The Project Gutenberg eBook of De zoon van Kazan

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De zoon van Kazan

Author: James Oliver Curwood

Release date: March 22, 2015 [eBook #48554]
Most recently updated: October 24, 2024

Language: Dutch

Credits: E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN KAZAN ***

The Project Gutenberg eBook, De zoon van Kazan, by James Oliver Curwood, Translated by T. M. E. Easton

 

Opmerkingen van de bewerker

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne oranje stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.

Van de cover is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.

Het origineel van dit e-boek is een vertaling van het engelse boek „Baree, Son of Kazan”. Dit boek is ook als e-boek beschikbaar via Project Gutenberg (e-boek no. 4748).

Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

 


 

DE ZOON VAN
KAZAN

DOOR
JAMES OLIVER CURWOOD

HOLLANDSCHE BEWERKING VAN
T. M. E. EASTON

VIERDE DRUK

NIJGH & VAN DITMAR'S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ
ROTTERDAM · MCMXXII

I.
Het groote onbekende.

Voor Baree bestond, vele dagen nadat hij geboren was, de wereld uit een groote, schemerige spelonk. Gedurende deze eerste dagen van zijn leven was zijn tehuis in het hartje van een groep omgewaaide boomen, waar Wolvin, zijn blinde moeder, een veilig nest gevonden had voor zijn prille jeugd en waar Kazan, haar maat, slechts nu en dan kwam, met oogen, die in de duisternis glommen als groenachtige ballen vuur. Het waren Kazan's oogen, die Baree voor het eerst den indruk gaven, dat er nog iets bestond buiten zijn moeder, en zij brachten hem ook de ontdekking van het gezicht. Hij kon voelen, hij kon ruiken, hij kon hooren—maar in dat donkere hol onder de omgewaaide boomen had hij nooit gezien voordat deze oogen kwamen. Eerst joegen zij hem schrik aan, toen verbazing en daarna veranderde zijn vrees in ontzaglijke nieuwsgierigheid. Hij placht ernaar te liggen kijken, tot zij plotseling verdwenen waren. Dit gebeurde als Kazan zijn kop omdraaide. En dan flikkerden zij hem opnieuw tegen met zulk een schrikaanjagende onverwachtheid, dat hij onwillekeurig dichter tegen zijn moeder aankroop, die altijd op een eigenaardige manier begon te trillen en te huiveren, wanneer Kazan binnenkwam.

Baree zou natuurlijk nooit hun geschiedenis te weten komen. Hij zou nooit weten, dat Wolvin, zijn moeder, een volbloed wolvin was en dat Kazan, zijn vader, een hond was.

De natuur was bij hem al bezig haar wonderwerk te verrichten, maar zij zou toch nooit buiten zekere grenzen gaan. Zij zou hem, op haar tijd, de ervaring brengen, dat zijn mooie wolvinnemoeder blind was, maar hij zou nooit iets vernemen van een zeker verschrikkelijk gevecht tusschen Wolvin en een lynx, waarbij zijn moeder's gezicht verwoest was. De natuur kon hem niets vertellen—zij kon hem alleen maken tot een zoon van Kazan.

Maar in het begin, vele dagen lang, bestond voor hem alleen zijn moeder. Zelfs nadat zijn oogen open waren gegaan en hij het gebruik van zijn pootjes ontdekt had, zoodat hij wat rond kon strompelen in de duisternis, bestond er voor Baree niets, buiten zijn moeder. Toen hij oud genoeg was om met stokjes en stukken mos te spelen, buiten in den zonneschijn, wist hij nog steeds niet, hoe zij er uitzag. Maar voor hem was zij groot en zacht en warm en zij likte zijn snoetje met haar tong en praatte tegen hem op een zachte, klagerige manier, wat eindelijk de oorzaak werd, dat hij zijn eigen stem vond, met een klein, schril blafje. En toen kwam die wonderbaarlijke dag, dat de groenachtige ballen vuur, die Kazan's oogen waren, nader en nader kwamen, langzaam aan en heel voorzichtig. Tot vóór dezen dag had Wolvin hem uit de buurt gehouden. Alleen te zijn was de eerste wet van haar wild geslacht, gedurende den eersten tijd van haar moederschap.

Zij behoefde maar even te snauwen en Kazan had zich altijd teruggetrokken. Maar dezen dag kwam het niet tot een waarschuwenden snauw in Wolvin's strot, het stierf weg in een zacht gejank. Er was een klank in van eenzaamheid, van blijdschap, van groot verlangen. „Het is in orde, nu,” zeide hij hiermee tot Kazan. En Kazan—nog even wachtend om heelemaal zeker te zijn van zijn zaak—antwoordde met een zacht gebrom, diep in zijn strot.

Nog steeds langzaam, alsof hij niet zeker was van wat hij ontdekken zou, kwam Kazan naderbij en Baree nestelde zich dichter tegen zijn moeder aan. Hij hoorde hoe Kazan zwaar op zijn buik neerviel, dicht naast Wolvin. Hij was niet bang en vreeselijk nieuwsgierig. Hij snoof. En in het duister spitste hij de ooren. Na een poosje begon Baree te bewegen. Langzaam kroop hij van Wolvin's zijde weg. Wolvin lag heel stil, maar elke spier in haar lenig lijf was strak gespannen, als staaldraad. Het was weer haar wolvenbloed, dat haar waarschuwde. Er dreigde gevaar voor Baree. Zonder geluid te geven trok zij haar lippen weg, zoodat haar slagtanden bloot kwamen. Het begon te trillen in haar strot, maar het geluid plantte zich niet voort. Uit de duisternis, twee meter van haar af, kwam een zacht jongehondjesgejank en het liefkoozend geluid van Kazan's tong.

Baree ondervond de siddering van zijn eerste groote avontuur. Hij had zijn vader ontdekt.


Dit alles viel voor in de derde week van Baree's leven. Hij was juist achttien dagen oud, toen Wolvin Kazan toestond, met zijn zoon kennis te maken. Zonder Wolvin's blindheid en de herinnering aan dien dag op de Zonnerots, toen de lynx haar voor altijd het licht in de oogen had benomen, zou Baree in de open lucht geboren zijn en zijn pootjes zouden dadelijk sterk geweest zijn. Hij zou de zon gekend hebben en de maan en de sterren, hij zou het gerommel van den donder begrepen hebben en de bliksemstralen gezien hebben aan den hemel.

Maar zooals de zaken nu stonden, viel er voor hem in dat donkere hol onder de omgevallen boomen niets te doen dan wat rond te waggelen en met zijn klein rood tongetje aan de afgekloven beenderen te likken, die overal om hem heen verspreid lagen. Meermalen had hij alleen moeten blijven. Hij had zijn moeder hooren komen en gaan en bijna altijd was het geweest in antwoord op een blaf van Kazan, welk geluid tot hem kwam als een verwijderde echo. Hij had nooit sterk het verlangen gevoeld, haar te volgen tot op dien dag, waarop Kazan's groote, koele tong zijn snoetje geliefkoosd had. Op deze oogenblikken was de natuur weer bij hem aan het werk. Dit instinkt was nog niet geheel geboren vóór dien dag. En wanneer Kazan wegging, hen alleen achterlatend in het duister, jankte Baree voor zijn terugkomst, juist zooals hij gejankt had om zijn moeder, wanneer deze hem zoo nu en dan verlaten had, de roepstem volgend van haar maat.

