cherubijntje zie voorstellen, of den sleper eener bierbrouwerij als een Evangelist zie geschilderd, dan zie ik in de voorstelling, hoe groot de beroemde schilder er ook van zij, niets te prijzen of te bewonderen. Even weinig ben ik vooringenomen met schendige engelen, die op violen en bassen spelen, ter stichting van monniken die op sterven liggen, en er uitzien als stonden zij op spiritus; noch met Sint Franciscussen en Sint Sebastiaans, die wriemelen in galerijen, welke beide, zoo denk ik er over, als kunstwerken, zeer ongemeene, zeldzame verdiensten moeten bezitten, om hunne vermenigvuldiging op allerlei wijze door Italiaansche schilders te rechtvaardigen.

Het schijnt mij ook toe, dat de verwarde en bepaalde verrukkingen, waarin sommige kunstrechters vervallen, niet is overeen te brengen met de wezenlijke waardeering van werken, die inderdaad groot en uitmuntend zijn.

Ik kan mij, bij voorbeeld, niet verbeelden, hoe de vastberaden kampioen van schilderijen zonder verdienste het kan uitschreeuwen bij de bewonderenswaardige schoonheid van Titiaan’s groote schilderij van de Hemelvaart der Heilige Maagd te Venetië; of hoe hij, die wezenlijk aangedaan wordt door het verhevene van dit keurig kunstvoortbrengsel, of die waarlijk de schoonheid gevoelt van Tintoretto’s groote schilderij van de Vergadering der Zaligen, ter zelfder plaatse, in Michaël Angelo’s Laatste Oordeel, in de Sixtijnsche Kapel, eenige algemeene gedachte of een doorloopend denkbeeld kan onderscheiden in overeenstemming met het verheven onderwerp.

Hij, die Raphaël’s meesterstuk, de Transfiguratie, zal beschouwen en in eene andere kamer van hetzelfde Vatikaan zal gaan, en eene andere teekening van Raphaël beziet, die (als eene ongeloofelijke caricatuur) het miraculeus blusschen van een grooten brand door Leo den Vierden voorstelt,—en dan zal zeggen dat hij ze beiden als werken van een buitengewoon genie bewondert,—moet, naar het mij voorkomt, in een der beide gevallen, en waarschijnlijk in het hooge en verhevene, van zijn opmerkingsvermogen zijn beroofd.

Het is gemakkelijk een twijfel op te werpen, maar ik twijfel inderdaad zeer, of somtijds de regels der kunst niet al te nauwkeurig worden gevolgd, en of het wel geheel goed en aangenaam is, dat wij te voren weten, waar dit beeld zal omdraaien, en waar dat beeld zal neerliggen, en waar de draperieën en de plooien zullen zijn, en veel van dien aard meer. Wanneer ik in schilderijen van verdienste, in Italiaansche galerijen, koppen gadesla, die het onderwerp onwaardig zijn, verwijt ik dit den schilder niet; want het komt mij voor, dat deze groote mannen, die, uit nood, zeer vaak in de handen van monniken en priesters vervielen, ook wat al te dikwijls monniken en priesters schilderden. Ik zie meermalen, in wezenlijk schoone schilderijen, koppen, die het onderwerp en den schilder onwaardig zijn; en ik heb steeds opgemerkt, dat deze koppen er altijd zeer kloosterachtig uitzien en tot heden toe nog huns gelijke onder de bewoners van een klooster hebben; daarom ben ik het met mij zelven eens geworden, dat, in dergelijke gevallen, de schuld niet aan den schilder lag, maar aan de ijdelheid en onwetendheid van eenigen zijner begunstigers, die apostelen wilden zijn—ten minste op doek.

De keurige bevalligheid en schoonheid der standbeelden van Canova; de verwonderlijke ernst en rust van vele der oude beeldhouwwerken, zoowel in het Kapitool als het Vatikaan; en de kracht en het vuur van vele anderen, kunnen, in hunne verscheidenheid, door geene woorden beschreven worden. Zij zijn vooral vol uitdrukking en behaaglijk voor het oog nadat men de werken van Bernini en zijne leerlingen aanschouwd heeft, waarvan de kerken van Rome, van die van St. Petrus af, overvloeien; en die, zooals ik zeker geloof, de erbarmelijkste voortbrengselen van de geheele wereld zijn. Ik zou oneindig liever (als zuivere kunstwerken) de drie godheden van het Verledene, het Tegenwoordige en het Toekomende in de Chineesche verzameling beschouwen, dan de beste van deze opgeblazen verdwaasden; in welker werken elke draperie-plooi het binnenste buiten is gedraaid; de kleinste ader of slagader zoo groot als een gewone wijsvinger, het haar evenals een nest vol schuifelende slangen is; en de houding van elk beeld alle andere buitensporigheden beschaamt. Daarom geloof ik waarlijk, dat er geene plaats ter wereld is, waar dergelijke ondraaglijke misgeboorten, door des beeldhouwers beitel voortgebracht, in zoo grooten overvloed gevonden worden als in Rome.

Er is eene fraaie verzameling Egyptische oudheden op het Vatikaan, en de zolderingen der kamers, waarin zij zijn gerangschikt, zijn in dier voege beschilderd, dat zij een met sterren bezaaiden hemel in de woestijn voorstellen. Het mag een zonderling denkbeeld schijnen, maar het maakt een vreemd effect. De grijnzende, half menschelijke monsters der tempels zien er nog boozer en monsterachtiger uit onder het hard donkerblauw, hetwelk aan alles een vreemden, onzekeren, somberen toon mededeelt—eene geheimzinnigheid, die wel past bij de voorwerpen; en gij verlaat ze, zooals gij ze gevonden hebt, in een statigen nacht gehuld.

