[37] Gelijk nog dikwerf voor kunstbeschermer.

[38] De ook als dichter bekende D. Pz. Pers (of in de witte perse), bij wien de Gulden Winkel 't eerst werd uitgegeven.

[39] Thans bijtjens.

[40] Thans komen.

[41] van 't veld (verg. boven in 't Pascha, en Lentsche in de Voorrede).

[42] laakbaar, berispelijk.

[43] De mensch.

[44] Naar deze eerste prent en hare benaming droeg zeker het geheele prentwerk, in zijn eersten vorm en vóór Vondel 't berijmde, zijn naam.

[45] afgebeeld, geschilderd.

[46] Rijmshalven maar vrij omslachtig voor bekijkt eens.

[47] Thans tot korte ingekort.

[48] lieflijk gelijkend.

[49] Rijmshalven voor Westen.

[50] Voor bouwsel.

[51] Voor wordt. Wij zullen dit voortaan eens vooral gezegd achten.

[52] Voor deelen (verg. den welbekenden naam van 't Huis ten Deil, halfweg Den Haag en Leiden).

[53] Nam. de aarde.

[54] koosde, zong (saamgetrokken uit kwedelen; verg. 't Eng. quoth).

[55] Voor wierp of eig. warp; zie reeds vroeger.

[56] Vulkaan.

[57] Thans hersenen.

[58] diefstal van 't hemelsche vuur.

[59] Met verkeerden klemtoon, voor Prométheus.

[60] Naar de Grieksche Godenlegende was Prom. aan een rots in den Caucasus geketend.

[61] Lees ami, ami, ami, naar de uitspraak van den tijd.

[62] Die overdag voortdurend aan zijn lever knaagde.

[63] Rijms- en maatshalven voor toorn.

[64] Voor van haar eene oog.

[65] Thans zond.

[66] afbeeldsel.

[67] Germanisme voor wet.

[68] Voor beleid.

[69] Overtollig pers. v.n.w.; verg. echter 't Hoogd. sich fürchten tegenover ons vreezen.

[70] draayen.

[71] wrevelig, in drift ontstoken.

[72] Voor gestorven (gelijk boven verdurven voor verdorven, en beneden krunkelt voor kronkelt.)

[73] had het.

[74] De wijnruit, volgens de overlevering.

[75] Rijmshalven, maar minder juist voor ontneemt.

[76] à moi drinken, ons zelf eens toe drinken.

[77] leppen, drinken (wellicht van 't Fransche boire verbasterd, maar verkeerdelijk dikwerf met poeyeren verward).

[78] Voor licht van beloven of lichtbelover.

[79] Saamgetrokken voor zijt gij.

[80] kinderlijk.

[81] Thans tot mijne schaal geslonken.

[82] Voor goede dingen.

[83] Eig. de hoorn des overvloeds, hier voor 't beeld van den weldadigen vrede.

[84] De oorlogsnimf.

[85] Voor zijne woede.

[86] zeil.

[87] Anders spoedt.

[88] laarsjens.

[89] pijlkoker.

[90] aanhitsende op.

[91] Anders volhardt.

[92] Thans met of in der ijl, ijlings.

[93] zingt; verg. boven.

[94] Anders stam.

[95] alles.

[96] Hier in minder ongunstigen zin.

[97] Eig. bokkesprong (van 't Lat. caper).

[98] Voor moeder van de min.

[99] Anders dunkt, lijkt.

[100] schuwt.

[101] terwijl.

[102] Thans verkoelt.

[103] Thans geheel zonder verbuigings-uitgang liefde.

[104] Anders tooveressen, heksen.

[105] lijkenvet.

[106] gewrocht (verl. deelw. van werken).

[107] verleiden, nam. om dat te denken.

[108] Voor Pluto.

[109] kring; zie vroeger.

[110] Voor Overwinning.

[111] Voor de zon.

[112] aller.

[113] Voor aan de.

[114] De drie Graciën of Bevalligheden.

[115] Thans haar.

[116] Thans voortbrengen.

[117] Romeinsch.

[118] Thans haar of ze.

[119] Thans tot ziel ingekort.

[120] fraai versierde.

[121] Thans blinken; verg. vroeger.

[122] zakt, opsteekt.

[123] Thans konden, wisten te.

[124] Rijmshalven voor wenschte, begeerde.

[125] Thans kunnen.

[126] tot groote waardigheid.

[127] Het bekende schilderwerk van Theben, door Cebes beschreven en verklaard.

[128] onzinnige.

[129] Door de beêvaartgangers naar St. Jacob aan hun hoed of schouder gehecht.

[130] Voor geeft het.