De zon stond recht boven het bosch, toen, een paar uren na Kazan's bezoek, Wolvin wegsloop. Tusschen Baree's nest en den hemel lag veertig voet hout, boomstammen en takken, waardoor geen enkele lichtstraal heen kon breken. Deze duisternis beangstte hem niet, want hij had nog niet geleerd, wat het licht beteekende. De dag, en niet de nacht, zou hem zijn eersten grooten schrik aanjagen. Dus begon hij, onbevreesd, maar even jankend tegen zijn moeder, dat zij op hem wachten moest, te volgen. Als Wolvin hem al hoorde, zij sloeg geen acht op hem en het kletteren van haar klauwen op de dorre takken stierf spoedig weg.

Ditmaal bleef Baree niet staan voor den acht decimeterlangen boomstam, die altijd op deze plek de wereld voor hem had afgesloten. Hij klom er bovenop en liet zich toen aan den anderen kant er overheen rollen. Hierachter begon het groote avontuur en hij wierp er zich moedig middenin.

Hij had een heelen tijd noodig om de eerste twintig meter af te leggen. Toen kwam hij over een gedeelte, dat heelemaal plat getrapt was door de pooten van Wolvin en Kazan, en, telkens stilstaand om een jammerenden kreet te uiten, voor zijn moeder bestemd, ging hij hoe langer hoe verder. Terwijl hij voortliep kwam er langzamerhand een zonderlinge verandering in dat wereldje van hem. Hij had nooit iets anders gekend dan de duisternis. En nu scheen die duisternis te veranderen in vreemde vormen en schaduwen. Eens zag hij een schelle streep vlak boven zich—een zonnestraal—en daar schrikte hij zóó van, dat hij zich plat uitstrekte en een halve minuut lang zich niet bewoog. Toen liep hij weer door. Een hermelijn piepte, ergens beneden hem. Hij hoorde het snelle geritsel van een eekhoorn en een vreemd whoet, whoet, whoet! dat in het minst niet leek op één van de geluiden, die zijn moeder ooit gemaakt had. Hij was het spoor bijster. Het hout was nu niet langer plat getrapt en hij moest een helling beklimmen, die hoe langer hoe steiler werd en zich gaandeweg vernauwde. Hij begon te janken. Zijn zacht neusje zocht vergeefs naar den warmen reuk van zijn moeder. Het einde kwam plotseling, toen hij zijn evenwicht verloor en viel. Hij uitte een scherpen kreet van schrik, toen hij zich voelde uitglijden en viel toen in de diepte. Hij moest wel nogal hoog geklommen zijn, want het was voor Baree een geweldige val. Zijn teer lichaampje bonsde van boomstam op boomstam en toen hij eindelijk liggen bleef, had hij bijna geen adem meer over. Maar hij stond snel overeind op zijn vier trillende pootjes—en knipte met de oogen. Een nieuwe angst hield hem vastgeworteld. In een oogwenk was de heele wereld veranderd. Het was een stroom van zonlicht. Overal waar hij heenkeek, zag hij vreemde dingen. Maar de zon joeg hem de meeste vrees aan.

Het was de eerste maal, dat hij vuur zag en het stak hem in de oogen. Hij stond op het punt, zich terug te trekken in het liefderijke duister van het hol, maar juist kwam Wolvin opdagen, gevolgd door Kazan. Zij besnuffelde Baree vroolijk en Kazan kwispelstaartte, zeer bepaald op hondenmanier. Dit kenteeken van den hond zou voortaan Baree's deel zijn. Hoewel hij voor de helft wolf was, zou hij toch kunnen kwispelstaarten. Hij probeerde het maar vast eens. Misschien zag Kazan deze eerste poging, want hij gaf een gesmoorden blaf van goedkeuring, terwijl hij zitten ging.

Of misschien zeide hij tot Wolvin:

„Zoo, nu hebben wij toch eindelijk dien kleinen rakker buiten het hol gekregen, niet?”

Voor Baree was het een groote dag geweest. Hij had zijn vader ontdekt en—de wereld.


II.
Het eerste gevecht.

En het was een wereld vol wonderen—een wereld van uitgestrekte eenzaamheid, niets buiten de schepselen der wildernis leefde er. De dichtstbijzijnde Hudson Baai-post lag een honderd mijlen er van af en de eerste stad van beschaving was zeker wel een driehonderd mijlen zuidwaarts.

Twee jaren te voren had Tusoo, de strikkenzetter, een Indiaan van den stam der Cree's, er zich gevestigd. Het was zijn domein en in zijn bezit gekomen volgens de wet der wouden, na een lange reeks van voorvaderen, maar Tusoo was de laatste geweest van zijn uitstervend geslacht en hij was gestorven aan de kinderpokken en zijn vrouw en kinderen waren er eveneens aan gestorven. Sedert dien tijd had er niemand meer gewoond. De lynx had er zich vermenigvuldigd. De elanden en kariboe's waren niet achtervolgd door den mensch. De bevers hadden ongestoord hun kasteelen gebouwd. De voetsporen van den zwarten beer waren even diep als die van de herten, meer naar het zuiden. En waar eens de vallen en het giftaas van Tusoo de oorzaak waren geweest, dat de wolven niet al te talrijk werden, nu bestond deze bedreiging voor hen niet meer.

Op de zon van dezen dag vol merkwaardigheden volgden de maan en de sterren van Baree's eersten werkelijken nacht. Het was een schitterende nacht en een volle, roode maan zeilde over de bosschen, de aarde overstroomend met een nieuw soort licht, zachter en, voor Baree's smaak, veel mooier. Zijn wolvenaard sprak sterk in hem en hij was rusteloos. Hij had dien dag geslapen in de warmte van de zon, maar hij kon niet slapen in dezen maneglans. Hij snuffelde, niet op zijn gemak, om Wolvin heen, die plat op haar buik lag; haar mooie kop was vol levendigheid, zij luisterde verlangend naar de geluiden van den nacht en wachtte op het liefkoozend likken van Kazan, die als een schaduw was weggeslopen om te jagen.

Een half dozijn malen hoorde Baree, terwijl hij in de buurt van de gevallen boomen rondscharrelde, een zacht gesuis boven zijn hoofd en eens of twee keer zag hij een grijze schaduw, die geruischloos en snel door de lucht schoot.