In enkele paleizen zijn de schilderijen in het gunstigste licht geplaatst. Er zijn zelden zooveel op ééne plaats, dat er de aandacht door afgetrokken of het gezicht beneveld wordt. Gij ziet ze zeer op uw gemak, en wordt zelden door veel menschen gestoord. Er zijn tallooze portretten van Titiaan, Rembrand en Van Dijk; hoofden van Guido, Domenichino en Carlo Dolci, verschillende onderwerpen van Correggio, Murillo, Raphaël, Salvator Rosa en Spagnoletto. Vele van deze zouden inderdaad moeielijk te hoog, of genoeg geprezen kunnen worden; zoo teer en bevallig, zoo vol edele zielsverheffing, zuiverheid en schoonheid zijn ze.

Het afbeeldsel van Beatrice di Cenci, in het paleis Berberini, is eene schilderij die bijna onmogelijk is te vergeten. Van onder de uitmuntende zachtheid en schoonheid van het gelaat schijnt er iets uit, dat mij bezielt.

Ik zie het nu nog, zooals ik dit papier of mijne pen zie. Het hoofd is los in wit linnen gehuld, terwijl het blonde haar onder de plooien uitkomt. Zij heeft zich plotseling naar u toegedraaid; en er flikkert eene uitdrukking in hare oogen—hoewel zij zeer teer en liefelijk zijn—alsof zij zich tegen de woestheid van een plotselingen schrik of verstrooiing verzette en op hetzelfde oogenblik de zege had behaald; en er niets dan eene hemelsche hoop, eene edele smart en eene eenzame, aardsche hulpeloosheid overbleef.

Eenige overleveringen verhalen, dat Guido het geschilderd heeft in den nacht vóór de voltrekking der doodstraf; eenige anderen beweren, dat hij haar portret uit het geheugen schilderde, nadat hij haar op weg naar het schavot gezien had. Ik wil gaarne gelooven, dat zij, juist als gij haar op zijn doek geschilderd ziet, het hoofd, bij het eerste gezicht van de bijl, te midden van het gedrang naar hem wendde, en in zijn geest een blik drukte, dien hij den mijnen heeft wedergegeven, als had ik te midden der menigte aan zijne zijde gestaan. Het paleis der schuldige Cenci, dat eene geheele wijk der stad bederft, zooals het daar staat en bij stukken in puin valt, bezat in mijne verbeelding diezelfde uitdrukking, welke in zijne akelige poort en in zijne donkere, dicht gemuurde vensters lag, en zijne doodsche trappen op en neder zweefde, en uit de duisternis van zijne spookachtige galerijen groeide. De geschiedenis staat, door de hand der natuur zelve geschreven op het gelaat van het stervende meisje, in de schilderij te lezen. En o! wat jaagt zij, door die enkele toets, de zwakke wereld op de vlucht (in plaats van zich met haar te vermaagschappen), die voorwendt, dat zij, krachtens armzalige, te voren afgesproken bedriegerijen, met haar verbonden is.

Ik zag in het Palazzo Spada het standbeeld van Pompejus; het standbeeld, aan welks voet Cesar viel. Een ernstig, ontzaglijk beeld. Ik verbeeldde mij er een dat uitvoeriger was, van de hoogste verfijning: vol keurige toetsen; en zich minder duidelijk voordoende, in de benevelde oogen van iemand, wiens bloed juist er voor wegvloeide, zich vormde tot zulk eene strenge majesteit als dit beeld bezat, toen de dood zijn opwaarts gewend gelaat kwam bekruipen.

De uitstapjes in de nabuurschap van Rome zijn betooverend en zouden hoogst belangrijk zijn, al ware het maar door de veranderende gezichten, die zij van de woeste Campagna opleveren. Maar iedere duim gronds en elke richting is belangrijk door historische gebeurtenissen en natuurlijke schoonheden. Daar ligt Albano, met het liefelijke meer, en den met bosschen bedekten oever, en met zijne wijngaarden, die zekerlijk sedert de dagen van Horatius niet verbeterd zijn en thans ternauwernood zijne lofrede rechtvaardigen. Daar ligt het vuile Tivoli, met de rivier Anio, die hier haar loop verandert en van eene hoogte van tachtig voeten naar beneden stort. Met zijn schilderachtigen tempel der Sibylle, boven op eene rotspunt: met zijne kleine watervallen, die in de zon schitteren en flikkeren; en een groot hol, dat u somber aangaapt, waar de rivier een vreeselijken sprong neemt en naar beneden, onder sombere rotsen, voortschiet. Daar is ook de Villa d’Este, verlaten en vervallen, te midden van boschjes van droefgeestig uitziende pijn-en cipresseboomen, waar het lusthuis in staatsie schijnt te liggen. Vervolgens is er Frascati, en op de steilte er boven zijn de bouwvallen van Tusculum, waar Cicero leefde, en schreef, en zijn geliefkoosd huis versierde (eenige brokstukken er van kunnen thans nog daar gezien worden), en waar Cato werd geboren. Wij zagen het in puinhoopen liggende amphitheater op een grauwachtigen naren dag, toen de schrale Maartsche wind woei en de verspreide steenen der oude stad om den eenzamen heuvel verspreid lagen, even verwoest als de asch van een reeds lang uitgedoofd vuur.

