Ziet hoe Ulyssis maats en makkers met malkand'ren,
Door Cyrce's toover-drank, in wild gediert verand'ren.
2 Pet. 2.
De hond, die is gekeerd tot zijn uitspouwsel ras,
De zeuge weêr in 't slijk, als zij gewasschen was.
Ziet, hoe Ulyssis volk (in eenen storm versteken
Aan 't land Cyrceum
[289] vast), door Cyrce's looze treken
En boozen toover-drank, verliezen 's lijfs gedaant;
Die menschen waren eerst, zijn beesten eer men 't waant.
Aanschouwer! zoo u dunkt, dat gij wel moogt
[290] ontberen
Dees zeldzaam fabel, die (zoo 't schijnt) u niet kan leeren,
Hoort, hoe de wijsheid zelf zoo aardig hier op gloost
[291],
Als inden kerker zij Boëthium
[292] vertroost:
Zijn menschheid (zegt zij) is verdwenen en verslonden,
Die onderworpen is het juk der snoode zonden;
Die zich in 't kwaad verkeert
[293], 't zij de eene of d' ander uur,
Terstond daar door verliest zijn mensch'lijke natuur:
Wie door begeerlijkheid pleegt onrechtveerdig grapen
[294],
Is eenen wolf die zich geneeret
[295] op de schapen:
Die twist en tweedracht maakt, die is alreê gestraft,
En eenen hond gelijk, die ieder een aanblaft:
Die vrolijk is, wanneer hij iemand iets ontlorden
[296],
Te recht met eenen visch mag vergeleken worden;
Die toornig briescht en grimt, ja, maakt een groot geschreeuw,
Te recht inwendig draagt het hert van eenen leeuw;
Die stadig is bezorgd met vele onnutte vreezen,
Mag voor een blonde hinde of hert gehouden wezen:
Die trage is, lui en bot, in wezen en in schijn,
Dat moet in zijne huid wel eenen ezel zijn;
Die wispelturig is, met vele onstade
[297] grillen,
Zal vande vogelen zoo vele niet verschillen;
Die in onreinigheid en vuiligheid opwast,
Is aan den snooden lust der vuiler
[298] zeugen vast;
En aldus wordt den mensche (ik stemme met vele ouden)
Een beeste, of hij schoon 's lijfs gestalte heeft behouden.