Het waren de groote uilen van het noorden, die neer kwamen dalen om hem te bekijken en als hij een konijn was geweest, in plaats van een jong wolfshondje, zou deze nacht onder den blooten hemel zijn laatste nacht geweest zijn; want in tegenstelling met Wapoos, het konijn, was hij niet voorzichtig. Wolvin paste niet buitengewoon op hem. Haar instinkt zeide haar, dat er in deze bosschen geen groot gevaar dreigde voor Baree, behalve van den kant der menschen. Door zijn aderen stroomde wolvebloed. Hij jaagde op alle mogelijke andere dieren, maar geen enkel wild dier maakte jacht op hem. Gedeeltelijk begreep Baree dit ook. Hij was niet bang voor de uilen. Hij was niet bang voor de zonderlinge bloed-verstijvende kreten, die zij uitstootten, in de zwarte sparretoppen gezeten. Maar één keer kreeg de vrees toch vat op hem en hij spoedde zich terug naar zijn moeder. Dit gebeurde toen een van de gevleugelde jagers zich stortte op een sneeuwschoenkonijn en de doordringende doodskreten van het veroordeelde dier zijn hartje deden kloppen als een hamer. Hij voelde in deze kreten de nabijheid van die eene, altijd tegenwoordige tragedie van de wildernis—den dood. Hij voelde het opnieuw, dezen nacht, toen hij, dicht tegen Wolvin aangekropen, luisterde naar het heftig gehuil van een wolventroep, die een jongen kariboe-stier op de hielen zat. En de beteekenis van dit alles en de wilde siddering ervan ondervond hij in de vroege schemering, toen Kazan terugkeerde, tusschen zijn kaken een dik konijn houdend, dat nog steeds schopte en worstelde om zijn leven.

Dit konijn vormde den climax van het eerste hoofdstuk van Baree's opvoeding.

Het was alsof Wolvin en Kazan het zoo hadden uitgedacht, om hem op deze manier zijn eerste les te geven in de kunst van het dooden. Toen Kazan het had laten vallen, naderde Baree het vette konijn behoedzaam. De ruggestreng van Wapoos was gebroken; zijn ronde oogen waren glazig geworden en hij voelde geen pijn meer. Maar voor Baree's gevoel was hij nog springlevend, toen hij zijn scherpe tandjes in het bont begroef, dat welig onder Wapoos' kin groeide. De tandjes drongen niet door tot in het vleesch. Met de onstuimigheid van een jong hondje hield Baree vast. Hij dacht, dat hij bezig was te dooden. Hij kon de laatste stuiptrekkingen van Wapoos voelen. Hij kon de laatste hijgende zuchten hooren, die het warme lijfje verlieten en hij gromde en rukte tot hij eindelijk achterover viel, met zijn bekje vol konijnebont. Toen hij tot den aanval terugkeerde, was Wapoos heelemaal dood en Baree ging voort met grommen en bijten, totdat Wolvin er bij kwam met haar scherpe slagtanden en het konijn in stukken scheurde. Daarna volgde het festijn.

Op deze manier kwam Baree tot de ontdekking, dat eten beteekende: dooden, en naarmate de dagen en nachten elkaar opvolgden, groeide zijn honger naar vleeschvoedsel aan. In dit opzicht was hij een ware wolf. Van Kazan had hij weer andere en nog sterkere karaktertrekken geërfd, van den hond. Hij was van een prachtige zwarte kleur, wat hem in later jaren den bijnaam bezorgde van Kusketa Muhekun—den zwarten wolf. Op zijn borst prijkte een witte ster. Ook aan zijn rechteroor was een wit vlekje. Zijn staart was, toen hij zes weken oud was, ruig en hing laag. Het was een wolvestaart. Zijn ooren waren als die van Wolvin, scherp, spits en altijd bedacht op onraad. Zijn voorschouders beloofden krachtig te worden als die van Kazan en als hij stond, leek hij op een speurhond, behalve dan, dat hij altijd zijwaarts stond van het punt of voorwerp, dat hij betuurde. Dit nu, was weer een eigenschap van den wolf, want een hond gaat altijd recht in de richting staan. Op een schitterenden nacht, toen hij twee maanden oud was, en de hemel wemelde van sterren, toen de Juni-maan zoo helder was, dat zij nauwelijks hooger leek te staan dan de sparretoppen, ging Baree rechtop zitten en huilde. Het was zijn eerste poging. Maar men kon zich in den klank ervan niet vergissen. Het was wolvengehuil. Maar een oogenblik later, toen Baree naar Kazan toesloop, alsof hij zich diep over deze eerste poging schaamde, kwispelstaartte hij op een onmiskenbaar verontschuldigende manier. En hierin kwam weer de hondennatuur tot uiting. Als Tusoo, de nu gestorven Indiaansche strikkenzetter, hem had kunnen zien, zou hij hem beoordeeld hebben naar dat kwispelstaarten. Het openbaarde het feit, dat in 't diepst van zijn hart—en in zijn ziel, als wij toegeven, dat hij er een bezat—Baree een hond was. Ook in een ander opzicht zou Tusoo hem tot hond gestempeld hebben. Als een wolvejong twee maanden oud is, is het vergeten hoe het moet spelen. Het is dan reeds een halfvolwassen dier der wildernis, het werkt en jaagt op dieren, die kleiner zijn dan hijzelf en hulpeloozer. Baree speelde toen nog. Op zijn tochten buiten het hol onder de omgevallen boomen was hij nooit verder gegaan dan tot aan de kreek, een honderd meter van de plek, waar zijn moeder lag. Hij had meegeholpen menig dood en stervend konijn in stukken te scheuren; hij verbeeldde zich, zoo hij al ooit over deze zaak nadacht, dat hij buitengewoon flink en moedig was. Maar hij was al in zijn negende week, toen hij zijn sporen verdiende en dat verschrikkelijke gevecht voerde met den jongen uil, aan den zoom van het dichte woud.

Het feit, dat Oohoomisew, de groote sneeuwuil, zijn nest had gemaakt in een afgeknakten boomstam, niet ver van de omgevallen boomen, was de oorzaak van een verandering in Baree's levensloop, zooals het blind worden dien van Wolvin veranderd had en de knuppel van den Man dien van Kazan. De kreek liep dicht in de buurt van dien boomstam, die door den bliksem was getroffen en deze boomstam stond op een stille, donkere plek in het woud, omringd door hooge, donkere sparren en zelfs bij het volle daglicht in schemer gehuld. Meermalen was Baree tot aan den zoom van dit geheimzinnige stuk bosch geloopen en had er nieuwsgierig naar binnen gegluurd, met een groeiend verlangen. Op den dag waarop hij dit groote gevecht hield, was de verlokking ervan overweldigend. Stapje voor stapje ging hij er in; zijn oogen schitterden en zijn ooren waren gespitst, om elk geluid op te vangen, dat er maar uit op kwam klinken. Zijn hartje klopte sneller. De schemering omwikkelde hem meer en meer. Hij vergat het hol en Kazan en Wolvin. Hier vóór hem lag het groote avontuur. Hij hoorde vreemde geluiden, maar heel zacht, alsof zij werden voortgebracht door zachtgezoolde pooten en donzige veeren en zij vervulden hem met een opgewonden verwachting. Onder zijn pooten groeiden niet langer grassen, kruiden of bloemen—hij liep op een prachtig bruin tapijt van zachte naalden. Het was een lekker gevoel aan zijn pooten, zij waren zoo fluweelzacht, dat hij zijn eigen bewegingen niet hooren kon.