Op zekeren dag wandelden wij met ons drieën naar Albano, veertien mijlen er vandaan; vurig verlangend er heen te gaan langs den ouden Appiaanschen Weg, sedert lang vervallen en met gras begroeid. Wij vertrokken ten halfacht uur in het open veld (Campagna). Gedurende twaalf mijlen gingen wij klimmende voort, over eene onafgebroken reeks heuveltjes en hoopjes steenen. Graftomben en tempels, die omvergeworpen en voorovergevallen waren; kleine brokstukken van kolommen, friezen en voetstukken; groote blokken graniet en marmer; in puin stortende bogen, met gras begroeid en vervallen; bouwvallen genoeg om er eene groote stad van te bouwen, lagen rondom ons verspreid. Somtijds zagen wij losstaande muren van deze brokstukken door de schaapherders op den weg opgericht; somtijds werden wij verhinderd onzen koers te volgen, door een dijk tusschen twee hoopen van gebroken steenen; somtijds bemoeielijkten de brokstukken zelve, die van onder onze voeten voortrolden, ons het voortkomen; maar het waren altijd bouwvallen. Nu eens volgden wij het spoor van een stuk van den oude weg, boven den grond, dan weder door gras bedekt, alsof dat zijn graf ware; maar de geheele weg bestond uit bouwvallen. In de verte richtten vervallen waterleidingen hare reuzenschreden door de velden; en iedere windvlaag, die naar ons toekwam, bracht, gelijktijdig, vroeg ontloken bloemen en grassoorten, op mijlenlange hoopen puin, in beweging. De ongeziene leeuweriken boven ons, die alleen deze akelige stilte verstoorden, hadden hunne nesten tusschen puinhoopen; en de trotsche herders, in schapevellen gekleed, die nu en dan uit hunne slaapholen zuur naar ons zagen, huisden te midden der puinhoopen. Het gezicht van de verwoeste Campagna aan een zijde, waar zij het vlakst was, bracht mij eene Amerikaansche prairie in het geheugen; maar wat is de eenzaamheid van eene streek, waar nooit menschen gewoond hebben, vergeleken bij die eener woestenij, waar een machtig geslacht de indruksels zijner voetstappen heeft achtergelaten op de aarde van waar het verdwenen is; waar de rustplaatsen hunner dooden, evenals hunne dooden zelven, in puin gevallen zijn, en waar het gebroken uurglas van den tijd slechts een hoop nietig stof is! Toen wij langs dien weg tegen zonsondergang terugkeerden, en uit de verte naar den weg zagen, dien wij in den ochtend waren gegaan, had ik bijna een gevoel (evenals zag ik haar op dit uur voor het eerst) alsof de zon nimmer weder zou opgaan, maar dat zij dien avond voor de laatste maal hare stralen schoot op een in puin gevallen wereld.

Naar Rome bij maanlicht terug te keeren is zulk een dag naar behooren te eindigen. De nauwe straten zonder voetpaden, en waar in iederen donkeren hoek hoopen vuilnis en mest gestopt zijn, vertoonen eene zoo sterke tegenstelling, in hare nauwe ruimten en in hare morsigheid en duisternis, met het ruime plein voor eenige trotsche kerk, op welks midden een obelisk, met hieroglyphen bedekt, ten tijde der keizers uit Egypte aangevoerd, vreemd rondziet op het zonderlinge tafereel er rondom, of soms een oude pilaar, waarvan het vereerde beeld is omvergeworpen, en die een Christenheilige onderschraagt: Marcus-Aurelius, die plaats maakte voor Paulus, en Trajanus voor St. Petrus. Vervolgens zijn er de groote gebouwen, opgericht van den roof uit het Coliseum, die de stralen der maan, evenals bergen, onderscheppen; terwijl zij hier en daar vrijelijk door gebroken bogen en gescheurde wallen schijnt, evenals het leven uit eene wond ontvliedt. De kleine stad van ellendige huizen, door muren omringd, en gesloten door poorten met hekken voorzien, is de wijk, waarin de Joden elken avond worden opgesloten zoodra de klok acht uur slaat—eene ellendige plaats, dicht bevolkt en met onaangename uitwasemingen gevuld, maar waar het volk ijverig is en geld verdient. Wanneer gij over dag door de nauwe straten gaat, ziet gij ze allen aan het werk: op het voetpad, nog vaker dan in hunne donkere en smerige winkels; oude kleederen opknappende en handel drijvende.

Toen wij uit deze dikke duisternis in het heldere licht der maan kwamen, zagen wij de fontein van Trevi, die een honderdtal stralen opspoot, over nagebootste rotsen rolde, en zich voor oog en oor zilverachtig voordeed. In den kleinen, nauwen doorgang der straat achter eene hut, met flikkerende lampen en boomtakken versiert, bemerkt men eene groep somberziende Romeinen, gezeten om hunne koperen ketels met heete soep en gestoofde bloemkool, mooten gebakken visch en flesschen wijn. Wanneer gij den scherp vooruitstekenden hoek om zijt, hoort gij een zwaarmoedig geraas. De voerman houdt plotseling op en neemt zijn hoed af, op het zien van een wagen, die langzaam voortrijdt, voorafgegaan door een man, die een groot kruis draagt, door een fakkeldrager en een priester, die al zingende voortschrijdt. Het is de lijkwagen met de lichamen der armen, om ze in het kerkhof, buiten de muren, te begraven, waar men ze in eene soort van put werpt, welke dezen avond met een steen zal bedekt worden en gedurende een jaar gesloten blijven.

Maar hetzij ge op uw tocht langs de obelisken, kolommen, oude tempels, schouwburgen, huizen, portieken of forums gaat, het is vreemd te zien, hoe ieder brokstuk, zoo vaak ’t mogelijk was, in eenig ander nieuw gebouw is gemengd geworden en geschikt gemaakt om tot eenig nieuw doel te dienen—een muur, een woonhuis, eene korenschuur, een stal—een gebruik, waarvoor het nimmer bestemd was, en waarmede het allerellendigst overeenstemt, wanneer het er mede verbonden is. Het is nog vreemder te zien, hoeveel puinhoopen der oude fabelleer, hoeveel brokken van verouderde legenden en eeredienst hier vermengd zijn met den dienst der christelijke altaren: en hoe rijk in vele opzichten het ware en valsche geloof in eene monsterachtige vereeniging zijn saamgesmolten.

