Hoewel den vluggen tijd de uitkomste der Hebreeuwen,
Spijt Moysi
[1] gulde
[2] pen, met veel verloopen eeuwen
Heel uit te wisschen dacht: zoo is het evenbeeld
Van Israëls triomf zoo aardig weêr volspeeld
Op 't Nederlandsch tooneel
[3], dat geene van dees beiden
Naauw van den andren is met waarheid te onderscheiden:
Wien schildert Farao naar 't leven, naakter af,
Als Flippo
[4] den monarch? den eenen met zijn staf
Beheerscht den blaauwen Nijl; den andren draagt in handen
Den scepter, wiens gebied strekt over Tagus' stranden;
Den eenen Osiris eert met gebogen kniên;
Den ander zal den God des Tybers eere biên;
Den eenen maait int graf de onnoosle zuigelingen;
Den anderen, die nog aan 's moeders borsten hingen;
Den eenen Jacobs huis verdrukt met slavernij;
En d' ander 't Nederland verheert met tirannij;
Den wettigen godsdienst belet den eene duister,
En d' ander al verblind gehengt niet, dat de luister
Des Evangeliums gelijk een zon doorbreekt,
Noch dat de waarheid 't hoofd ten hemel ergens steekt.
Israël, zijnde dus in droefheid en in rouwe,
De vouten
[5] schallen doet van 's Hemels hoog gebouwe;
"O Vader!" roepen zij, "wilt gij uit uwen tros
[6]
De pijlen uwes toorns steeds op ons laten los,
Gedenkt toch aan 't verbond, dat gij met uwer knechten
Voorvaders goedertier hier voormaals woudt oprechten;
Of zoo gij onzer naar uw goedheid niet gedenkt,
Ten minste de eere uws naams, o Heere! niet en krenkt!
Gedoogt niet, dat wij (ach!) den tijd van onze leven
Den vijanden tot roof en spijze zijn gegeven!"
Belgica van gelijk, met zuchten en geklag,
Den droeven
echo wekt, en stenet
[7] nacht en dag:
"O Heere! laat op ons de liefelijke stralen
Uws aanschijns van den troon des hemels neder dalen;
Wij zijn, eilaas! bevlekt met ongerechtigheid,
Dus reinigt ons in 't bloed van Christi sterflijkheid;
Zijn eenige offerand' neemt aan, tot een voldoening
Onzer misdaden, en volkomene verzoening!"
God Jacobs stenen hoort, en tot voorvechters trouw
Wekt Amrams zonen beide, en die van 't huis Nassou
Den Nederlanders tot beschermeren en voogden,
Die samen hunnes volks verlossinge beoogden.
Die eer voor Memfis heeft gestreên als besten vriend,
Wordt eindlijk haar partij
[8], en die voorheen gediend
Heeft 't streng Borgoensche hof, zich rustet tegen Spanjen:
O, wonderbaarlijk schikt
[9] zich Mozes met Oranjen!
Den een strijdt voor de wet, den and'ren slaat de trom
En vrijdt
[10] met zijnen arm het Evangelium;
Den een gaat den Hebreên de roode golven banen,
En d' ander leidt de zijn door eenen vloed van tranen,
Al recht door 't golvig meer van klibber
[11] brein en bloed;
De slaven de een ontslaat, en de ander steekt den hoed
Der Vrijheid in de lucht, en eindlijk strekt zich
[12] even
[13]
Huns vijands ondergang te zamen tot den leven.
Farao voor een graf het roode meer beërft,
Filippus oud en grijs katijvig
[14] henen sterft:
God wel verscheiden straft, d' een vroeg en d' ander spade,
Maar eindlijk overvalt hun beid' zijn ongenade.
Den zelven Koning, die 't rijk Israëls bevestten,
Heeft eindelijk uw zaak, o Belgica! ten lesten
Voleindigd in triomf: dies dy
[15] niet langer kwelst
[16],
Dewijl hij dijnen staat met zijne macht omhelst:
Hoe is de macht gegroeid van uw verbonden steden,
Sint dezen grooten held ging in de schoenen treden
Zijns vaders, welk (eilaas!) verraderlijk en straf
De zwarte nijdigheid geblixemd heeft in 't graf.
Help God! de wraak is u, gij zult hier namaals eischen
Het dier vergoten bloed met een gekromde zeissen.
Wat rest er nu, dan God te vlechten met bescheid
[17]
Den loffelijken krans van ware dankbaarheid?
Vreest hem, die lichtlijk kan verstrooyen in der ijlen
[18]
Het steunsel van uw zaak, den bos
[19] geknoopte pijlen,
Peinst om den genen, die de volkren van Sion
Als slaven voeren liet geboeid naar Babylon.