[16] Zie mijn „De laatste Incarnatie”.
Neen, nu niet daaraan denken, dit zachtjes wegduwen, achter in mijn ziel, dit is te teêr en te broos om mee te nemen straks in het harde, lawaaiende leven van Singapore bij avond. Dit draag je, héél voorzichtig bewaard in je binnenste, diepste geheimenis, vèr achter je harde gezicht en je schuwe oogen...
Beneden op straat, onder de houten balustrade, liggen de ricksha-koelies lui in hun wagentjes geleund, en schreeuwen luid hun schetterende, muzikale taal. Arme duivels toch, in hun naakte, donker-kaneelen body, die niets dan een bamboe-hoed hebben en een doek om de lenden, die hollen als aangehitste beesten, het zweet druipend van de glimmende huid! En tóch lachen ze ál maar door, als ze niet ruziën onder elkaar, en hebben den bruten levenslust van dieren, en somtijds hoorde ik er wel eens een neuriën, zacht in zijn eentje, als hij verlaten bij een hoek stond te wachten, een klagelijk, lief liedje van schoonheid, opgesprongen uit het donkere van zijn ziel....
Als ik nu niets zeg, en zóó maar in een wagentje ga zitten, rijdt de koelie mij onvermijdelijk naar Malay-street, de wijk van de galante mousmés. Zóó diep en vast is bij die ricksha-pullers het idee ingeworteld, dat een Europeaan ’s avonds nu eenmaal „naar Japan” gaat, zooals dat hier heet, dat zij een vrachtje, dat niets zegt bij ’t instappen, vanzelf naar de mousmés rijden. Dát is het hooggeroemde prestige van den blanke in ’t Oosten, aan wien iedere Chinees de whiskey-soda en de prostitutie nu eenmaal onafscheidelijk ziet verbonden!
Toch is het interessant om te zien, want dat leelijke is mooi van kleur in ’t Oosten, de prostitutie heeft een zachte charme van bloemen en muziek, en haar taal is hoffelijk en vol poëzie, zonder één hard woord, of één gebaar dat kwetst. Ja, tóch maar even alles zien weer, éven nog de kleuren zien, en de bonte pracht van het Oosten, in die avond-stad van donker blauw en donker rood, waar overal het jubelende goud doorheen straalt als een triomf van licht.
„Ricksha!” riep ik, „laî lah! laî lah!”[17]
[17] Ricksha! kom! kom!
En al die luierende koelies beneden vliegen overeind, halsoverkop, hun wagentjes ratelend achter zich, naar het trapje bij den ingang, huilend door elkaar als een troep honden, in plotseling uitgebroken ruzie om ’t vrachtje, jellend en juilend.
Nu helpt alleen een nòg harder schreeuwen, als een olifant, de wolven verschrikt, een zwaai met den rottan-wandelstok, en een behendige sprong in ’t dichtstbijzijnde wagentje, dat niet weg kan en valschelijk wordt tegengehouden door de anderen. Dáár nadert een reusachtige Sikh-policeman, en de bende stuift lachend uit elkaar, als kinderen die kwaad hebben gedaan. Een ruk, een zwaai, en ’t lichte rickshatje vliegt weg over den leemen grond, de koelie regelmatig dravend, trip-trap, trip-trap als een paard, rechtsom de High-Street in, en dán weêr rechtsom, North Bridge Road.
North Bridge Road, de lange, eindelooze hoofdstraat van Singapore, de donker-rossige, roode löss-straat, waar de kobalt-blauwe huizen staan, een breede, vreemde weg, waar de grond als gedrenkt schijnt in bloed, dat in den avond somber opglanst in het licht der lantaarns. Over dien rooden grond, tusschen die blauwe huizen, waar overal goud over vlamt van chineesche opschriften en tabletten, loopen de bruine en gele menschen, Chineezen, Tamils, Arabieren, Maleiers, Singhaleezen en Klingaleezen, wriemelend als beesten dooreen. Groene en gele gharrys ratelen, en honderden ricksha’s rijden aan en af, aanvliegende en weer wijkende lichtjes, òveral, en vèr, en vlakbij, ál maar lichtjes die elkaar voorbij jagen en áánflikkeren en weer wegschieten als groote vonken boven den rossigen, bloedigen grond. De huizen aan weerszijden zijn alle winkels, meest Chineesche, waar groote, rood-en-gouden platen en rolprenten hangen, en lichtjes branden op een huisaltaar met donker-gouden goden.—Aan iedere zijde van de deur, en hoog, boven de posten, hangen zwart-houten tafelen met fonkelende gouden karakters, een pracht van glans en schittering in ’t donkere blauw. Daar binnen zijn de dingen alle van een eigen lichte, hooge kleur, of verpakt in rood papier met goud en zilver, alles licht en vlamt en glanst en straalt uit het donker van de winkeling, of de zon er glorie had achtergelaten, die in den avond nog blijft nabestaan. In de donkere straat zijn de winkelhuizen bronnen van goud en vuur, waar de bruine menschen als gulden brons in glanzen. Het is of daar schatten bewaard zijn uit fabelen en legenden, zóó glinstert en schittert alles, en alle dingen zijn gedoopt in goudlicht van Rembrandtieken gloed.
Dampend van zweet loopt mijn rickshakoelie te draven voor ’t wagentje, als een vurig beest. Zijn huid van kaneel-geel heeft een rossen glans door het licht van de lantaarns dat den rooden gloed weerkaatst van den grond. Nu en dan uit hij een hoogen gil, als hij anderen inhaalt of uitwijkt voor een aanstormenden koelie van den anderen kant. Altijd weer nieuwe ricksha’s vliegen aan, van heel uit de verte zie ik ze mij tegensnellen, met honderden lichtjes, wijl de hooge kreten der koelies door de lucht snijden. Als rood-gele duivelen ijlen ze àl maar voort, de naakte, dampende trek-dieren, en ’t lijkt wel een angstig visioen uit een laaiende hel, die voorthollende, jellende beest-menschen over den bloedrooden grond.
Als een dolleman jaagt mijn puller vooruit, of wij vervolgd worden door een grimmig noodlot, waar hij voor vlucht, altijd maar door, rechtuit, over dien weg, die nooit een einde schijnt te nemen. In wilde razernij vliegen andere rickshaloopers ons gillende voorbij, en ’t wordt als een obsessie, een ontzetting, dat schreeuwende gejacht en gejoel, of iets verschrikkelijks staat te gebeuren, een ontzachlijke wereld-catastrophe van aardbeving of vulkanen, waar alles krankzinnig voor vlucht.
Zóó vliegen wij winkels langs, bruggen over, blauwe huizen met goud en rood voorbij, tot de ricksha opeens stil houdt voor een zijstraat, en mij, met een draai naar links, neêrzet.
En ik zie nu plotseling een feeërie van illuminatie, een straat waar kleurige lampions in huizengalerijen bengelen, door den avondwind bewogen. Beneden, in de gaanderijen, zie ik veel kleuren langzaam wuiven door elkaar, van vrouwen in bonte, wijde gewaden, rijk als oostersche vogels of vlinders van exotische pracht.