Van eene zijde der stad, van waar men het uitzicht heeft over de wallen, vormt eene gedrukte ingedrongene piramide (de begraafplaats van Cajus Cestius) een ondoorschijnenden driehoek in het maanlicht. Maar voor een Engelsch reiziger dient zij ook om het graf aan te duiden van Shelley, wiens asch hier in de nabijheid in een klein tuintje rust. Nog dichter bij, bijna door haar overschaduwd, ligt het gebeente van Keats5, wiens naam, „op het water is geschreven,” dat op een kalmen Italiaanschen avond schitterend in het landschap glinstert.

Men vooronderstelt, dat de Heilige Week in Rome voor alle bezoekers zeer aanlokkelijk is; maar behalve hetgeen er is te zien op Paaschzondag, zou ik diegenen, welke naar Rome gaan, in hun eigen belang aanraden op dien tijd er vandaan te blijven. De plechtigheden zijn over het algemeen van de vervelendste en lastigste soort; de hitte en de volksmenigte bij elke van deze drukt u op pijnlijke wijze; het geraas, het gewoel onder de verwarring maken u geheel verstrooid. Wij hielden op, deze vertooningen na te jagen, toen ze nog pas in den aanvang waren, en zochten weer onze toevlucht bij de puinhoopen. Maar wij mengden ons in het gewoel, om ons deel te hebben van het voornaamste dat er te zien was; en wat wij zagen, wil ik u beschrijven.

Des Woensdags zagen wij weinig in de Sixtijnsche Kapel; want toen wij er aankwamen had de menigte, die ze belegerde, haar tot de deur toe gevuld en stroomde tot in de naast bijgelegene halle, waar de menschen worstelden en elkander verdrukten en wederkeerig uitscholden, en telkens, als er eene bezwijmde dame uitgedragen werd, grooten oploop maakten, alsof ten minste vijftig menschen hare ledige standplaats konden innemen.

In het portaal der kapel hing eene dikke gordijn, en aan die gordijn waren een twintigtal lieden, welke er het dichtst bij stonden en verlangden het Miserere te hooren zingen, voortdurend, elk van zijne zijde, bezig haar heen en weder te trekken, opdat zij niet naar beneden zou vallen en den klank der stemmen dooven. Het gevolg er van was, dat zij de grootste verwarring veroorzaakte en zich als eene slang om de onbedachtzamen scheen te winden. Dan eens werd eene dame er in gehuld en kon er niet uit los komen. Dan weder werd de stem van een halfgesmoorden heer er van binnen uit gehoord, die verzocht dat men hem er uit zou laten. Nu eens worstelden er, evenals in een zak, twee ineengestrengelde armen, zonder dat iemand kon zeggen aan welk geslacht die behoorden. Dan weder werd ze met een oploop geheel binnen de kapel gevoerd, evenals een uitgespreid zeil. Nu kwam zij den anderen weg uit, en sloeg in de oogen van een der Zwitsersche garde van den paus, die juist op dat oogenblik was aangekomen om orde te houden.

Daar wij er niet ver vandaan zaten, tusschen twee of drie heeren uit het gevolg van den paus, die zeer verdrietig waren en de minuten telden—zooals misschien Zijne Heiligheid ook deed,—hadden wij beter gelegenheid om dit zonderlinge vermaak te beschouwen dan om het Miserere te hooren. Somtijds hoorden wij eene verheffing van klagende stemmen die zeer roerend en treurig klonken en wegstierven in eene reeks van diepe tonen; maar dit was ook alles wat wij hoorden.

Op een anderen tijd werden de relieken in de St.-Pieterskerk tusschen zes en zeven uur des avonds ten toon gesteld, en dit was treffend, daar de hoofdkerk duister en somber, en er veel volk in was.

De plaats naar welke de relieken, een voor een, gebracht werden door drie priesters, was een hoog balkon nabij het hoofdaltaar. Dit was het eenigste gedeelte in de kerk, dat verlicht was. Daar branden altijd honderd en twaalf lampen bij het altaar, en behalve dat, twee groote waskaarsen bij het zwarte beeld van Sint Pieter, maar dit beteekent niets in zulk een groot gebouw. De somberheid, en over het algemeen het wenden van de aangezichten naar het balkon, en het nedervallen der ware geloovigen op de steenen, wanneer schitterende voorwerpen, evenals schilderijen of spiegels, opgebracht en ten toon gesteld worden, deed eene goede uitwerking; in weerwil van de zeer ongerijmde wijze, waarop zij ter algemeene stichting werden opgeheven, en de groote hoogte, van waar zij vertoond werden, die men eerder berekend zou achten om de zalving te verminderen, welke uit eene volle overtuiging van hunne echtheid moet ontspringen.

Des Donderdags gingen wij den paus zien, die het sacrament uit de Sixtijnsche Kapel overbracht, om het in de Capelle Paolina, eene andere kapel in het Vatikaan, te plaatsen;—eene plechtigheid, die ten zinnebeeld verstrekt van de begraving van den Zaligmaker vóór zijne opstanding. Wij wachtten gedurende een uur in de groote galerij, met eene groote menigte volks (waarvan drie vierden Engelschen waren), terwijl zij weder het Miserere in de Sixtijnsche Kapel zongen. De beide kapellen kwamen op de galerij uit, en de algemeene aandacht bepaalde zich op het nu en dan openen en sluiten der deur van de ééne, naar welke de paus zich ten laatste begeven zou. Geene dezer ontsluitingen vertoonde iets verbazenders dan een man op eene ladder, die eene groote hoeveelheid kaarsen aanstak; maar bij elke nieuwe opensluiting was er een verschrikkelijke oploop naar de ladder en naar dien man, welke, naar ’t mij voorkomt, iets weghad van een charge der Engelsche zware ruiterij te Waterloo. De man viel echter niet naar beneden, en ook niet de ladder, die aanleiding gaf tot de vreemdsoortigste potsen van de wereld onder de menigte,—te midden van welke zij door den man heengedrongen werd, toen al de kaarsen opgestoken waren, en eindelijk op eene zeer wanordelijke wijze tegen den muur van de galerij werd opgehangen, even voordat de opening der andere kapel en het begin van een nieuw gezang de nadering van Zijne Heiligheid verkondigde. Bij deze crisis schaarden de soldaten der garde, die de menigte in alle soorten van vormen geduwd hadden, zich langs de galerij; en de processie naderde, tusschen de twee door hen gevormde rijen.