Hij was ruim driehonderd meter van de omgevallen boomen af, toen hij langs Oohoomisew's boomstam kwam en in een dicht gewas van jonge balsemstruiken. En daar—midden op zijn pad—kroop het monster!

Papayuchisew „de jonge uil” was niet meer dan een derde van de grootte van Baree. Maar hij zag er uit als een schrikaanjagend voorwerp. Voor Baree leek hij niets dan kop en oogen. Hij kon heelemaal geen lichaam aan hem ontdekken. Kazan had nooit iets thuisgebracht, dat hierop leek en een volle halve minuut lang bleef hij het aanstaren, bespiegelend.

Papayuchisew bewoog geen veertje. Maar toen Baree voorzichtig, voetje voor voetje naderbij kwam, werden zijn oogen al grooter en grooter en de veeren bovenop zijn kop gingen overeind staan, alsof zij door den wind bewogen werden. Hij stamde van een vechtlustige familie, deze kleine Papayuchisew—een woeste, onverschrokken, moordende familie en zelfs Kazan zou ontzag gehad hebben voor deze overeind staande veeren. Met een tusschenruimte van twee voet maten het wolfshondje en het jonge uiltje elkaars krachten. Op dit oogenblik zou Wolvin, als zij hem had kunnen zien, tot Baree gezegd hebben: „Neem je pooten op en ren!” en Oohoomisew, de oude uil, zou tot Papayuchisew gezegd hebben: „Jou kleine dwaas, gebruik je vleugels en maak dat je wegkomt!”

Zij deden dit echter geen van de twee en het gevecht nam een aanvang.

Papayuchisew begon en met een enkelen woesten kreet viel Baree om, terwijl de snavel van den jongen uil als een roodgloeiende schroef in het zachtste gedeelte van zijn neus knelde. Die eene schreeuw van verbazing en pijn was Baree's eerste en laatste in het gevecht. De wolf ontwaakte in hem, woede en verlangen om te dooden beheerschten hem. Onder het vasthouden maakte Papayuchisew een eigenaardig sissend geluid en terwijl Baree omrolde, tandeknarsend en worstelend om zich te bevrijden van dien verbazingwekkenden greep op zijn neus, stegen er woedende bromgeluiden op uit zijn kleinen strot. Een volle minuut lang miste hij het gebruik van zijn kaken. Toen, bij toeval, duwde hij Papayuchisew in een boschje struiken, die laag bij den grond groeiden en kwam zijn neus een oogenblik vrij. Hij had nu weg kunnen hollen, maar in plaats daarvan was hij weer bovenop den kleinen uil, met de snelheid van het weerlicht. Floep! lag Papayuchisew op zijn rug en Baree begroef zijn naaldfijne tandjes in diens borst. Het was alsof hij probeerde door een kussen heen te bijten, zoo dik zat hij in de veeren. Dieper en dieper zonken Baree's tanden en juist toen zij de huid van het uiltje begonnen te schrammen, pakte Papayuchisew, die in het wilde gepikt had, met een snaveltje, dat telkens met snappend geluid sloot, hem bij het oor. De pijn, die deze greep hem bezorgde, was voor Baree niet om uit te houden en hij deed een nog wanhopiger poging om met zijn tanden door de dikke veer-wapenrusting van zijn vijand heen te komen. In hun worsteling rolden zij tot onder de lage balsemstruiken naar den rand van het ravijn, waardoor de kreek liep. Zij vielen over de steile helling heen en bij deze tuimeling liet Baree los. Papayuchisew daarentegen klemde zich standvastig aan hem vast en had Baree's oor nog steeds in zijn macht.

Baree's neus bloedde en het was alsof zijn oor van zijn kop getrokken werd en op dit ongemakkelijke oogenblik deed Baby Papayuchisew de ontdekking, dat zijn vleugels een groote hulp waren in den strijd. Een uil is niet werkelijk aan het vechten, zoolang hij zijn vleugels niet gebruikt en met een vroolijk gesis begon Papayuchisew zijn tegenstander zoo hard en zoo aanhoudend te slaan, dat Baree er verblind door werd. Hij was genoodzaakt, zijn oogen te sluiten en hij hapte in het wilde rond.

Voor de eerste maal sedert den aanvang van het gevecht, voelde Baree een sterken drang om te vluchten. Hij trachtte zich te bevrijden met zijn voorpooten, maar Papayuchisew, die lang werk had gehad om tot de ontdekking te komen, maar nu ook des te vuriger was, klemde zich aan zijn oor vast als met den ijzeren greep van het noodlot. Op dit beslissende oogenblik, terwijl Baree snel het gevoel van een nederlaag kreeg, redde het toeval hem. Zijn kaken sloten zich om een van Papayuchisew's teere pooten. Het uiltje gaf plotseling een schreeuw. Het oor raakte ten laatste los en met een triomfantelijken snauw gaf Baree een geweldigen ruk aan Papayuchisew's poot.

In de opwinding van het gevecht had hij niet het rumoer van het stroomende water onder hen gehoord en over een kleine rots heen tuimelden Papayuchisew en hij tezamen in de kreek. Het kille water smoorde een laatsten snauw en een laatst gesis van de twee kleine vechtersbazen.


III.
Een nacht vol angst.

Wat Papayuchisew betreft, voor hem was, na de eerste gulp water, die hij binnenkreeg, de stroom bijna even veilig als de lucht, want hij zeilde over de oppervlakte met de luchtigheid van een meeuw, zich verbazend in zijn langzaam-werkend brein, waarom hij zich zoo gemakkelijk en prettig bewoog, zonder dat hij er zelf moeite voor behoefde te doen.

Maar voor Baree was het een andere zaak. Hij zonk naar beneden als een steen. Een geweldig gebulder vervulde zijn ooren, het was donker, benauwend, afschuwelijk. Hij werd om en om geworpen. Hij was twintig voet diep onder water. Toen steeg hij naar de oppervlakte en begon wanhopig met zijn pooten te slaan. Het hielp hem niet veel. Hij kreeg alleen maar den tijd om een paar maal met de oogen te knippen en wat lucht in zijn longen te halen, toen hij in een kolk verdween, die als een molentocht tusschen twee boomstammen draaide en eenigen tijd lang konden de scherpste oogen huid noch haar van hem ontdekken. Toen kwam hij weer boven bij een miniatuur Niagara en vijftig of zestig meter lang werd hij als een harige bal in het rond geworpen. Daarna werd hij in een ijskouden poel gesmeten en toen, half dood, krabbelde hij, op een steenige zandbank, uit het water.

