[208] bezigen.
[209] op de proef stellen, nagaan.
[211] schertste (van 't oude boerde, een grap.)
[212] voor 't meerendeel.
[213] Zoo lees ik voor dat, 't welk hier geen zin geeft, en waarschijnlijk uit het twee regels later volgende is ingeslopen.
[214] Voor ligst du met het geheel vergeten voornaamw. van den 2en pers. enkelv.; ook Vondel verwart hier echter reeds den 2en pers. der gebiedende wijs van 't werkw. met die van de aant. wijs, ligst voor lig.
[215] beladen.
[217] Gelijk nog in de Overijselsche spreektaal.
[218] Rijmshalve voor verdrinken.
[219] overleg.
[220] kring.
[221] dut kan hier geen goeden zin geven, en is alleen rijmshalve te verklaren.
[222] Verouderd voor wijsgeer.
[223] Bij 't middagmaal.
[225] Voor de wijsgeer; verg. boven XXVI.
[226] voor.
[227] oplost.
[228] toorn.
[229] Thans zelfden.
[230] Thans schielijk (dat eigenlijk voor schierlijk staat).
[231] Anders leunen.
[232] Men zou hier liever hij lezen, daar nu de volgorde averechtsch is.
[233] ziet gij.
[234] Lees liever grijnst, daar het anders geen zin geeft.
[235] zakken; verg. boven XXXIII en XXXVI.
[236] Gallische; naar de oude overlevering had de zoogenoemde Tyrische Hercules, op zijne tochten door West-Europa, Gallië de eerste beschaving aangebracht. (Verg. desbelust Am. Thierry's Hist. des Gaulois I, p. 62.)
[237] Of-schoon.
[238] Voor zijner; thans zijne of zijn.
[239] Thans tong.
[240] welsprekend.
[241] Anders sleur.
[242] Thans in den verlengden vorm bevestigde.
[243] Thans tong.
[244] Thans zond.
[245] Beval te.
[246] Basterdvloek voor Gods.
[247] bedenkt.
[248] altijd.
[249] gewrocht.
[250] Thans worden.
[251] Hier in den zin van gekald, waarmeê het trouwens in oorsprong één is (verg. 't Hoogd. wald en ons woud, enz.)
[252] Thans tot schole en school geslonken.
[253] Anders dure; gelijk vervolgens stierman voor stuurman.
[254] Anders faam; verg. 't oude nieuw-mare voor ons nieuwstijding, en 't dichterlijke maar, mare voor bericht.
[255] Rijmshalve voor tromp, thans trompet.
[256] voor zoo ver noodig.
[257] Gelijk reeds herhaaldelijk voor lage.
[258] Zaamgetrokken uit wilt het.
[259] kan.
[260] verstandig zijt.
[261] wie er—God betere 't—dan ook vasten moge; niet, gelijk Van L. schijnt te willen: God zorge maar voor hem, die vast.
[262] bedenkt, weet wel.
[263] Voor des te eer.
[264] schroomvallig.
[265] doodt (verg. 't Hoogd. würgen).
[266] ouderdom.
[267] hennepen (versta: aan de galg.)
[268] Anders glinstering.
[269] Gelijk vroeger steeds voor ons omdat.
[270] Anders veelal striemen.
[271] Thans alwaar.
[272] Voor leidt.
[273] Naam van Hercules, als kleinzoon van Alceus.
[274] Thans besprengd.
[275] Thans tegendeel; verg. echter ons jegens.
[276] naaktst, kennelijkst.
[277] keuken.
[279] Thans wil.
[280] Anders en beter in, maar hier door de tegenstelling op 't bedde veroorzaakt.
[281] Gelijk steeds in Vondels tijd, voor 't natuurlijke haar; verg. vroeger.
[282] Lat. 3e naamv. van Cyrus, den bekenden Perzischen koning.
[283] Voor 't land der Scythen, (gelijk Zweden, Saxen, enz. voor 't land waar de menschen van dien naam wonen).
[284] storten (eig. doen lekken).
[285] staan, weêrstaan.
[286] Met dichterlijke vrijheid voor zoo lang tot zij.
[287] Thans werpt het.