Ik begrijp al waar ik ben. De ricksha-puller, wien ik niets gezegd heb, heeft mij naar Malay-street gereden, de japansche wijk van galant plezier, waar hij een Europeaan nu eenmaal thuisbrengt. Ik betaal hem zijn vracht en wandel langzaam op. De kleuren doen mij heerlijk aan als een lokkend feest van luister. Als groote poppen in fantastisch-bewegende kleur staan de lachende mousmés voor de deuren. Het lijken wel gloeiende, tropische bloemen, haar lichte kimono’s vlammen van kleur, en haar donkere amandel-oogen schitteren. Er zijn er met lang, loshangend haar, donker als een woud in nacht, dat somtijds zacht door wind beweegt. Zoo vreemd, zoo vreemd, die prostitutie-zonde in zoo wonderlijken schijn van poppen, neen van bloemen, neen van kapellen, van groote, van kleur fonkelende kapellen, fèl voor ’t oog. Ze staan in rijen de huizen langs in de galerijen, de gansche straat is als afgezet door die kleurige, japansche poppen van op platen en kostbare vazen, en die oostersche figuren van vlammend rood en blauw en geel en violet, ze roepen je aan met hooge stemmen, vreemd als in een droom. ’t Lijkt te ongeloofelijk eerst, om reëel te zijn, omdat die poppen immers kinderen moeten wezen, groote kinderen, in kleurige kimono’s gestoken, met belachelijk breede obi-strikken op den rug. Neen, heusch, het is een ál te krankzinnige droom, de figuren, die je op tentoonstellingen gezien hebt van japansche kunst, en ook wel op vazen en waaiers en kakemono’s, ze hebben gespookt door je hoofd, en nú, in je dollen droom, zijn ze levend geworden, en wemelen voor je, en hun prachtige kleuren waaien en wuiven door elkaar, en wisselen en veranderen, als vroeger, op de kermis, de felle kleuren van stukken glas in de lange kaleidoskoop. En al dat licht daarbij nog van gekleurde lantaarns en lampions, en die half weemoedige, half wellustige muziek die van de bovenverdieping neêrdaalt, van samisèns en gitaren!...
Daar staat opeens zoo’n vreemd wezen vlak voor me, kleurschitterend als een groote, tropische vogel, het donker-gele hoofd in een zwarten, waaienden nacht van glanzende haren, waar een exotische geur uit naar mij toekomt. Een zacht gelijnd oostersch gezicht, en een lach van vrouw, en glinsterend witte tanden.
Ik voel opeens het mysterieuze, wat dit eigenlijk is, zoo’n vreemd, vèr leven uit Japan, dat hier, in een wijk van donkerst Singapore, opeens mijn leven moet ontmoeten, en ik voel ook zéér beslist het droeve, dat dit in zoo’n donkere sfeer van zonde gebeurt. Wie weet, die beide levens van hoè ver gekomen, uit welke eeuwigheden van dood en reïncarnatie, en nu inééns, hier éven elkaar gekruist, in de misère van ellende en prostitutie, het ééne uit Japan, het andere uit Holland, nu samen in een Singapoorsche straat. Die gedachte komt met groote helderheid in mij op, en ik vat haar hand en zie haar even diep in de oogen, het groote, japansche vrouwen-kind, dat zich voor geld mij bieden komt. Zij begrijpt het anders dan het is, natuurlijk, en lokt mij lieverigjes toe, en kweelt het met haar hoog keelstemmetje uit in ’t maleisch: „pigi di átas! pigi di átas!”[18] Een geur van bedwelmende bloemen komt uit haar donker, glanzend haar.
[18] „Ga mee naar boven! ga mee naar boven!”
Neen, mijn kleine mousmé-tje, mijn kleurig, geurig vrouwtjes-kind van Japan, dát wil ik niet van je, dat wil ik heusch niet van je, ik bén niet een van die bleeke barbaren, die je in je oostersche hart veracht, ik ben hier waarachtig niet gekomen om zonde te doen aan je lijf van popperig meisje. Maar ik, vind je wèl heel mooi en heel lief, al weet ik dat hier valsch gevaar in loert, ik vind je een blij ding om te zien, als een bloem of een vlinder, en in mijn westersche hart weent het ook wel, héél zachtjes, omdat ik weet, hoe dat mooie van je verfrommeld wordt en bevuild. Het is haast niet te gelooven, mijn donker, kinderlijk meisje, dat jij hier te koop staat voor ruwe, westersche barbaren, voor zeelui en poenen van Engelsche „offices”, jij kindje, met zoo’n zachten bloemen-naam, Okikoesan of Ohanasan of Ojounisan, met zoo’n fijn ovaal gezichtje en zoo zachte amandel-oogen en ’t voetje zoo teêr en klein in ’t kletsende blokje schoen. Wat trek je nu aan mijn arm, wat lach je me nu tegen, met je witte, schitterende tanden, jou glanzend kapelletje, jou fonkelende bloem! Ik buig deftig voor je, als voor een echte dame in Japan, ik zeg „Sayonara! Okamisan!” en laat je beteuterd staan, midden op de straat, en je denkt dat je niet mooi genoeg voor me was, dat ik een ander zoek, die me beter lijkt.
En ricksha’s met zwierende Engelschen en zwabberende rijke Chineezen ratelen me voorbij, en samisèns[19] tokkelen klagend-wellustig in ’t rond, en overal kleuren de lampions voor de huizen, roode en paarsche en blauwe en fel gele. En andere vlinderachtige mousmé’s fladderen om mij heen, en roepen met hun hooge stemmetjes, en wenken mij toe met lonk en lach en popperig gebaar. De schitterende kimono-kleuren, zij lokken de mannen als bloeme-kleuren de zwervende hommels, en ik weet welke verleiding er loert achter die vleiende streeling van het oog. Het ergste is hier, dat de zonde niet leelijk meer is, als in ’t sombere Londen, waar vrouwen loeren in nacht-misère van Regent-Street, en Strand en Picadilly, want alles lijkt hier louter kinderspel, en de vrouwen, die hier lokken, zijn maar kinderachtige poppenmeisjes, hun lach is niet gemeen en ganschelijk niet wellustig, het is het lachen van kinderen, zooals ook hun gebaren van dartele, lieve kinderen zijn. Het lijkt hier wel een jolige, kinder-avond-kermis, een travesti-feest, onschuldig, met fantastische, oostersche costumes, en zacht in nacht-wind bengelende lampions voor kleurige kramen.
[19] Japansche gitaren.
Kijk, nu klip-klapt weer zoo’n kind op mij af, op, haar klotsende schoen-blokjes, een pop in rood en blauw, met lange waai-haren; ze gaat naast me staan en reikt nog lang niet tot aan mijn schouder. Een weeë geur van vreemde bloemen wademt mij toe uit haar hooge, glanzende kapsel. „Neen, mijn lachemeisje, neen, mijn kleurig liefje van Nippon, je schijn is mooi en zoet van roke, maar mijn ziel zegt dat het niet mag... Sayonara Otakisan! of hoe je ook heeten mag, Sayonara!” Ik stoot haar zachtjes van mij af, als een lastig kind, dat spelen wou, en ga verder. En méér kleurige Sans wenken en waaien met hun wijde mouwen, en lokken mij liefelijk van lente en lust. Één zingt er een rillerig, kietelig wijsje en beweegt gracelijk haar lenige lijf, dat plooien van roze kimono om haar wuiven. Ik voel de vage charme van die vreemde vrouwen uit verre landen, de streeling van dat kinderlijke, graciele, dat donkere zonde omlijnt; o neen, nu heengaan maar, den valschen, schoonen schijn ontwijken.
„Ricksha! ricksha!”
Als uit den grond verrijzen ze, uit hoeken en gaten, met ratelend gerol, omringen mij in nauwen kring, dat ik niet verder kan.—Een luid chineesch bevel, een paar verwenschingen, een dreigend zwaaien met mijn stok, en ik zit weer als een machthebber in het broze wagentje, de gele koelie zweetend voor mij in draf. Waar zal ik nu heengaan? Het Parsee theather, waar ze een sprookje spelen, van Alladin en de Wonderlamp, uit de Duizend en Één Nacht, de Stamboel-komedie, of de Wajang Tjina? Neen, eerst de echt chineesche wijken nog eens zien, de Sago-Street en Banda-Street en Tringannu-Street, waar de theehuizen zijn en de chineesche societeiten met bloemen-waranden vol vrouwen in zijde en muziek. Dat is heel aan de andere zijde van de stad, aan ’t andere einde van de North-Bridge Road, in mijn herinnering. En weêr gaat het duizelend den breeden, rooden weg door, langs de kobalt-blauwe winkels met rood en goud, waar de bronzen oosterlingen staan als beelden. Weêr wiemelende, woelende menschen, weêr lichtende wagentjes die slingeren en krioelen, en donkere bruggen over, waar rivieren zijn met gansche sampan-dorpen, voort, voort, in razende vaart, langs een grandiozen, ouden hindoe-tempel, die als een donker geheimenis oprijst van den grond, langs een lichte, witte moskee, blank tusschen blauwe gebouwen, met zijstraten in plotseling perspectief, waar groote vuren walmen van warongs, voort, altijd voort, tot mijn ricksha eindelijk stilstaat in een lange file van wagentjes, en opeens niet verder kan.