Langen tijd bleef hij daar liggen in een vloed van zonneschijn, zonder zich te bewegen. Zijn oor deed hem pijn en toen hij eindelijk zijn neus ophief, was deze heelemaal ontstoken en voelde zoo branderig aan, alsof hij hem in vuur gestoken had. Zijn pooten en lichaam waren pijnlijk en toen hij zich over den steenigen zandbodem rond begon te sleepen, was hij het rampzaligste jonge hondje ter wereld. Hij was ook totaal den weg kwijt. Tevergeefs keek hij rond naar een herkenningsteeken—naar het een of ander, dat hem den weg naar huis terug kon wijzen. Maar alles was hem even vreemd. Hij wist niet, dat het water hem aan land geworpen had aan den verkeerden kant van de kreek en dat hij, om het hol onder de omgevallen boomen te bereiken, deze weer zou moeten oversteken. Hij jankte halfluid om zijn moeder. Wolvin had hem niet kunnen hooren als hij geblaft had, want haar hol was meer dan twee honderd vijftig meter stroomopwaarts. Maar het wolveninstinkt legde Baree al vanzelf het zwijgen op na dit zachte gejank.

Langs den oever loopend, begon hij den stroom te volgen. Elke stap, dien hij in deze richting deed, bracht hem nu verder van huis. Telkens bleef hij stilstaan om te luisteren. Het bosch werd dichter. Het werd hoe langer hoe donkerder en geheimzinniger. De stilte ervan was schrikaanjagend. Na verloop van een half uur zou hij zelfs Papayuchisew met blijdschap verwelkomd hebben. En hij zou hem toen niet bevochten hebben. Hij zou hem, zoo dit mogelijk ware geweest, den weg naar huis hebben gevraagd.

Hij was volle driekwart mijl van zijn hol gekomen, toen de kreek zich splitste in twee kanalen. Hij kon er maar één kiezen om te volgen—het stroompje, dat een weinig zuidoostwaarts liep. Dit gedeelte liep niet zoo snel. Het was niet gevuld met glinsterende rotsblokken, waardoor het water zong en schuimde. Het was zoo zwart als het bosch. Het was geruchtloos en diep. Plotseling bevond Baree zich aan den rand van een diepen, donkeren poel, waarin het water zoo roerloos lag als olie en zijn hartje sprong hem naar de keel, toen een sluik, glimmend beest te voorschijn sprong, bijna vlak onder zijn neus uit en met een geweldig geplas in het midden van den poel terecht kwam. Het was Nekik, de otter. Hij had Baree niet gehoord en een oogenblik later werd hij gevolgd door Napanekik, zijn wijfje, met drie jongen achter zich aan, die vier sporen achterlieten in het olieachtig-uitziende water. Wat er daarna voorviel, deed Baree bijna vergeten, dat hij verdwaald was. Nekik was onder de oppervlakte verdwenen en steeg weer naar boven, vlak onder zijn nietsvermoedend wijfje, met zoo'n kracht, dat zij half uit het water gelicht werd. Oogenblikkelijk verdween hij weer en Napanekik zette hem woedend achterna. Voor Baree zag het er niet uit als spel. Twee van de jonge otters hadden zich op den derden gestort en het leek, alsof deze zich wanhopig verweerde. Baree voelde geen kou en geen pijn meer. Zijn bloed stroomde hem opgewonden door de aderen, hij kon zich niet meer inhouden en er ontsnapte hem een blaf. In een oogwenk waren de otters verdwenen. Eenige minuten lang was het water in beroering en dat was alles. Na een poosje trok Baree zich in de struiken terug en vervolgde zijn weg.

Het was ongeveer drie uur in den namiddag en de zon behoorde nog hoog aan den hemel te staan. Maar het werd gestadig donkerder en het vreemde hiervan en de angst gaf aan Baree's pooten grooter spoed. Hij bleef telkens stilstaan om te luisteren en bij een van deze tusschenpoozen hoorde hij een geluid, dat hem een vroolijk jankend antwoord ontlokte. Het was een verwijderd gehuil—een wolvengehuil, recht voor hem uit.

Baree dacht niet aan wolven, maar aan Kazan en hij bleef door het sombere bosch rennen, tot hij buiten adem was. Het wolvengehuil werd echter niet meer hoorbaar.

In plaats daarvan rolde er van uit het westen een somber gerommel aan. Door de toppen der boomen flitste een heftige bliksemstraal. Een kreunend gefluister van den wind deed dienst als voorrijder van den storm en een tweede bliksemstraal scheen Baree's schuilplaats te willen uitvorschen, terwijl hij daar stond te huiveren onder een baldakijn van hooge sparren. Dit was zijn tweede storm. De eerste had hem een vreeselijken angst aangejaagd en hij was weggekropen tot in den versten hoek van het hol. Het beste wat hij nu kon vinden, was een kuil onder een grooten boomwortel en daar kroop hij in en begon zachtjes te huilen. Het was een kinderlijk huilen om zijn moeder, om zijn tehuis, om warmte, om iets zachts en beschermends, waartegen hij zich zou kunnen aannestelen en terwijl hij daar lag te huilen, barstte de storm los over het woud.

Baree had nooit tevoren zooveel lawaai gehoord en hij had nooit het weerlicht in zulke stralen zien neerschieten, zooals bij dit noodweer in Juni gebeurde. Het leek van tijd tot tijd wel, of de heele wereld in brand stond en de aarde scheen te trillen onder de geweldige donderslagen. Hij hield op met jammeren en maakte zich zoo klein mogelijk onder den boomwortel, die hem gedeeltelijk beschermde tegen den striemenden regen, die in stroomen neerviel. Het was nu zoo pikdonker, dat, behalve wanneer het hemelvuur groote lichtgaten in de lucht reet, hij de boomstammen op twintig voet afstands niet kon onderscheiden. Een veertig voet van Baree af stond een groote, doode boomstronk, die elken keer, wanneer de bliksemstralen door de lucht kliefden, daartegen afstak met de somberheid van een geest, alsof hij die vlammende handen daarboven uitdaagde om toe te slaan—en eindelijk sloeg er een toe! Een blauwe tong van knetterend vuur gleed langs den ouden stam en toen hij de aarde aanraakte, ontstond er een geweldige ontploffing boven de boomtoppen. De massieve stronk sidderde en brak toen door, als geveld door een reusachtige bijl. Hij smakte neer, zoo dicht bij Baree, dat er aarde en takjes bovenop hem vielen en hij uitte een heftigen schreeuw van schrik en trachtte zich nog dieper in het nauwe holletje onder den boomwortel te wringen.

Met de verwoesting van den ouden ceder schenen donder en bliksem hun kwaadwilligheid botgevierd te hebben. De donder trok verder, naar het zuiden en oosten, met het gerommel van tienduizend zware karrenwielen over het bladerdak en de bliksem volgde hem. De regen viel gestadig. Nog wel een uur, nadat Baree den laatsten bliksemstraal gezien had, bleef hij onafgebroken neervallen. Het gat, waarin hij een schuilplaats gezocht had, was drijfnat. Hij was geheel doorweekt. Zijn tanden klapperden, terwijl hij afwachtte wat er verder gebeuren zou.