Daar waren eenige koorzangers en eene groote menigte priesters, die twee aan twee wandelden en die (ten minste de priesters, die er goed uitzagen) hunne brandende kaarsen zoodanig droegen, dat het licht eene goede uitwerking op hunne gelaatstrekken deed; want de kamer was donker. Zij, die er niet goed uitzagen, of geene lange baarden hadden, droegen hunne kaarsen zooals het uitkwam en gaven zich over aan geestelijke bespiegelingen. Ondertusschen was het gezang zeer eentonig en akelig. De processie trok langzaam voort naar de kapel, en het gegons der stemmen duurde nog voort en kwam nader, totdat de paus zelf verscheen, gaande onder een wit satijnen verhemelte en met beide handen het overdekte sacrament dragende; kardinalen en kanunniken, in menigte om hem geschaard, maakten eene schitterende vertooning. De soldaten der garde knielden, toen hij voorbijging; al de toeschouwers bogen; en zoo ging hij in de kapel. Het wit satijnen verhemelte werd aan de deur van hem afgenomen, en in plaats daarvan eene wit satijnen parasol over zijn arm, oud hoofd gedragen. Nog eenige weinige paren vormden de achterhoede en gingen ook in de kapel. Toen werd de deur der kapel gesloten en alles was gedaan; en iedereen snelde hals over kop weg, als gold het leven of dood, om iets anders te zien, en te zeggen, dat het de moeite niet waard was.

Ik geloof, dat het meest door het volk geliefde tafereel, en waarbij ook de grootste menigte menschen tegenwoordig waren (behalve dat van Paaschzondag en Maandag, voor alle klassen van het volk toegankelijk), was, toen de paus de voeten wiesch van dertien mannen, die de twaalf Apostelen en Judas Iscariot moesten voorstellen. De plaats, waar deze godvruchtige dienst verricht wordt, is eene der kapellen van de St.-Pieterskerk, die voor deze gelegenheid was opgesierd; alle dertien zaten op ééne rij, op eene zeer hooge bank, en zagen er uit als waren zij in het geheel niet op hun gemak, daar de oogen van, de hemel weet hoeveel, Engelschen, Franschen, Amerikanen, Zwitsers, Duitschers, Russen, Zweden, Noormannen en andere vreemdelingen, gedurende al dien tijd, onafgewend naar hunne gezichten staarden. Zij zijn in het wit gekleed, en tot hoofddeksel hebben zij eene stijve, witte muts, evenals eene groote Engelsche bierkan zonder handvat. Elk heeft een ruiker, zoo groot als eene kleine bloemkool, in de hand; en twee er van droegen bij deze gelegenheid brillen; die toen ik mij de karakters herinnerde, welke zij moesten vervullen, naar het mij voorkwam een grappig toevoegsel bij de kleeding waren. Men had het karakter nauwkeurig in aanmerking genomen. Sint Johannes werd voorgesteld door een jong mensch van een innemend voorkomen. Sint Petrus door een ernstig, oud man, met een krullenden, bruinen baard; en Judas Iscariot door zulk een verschrikkelijken huichelaar (ik kon evenwel niet bespeuren of de uitdrukking op zijn gelaat wezenlijk of kunstmatig was), dat indien hij, de rol van den persoon geheel vervullende, ware weggeloopen en zich had opgehangen, alles volmaakt zou zijn geweest.

Daar de beide groote loges, voor de dames bestemd, bij dit schouwspel eivol waren, en er volstrekt geene kans was ze nabij te komen, snelden wij met eene groote menigte mede, om bijtijds aan de tafel te komen, waar de paus in persoon deze dertien bedient. Na eene vreeselijke worsteling aan de trap van het Vatikaan, en verschillende persoonlijke botsingen met de Zwitsersche garde, stormde de gansche menigte in de kamer. Het was eene lange galerij, met witte en roode draperieën behangen, met eene andere groote loge voor dames, (die verplicht zijn zich voor deze plechtigheden in het zwart te kleeden en zwarte sluiers te dragen), en eene koninklijke loge voor den koning van Napels en zijn gezelschap. De tafel, gedekt als voor een bal-souper, en die versierd was met gouden beeldjes van de wezenlijke Apostelen, stond op eene verhevenheid aan eene zijde van de galerij. De nagebootste messen en vorken der Apostelen waren aan de zijde van de tafel gelegd, die het dichtst bij den muur was, zoodat men ze zonder verhindering kon beschouwen.

Het midden der kamer was vol vreemde heeren, die op verbazende wijze opeengehoopt waren. De hitte was zeer drukkend en het gedrang somtijds verschrikkelijk. Het was op het hoogst, toen het volk van de voetwassching kwam binnenstormen, en toen was er zulk een geschreeuw en getier, dat een gedeelte der Piemonteesche dragonders de Zwitsersche garde kwamen verlossen en helpen om het oproer te doen bedaren.

De dames waren bijzonder woest in hare worsteling om plaatsen. Eene dame van mijne kennis werd in de dames-loge door eene gespierde matrone om de middel gepakt en uit hare plaats getrokken; en eene andere dame (op de achterste bank in dezelfde loge) maakte zich plaats, door de dames, die voor haar zaten, met eene groote speld te prikken.