[288] Thans gij.
[289] Lat. bijv. naamw. voor van Circe.
[290] kunt.
[291] de verklaring geeft; (van 't Grieksch-Lat. glossa, dat uit het midden-eeuwsch kerke-Latijn in 't Hollandsch overging.)
[292] Midden-eeuwsch Latijnsch schrijver.
[293] omgaat met.
[294] Versterkte vorm van grijpen.
[295] voedt.
[296] ontfutselde.
[297] wisselzieke, ongestadige.
[298] Thans vuile.
[299] Gelijk leerlijk (zie boven), thans door leerrijk verdrongen.
[300] Voor jonge, en wulpsche, snaken.
[301] ontvlamde.
[302] vermoogt gij.
[303] Thans gegeten.
[304] Verkeerdelijk voor niemand; men zou daarom haast niemand aan willen lezen.
[305] vrijers.
[306] Voor bezwijkt; verg. echter 't enkele zwicht.
[307] nabij.
[308] Thans makkers (verg. echter gebroeders en gezusters.)
[309] werd uitgesteld, bleef achter.
[310] ben des doods schuldig.
[311] Thans vond.
[312] Thans betrappen.
[313] onmachtig, en vooral niet van aâm, adem af te leiden.
[314] muildier, muilezel.
[315] Thans broederlijke zorg.
[316] Voor verscholen, weggestopt.
[317] Voor gemunt geld.
[318] schat, beurs.
[319] Versta het weet.
[320] Tasch; verg. boven.
[321] Voor Romeinschen.
[323] Hier rijmshalve voor ongedurigen.
[324] Anders uitnemend.
[325] punt aan punt.
[326] nakomen, vervullen.
[327] Thans verouderd voor dwazen, onzinnigen, maar oudtijds, gelijk nog in 't Hoogd., algemeen in gebruik.
[328] wijsgeer.
[330] bezigen, gebruiken (verg. boven.)
[331] zal ontvouwen, (eig. ontsluiten.)
[332] Simson.
[333] Gelijk nog steeds in de dagelijksche spreektaal, voor gehouden.
[334] Versta niet hem persoonlijk, maar (naar de oude zegswijs: wien lief, wien leed) wie 't al of niet mocht wraken.
[335] wakker, kloek.
[336] Hier, geheel tegen 't gebruik, in lijdenden zin, als dat waarop men graag is.
[337] Thans wilde.
[338] Verbeter hares.
[339] Met overgroote dichterlijke vrijheid, niet van Tantalus, maar zijn dorst en honger te verstaan.
[340] Thans niets.
[341] meester wordt.
[342] tot aan de kin.
[343] Germ. voor schreeuwt.
[344] Voor gelaafd.
[345] Voor den mond als weggenomen.
[346] durft (of eigenlijk dert, door 't andere geheel ten onrechte verdrongen).
[347] plaagt of bezet als een kanker.
[348] overdadige winst.
[349] 't Fransche Eloy (Eligius).
[350] Rijmshalve misplaatst.
[351] Thans na-apen.
[352] poetsen speelt (verg. vroeger bootse voor poets.)
[353] Thans overlaadt.
[354] Thans zich.
[355] Met verkeerden klemtoon, voor Aríon.
[356] harpspeler.
[357] Niet met naauw als één woord te verbinden, maar als ontkenning te verstaan.
[358] Germ. (hübsch) voor net, fraai.
[359] Voor toegerust.
[360] Van Apollo.
[361] Die zijns levens nam.
[362] Klanknabootsend; gewoonlijk plast.
[363] Voor getorscht.
[364] op blijmoedige wijs, vrolijk gestemd.
[365] onderwijl.
[366] Thans uwe schulp.
[367] Versta: en die.
[368] Thans hun of hen.
[369] Gelijk het bij een koning vereischt wordt.
[370] Rijmshalve maar verkeerdelijk voor opgeslorpt.
[372] in 't bijzonder.
[373] kan.
[374] Voor hulp; zie beneden storf voor stierf.
[375] zich.
[376] naar de natuur.
[377] teffens, tevens; hier geheel als stoplap.
[378] Thans schande.