Hij kreeg een langen wachttijd. Toen de regen opgehouden was en de lucht wat opgeklaard, viel de nacht in. Door de toppen der boomen heen zou Baree de sterren hebben kunnen zien, als hij naar boven had gekeken. Maar hij kwam zijn hol niet uit. Uur na uur verstreek. Uitgeput, half verdronken, pijnlijk en hongerig bleef hij onbeweeglijk liggen. Ten laatste viel hij in een onrustigen slaap, een slaap, waarin hij telkens droevig jankte om zijn moeder. Toen hij zich eindelijk buiten zijn schuilhoek waagde, was het morgen en de zon scheen.

Eerst kon Baree ternauwernood staan. Hij had kramp in zijn pooten, elke pees in zijn lichaam scheen verrekt, zijn oor was stijf van geronnen bloed en toen hij probeerde, zijn gewonden neus te rimpelen, gaf hij een scherp blafje van pijn. Als zoo iets mogelijk ware, zag hij er nog ellendiger uit dan hij zich voelde. Zijn haar was gedroogd in modderige klonters, hij was vuil van kop tot staart en terwijl hij gisteren nog mollig en glanzend van huid was geweest, zag hij er nu zoo mager en ongelukkig uit als het noodlot maar had kunnen bewerken. En hij was zoo hongerig daarenboven. Hij had nooit tevoren geweten, wat het beteekende, werkelijk honger te hebben.

Toen hij verder ging, in dezelfde richting loopend als den vorigen dag, bewoog hij zich ontmoedigd voort. Kop en ooren liet hij hangen en hij was heelemaal niet nieuwsgierig meer. Hij was niet alleen hongerig naar voedsel. Hij hongerde bovenal naar moederliefde. Hij verlangde naar zijn moeder, zooals hij nog nooit naar iets verlangd had. Hij verlangde zijn huiverend lijfje tegen haar aan te kunnen vlijen en haar liefkoozende tong te voelen. Hij verlangde naar haar liefkoozend moederlijk geteem. Ook verlangde hij naar Kazan en het oude hol onder de omgevallen boomen en die groote blauwe plek in den hemel, recht er boven. Hij zeurde er om als een klein kind, dat pruilt en hij begon weer den oever van de kreek te volgen.

Het bosch werd na eenigen tijd minder dicht en dit wekte hem een beetje op. En de warmte der zon deed de pijn uit zijn lichaam verdwijnen. Hij werd hoe langer hoe hongeriger. Hij was totnogtoe ten opzichte van voedsel geheel afhankelijk geweest van Wolvin en Kazan.

Baree's ouders hadden hem, in sommige opzichten, te veel als een onmondig jong behandeld. Voor een deel was Wolvin's blindheid hiervan de oorzaak; sedert Baree's geboorte was zij niet meer met Kazan op de jacht gegaan en het was dus heel natuurlijk, dat Baree zich het meeste aan haar gehecht had, ofschoon hij meer dan eens een vurig verlangen had gevoeld om Kazan te volgen. De natuur deed nu al haar best, deze nadeelige eigenschap te verbeteren. Zij deed al haar best, Baree aan zijn verstand te brengen, dat hij nu voortaan zelf voor zijn voedsel moest gaan zorgen. Dit feit drong langzaam maar zeker tot hem door en hij begon te denken aan de drie of vier oesters, die hij eens bij de kreek, in de nabijheid van het ouderlijk hol, verorberd had. Hij herinnerde zich ook de open mossel, die hij gevonden had en hoe heerlijk van smaak het zachte beetje daar binnenin geweest was. Een nieuwe opwinding maakte zich van hem meester. Hij werd, van den beginne af aan, een jager.

Naarmate het bosch minder dicht werd, versmalde zich ook de kreek. Zij begon weer over zandplaten en steenen te stroomen en Baree ging langs den oever snuffelen. Een tijdlang had hij hiermee geen succes. De weinige oesters, die hij ontdekte, waren buitengewoon goed in leven en gesloten en al de mosselen hielden hun schelpen zóó vast op elkaar geklemd, dat zelfs Kazan's geweldige kaken moeite zouden gehad hebben, ze te verpletteren. Het was bijna middag, toen hij zijn eerste rivierkreeftje ving, een beestje ongeveer zoo groot als de voorvinger van een man. Hij verslond het met woede. De smaak van voedsel gaf hem nieuwen moed. Hij ving nog twee van deze kreeftjes, in den loop van den middag. De schemering begon al in te vallen, toen hij een jong konijn opjoeg van uit zijn schuilplaats onder het hooge gras. Als hij een maand ouder geweest was, had hij het kunnen vangen. Hij had nog steeds ergen honger, want drie rivierkreeftjes, verdeeld over een heelen dag, hadden er niet veel toe bijgedragen, de leegte te vullen, die er in zijn maag gestadig begon aan te groeien.

Bij het aanbreken van den nacht keerden zijn angsten en zijn gevoel van eenzaamheid terug. Vóór het daglicht geheel was weggestorven, had hij een schuilplaats gevonden onder een groote rots, waar een warm, zacht bedje van zand lag. Sedert zijn gevecht met Papayuchisew had hij een heel eind gereisd en de rots, waar hij zich voor dien nacht legerde, was ten minste acht of negen mijlen verwijderd van het hol onder de omgevallen boomen. Het was dicht bij den oorsprong van de kreek, met het donkere bosch van sparren en ceders aan weerszijden en toen de maan opkwam en de sterren den hemel vulden, kon Baree uitkijken en het water van den stroom in den maneglans zien glinsteren, alsof het helder dag was. Vlak tegenover hem, afgaande naar den oever, lag een breed karpet van wit zand. Over dit zand trad een half uur later een groote zwarte beer. Voor Baree de otters in de kreek had zien spelen, was zijn voorstellingsvermogen omtrent de afmetingen der dieren niet verder gegaan dan die van zijn eigen ras en zulke kleinere wezens als uilen, konijnen en kleine vogels. De otters hadden hem niet veel vrees aangejaagd, omdat hij nog steeds alles beoordeelde volgens de grootte en Nekik was niet half zoo groot als Kazan. Maar de beer was een monster, waarbij vergeleken Kazan een dwerg was. Hij was dan ook groot. Als de natuur het noodzakelijk vond, Baree te doen begrijpen, dat er dieren in het bosch huisden van grooter belang dan wolven en honden en uilen en rivierkreeften, legde zij er wel wat al te erg den nadruk op. Want Wakayoo, de beer, woog zeshonderd pond, zoo zeker als wat. Hij was dik en rond, na een maand lang van visch gesmuld te hebben. Zijn glanzende huid leek wel zwart fluweel in het maanlicht en hij liep met een zonderlingen, waggelenden gang, zijn kop hing laag bij den grond. Het vreeselijkste van alles was, dat hij staan bleef midden op het zandtapijt, niet meer dan tien voet van de rots verwijderd, waaronder Baree lag te rillen, alsof hij de koorts had.