De heeren, die om mij stonden, waren bijzonder nieuwsgierig om te zien wat op de tafel stond; en een Engelschman scheen met de geheele zielskracht van zijn aard het besluit genomen te hebben om te ontdekken of er eenige mosterd was. „Bij Jupiter! daar is azijn!” hoorde ik hem tot zijn vriend zeggen, nadat hij een onnoemelijken tijd op de teenen had gestaan en van alle kanten gedrukt en gestooten was geworden. „En er is olie! Ik zag ze duidelijk, in fleschjes! Kan eenig heer, die daar vooraan staat, ook mosterd op de tafel zien? Mijnheer, ge zult me verplichten! Ziet gij ook een mosterdpot?”

De Apostelen en Judas, die zich lang hadden doen wachten, verschenen nu op de verhevenheid en werden voor de tafel, op ééne rij geschaard, met Petrus voorop; en het gezelschap kon ze vrij langen tijd aanstaren, terwijl twaalf er van eens duchtig aan hunne ruikers roken, en Judas—die zijne lippen zeer duidelijk bewoog—een inwendig gebed scheen te doen. Vervolgens verscheen de paus, in een scharlaken kleed, en op zijn hoofd een wit satijnen kapje dragende, te midden van een stoet kardinalen en andere dignitarissen (grootwaardigheid-bekleeders), en nam een klein gouden lampet, waaruit hij een weinig water over een van Petrus’ handen stortte, terwijl iemand van het gevolg eene gouden kom; een tweede een fijnen handdoek; een derde Petrus’ ruiker hield, welke hem gedurende de plechtigheid afgenomen werd. Dit volbracht Zijne Heiligheid met aanmerkelijke vlugheid, aan iederen man in de rij (ik bemerkte, dat Judas bijzonder verlegen was met deze inschikkelijkheid), en toen begonnen alle dertien te dineeren. Het gebed werd door den paus voorgedragen. Petrus was voorzitter.

Er was witte en roode wijn, en het maal zag er vrij wel uit. De gerechten werden in porties opgedragen, voor iederen Apostel eene; en deze werden door de kardinalen op hunne knieën aan den paus aangeboden, die ze dan aan de dertien overreikte. De kwaadaardige wijze, waarop Judas naar zijne spijzen keek en pruilde terwijl hij zijn hoofd naar eene zijde hield, alsof hij geen eetlust had, tart iedere beschrijving. Petrus was een goed, oud man, en ging, zooals men gewoonlijk zegt, zitten om van alles te eten wat men hem gaf (hij kreeg het beste, daar hij de eerste in de rij zat) en geen woord met iemand te spreken. De gerechten schenen voornamelijk uit visch en groenten te bestaan. De paus schonk de dertien ook wijn; en gedurende den geheelen maaltijd las iemand iets overluid voor, uit een groot boek—ik gis de Bijbel,—dat niemand kon hooren en waaraan niemand eenige aandacht verleende. De kardinalen, en anderen uit het gevolg, glimlachten van tijd tot tijd tegen elkander, als ware de zaak een groote grap; en wanneer zij zóó dachten, bestaat er weinig twijfel of zij hebben den spijker op den kop geslagen. Wat Zijne Heiligheid had te verrichten, deed hij, zooals een gevoelvol man eene lastige plechtigheid vervult, en scheen zeer blijde toen alles gedaan was.

Het Pelgrims avondmaal, waar heeren en dames, als een bewijs van nederigheid, de pelgrims bedienden en hunne voeten afdroogden, nadat ze eerst door anderen waren gewasschen, was zeer aanlokkelijk. Maar onder de vele tooneelen eener gevaarlijke vervulling van uiterlijke godsdienstoefeningen, die op zich zelve slechts ledige vormen zijn, trof mij geene half zoo sterk als de Scala Santa of Heilige trap, die ik verscheidene malen zag, maar tot haar grootst voor-, of nadeel, op Goeden Vrijdag.

Deze heilige trap bestaat uit acht en twintig treden, van welke men zegt, dat zij behoord zou hebben tot het huis van Pontius Pilatus, en dezelfde te zijn waarop onze Zaligmaker trad, toen hij uit de gerechtszaal kwam. Pelgrims bestegen die echter op hunne knieën. Zij is steil en op haar top bevindt zich eene kapel, naar men zegt vol relieken, waarin de pelgrims door ijzeren tralies gluren, en dan weder naar beneden komen langs eene der beide zijtrappen die niet heilig zijn en waarop men loopen mag.

Op Goeden Vrijdag waren er, matig berekend, honderd menschen, die tegelijk deze trappen op hunne knieën opschoffelden; terwijl anderen, die naar beneden waren gekomen—en eenige weinigen die beide hadden gedaan en nu weder voor den tweeden keer naar boven gingen—beneden aan den ingang vertoefden, waar een oud heer in een soort van wachthuisje aanhoudend een blikken bos, met eene spleet aan de bovenzijde, schudde, om hun te binnen te brengen, dat hij het geld ontving. De meerderheid bestond uit landvolk mannen en vrouwen. Er waren echter ook vier of vijf priesters-Jezuïeten en om en bij een half dozijn welgekleede vrouwen. Eene geheele jongensschool, ten minste twintig, was omtrent ter halverwege naar boven (zij hadden er blijkbaar veel pret in); zij waren allen zeer dicht naast elkander gestopt; maar de overigen van het gezelschap maakten voor de jongens, zooveel mogelijk, ruim baan, daar zij eenige achteloosheid aan den dag legden in de behandeling hunner laarzen.

In mijn geheele leven heb ik niets gezien, dat zoo belachelijk en zoo onbehaaglijk tevens was als dit gezicht—bespottelijk door de ongerijmde tusschentooneelen, die er onafscheidelijk mee verbonden zijn, en onbehaaglijk door het onzinnige en de beteekenislooze ontwaardiging. Om te beginnen, zijn er twee treden, en dan een eenigszins breed vlak. De meer strenge klimmers legden deze vlakte, evenals de trappen, op hun knieën af, en geene beschrijving is in staat de gezichten af te schilderen, die zij trokken onder het voortschoffelen over de vlakke ruimte. En dan had men moeten zien, hoe zij aan den ingang hunne beurt afwachtten en invielen, waar een plaatsje naast den muur open was! Of hoe één man met eene paraplu (opzettelijk meegenomen, daar het fraai weder was) zich op onwettelijke wijze van trede tot trede opheesch! En eene stemmige dame van omstreeks vijf en vijftig jaren, elk oogenblik omziende, om zich te vergewissen of hare beenen zich wel in behoorlijke ligging bevonden!

