KLINKERT[1]
OP DE WONDERLIJKE REIZE VAN DEN HOORNSCHEN MEERMAN[2] WILLEM CORNELISZ. SCHOUTEN.

Als over Hooren blies de faam haar gulden hooren,
Hoe Schouten d' aardenkloot op nieuws was omgegaan[3],
Niet meer als andre, door de Straat van Magellaan,
Maar de engte van Lemair, zoo niemand deê te voren;—
"Nu is," sprak Ferdinand[4], "mijn eeren-krans verloren!"
Draak vuur en vlam uitspoog, en Thomas[5] zag men staan
Versuft door wangeloof; Van Noord sprak welberaân:
't Is oly in het vier[6], om na iets nieuws te sporen[7]!"
En Spilbergh naauwlijks nog 't gerucht en kwam verrassen:
"Nu leggen" (riep hij) "al mijn spillen in der asschen[8]!"
O, Magellaan! vaartwel, Draak, Candish, Olivier,
En Spilberg, die tot nog geweest zijt trouwe makkers;
't Is heel met ons gedaan; de Schout[9] komt met zijn rakkers[10],
Fluks jongens! op een zij, en pakt u weg van hier!"

[1] Anders Klinkdicht. Wij plaatsen hier dit gedicht om de gelijkheid van 't onderwerp, hoewel het anders eerst een vijf of zes jaar later volgen moest, daar het verhaal van Schoutens reis eerst in 1618 werd uitgegeven.

[2] Zinspeling op zijn scheepsbedrijf.

[3] In 1615 en vv.

[4] Magellaan.

[5] Cavendish.

[6] Klankspeling op Van Noords voornaam.

[7] Voor speuren.

[8] Thans in de asch.

[9] Zinspeling op den naam Schouten.

[10] knechts (eigenlijk die des beuls, als rekkers op 't pijntuig).