Klaarblijkelijk had Wakayoo hem geroken. Baree kon hem hooren snuiven, hij kon hem hooren ademen; hij zag het sterrenlicht schitteren in zijn roodbruine oogjes, toen deze argwanend naar de groote rots gekeerd werden. Als Baree had kunnen weten, dat hij—zijn eigen onbeduidend persoontje—dit monster hevig zenuwachtig maakte, zou hij een luiden blaf van blijdschap gegeven hebben. Want Wakayoo was, in weerwil van zijn lichaamsgrootte, tamelijk laf, als het op wolven aankwam. En Baree verspreidde den wolvenreuk! Deze drong sterker in Wakayoo's neusgaten en juist op dit oogenblik, als om de onrust in hem nog te doen aangroeien, kwam er van uit de bosschen achter hem een lang en klagelijk gehuil. Met een hoorbaar geknor ging Wakayoo er van door. Wolven waren een ware plaag, redeneerde hij. Zij wilden niet behoorlijk vechten. Zij bleven uren aan een stuk achter je aan janken en naar je hielen happen en waren zoo vlug als de wind buiten je bereik, wanneer je je naar hen omdraaide. Waarom hier te blijven rondhangen als er wolven in de buurt waren op zulk een mooien avond? Hij ging er vastberaden vandoor. Baree kon hem zwaar door het water van de kreek hooren plassen.

Toen eerst waagde hij het, adem te halen. Het was bijna een verzuchting. Maar de avonturen waren voor dien nacht nog niet geëindigd. Baree had zijn bed uitgekozen op een plek, waar de dieren gewoon waren te komen drinken en waar zij elkaar kruisten op hun wegen. Niet lang nadat de beer verdwenen was, hoorde hij het zand zwaar kraken en hoefgekletter tegen de steenen en een elandstier, met een geweldig vertakt gewei, trad over een open vlakte in het maanlicht. Baree's oogen puilden hem haast uit den kop, want wanneer Wakayoo zeshonderd pond gewogen had, dit reusachtige dier, welks pooten zoo lang waren, dat het op stelten scheen te loopen, woog zeker tweemaal zooveel. Een wijfjeseland volgde. En daarop een jong. Dit jong scheen enkel en alleen uit pooten te bestaan. Dit was te veel voor Baree en hij kroop hoe langer hoe verder weg onder de rots, totdat hij eindelijk in elkaar gerold lag als een sardine in een blikje. En daar bleef hij liggen tot aan den morgen.


IV.
Een hongerig zwerver.

Toen Baree zich bij het aanbreken van den volgenden dag van onder zijn rots uit waagde, was hij een heel wat ouder wolfshondje dan toen hij Papayuchisew, den jongen uil, op zijn pad ontmoet had, dicht bij zijn oude hol. Als ondervinding de plaats van ouderdom in kan nemen, was hij gedurende de vier en twintig uur maanden ouder geworden. Het is een feit, dat hij nu bijna volwassen was geworden. Hij ontwaakte met een nieuwe en veel duidelijker voorstelling van de wereld. Het was een uitgestrekte plaats. Zij was vol voorwerpen, waaronder Kazan en Wolvin lang niet de eerste plaats innamen.

De monsters, die hij op dat door de maan verlichte zandplekje gezien had, hadden een nieuwe voorzorg in hem gewekt en een van de grootste en eerste instinkten—het begrip, dat de sterke aast op den zwakke. Totnogtoe had hij, wat zeer natuurlijk was, kracht gemeten naar lichaamsgrootte en ook den omvang van het gevaar schatte hij daarnaar. En zoo was de beer dus schrik-aanjagender voor hem dan Kazan en de elandstier was weer vreeselijker dan de beer. Het was maar heel gelukkig voor hem, dat zijn instinkt nog niet dadelijk tot aan de grenzen ging en hem duidelijk maakte, dat zijn eigen ras—de wolf—het meest gevreesde dier was in de wildernis, van alle gehoefde, geklauwde en gevederde schepselen, die er huisden. Anders zou het hem wel eens hebben kunnen vergaan als den kleinen jongen, die zich verbeeldde te kunnen zwemmen nog vóór hij den slag te pakken had, te diep dook en er het leven bij liet.

Heel opmerkzaam, terwijl al het haar van zijn rug overeind stond en onderdrukt grommende, berook hij de groote voetsporen van den beer en den eland, die hij gisteren op zijn zwerftochten ontmoet had. Dat berenspoor maakte hem aan het brommen. Hij volgde het tot aan den oever van de kreek. Daarna vervolgde hij zijn tocht en ook zijn jacht op voedsel.

Twee uren lang was zijn zoeken vergeefsch, hij vond niets, zelfs geen rivierkreeft. Daarna kwam hij van het groene bosch uit aan den zoom van een verbrand gedeelte. Hier was alles zwart. De boomstammen leken wel verkoolde stokken. Het was een groote boschbrand geweest, die op deze plaats gewoed had, den vorigen herfst, en de asch was nog zacht onder Baree's pooten. Recht door deze verbrande streek stroomde de kreek en er boven stond de blauwe lucht, waarin de zon scheen.

Het was een heele verzoeking voor Baree. De vos, de wolf, de eland en de kariboe zouden teruggekeerd zijn uit dit doode land. Over een jaar zou het een goed jachtveld zijn, maar nu was het volkomen levenloos. Zelfs de uilen zouden hier niets eetbaars hebben kunnen vinden. Maar het waren de blauwe hemel en de zon en de zachte grond onder zijn pooten, die Baree verlokten. Het was hier prettig reizen, na zijn pijnlijke ondervindingen van den vorigen dag. Hij ging voort, den stroom te volgen, ofschoon er weinig kans was, dat hij er iets van voedsel vond. Het water was donker en modderig geworden en hier en daar versperd door houtafval, die er in was geraakt en de oevers waren ook modderig en week. Na een poosje, toen Baree stilstond om eens rond te kijken, zag hij het groene bosch niet langer. Hij was geheel alleen in die troostelooze wildernis van verkoolde boomlijken. Er heerschte ook doodsche stilte. Geen vogelgetjilp verbrak de stilte. In de zachte asch kon hij zijn eigen bewegingen niet hooren. Maar hij was niet bang. Hij voelde de rust hier van veiligheid.

Als hij maar iets eetbaars kon vinden! Dit was de hoofdgedachte, die hem beheerschte. Zijn instinkt had hem nog niet meegedeeld, dat alles, wat hij om zich heen zag, de dood was. Hij liep voort, vol hoop naar voedsel zoekend. Maar ten laatste, terwijl de uren verstreken, begon de moed hem te begeven. De zon zonk in het westen. De hemel werd minder blauw, een zachte wind begon over de toppen van de boomen te rijden en nu en dan viel er een met veel gekraak.