Een hel van roode duivels, jagend door elkaar, een paradijs van bloem-waranden boven, van lustpaleizen, hangende tuinen, klingelend van muziek, ik sta in de chineesche wijken van pleizier, waar alles kleur is en klank en hoog-ruischend leven. Nu stap ik uit en wandel verder, ik, enkele Europeaan tusschen heel een volk van Aziaten. Ik ben in Tringannu-Street, in Singapore, neen, dat kàn niet, ik ben in ’t hartje van China, in Canton, in Shanghai misschien, want niets is hier nu Engelsch meer, alles is Chineesch, de huizen, de menschen, de dingen. Dit is het wriemelende, krioelende China, de wemelende mierenhoop van menschen, van bruine, gele, roode zweetmenschen, die loopen langs lange rijen opgehoopt eten, langs tafels vol visch en vleesch en lillende ingewanden, vol vruchten rood en geel en groen, vol eenden, kippen, ganzen, opgepropt en opgestapeld, voor het vretende, hongerige, dorstige, beestige grauw. De huizen, die geen eet-winkels zijn, zijn huizen van lust, waar in goud-licht van helle lampions en lantaarns, voor altaren met gouden goden en zilveren kandelaars, de jonge Canton-vrouwen zitten, de gele gezichten beschilderd met rood, de roode bloemen in ’t zwarte haar, in lokkende geheimenis van veile liefde. Wáár ik ga loop ik langs eten, walmt stank van vet en olie naar mij op, het vette, druipende eten ligt in schalen, in kommen, met wat?.... verdachte, ongeloofelijke gerechten, van wormen, van slakken misschien, van inktvisschen en krabben. En overal langs die dampende, walmende warongs hangen roode tabletten, waar ’t goud van afschettert als trompetten in een orchest. De vrouwen-huizen, waar de rijk besneden deuren van openstaan, zijn paleizen van licht. De groote, schitterende tsh’aks[20] hangen van de muren, in superbe mengeling van kleur, Kwan-Yin in majestueuze pose zit op den lotus-troon, of Kouan-Ti, de grimmige God van den Oorlog, in rood scharlaken met goud, heft hoog den vinnigen lans. Op het huisaltaar staan wit-porseleinen en gulden-bronzen goden, en glimmen tinnen en zilveren kandelaars, en stijgt de blauwe wierook uit blinkende koperen wierookvaten. De kleurige Cantoneesche lantaarns hangen neer, met transparant glas, waar rood en blauw porselein relief op is gelegd, met statige figuren van vogels en bloemen. Alles glanst en blinkt en straalt daarbinnen in wondere richesse van pracht. En in dien schoonen, gouden lichtschijn zitten op ebben, parelmoer-ingelegde stoelen de bleeke, teêre Canton-meisjes, met roode bloemen in ’t van reukoliën glimmende haar; de gele gezichtjes met blozend rouge beschilderd, als poppen van porselein op vaas of waaier. De gansche straat langs staan die huizen, rij aan rij, die schitteren van kleur en licht, waar honderden en honderden vrouwen zitten te wachten den gast, die komen zal met dollars in de hand. En arme, zweetende duivels van koelies, die nauwelijks genoeg verdienen met beestig zwoegen om niet te sterven van honger en dorst, zij staan van de straat af te staren met open mond en vlammende oogen naar die vrouwen in ’t gouden licht, die voor hen opschijnen als dewa’s[21] uit het paradijs....
De huizen zijn hier hoog, met vele verdiepingen, en in ’t hoogste hooge schittert rijke illuminatie op waranden en terrassen, waar de theehuizen zijn. De muren daarboven zijn van een licht tintelend groen, of van mystiek donker blauw, de ramen zijn rijk besneden met decoratief van bloemen en figuren, weelderig opgelegd met oud goud, dat donker-rossig vlamt. De kleuren blinken daarboven, het goud glanst en fonkelt vol rood geheim, en een vreemd-wellustige muziek daalt uit die hangende tuinen neder, waar palmen en wuivende reuzen-varens staan, muziek van wreed-weenende, hooge violen, van kittelig tokkelende gitaren, van tinkelende harpen en luiten. Snerpend en gillend snijdt die muziek daar hoog door de lucht, in razend, zenuwachtig tempo, het lijken klanken van tot vlijmenden pijn opgestriemden wellust, ’t is muziek als van gillen en kreten, die lachen zijn en schreien te gelijk....
Daar onder ratelen ricksha’s rusteloos voort, daar onder zwermen de kaneelgele, de roode, de bruine Chineezen gonzend en schreeuwend door elkaar over den rossigen, als van bloed gedrenkten zandgrond, langs de warongs en stalletjes vol dampend, stinkend eten, langs de goud-doorgloeide huizen vol vrouwen. Een kwade reuk als van beesten gaat door de straat, een damp stijgt op uit de zweetende lichamen der dravende koelies, als van paarden, en in een atmosfeer van wellust en vleesch en bedorven eten voel ik mij even wee-duizelig worden, of ik straks zal vallen. Deze chineesche straten-wijk is een verschrikking, een benauwing van verrotting en vuil, maar óók een apothéoze, een paradijs van kleur en goud en pracht. Het Leven gaat hier dampend en walmend en goudelend en stralend over de roode, bloedige aarde. Zóó loop ik van de eene straat in de andere, en overal liggen de lillende stukken vleesch, de rookende darmen, de stinkende inktvisschen langs mij in de warongs, ik zie vruchten, vurig en heet als grimmige beesten met prikkels en stekels, vruchten als goud en vuur en bloed, alles lijkt hier te fonkelen en te branden van hitte en hartstocht en opgegaarde zon, en rusteloos jagen de ratelende ricksha’s mij voorbij, en vreemd komen telkens nieuwe, bruin-gele, glimmende chineezen-gezichten voor mijn oogen loenschen, wijl van boven de muziek uit theehuizen en lustwaranden neêrzwiept en tingelt als een gouden en zilveren regen, onverbiddelijk, striemend, kittelend, met snerpende gillen van violen en tokkelende tinkeling van luiten.—De kleuren laaien voor mijn oogen, mijn ooren tintelen van felle muziek, de walmen en dampen slaan mij tegen, alles brandt en vlamt en bloedt om mij heen, en ’t is of een duizeling mij voort wil tuimelen, met die razende, ratelende warreling mee; ik voel den lust om óók te gillen, te schreeuwen als een dolle, en als een razende voort te rennen, met die kletterende ricksha’s mee, al dat vuur en dat goud tegemoet dat vóór mij laaiert en loeit, zóó als een razend paard rent den vlammendood te gemoet.
Ik voel mijn slapen kloppen, en een benauwing knijpt mij in de keel. Neen, dit leven is te ontzettend voor mij, dit kan ik niet dragen, ik, zoo heel alleen, met mijn zachte ziel in dat daverende, donderende leven. En al die vreemde gezichten om mij heen, al die gele, roode gelaten, met scheeve, loenschende oogen, wat willen ze van mij, wat loeren ze mij aan?....