[131] genoeg heeft aan, zich vergenoegt.

[132] Rijmshalven voor uitspreidde.

[133] Thans spon (gelijk won voor 't vroegere wan, vand voor vond, enz.)

[134] wisselzieke schooister of zwerfster.

[135] hals.

[136] kunt gij.

[137] De Latijnsche dichter Ovidius, uit Sulmo geboortig.

[138] kuyeren (verg. 't Hoogd. spatzieren.)

[139] Voor deed het (docht het).

[140] De voorstelling verplaatst ons in den thans gelukkig geheel vergeten tijd, toen de rechter niet van landswegen, maar uit de opgelegde boeten bezoldigd werd.

[141] Die van den hemel nam., naar de zegswijze der oudheid.

[142] Lat. vierde naamval van Anchises.

[143] 't Lat. periculum, gevaar.

[144] Thans tegendeel; verg. 't Hoogd. Gegentheil.

[145] Voor doodt (verg. ons noodigen en uitnoodigen naast nooden).

[146] den doode.

[147] Wansmakelijke woordspeling met den naam van den wijze, Bias.

[148] met pronk en praal.

[149] Het spinrokken.

[150] Voor rijks-grenzen of gebied (verg. Van Lennep's Nalezing).

[151] Thans wordt.

[152] Voor naauwkeurigst.

[153] Den beroemden Griekschen beeldgieter uit de derde eeuw voor onze jaartelling.

[154] Thans zijne.

[155] Hier behoorde nu eigenlijk zeg te staan, daar het verouderde enkelv. du volgt.

[156] Thans tot kloeke geslonken.

[157] kunnen.

[158] venster ('t lat. fenestra) was oorspronkelijk vrouwelijk, en heeft, even als feest en beest, eerst door verscherping der d van 't lidwoord tot t, den onzijdigen vorm aangenomen.

[159] Thans tot zijne.

[160] Thans verouderd voor beproefd; verg. echter nog de Evangelische legende van Jezus verzoeking, en 't Hoogd. versuchen.

[161] Thans naar.

[162] Eig. God woude des, d. i. God mocht het willen (niet, gelijk van Lennep schrijft, God wilde het zoo); thans zou men zeggen: God betere 't.

[163] ontbreekt.

[164] over en over.

[165] Nam. die van de tafel.

[166] Voor terwijlen, thans geslonken tot terwijl.

[167] gelukkig gerekend worden.

[168] meerderjarig.

[169] Thans voortaan.

[170] zorgelijker, bezwaarlijker.

[171] Nederigheid.

[172] vluchtig.

[173] laag en laagste.

[174] emmeren: niet, met Van L., van ee, water, af te leiden, maar van eenbaar (d. i. 't geen aan een handvat gedragen wordt).

[175] Thans aarde.

[176] dolle, woeste.

[177] sober.

[178] brood in puntigen vorm; verg. nog 't Overijselsche krente-wegge, voor krentebroodjen.

[179] verwonderlijk veel.

[180] voor haatte.

[181] Versterkte vorm van vreten.

[182] Verbogen naamval voor: op heilige wijs.

[183] Thans met het hart.

[184] 'tgeen voldoende is, volstaat.

[185] zijt gij.

[186] Versta: die zoo lang vreet, dat ze niet meer gaan kan.

[187] Nam. de spijs.

[188] Anders tasch, en zoowel in goeden en kwaden als onzijdigen en eigenlijken zin gebruikt; verg. o. a. beneden XXXVI. Het door van Lennep in beteekenis gemaakte onderscheid tusschen tasch en tesch is geheel denkbeeldig.

[189] zeer-oogig.

[190] opzet.

[191] olijkert ('t Fransche drôle).

[192] let.

[193] onnoozele grappenmaker (verg. nog ons jolig).

[194] kon (nam. tellen).

[195] Versta: eigenlijk onredelijk te noemen.

[196] Niet (gelijk van Lennep wil) voor uitspannet, maar voor uitspande, uitgespannen heeft.

[197] Eig. zijn handpalmen.

[198] Niet met woonstede te verwarren, maar voor 't oude woonste, ons woning.

[199] eetzak, voederzak.

[200] Zooveel als kast, zaamgetrokken uit schaprade; schap wordt nog altoos in Overijsel voor de plank in een kast gebezigd.

[201] giftplant.

[202] Anders tasch; verg. boven XXXIII, aant. 188.

[203] Alexander van Macedonië.

[204] Gelijk nog in de dagelijksche spreektaal voor aan.

[205] Gelijk veelal bij de dichters van Vondels tijd, voor alles.

[206] werkzaam, er op bedacht, op uit was.

[207] onschuldige.