De deugd, de witte
[1] deugd, die altijd werd
[2] verschoven,
De deugd, die 't edel goud en peerlen gaat te boven,
Is de alderschoonste kroone en 't heerlijkste cieraad,
Dat hier den mensche siert, waar dat hij henen gaat.
Wat is een deugdig mensche een siersel vander eerden!
Of schoon den
[3] meestendeel hem acht van kleender weerden
[4],
Zoo blinkt hij inden hoop van dit verkeerd geslacht,
Gelijk een gouden sterre in 't droefste vanden nacht:
Of als een schoone roos, die in de doornen-struiken,
Op haren groenen steel heur bladen gaat ontluiken,
Waar uit de Lentsche
[5] bie (terwijl de zonne straalt)
Geen doodelijk venijn, maar zoeten honig haalt.
Hoe heusch is zijnen mond! hoe heilig zijn zijn treden!
Hoe liefelijk zijn taal! hoe aangenaam zijn zeden!
Hoe statig van gelaat! hoe matig aanden disch!
Al wat men aan hem ziet aanmerkensweerdig is:
Gelijk een lely-bloem verspreidt hij zijne reuke;
Een lesse is elke daad, elk woord een gulden spreuke,
Die aan hem werd
[2] gespeurd, die van hem werd gehoord,
Al zwijgt hij schoon
[6], zoo spreekt al watmen aan hem spoort
[7]:
Hij is een naakt voorbeelde, of spiegel, daar de gekken
Schaamrood in mogen zien hun schandelijke vlekken,
Daarmeed' zij zijn besmet, daarmeed' zij zijn besmeurd
[8];
Hij is de rechte toets, waar aan de vrome
[9] keurt
De deugd van zijne deugd, de vroomheid van zijn leven,
Hoe hoog hij klimmen moet, hoe leeg
[10] hij is gebleven:
Vermits de berg, waar op de deugd stijgt inde locht,
En heur gelauwerd hoofd maakt inde wolken vocht,
Zoo hooge is en zoo steil, ja moeilijk om bestappen,
Langs eenen engen pad, met gladde en slimme
[11] trappen;
Vermids van duizend naauw raakt eenen op den tsop
[12]
Van dees verheven hoogte, alwaar hem zijnen kop
[13]
Met palm bevlochten werd
[14], tot teeken dat ten lesten
Een heerlijke kroon den klimmers is ten besten;—
Zoo hebben de ouden nooit noch vlijt noch moeit gespaard
Om wisselen
[15] in deugd des menschen kwaden aard:
De filosofen of verstandige wijs-gieren
[16]
Vervulden tot dien eind' het wit van hun papieren
Met meenge schoone les, welk, als een rijk kleinood,
Zij wirpen
[17] ieder een, om niet, in zijnen schoot,
En door een god'lijk vuur des yvers voortgedreven
Bevestigden hun leer met een goed heilig leven,
Als penningen, die niet van heldre munte alleen
Maar oprecht van allooi ook blonken voor elk een.
Pythagoor, Samos' roem, ons leeret als de wijze
Gebruiken soberheid in drank en ook in spijze.
De goede Socrates, onnoozel, zonder schuld,
Leert ons het lastig kruis verwinnen met geduld.
Dioognes, in zijn vat, bespot het ydel wroegen
[18]
Van onze onnutte zorge, en leeret ons genoegen.
De tijdelijke haaf, leert Crates, de Thebaan,
Om vord'ren inde deugd, ons al geheel ontslaan
[19].
En Solon dadelijk, vermaant ons zonderlingen
[20]
Met stille zedigheid ons losse tong te dwingen. etc.
Maar den verdurven mensche en wast noch niet genoeg,
Of zijn gemoed alschoon
[21] met der wijs-gieren ploeg
Dus omgespittet was; dies veel Poëten abel
[22],
Om leer en met genucht, verzierden
[23] meenge fabel,
Die onder hunne schorss' gemeenlijk hielden in
Een schoon geheimenisse of leerelijken zin,
Daarmede 't woeste volk, al boerdig
[24] en met jokken,
Als met een lokkende aas, goedwillig werd
[14] getrokken
In 's wijsheids heilig net, den goddelijken strik,
Die ons gelukkig maakt op eenen oogenblik.
D' history-schrijvers, die benevens hun voortbrachten
Al d'oû geschichten
[25] op den Altaar der gedachten,
[26]
Betoonden ieder een, met menig voorbeeld schoon,
Hoe 't kwaad zijn straffe vindt en 't goede zijnen loon;
Hoe de eene om leege
[10] valt, en de ander is geklommen,
Wanneer, waarom, waardoor dit al is bijgekommen
[27].
etc.
Maar als ik nu te gaâr
[28] het onderscheiden werk
Van alle schrijvers raap, zoo is hun oogen-merk
En doel-wit algemeen geweest, het schoon bekranste
Beeld van d' oprechte deugd, de bruid daar 't al om danste:
Ik, volgende als op 't spoor (hoe kwalijk het mij veugt
)[29]
Hier eenen winkel heb geopend, daar de jeugd
Een kostelijk threzoor van veelderlei kleinoden,
Voor een kleinen prijs werd vrundlijk aangeboden:
De dicht-kunst vindt men hier vereenigd hupsch en fijn
Met beelden, d'wijl zij beids
[30] gezusters t' zamen zijn:
De een spreekt, en de ander zwijgt; de een klapt 't geen de ander heelde;
't Gedicht verklaart den zin en leerlijkheid van 't beelde;
De beelden zijn de stof van 't vloeyende gedicht,
En toonen ieder zoo een vrolijk aangezicht.
Maar als ik ommezie, wie met een milde ontfermen
Mijn slechte Musa voor de schempers zal beschermen,
Ik mijnen Abraham verkieze, knap en gaauw
[31]
Die heur vergunnen zal een liefelijke schaauw':
Alreede is zij verblijd, misschien om dat den zegen,
Dien hij te Romen heeft zoo goedertieren kregen
Van zijne Heiligheid
[32], hij, uit zijn goedheid plein
[33],
Zal storten op heur hoofd en maken heur gemein
[34]:
Ei! ziet eens hoe zij lacht, om dat zij valt in handen
Desgenen, die verliet des Rijns vermaarde stranden,
En kwam te Parthenoop'
[35], daar Maro
[36] uit der tijd
Heeft zijne sterflijkheid den marmor toegewijd.
Goedwillig dan aanvaardt, Mæcenas
[37]! mijne gunste,
Die hier in meer uitmunt, als mijn geringste kunste,
Omhelst mijn Zang-godin, en bindt alzoo te hoop
Ons lieve zwagerschap in eenen vasten knoop.