Ha! gelukkig! Een ricksha met Europeanen, daar ginds, het is dan tóch waar dat er een verwantschap is van rassen, want ik voel hen als iets vertrouwds, die blanke menschen in al dat gele! Hallo! Hallo! ’t zijn, bij God, bekenden, ’t zijn Hollanders, van de Paketvaart, één van de „Zeeduif” uit Riouw. Hallo! jongens! waar moet dat naar toe?
En samen staan we, een hecht verbond van blanken, in ’t gele gewoel. Zij hebben hun ricksha weggestuurd nu ze mij zagen, en samen wandelden wij op. Nu voelt het veiliger aan en verwanter.
Waar willen zij heen? Naar dat theehuis daar boven, waar die muziek van neêrklinkt. O jé! Dat zal héél moeilijk gaan. Ze hebben ’t al geprobeerd, zeggen ze, in verscheiden van die huizen, maar overal werd hun de toegang geweigerd. Maar.... wie weet?.... met chineesch kan je overal terecht. Zoodra je chineesch kent kom je in ’t vertrouwen en laten ze je in.
Ik zal eens vooruit gaan, alleen. Een sombere trap ga ik op, en nog een, en nog een. ’t Is duister hier, maar ik loop den kant op, waar muziek vandaan komt. Dáár staat een vette, logge chinees vóór me, en spert mij den weg.
„No can do Sir! no can do! this belong chinamen only Sir! This belong old chinamen private Club!”
Ah zoo! ’t Schijnt hier een societeit te zijn van rijke chineezen.
Maar ik antwoord hem in zijn eigen, zingende taal, ik zeg hem, dat ik óók zoo’n halve chinees ben, heusch, dat ik twee jaar in zijn land heb gewoond, dat ik enkel kom om te kijken met een paar vrienden, dat ik heusch geen dronken zeeman ben, die vechten zal en ruw doen tegen de meisjes, dat ik o zoo goed weet wat „Lé”[22] is, en ik heel ordentelijk weer weg zal gaan, als ik even heb mogen kijken. Die hooge zang-taal, die een sleutel is in héél China, en een paar dollars, doen het wonder. Nu, goed, wij mogen even kijken, als wij dadelijk weer weggaan, en de sing-song meisjes niet grof behandelen.
[22] Decorum.
Ik roep mijn kennissen, die beneden aan de deur staan te wachten. Zij stommelen tastend de donkere trap op, dán gaan we een gang door, en zien een deur open staan. En nú is het mij opeens weer vertrouwd, chineesch-vertrouwd, met chineesche luchtjes en chineesche kleuren en chineesche stemmen. Een heel klein kamertje is ’t maar, wat ik van buiten een zaal dacht, met stijlvolle stoelen langs de wanden, fijn besneden, ivoor-ingelegd, en veel schittering van rood en goud aan de wanden, met een weelde van oostersche vruchten op rood gelakte tafel. Nu zijn we in zoo’n paviljoen, dat we hoog zagen blinken, van beneden op de straat. Als groote, lichte bloemen hangen lampions van de zoldering. Op stoelen gehurkt zitten chineesche muzikanten, en een snijdende viool krast de scherpe, doordringende geluiden, die aandoen met een pijn als van tot razernij overspannen wellust. Ik ken geen muziek, die doller maakt dan die chineesche. Als wij binnenkomen, zweven kleine, fijn gekleede kinderen ons tegemoet, met ruisching van zijde en ritseling van armbanden en ringen. Hun kaneelgele gezichtjes zijn teêr beschilderd met rood en wit en rose, hun prachtige zwarte haar blinkt van geurige oliën, en een band van goud en blauwe ijsvogelveeren gaat om hun voorhoofd heen. Ze lijken op de frêle kleurschepseltjes op waaiers en vazen zoo broos en poppig, en heel klein is ’t warme, bruine kinderhandje, dat vat mijn groote, bruine hand. De toch reeds zoo kleine japansche mousmés van daareven, gevuld en rijp als ze waren, zijn hier nog moeders bij, want die vreemde Chineezinnetjes zijn kinderen van negen, tien jaar hoogstens, ouder niet, en zóó teer, dat ik bang zou zijn hun pijn te doen door éven aanraking maar. Die heel kleine kindmeisjes brengen nu thee van lotuspitten in porseleinen kopjes, en kijken ons verwonderd aan, en vinden ons zeker foei leelijk en komiek, ons, groote, ruwe, blanke barbaren, en lachen het schaterend uit, met hooge geluidjes. Er zijn koekjes bij de thee, en vage lekkernijen, groen en geel, van helle kleur. Ik weet niet goed wat ik doen moet nu. Gaan zitten maar, een sigaar opsteken en kijken, wachtend de dingen die komen zullen. Even wat chineesch praten, waarop de kinderen, uitgierend lachen, hoog fausset.
De kleine chineezinnetjes beginnen nu te zingen, vreemde—voor mij niet meer vreemde—chineesche wijsjes, bij het snijdende snerpen van de violen, het klagen van een mineure klarinet, het tokkelen van gitaren. Ze hebben een dolle pret over ons, schieten telkens in lach, proestend, om dan weer óp te neuriën hun liedje. Ik raad haar kinderlichaampjes heêl broos en teer in de wijde jakken, de wijde broeken, en kán ’t niet gelooven, dat dit nu sing-song-girls zijn, waar oude gedegenereerde Chineezen mede spelen een vuil, wellustig spel. Het lijken speelgoed-poppen, maar ’t zijn wel heuschelijk levende kind-meisjes van verfijnde prostitutie, waar dikke, logge, chineesche roués wellust mêe doen. De lonkjes en lachjes die ze over hun zacht-gele gezichtjes doen gaan, met kuiltjes in de wangen, en een prikkelende schittering in het oog, zijn als van perverse kinderen, die de zonde lekker-geniepig vinden en ongeoorloofd-geheim. Een vage, weeë walging bevangt mij er van. Mijn kennissen voelen ’t niet, vinden het dol gezellig, schreeuwen er obscene aardigheden over uit, en vragen om whiskey-soda, versmadend de geurige thee. In ’t gedempte, zacht broeiende licht van de lampions glanzen de kleuren van roode en blauwe en gele en lila kleederen der meisjes met grooter innigheid dan overdag, en in de kamer, waar rood en goud blinkt van platen en inscripties, hangt een gulden-schemer als in een kleinen tempel, zoo vaag en mystiek. Van de straat klinkt door het open venster het rusteloos ratelen der ricksha’s, het schreeuwen der venters, het brommend geroezemoes van oostersche menschen-massa’s. Geuren van warm eten en van vruchten komen bij vlagen naar binnen.—Het is een loome benauwing van wriemelend, geurend, zweetend oostersch leven, doordringend als de scherpe broeiïng in een wilde beesten-menagerie, grof zinnelijk en bruut, zooals alléén in ’t Oosten is te voelen. Het leven is hier zoo heet en dampig en riekt wee en kwalijk-zoet. En de scherpe violen knerpen maar door, ál maar door, en de hooge stemmetjes van de kind-meisjes gillen schel haar enerveerend gezang. Ik voel mijn wangen gloeien van hitte, en in mijn hoofd bonst het. Dat rood en goud, die scherpe geuren, die helle kleuren, die schelle muziek, het maakt je dronken, het bedwelmt je als ál te sterke wijn. En in een walging, snakkend naar eenzaamheid en lucht, sta ik zwijgend op, leg wat dollars neer en hol de donkere trap weer af, naar beneden. Mijn kennissen roepen mij na, maar ik wil hen niet hooren en vlucht.