Ook was er een bijster gek verschil in den spoed der verschillende menschen. Sommigen gingen voort als hadden zij eene weddenschap aangegaan om het in den kortst mogelijken tijd te doen, anderen hielden op, om op elke trede een gebed te verrichten. Die man raakte elke trede met zijn voorhoofd aan en kuste ze; deze krabde zijn hoofd den geheelen weg over. De jongens gingen kostelijk vooruit, en waren er op en af, alvorens de oude dame een half dozijn treden achter den rug had. Maar de meeste boetelingen kwamen er vlug en frisch af, als hebbende een wezenlijk goede daad verricht, die tegen eene goede portie zonde zou kunnen opwegen, en de oude heer in het wachthuisje was, dit verzeker ik u, met zijne bos er bij, nu zij in zulk eene luim waren.

Alsof zoo iets van nature niet onvermijdelijk kluchtig genoeg ware, lag er boven aan de treden een houten beeld op een kruis, rustende op een grooten ijzeren schotel, die zoo zwak op de beenen was en onvast stond, dat, als eenig met geestdrift bezield persoon het beeld met meer dan gewone geestdrift kuste, of een muntstuk met meer dan gewone vlugheid in den schotel wierp (want in dit opzicht diende zij tot tweede of hulpbos), dan deed het al ratelend een grooten sprong en stootte de daarbij geplaatste lamp bijna uit, hetwelk het volk lageraf een grooten schrik op het lijf joeg, en hem, die er oorzaak van was geweest, in onuitsprekelijke verlegenheid bracht.

Op Paaschzondag zoowel als op den voorafgaanden Donderdag geeft de paus het volk den zegen van het balkon aan den voorgevel der St.-Pieterskerk. De Paaschzondag was een zoo schitterende dag met zulk een blauwen, wolkeloozen, balsemachtigen, wonderlijk helderen hemel, dat al het voorafgegane slechte weder in een oogenblik uit het geheugen werd gewischt. Ik had den Donderdags-zegen vochtig zien neervallen op eenige honderden regenschermen; maar was er in de menigte van Rome’s fonteinen —hoe groot ze ook mogen zijn—toen niet een enkele glinstering, op dien Zondagochtend stroomden er diamanten uit. De mijlen lange weg van ellendige straten, door welke wij reden (gedwongen als wij waren tot een bepaalden weg door de pauselijke dragonders, die bij zulke gelegenheden de politie te Rome waarnemen), waren zoo vol kleuren, dat niets er in een flauw aanzien kon hebben. Het gemeene volk kwam in zijne sierlijkste kleeren voor den dag, de rijken in hunne kostbaarste rijtuigen; kardinalen reden in hunne staatsie-rijtuigen ratelend naar de kerk der Arme Visschers. Kale pracht maakte in de zon eene weidsche vertooning met hare afgesleten livreien en dof geworden driekanten hoeden; en elke koets te Rome was geprest voor de piazza van de St.-Pieterskerk.

Er waren, minst genomen, honderdvijftig duizend personen. En toch was er ruimte genoeg. Het is mij niet bekend hoeveel rijtuigen er waren; maar er was voor deze ook ruimte en nog plaats over. De groote trappen der kerk waren propvol. Op dat gedeelte van het plein waren veel contadina (landlieden) van Albano (die veel behagen scheppen in het rood), en de mengeling van schitterende kleuren in de menigte was schoon. Onder aan de trappen waren de troepen geschaard. In de prachtige evenredigheden van het plein zagen zij er uit als een bed vol bloemen. Norsch uitziende Romeinen, levendige boeren uit de nabij gelegen landstreek, groepen bedevaartgangers uit verwijderde streken van Italië, vreemdelingen van alle natiën, die ongewone tafereelen najagen, brachten in de heldere lucht een gegons voort, als even zoovele insecten; en hoog boven hen allen uit, klaterend en bobbelend en in het licht de kleuren van den regenboog vertoonende, spoot het water der twee verrukkelijke fonteinen op, en viel weer overvloedig neder.

Een soort van schitterend vloerkleed was over de voorzijde van het balkon gehangen, en de zijden van het groote venster waren behangen met karmozijnkleurige draperieën. Ook was er aan het boveneinde een zeil gespannen, om den grijsaard te beschermen tegen de brandende zonnestralen. Toen het tegen den middag liep waren aller oogen naar het venster gekeerd. Ten behoorlijken tijde zag men den zetel naar voren komen, en vlak er achter den reusachtigen waaier van pauwenveeren. De man, die er op zat (het balkon was zeer hoog), stond toen overeind en strekte zijne magere armen uit, terwijl al de mannelijke aanschouwers op het plein zich ontdekten, en eenigen, geenszins het meerendeel, neerknielden. De kanonnen op de wallen van het kasteel St. Angelo verkondigden in het volgende oogenblik, dat de zegen was gegeven; de trom werd geroerd; men stak de trompet; wapens kletterden; en de groote menigte die beneden stond, welke zich plotseling in kleine hoopjes verdeelde en zich hier en daar in gedeelten verstrooide, werd bewogen als gedeeltelijk gekleurd zand.