Maar dáár rent en duizelt en zwaait de donkere menschen-troep nog rusteloos voort over den somber-rossigen grond, tusschen ’t vlammen van bloederig rood en laaiend goud, onder de blauwe huizen. Overal snerpen de huilende violen, kietelt het wee-wellustig gitaar-getokkel, en met dikke walmen komt etenslucht mij tegemoet. Glimmende, bruine koelies jagen mij huppelend voorbij, hun ruggen druipend van zweet, voor de ratelende ricksha’s rennen ze als uitgelaten dieren, dampend en rookend in de lucht. O! al die bruine en gele en zwarte gezichten, die vreemde, oostersche levens, die donkere oogen als van beesten, nú benauwt het me toch inééns, ik hóór hier niet, ik, bleeke man uit het Westen, en ik voel mij hier nu jammerlijk verdwaald. Het is of een wilde koorts die wriemelende menschen zoo jaagt, ze schreeuwen zoo hoog en zoo hel, als in angst of woedenden strijd, ze rieken zoo kwalijk, ze glimmen zoo vet en nat! En haastig loop ik langs winkels en huizen, met overal eten, en eten, en nogeens eten, roode koppen van varkens en stinkende inktvisschen en bloederige darmen, bloedkleurige vruchten en lillende stukken vleesch en roode lombok-pepers en allerlei vraatsel van gulzige oosterlingen. Ik weet den weg niet meer.—Ik zie het alles nu verward, het rood, het goud, het blauw, een lichte damp trekt boven den rossigen bodem, waarin de kleuren vreemd glanzen, de stanken en geuren bedwelmen mijn hoofd, en ik hoor het schel stemmen-gegil nu dof in mij doorklinken, als door een gaas. Ben ik dronken, of word ik ziek? Waak ik, of is dit alles een bange, sombere droom? Ik voel het zweet mij uitbreken onder mijn goed, en een wee gevoel wiebelt mijn maag langs. Kijk, dáár, alwéér die open huizen met schitterlicht en goud, met altaren vol bloemen en vazen en bronzen, blinkende vaten en schitterende platen aan den wand. De grimmige Kouan Ti hangt er woest te dreigen, en strijkt zijn langen baard, en vreemde, vijandige goden loenschen lachend van de muren. De Canton-vrouwen, in zwarte bombazijnen jakken, staan voor de deuren, met hun hel beschilderd gezicht, en zingen met hooge gillen en lokken als katten zoo valsch en zacht. Alweer vrouwen nu, en vrouwen, en nóg eens vrouwen, voor die schreeuwende, zweetende, glimmende bruine beest-menschen, die dampend door den rood-en-gouden avond gaan. Dat rijdt en rent en rost maar, in die gouden nacht-stad hier, dat drinkt en vreet en smult, dat huilt en schreeuwt en snerpt, en windt zich op naar donkere vrouwen, op de maat van kietelende, weeë wellust-muziek, die neêrjankt van felle lampion-belichte terrassen, waar roode bloemen en vruchten hangen, in kleur van bloed. Het lijkt nu te helsch en duivelachtig om reëel te zijn, een krankzinnige droom meer dan een heusch stuk leven, en opeens zie ik die vreeselijke bruine gezichten als schrikgestalten, vijandig en grimmig, met tarting en hoon in de loerende, donkere oogen. De obsessie van ’t gevaarlijke, vijandige Oosten bevangt mij, ik voel me heel klein en verloren in die brullende bende van sombere, bruine duivels, en ik zoek naar een uitweg om angstig te vluchten, wèg, naar den kant waar de groene Esplanade, waar de Engelsche huizen zijn, veilig en vertrouwd. Neen, nooit hoort een bleeke Westerling thuis in ’t broeiende, vlammende, laaiende Oosten, zijn tehuis is niet waar het vuur is en de gloed, dat voel ik nu zeer hevig en beslist, met een branderig gevoel in mijn hersenen, en een koude rilling langs mijn rug. Het is onzinnig, denk ik nog even, bah, wat een lafheid, schaam ik mij niet? Maar ik voel, dat ik bang ben, bang voor die herrie, voor die broeiïng, voor dien walm, voor dien stank, voor alles, en ik loop zoo hard ik kan door al die bruine en gele duivels, zoekend een zijweg, waar de herrie aan voorbij joelt en ik vluchten kan.
Moê, o hoe moê en bang ben ik van al die kleuren, van die zware, oostersche geuren, van dat woelende, wemelende beweeg! Hoe die donkere bruine en gele en somberzwarte menschen daar door elkander krioelen, over den rossigen grond, tusschen kobaltblauwe en indigo-paarsche huizen, waar goud schittert en òpvlamt ’t bloedende rood! Hoe die wilde jacht àl maar voort-ratelt van hollende ricksha’s en rammelende gharry’s, onder ’t wilde, helle geschreeuw als van duivelen zoo woest! Gelukkig, daar zie ik eindelijk een eenzame zijstraat, waar weinig menschen loopen, met enkel hier en daar een lichtje voor een donker huis. Nu gauw hier in geloopen. De oostersche lucht blijft er altijd nog hangen, je weet niet van wat, van wierook en klappervet en knoflook en menschen, van duizend ongeweten dingen, wier geur blijft wademen in de warme lucht. Ik weet, als ik nu rechts aanhoud en altijd maar dóórloop, moet ik weer komen waar het stil is, aan de zee. Ik voel, dat mijn keel dor en droog is van dorst. Daár hoor ik een zwiepend geluid, een lichtje wiegelt aan door de donkere straat, misschien is het een chineesche venter met vruchten. Neen, ’t is maar een koelie met kisten aan een bamboe-juk. Veêrend gaat de zware last op en neer, en vlug huppelt de koelie voorbij, met dien rythmischen, luchtigen gang, waardoor de vracht haar gewicht verliest. In een klein, schunnig, winkeltje walmt nog licht, en ik zie een oud chineesch vrouwtje in de warong. Ha! Daar liggen de felle, roode vruchten, de sappige naî-tsi’s met hun harige stekels, als grimmige, venijnige insecten. Ik roep haar in ’t Chineesch, ze schrikt op uit haar dut, verstomd dat een barbaar haar toespreekt in haar taal. Zij noemt een prijs, die tienmaal te duur is, maar ik moet nu toonen, dat ik in China ben geweest, en nog méér in haar achting rijzen door het hardnekkigste „kóng kè”[23] dat ik ooit heb gedaan. Wat zou ze anders wel van me denken? En daar sta ik, in den laten avond, in de stille Singapoorsche straat, voor een kleine warong, pingelend met een gewikst chineesch oud-wijfje, als ging het op leven en dood. Eindelijk krijg ik mijn tak met stekelige, fel-roode naî-tsi’s voor een paar koperen centen, en smullend loop ik door, de witte vrucht zuigend uit de opengeknepen bolster, die als bloed afgeeft aan mijn hand. Heerlijk, het zoete, koele vocht op je heete, droge tong.
[23] „Pingelen”.
Nu kom ik langs een werkplaats, waar koelies schoenzolen zitten te kloppen. Zij kloppen als razenden, naakt, met hun van zweet glanzende lijven, gehurkt op een tafel. Er is in het woedende werken van die chineesche koelies iets als ’t wilde zwoegen in een hel, jakkerend, jagend in een woest delirium van koorts. Wat vreemd toch, die kaneel-bruine kerels, of ben ik vreemd, bleeke westerling, die hier rondloopt vér van zijn land?
De huizen, die ik nú langs loop, staan donker-blauw en stil van den rossigen kleigrond op. Hier en daar staat een venster open, waarachter een geel lichtje walmt. En in de verte hoor ik een droeve fluit. Een eenzame Aziaat zit daar ergens stil op een kamer te spelen. Het is een wonderlijk, treurig wijsje, het lijkt op wat ik van morgen hoorde op de boot, maar toch wat anders nog en even weemoedig van vage melancholie. Wie is die eenzame, bruine man, die daar zoo somber zit te spelen? Een simpele koelie waarschijnlijk, een afgejakkerd werk-beest van het Oosten, die zich zelf niet kent, die nu éven vaag bewust wordt de misère van ’t leven, en zijn droefenis zonder weten uitklaagt in de weeke, lage tonen van een goedkoope bamboe-fluit. Zoo vreemd, dat stille treuren daar, in die donkere nacht-straat, van wat oostersche muziek. Een onbestemde weemoed welt in mij op, en ik voel iets van vage, verre herinneringen en teêre dingen, die ik weg dacht nu, voor goed....
En ik loop door, niet meer in de straat eigenlijk, maar zwevend in een sferen-land van droomen en herinneringen, geleid door de klagende melodie. Hier schemeren verre, wijkende horizonnen, hier gaan de zeeën ruischend ten einder heen, hier drijven de witte wolkenstoeten statig naar gouden poorten van licht, en vage, nevelige figuren schrijden ijl door het ledig, van lang geleden dooden, die ik zéér heb liefgehad....
Zóó ga ik door straten en straten, waar het stille is, mijn voeten loopend, en mijn ziel in droom, tot ik eensklaps wakker schrik met een schok, van ratelend tromgeroffel en kletsend bekkengekleng. Komt hier een zegevierend leger aan van zingende, muziekende soldaten? De tamboers roffelen de doffe trommen, trompetten schelle schetteren, bazuinen schallen galmend choraal. Hier komt het aan, klaroenen-klaterend fanfare, een leger in parade, met den gouden keizer aan het hoofd....
Ik loop gehaast een donkere, smalle gang door, dan een hoek om, waar het komt....
En in het verre perspectief van een zwarte nacht-straat, schittert laaiend als een vuur de gouden pracht van een chineesch theater, waar de trommelen roffelend den woesten oorlog slaan, waar schetteren klaroenen en bazuinen en trompet. Het is een vuurwerk, waar fonkelende vonken springen, de gouden zonnen schieten helle stralen uit, de vlammen branden prachtig, en in felle glorie laait het roode goud. Lange, breede lappen goud hangen in het fond, waar draken fonkel-kronkelen, waar wijd-gewiekte fenixen in vlammenbrand verrijzen. En gouden personnages, in gele gewaden, druipend, ruizelend van licht, in rooden oorlogsmantel, waarop gouden draken branden, in paarsche en tintelgroene en hemelsblauwe galakleeden, zilver-schitterend en vlammen-vonkend van goud, staan daar in den zwarten nacht als grimmige goden, omstraald van eigen licht. Het is of ik even in de zon gezien heb, zóó brandt dat goud, mijn oogen knippen tranend, en beschuttend hef ik mijn hand.
Een groote schare donker-bruine, donker gele menschen staat in het duister van de straat, zwijgend, roerloos, en staart in die zee van goud en licht. Het is als een apothéoze, een goddelijk visioen van glorie, waarin gouden goden schrijden, die door een vlammenbrand van pracht oorlogend naar hooge, hemelsche gewesten tijgen. De trommen roffelen in dolle oorlogsjacht, en hel schettert uit het luid orchest van tetterende trompetten....
Ik zie de glorie-vlammende helden pralen van het grandioos chineesch verleden, in gloed van purper en scharlaken en heilig-geel, de lange veeren van hun blinkende helmen waaieren trillend over het tooneel, wijd-uit, de breede mouwen vallen van hun polsen, zwaar van goud, en op hun borsten spuwen woeste draken vonken vuur, en fonkelen van gloed uit edelsteenen oogen. Nú stormen zij in wilde warreling dooreen, de groote godenstrijd begint, het rood vliegt op het purper af, het helle geel waait woedend door het paars, de gouden draken kronkelen vonken-schietend dooreen, de veeren van reuzen-vogels beven trillend in de lucht, en alles schijnt in gouden vlammen te vergaan tot één glorie van laaierende pracht.
De trommen roffelen zwaar neêr op mijn moede hoofd, de bekkens kletsen kletterend om mijn ooren, het gouden vuur verzengt mijn knippende oogen, ik kán dit niet meer dragen, ’t is of er vlammen om mij slaan. Wat doe ik in die stad vol hellevuren en godenbrand, vol bruine duivelen en gouden oorlogshelden, waar bloed ligt in den rossen grond, en alles staat te laaien en te zieden? Hoe raak ik hier nu uit, dat ik weer veilig aankom aan het groote, groene grasveld bij de zee?
Nu hier die zijstraat in, en haastig loopen maar, dat ik die dolle muziek van oorlog niet meer hoor. Wat zie ik daar nu in de verte, zou dat de Bridge Road eindelijk weer zijn? Die ricksha’s die daar vliegen, die vonken licht, die fonkelen voorbij....? Goddank, nu kom ik op bekende wegen terug, ik zie de brug, waar de rivier is met het donkere sampan-dorp. Nu altijd maar rechtuit, dan kom ik bij de groene Esplanade, als ik een hoek omsla, dicht bij een Europeesch hôtel. Daar zijn de hooge boomen al, in ’t park waarin de cathedraal moet staan. Hier is het stiller, eindelijk, goddank! Ik sla den zijweg links af, die naar de Esplanade voert. Daar is het sombere, donker-blauwe Adelphi-Hôtel al. In de open voorgalerij zitten nog Europeanen luid te praten, drinkend hun whiskey-and-soda. Hard klinken hun stemmen in de stilte van den nacht! De groote Sikh-portier staat onbewegelijk voor den ingang, een reuzen-figuur in zijn gelig khaki-pak, een vuurroode, hooge tulband op zijn bronzen, baardig gezicht van donkeren prachtkerel in de tropen.—Er staan nog wat ricksha’s voor de deur te wachten, de naakte koelies slaperig tegen ’t wagentje geleund, arme, chineesche vrachtbeesten, beulend en zwoegend dag en nacht in den verschikkelijken strijd om het leven: Dáár rent er al een op mij af: „Ricksha sir? ricksha sir?”, met zijn hoog, gutturaal geluid. En ik laat hem even verbazen met mijn chineesch antwoord, ruw uitgestooten, als in zijn land: „Khì lah! Khì lah!”[24] inwendig lachend om zijn verrassing.
[24] „Ga weg! ga weg!”
Nu nog éven, éven maar doorgeloopen, en ik sta in de groote stilte van de Esplanade bij avond, waar de eenzaamheid is, en de zee. Rustig en statig ligt het wijde grasveld daar voor mij, een koele, weldadige zeewind omwaait mijn warm hoofd en de wondere plechtigheid van den oosterschen nacht komt over mij als een wijding. O! hoe kalm en sereen schitteren daar al die lichtjes op de zee, tot vèr en vèr, daar rusten de zacht-gehavende schepen, daar ligt het ruime, het opene, het eindelooze, dat eenzaam en groot is als mijn ziel....
Ik loop zacht door tot aan het pad langs den kaaimuur, en in ’t flauwe licht van een bleeke halve maan zie ik de zee voor mij liggen. In de verte glinstert een tintelend reflex van de maan met millioenen sterretjes op het gladde van het water. Hoe vreemd van innigheid zijn nu de donkere rompen dier booten, hoe wonderlijk intiem zijn de lichtjes die daar pinkelen op zee, de gele, de groene, de roode, van hier, van daar, van ginder! Het wenkt, het wenkt mij zonderling van verre. Droomerig kletsen de golfjes tegen den steenen wal, en de sampans bij de hoofden wiegelen zachtkens op en neder. Ik weet de zee zoo eindeloos en eenzaam daar vóór me, iets oneindig grootsch komt op mij af, ik voel het oude, vreemde verlangen van mijn ziel dat zich uitdeint in wijde spanning, en ’t is mij of het wenkt en roept en smacht van verre, ik en weet niet wat....