Welk een schoone middag was het, toen wij wegreden. De Tiber was niet meer geel, maar blauw. Er lag een gloed op de oude bruggen die ze weer frisch en krachtvol maakte. Het Pantheon, met den statigen voorgevel, vol rimpels en plooien als het gelaat eens grijsaards, vertoonde zomerlicht op zijne verwoeste muren. Elke vuile en vervallen hut in de Eeuwige Stad (getuige elk der barsche, oude paleizen tegen de morsigheid en ellende van den plebeëschen nabuur, dien het met den elleboog raakt, zoo zeker als de tijd de hand heeft gelegd op zijn Pratricisch hoofd!) was verfrischt en vernieuwd door een zonnestraal. Zelfs de gevangenis in de volgepropte straat, waar gewoel was van rijtuigen en menschen, had iets van de dolle pret van den dag, die door hare spleten en scheuren drong; en treurige gevangenen, die hunne aangezichten niet konden brengen buiten de staven der getraliede vensters, strekten hunne handen uit, en terwijl ze die tegen de roestige spijlen klopten, draaiden zij ze naar de volle straat, als ware het een vreugdevuur, waarvan zij op die wijze genot konden hebben.

Maar toen de nacht inviel, zonder een wolkje, dat de volle maan had kunnen verduisteren, welk een gezicht leverde ’t toen niet op, het Groote Plein nog eens gevuld en de geheele kerk van het kruis tot den grond verlicht te zien door ontelbare lantarens, die den omtrek der architectuur voor oogen stelden en rondom den geheelen zuilengang van het plein knipoogden en blonken! En wat was het niet een gevoel van genoegen, vreugd en verrukking, toen de klok half acht sloeg—op hetzelfde oogenblik,—één schitterend geheel van rood vuur prachtig te zien zweven van den top des koepels naar het uiterste einde van het kruis, en hoe het, op het oogenblik dat het naar zijne plaats sprong, het sein werd der uitbarsting uit elk gedeelte der reusachtige kerk van tallooze lichten, even groot en rood en flonkerend als het zelf was, zoodat elke kornis, kapiteel en het kleinste steenen ornament in vuur werd voorgesteld, en het zwarte, stevige grondwerk van den verbazenden koepel doorschijnend scheen te worden als een eierdop!

Een spoor van buskruit, eene electrische keten, niets kan meer plotseling en snel ontstoken worden dan die tweede verlichting; en toen wij waren heengegaan en eene afgelegen hoogte hadden beklommen en er twee uren later naar keken, toen stond ze er in den kalmen avond nog te schitteren en te glinsteren als een juweel! Er ontbrak geene lijn van hare evenredigheden, en er was geen hoek, die dof was, niet het kleinste gedeelte van den glans, dat verloren ging.

Den volgenden avond—Paaschmaandag—werd er een groot vuurwerk afgestoken op het kasteel St. Angelo. Wij huurden eene kamer in een tegenoverliggend huis en begaven ons bijtijds naar onze plaatsen, door eene dichte menigte volks, die het daarvoor gelegen plein en al de toegangen, die er op uitkwamen, verstopt had, en de brug, welke naar het kasteel leidt, zóó overlaadde, dat zij op dit punt scheen in den snelvlietenden Tiber te zullen neerstorten. Op deze brug zijn standbeelden (afschuwelijk gewerkt), en tusschen deze werden vaten geplaatst, welke met brandend werk gevuld waren; deze beschenen op zonderlinge wijze het gelaat der menigte en op niet minder vreemde wijze de steenen beelden er boven.

Het vuurwerk begon met een verschrikkelijk kanonsalvo; en toen was het geheele kasteel, gedurende twintig minuten of een half uur, eene onafgebroken vuurkolom en een doolhof van vonkenspuwende raderen van alle kleur, grootte en snelheid, terwijl raketten naar den hemel opvlogen, niet bij een, of twee, of twintig, maar bij honderden tegelijk. De laatste uitbarsting—de Girandola—was juist als sprong het geheele stevige kasteel, zonder smook of stof, in de lucht.

Een half uur naderhand had de ontelbare menigte zich weer verstrooid. De maan zag kalm neder op haar gerimpeld beeld in de rivier, en een half dozijn mannen en jongens met brandende eindjes kaars in de handen, die zich hier en daar bewogen en aan het zoeken waren, of er ook in het gedrang iets van waarde mocht zijn op straat gevallen, waren de eenigen die het tooneel leven bijzetten.

Na al dat vuurwerk en schitteren reden wij, om een contrast te hebben, het oude vervallen Rome rond om afscheid van het Coliseum te nemen. Ik had het te voren bij maanlicht gezien (ik kon geen dag laten voorbijgaan zonder weer eens daarheen te gaan), maar de ontzaglijke eenzaamheid in dien nacht gaat alle beschrijving te boven. De spookachtige pilaren in het Forum; de triomfbogen der oude keizers; die verbazende massa’s puinhoopen, welke eens hunne paleizen waren; de met gras begroeide hoopen, die het graf aanduiden van verwoeste tempels; de steenen van de Via Sacra in oud Rome, door de voetstappen geëffend; zelfs deze waren, in hunne uitstekende droefgeestigheid, verduisterd door den somberen geest van zijne bloedige feesten, die daar overeind en grimmig stond, en zich op het oude tooneel ophield; beroofd door plunderende pausen en vechtende vorsten, maar niet geheel verdelgd; woeste handen van onkruid en gras en struiken wringende; en tegen den nacht weeklagende in elke bres en gebroken boog—de schaduw van zijn eigen ontzagwekkend beeld, dat geheel onbeweeglijk was.

Toen wij ons den volgenden dag, op onzen tocht naar Florence, op het gras der Campagna hadden neergelegd en de leeuweriken hoorden zingen, zagen wij, dat er een klein houten kruis was opgericht ter plaatse waar de arme, ter bedevaart gaande gravin vermoord werd. Wij stapelden eenige losse steenen op elkander, als een begin van een steenhoop ter harer nagedachtenis, en twijfelden er aan of wij er wel ooit weer zouden rusten en naar Rome terugblikken.