O wondere, nooit tevreden ziel van mij, wat wilt ge dan, wat is dat vreemd verlangen dan, dat ál maar deint en zweeft en wèg wil in mijn leven, naar welke horizonnen, naar welke werelden? Ik voel het met een scherpe innigheid, bijna als pijn, en tóch met een zoetheid, die de tranen doet wellen naar mijn oogen. Die stilte, die plechtigheid, die rust, die pinkelende lichtjes van verre, dat wijde, wijde water, en die donkere boomen hier om mij, wier loover niet beweegt, hoe bevangt het alles mij met een heerlijk, heilig heimwee, naar wie, naar wat?....
De stad ligt nu achter mij, waar de sombere, bruine mensch-beesten krioelen in heet en woest beweeg, nu schreeuwt en gilt en spookt hun krijschend leven niet meer om mij, aandachtig sta ik te luisteren, en hoor niets dan mijn ziel en de zachtjes-deinende zee. O! Eindelooze, eeuwige rust, o! kom nu, kom! ik ben zoo moê, zoo doodmoê van lieven en leven, ik ben zoo moê van droevig zoeken en zwerven, ik ben zoo vèr gegaan, zoo ál maar verder en verder over landen en horizonnen en zeeën! In ’t bleeke Westen wàs het niet, en niet in ’t rood-gloeiende Oosten, ik heb nergens, nergens gevonden en liep maar altijd tastend, wankelend door, o! kom nu, kom nu, reine rust van ’t oneindige, en laat deez’ moede, onvoldane ziel nu zachtekens vergaan in ’t groote Niet, als een moêgezworven schip in veilige, eindelijke haven!....
Zóó sta ik droomend te staren aan de nachtelijke zee, en ik voel de warme tranen van mijn fel verlangen langs mijn wangen glijden. De golfjes klotsen ál maar tegen den steenen wal, met den diep-melancholieken klank van gouden gamӗlan-geluiden, de wind wuift koelend heen en weder langs mijn gloeiend hoofd. Zou het nu komen, zou het nu eindelijk, eindelijk komen? Wat wenken mij die verre lichtjes dan toch toe, wat fluistert daar toch in die wijde stilte, waar wil mijn droeve heimwee dan henen, dat ik weenen hoor vèr, in de verre verten van mijn ziel?....
Nu ben ik dan toch door véle, o! vele duizenden menschen weêr gegaan, hun schitterende oogen heb ik gezien, en heb gehoord het luid geluid van hunne stemmen, hoe heeft het om mij heen geruischt en ruw gerateld en hoog geschreeuwd, hun heete, lillend heete leven! De felle kleuren, de scherpe geuren, de zingende muziek zijn òm mij geweest zooeven in al de felheid van het helle oostersche gewoel, maar even ongenaakbaar, even eenzaam is die moede ziel van mij gebleven, wier vreemd verlangen nimmer is gestild....
Daar fluit een stoomfluit, een bang en droef geluid over het water. Ik hoor geratel in de verte, van ankerkettingen, die bewegen, ik hoor een dof gestamp van werkende machines, ’t hart van een groote boot, dat klopt en klopt. Daar is ’t al, kijk! in de verte.... dáár.... een rood lichtje beweegt,.... en nog een groen,.... ook gele lichtjes bewegen, dáár vaart een groote, donkere boot langzaam, langzaam de zee in, het opene, ruime, eindelooze te gemoet. Al verder en verder wijken de lichtjes, o! hoe zalig, zóó heen te gaan, zóó langzaam, zachtjes heen te drijven in de groote innigheid van den nacht, en eindelijk wèg te zijn in het wijde, een stip, die in ’t oneindige verdwijnt! En ik hoor mijn ziel schreien, mijn ziel vervuld van dat vreemde heimwee om wèg te kwijnen, eindelijk weg, naar welke teêre sferen, naar welke verre horizonnen van licht?....
Singapore, Augustus 1904.
’s Ochtends, om kwart voor vijven, is alles nog nacht-stil in het Victoria-Hôtel.—
Oessin, de kamerjongen, heeft zachtjes wakker geklopt, en met een sprong ben ik het bed uitgekomen, bang om weêr in te slapen. De heete koffie staat al op tafel in de voorgalerij, en de warme dronk verkwikt met een zachten gloed in ’t nog loome lijf, dat in de ochtend-koelte huivert. Nu langzaam de gordijn opgeschoven, en ik zie in den morgen, die nog nacht is. Doodstil staan de hooge spatodea-boomen voor mijn paviljoen, en geen blaadje verritselt. Zacht en onduidelijk gaan een paar inlanders voorbij op den weg. Even kleurt wat rood in het vage van donkeren schemer. Nu een poosje nog zitten soezen, en ’t sprakeloos aanhooren, het zwijgende geheim van den indischen nacht. O, die rust, die diepe, roerlooze rust, kon ik die altijd bewaren in mijn ziel....
Nu ratelt het rijtuig voor, en de „jongen” haalt mijn valies. Mijn hagelwitte linnen pak, mijn witte helmhoed en witte schoenen zijn vreemd van licht in den duisteren morgennacht. Driftig draven de kleine paardjes vooruit. Ik huiver weer in de koude ochtend-Preanger lucht....
Hoe hard klapt de zweep van den koetsier in dat stille rondom! Een hoek om, een breede weg en weer een hoek om, en ’t rijtuig rolt door de winkelstraat van Soekaboemi, waar de toko’s zijn.
In een chineesch huis, waar bruiloft geweest is, brandt nog véél schitterend licht, en roode lappen vlammen op met heldere kleur van bloed. Op een tafel in de voorgalerij staan flesschen en glazen van een groot festijn.
Aan ’t station is alles nog donker, enkele lichten zijn op, bij ’t loket, bij den stationchef. In de verte van de spoorbaan blinken seinlichten, rood en groen. Er zijn zeer weinig reizigers, die vreemd over ’t perron gaan, als nog niet geheel wakker en bewust. Nu komen een paar chineezen aan, late gasten van ’t bruiloftsfeest, die nog terugmoeten naar Batavia. Zij gaan voornaam en deftig in lange, zijden gewaden, blauw en groen, onhoorbaar op hun zachte, vilten zolen. Zangerig klinkt hun melodieus chineesch, en ik voel me blij, dat ik hen versta, dat ik hun verwant ben in voelen en denken. Zóó als hun gewaden zijn, schitterend en zacht, is hun sereene filosofie, zóó als hun lichamen, gracieus in die wuivende zijde, beweegt het denken van hun oude wijzen. Een hadji in grijswit gewaad loopt mij nu óók voorbij, en onder een hel gelen hoofddoek blinken zijn donkere oogen van een’ somberen gloed. O! Dat bruin van zijn fanatiek gezicht onder dat helle haat-géél van zijn hoofddoek! Die donkere hadji, die kaneel-gele chineezen in blauwe en groene zijde, wat weet ik mij een leelijke, westersche figuur daarbij in mijn stijve witte pakje! En tóch voelt mijn ziel zéér innig het haar verwante schoon der oostersche dingen....
Ik tref een ledigen coupé derde klas, de andere Europeanen gaan tweede, en ik wil alleen zijn voor het mooie dat mij wacht. De trein stoomt weg over den hoogen dijk langs sawahs en velden.
De dingen staan vaag en zwart in den nacht.
Hier en daar staan zwarter de vormen van hooge bomen. Een wittige nevel waast hier en daar over den grond, en schijnt zachtjes te bewegen. Dán, ineens, zóó als ook een ziel uit den slaap wel bewust wordt en zweeft tusschen waken en droomen, begint een weifelend vervagen van schemerend duister tot licht. Het eerst begint de diepe, donkere lucht al lichter te blauwen, en ook de toppen van hooge damar-boomen worden licht. Een streep lichtblauw hier en daar, hoog, en nóg een, en nóg een.... Hier en daar ook een boom al wakker, een palm, een spatodea, en andere beginnen weifelend te ontwaken. De groote verreining van den morgen gaat gebeuren. Beneden, in dalen, beginnen sluieren te drijven, witte mistwolken, voortschuivend tegen wanden, al hooger rijzend en wuivend in wind. De vormen van heuvels en bergen beginnen uit te komen. In ’t Oosten drijven nevelwolken tegen langzaam goudelende lucht, als zwarte kanten waduwen zoo fijn. En dan, opeens, is het wonder gebeurd. In een open lichtblauwe sfeer verrijst de grandioze Gedeh, zijn omtrekken bevende van gevoeligheid in de lucht, en staat hoog over het gansche landschap van bergen en sawahs en ravijnen, ontzaglijk en zacht.
Links in de verte wijken weg de golvende heuvelen van de Djampang-bergen....
De trein rijdt nu langs glinsterende, groene rijstvelden, met wuivende halmen, breede terrassen boven elkaar, en als zachte muziek klinkt door mijn open portierraam van ’t afklaterend water, dat rusteloos valt. Dán weer een kampong met hooge klapper-palmen en pisangs, dán een rij statige damar-boomen, als reuzen-cypressen, langs heuvelrand. In ’t oosten wordt de hemel goud en een gloed begint bevend te branden in de lucht. Hier en daar, langs hoogten, over boschjes en struiken, vluchten nog nevelen weg, verpoeiërend in ’t licht, blijven nog even hangen om boomen.
De trein heeft al opgehouden aan kleine stations, Tjisaät en Karangtengah. Inlanders staan er te wachten, met manden vol vruchten en groenten. Zij loopen zacht, zonder gerucht, en om hun slanke lijven hangen lappen en slendangs van lichte kleuren. Hun lichamen bewegen als boomen en bloemen, ze zijn één met de natuur. Hun huid is donker en in hun oog is gloed.
De golvende sawahs op klimmende terrassen nemen geen einde. De padi-oogst wordt gesneden en rijk blinken de saamgebonden schoven gouden rijst als schatten op het veld. In dat gele goud staan bruine, bronzen vrouwen in rood, fel van kleur. Zij zien soms, met een hand voor oogen, naar den trein, en staan daar roerloos, als donkere, oostersche beelden.
Nu staat de lucht ruim en open boven den Gedeh, die ligt te blinken in de zon, lichtblauw, met nog wat héél ijle, transparante wolkensluieren, als gewaden, nu gaat hij zich ganschelijk geven en ziet mij aan in al zijn zachte, trotsche pracht, die groote, roerlooze vriend van mijn ziel....
Ik zie nu overal, in ’t verre, andere heuvelen en bergen rijzen, die ik nooit kon aanzien van nabij, maar ik voel zéér innig het gebaar van hunne lijven, hun zachte, gracelijke golvingen, en dit is mij genoeg, voor héél mijn leven, zoo als dichters, van wien ik het innigste wel weet, al mocht ik nooit hun aangezicht aanschouwen van nabij.
Nóg méér stations nu, met hun mooie, melodieuze namen, Tjibadak, Parangkoeda, waar overal die donker-bronzen menschen staan te wachten, de manden met roode vruchten en frissche, dauwbeparelde groente op ’t hoofd. Er komen nu andere passagiers in mijn wagon, donkere indo’s, die wel gaarne Europeanen willen zijn, maar zon-doorgloeid hun bruine huid, en oostersche schittering in de zwarte oogen. Zij leven innerlijk op den grens van ’t Oosten en ’t Westen, maar in hun ziel gloeit pracht van oostersche zon en de heete hartstochten van Maleier en Javaan zijn broeiend in hun warme bloed.
Zacht remmend daalt de trein nu naar de vlakte af, en met haar valt aan alle zijden ’t bruisende, geel-schuimende water, dat van de bergen rolt, klaterend en ruischend. Het raast door diepe ravijnen, het worstelt sissend dóór langs klompen steen en rots, en vervult de lucht van een wilde, rhythmische muziek.
Nu zie ik, uit het venster kijkend, ver aan westelijken horizon een nieuw, ontzaglijk bergenwonder rijzen. Een chaos is het nog, een stapeling van sneeuwen, blanke wolken, van zonlicht goudelend doorstraald, waar groote vlekken blauw uit openkomen. Het lijken wijd-verwoeste ruïnen van sneeuw-paleizen in de lucht, waar blauwe torenen uit stijgen, en wallen van blauw marmer en turkooizen. De sneeuwen nevelen wuiven af en aan, de blauwe muren komen open en verdwijnen met die witte wuiving. Dit is de grandioze Goenoeng Salak, die met zijn grooten broeder, den Gedeh, de machtige lucht-keizer is van het landschap om Buitenzorg en Soekaboemi. Zij staan daar in onwankelbare grootheid, als goden in de lucht, zoodat van vèrre uit de Java-zeeën hun rijzenis is te zien, waar zij heerschend opstaan over het lage land. Mijn ziel voelt een schok van vreugde, telkens als ik die wondere bergengoden terugzie, de Sálak en de Gedeh, die mijn machtige, grandioze vrienden zijn van Java....
Nu daalt de trein langs dijken, aan weerszijden ópgedamd. Een groote, grijze karbouw loopt langzaam over een dijkrand, een kleine, naakte jongen op den rug. Donker is die silhouet tegen de lichte lucht, en het is als een oud bronzen beeld, dat ik uit China meebracht, zóó gevoelig en fijn.
Nu weêr een ander station; ik kan den naam niet lezen. Een klein houten gebouwtje, met een huis er naast, gewoon, als alle andere. Maar, wat zie ik nu, daarnaast? Een kleine vijver, omringd van pisang-palmen. Die palmen staan daar met hun breede waaierbladen als wachters om het water, als bewaakten zij iets heiligs, van een tempel. En dáár, zie, op dat vlakke, stille water, waar gouden zonnelicht op gloeit, die witte, vlekkeloos blanke bloemen, die daar drijven, in roerelooze rust, tusschen de groote, groene hartvormige bladen.... Dit zijn de lotussen, de heilige lotussen van het Oosten, die daar bloeien in sneeuwen pracht. Hoe kalm en kuisch ontplooien zij de blanke bladen, ziet haar gouden harten houden zij open naar het licht, roerloos rustig drijven ze op ’t stille water, en zoeken zóó in zacht vertrouwen de heiliging van de zon! Die blanke lotusbloemen zijn in ’t donkere geworteld, maar ontstegen liefelijk het diepe duister, zoekend de zon. Zóó rijst de stille ziel uit donker, droevig leven, en boven ’t duister van materie ontplooit zij zich kuischelijk tot het licht....
Ik zag die witte bloemen aan, en een wondere vreugde ging over mijn ziel. Ik wist de trein niet meer, ik wist niet meer van reizen en van ruimte en van tijden, ik zag alléén die blanke lotussen, zoo rustig-drijvend op het vlakke, goudlicht-spiegelende water, de sneeuwen bladen wijdgespreid in ganschelijk zich geven om het fonkelende, gouden hart. De kalme palmen stonden roerloos om den heiligen vijver, als wijze wachters, die bewaken den mystieken, goddelijken schat. En dit wondere tafereel werd opeens van zulk een hevige intensiteit, dat ik mijn ziel er van voelde trillen en beven, als wou zij breken door de werkelijkheid heen, en ópgaan tot dit schoone beeld-symbool, dat scheen te stralen uit een hooger sfeer.
En zóó heb ik dit meêgenomen, schijnbaar maar een voorbijgaand tafereel uit een treinreis in den vroegen morgen door de Preanger, met pisang-palmen om een vijvertje met lotussen, dat niets bizonders lijkt.... maar door dit heel gewoon reëele brak het hoogere bestaande dóór in ijl symbool, dat enkel ziel kan voelen en begrijpen, en zóó is dit geworden een zéér zeldzaam, heilig ding voor héél mijn leven, een wenk uit verre, reiner sferen, door ’t gewone van tijd en materie heen, een goddelijk Teeken van schoonheid, dat mijn ziel verstond....
Soekaboemi, September 1904.