Baree kon niet verder loopen. Een uur voor het donker was, lag hij in de vlakte uitgestrekt, zwak en uitgeput. De zon verdween achter het bosch. De maan klom naar boven, vanuit het oosten. De hemel glinsterde van sterren en gedurende dien heelen nacht lag Baree zoo roerloos alsof hij dood was. Toen de morgen aanbrak, sleepte hij zich naar den stroom, om eens te drinken. Met zijn laatste krachten liep hij nog wat verder. Het was zijn wolvenbloed, dat hem dwong, te worstelen voor zijn leven. Zijn hondenhart zou hem aangedreven hebben te gaan liggen en te sterven. Maar de wolf was het sterkst in hem. En dit gedeelte van zijn karakter won het. Een halve mijl verder bereikte hij het groote groene bosch weer.

In het bosch, zoowel als in de groote steden, heeft het lot vele grillen. Als Baree zich een half uur later het bosch in had gesleept, zou hij dood geweest zijn. Hij was al veel te ver weg om naar een rivierkreeft te visschen of zelfs maar den zwaksten vogel te dooden. Maar hij kwam juist op het oogenblik, waarop Sekoosew, de hermelijn—de meest bloeddorstige kleine vrijbuiter ter wereld—zijn prooi aan 't bespringen was.

Dit gebeurde ruim honderd meter van de plek af, waar Baree onder een sparreboom lag uitgestrekt, gereed om den geest te geven. Sekoosew was een machtig jager in zijn soort. Zijn lichaam was zoowat anderhalven decimeter lang, zijn klein staartje eindigde in een zwarte punt en hij woog misschien vijf ons. Een klein-kinderhandje had hem overal tusschen zijn vier pooten kunnen omsluiten en zijn scherp kopje met zijn zwarte kraaloogjes kon gemakkelijk door het kleinste gaatje. Eeuwen lang had Sekoosew meegeholpen, de geschiedenis te vormen. Hij was het, die—toen zijn huid honderd dollars in het goud des Konings waard was—de eerste scheepslading van Heeren Avonturiers over zee lokte, met Prins Rupert aan het hoofd; het was de kleine Sekoosew, die de aanleiding werd van de vorming van de groote Hudson Baai Compagnie en de ontdekking van half een werelddeel; bijna drie eeuwen lang had hij om zijn bestaan gevochten met den strikkenzetter. Hij was de slimste, de meest woeste en onbarmhartigste van alle dieren, waaruit zijn wereld bestond.

Terwijl Baree daar onder zijn boom lag, was Sekoosew bezig zijn prooi te besluipen. Zijn doel was een flink, vet patrijshoen, dat onder een wilden kruisbessenstruik stond. Geen levend schepsel had eenig geluid kunnen hooren van Sekoosew's bewegingen. Hij leek wel een schaduw—nu eens een grijs hoopje bont hier, dan een voorbijschietend streepje daar—nu eens was hij verborgen achter een stok, niet dikker dan een manspols, kwam het eene oogenblik voor den dag, om het volgend oogenblik te verdwijnen alsof hij nooit bestaan had. Op deze manier was hij van vijftig tot drie voet genaderd. Dit was zijn geliefde mik-afstand. Zonder mis te rekenen wierp hij zich aan de keel van den slaperigen patrijs en zijn naaldfijne tandjes zonken door de veeren in zijn vleesch. Sekoosew was voorbereid op wat er nu volgde. Het gebeurde altijd, wanneer hij Napanao, den woudpatrijs aanviel. Hij bezat machtige vleugels en zijn eerste aandrift, wanneer hij hem aanviel, was te vluchten. Hij steeg nu recht naar boven met een geweldig vleugelgedonder. Sekoosew klemde zich stevig vast, zijn tandjes begroeven zich diep in zijn vleesch en zijn kleine klauwtjes omsloten hem als handen. Door de lucht snorde hij met hem, steeds dieper doorbijtend, totdat Napanao, honderd meter vanaf de plek, waar dat verschrikkelijke moordwerktuig zich aan zijn keel had vastgeklemd, weer op den grond neersmakte.

De plek waar hij viel was geen tien voet van Baree af. Een paar oogenblikken lang bleef hij kijken naar die worstelende veerenmassa, nog niet volkomen begrijpend, dat er eindelijk en ten laatste voedsel binnen zijn bereik kwam. Napanao lag te sterven, maar hij worstelde nog steeds krampachtig met de vleugels. Baree stond omzichtig op en, na een oogenblik, waarin hij al zijn nog overgebleven krachten verzamelde, rende hij op hem toe. Hij begroef zijn tanden in zijn borst—en toen ontdekte hij Sekoosew pas. De hermelijn had zijn kopje opgeheven, na den doodelijken greep in Napanao's keel te hebben losgelaten en zijn woeste roode oogjes staarden één oogenblik lang in die van Baree. Hier zag hij iets, te groot voor hem om te dooden en met een woedenden schreeuw ging hij er van door. Napanao's vleugels vielen neer en hij gaf een laatsten snik. Hij was dood. Baree hield hem stijf vast, totdat hij daar volkomen zeker van was. Toen begon hij zijn festijn.

Met moordlust in zijn hartje bleef Sekoosew in de buurt, overal rondsnorrend, maar nooit naderbij komend dan een half dozijn voet tot de plaats, waar Baree lag. Zijn oogjes waren rooder dan ooit.

Baree at een derde deel van den patrijs op en de overblijvende twee derden verborg hij heel zorgvuldig aan den voet van een grooten spar. Toen haastte hij zich naar de kreek om te drinken. De wereld had nu een heel ander aanzien voor hem gekregen. Alles bijeengenomen hangt iemand's geschiktheid om geluk te voelen veel af van de diepte van het ongeluk, dat hij tevoren gehad heeft. Zoo ging het met Baree. Acht en veertig uur tevoren zou een volle maag hem geen tiende part zoo gelukkig gemaakt hebben als hij nu was. Toen was zijn grootste verlangen naar zijn moeder geweest. Sedert dien tijd had een veel grooter begeerte hem vervuld—de begeerte naar voedsel. In zeker opzicht was het gelukkig voor hem, dat hij bijna van uitputting en honger was omgekomen, want deze ondervinding had meegeholpen om een man van hem te maken—of een volwassen wolfshond—al naar men het noemen wil. Hij zou nog langen tijd zijn moeder blijven missen. Maar hij zou haar nooit meer zoo hevig missen als deze laatste twee dagen.

Dien middag deed hij een flinken dut, vlak bij zijn bewaarplaats. Daarna groef hij den patrijs weer op en deed zijn avondmaal. Toen voor de vierde maal de nacht aanbrak, verborg hij zich niet, zooals hij de drie vorige nachten gedaan had. Hij was wonderlijk goed wakker. Onder de maan en de sterren dwaalde hij rond bij den zoom van het bosch en in het sombere zwarte gedeelte er van. Hij luisterde met een nieuwe opwinding naar het wolvengehuil, dat in de verte weerklonk. Het was een troep, die op jacht was.

Nog een dag en een nacht bleef Baree in de nabijheid van zijn bewaarplaats. Toen het laatste been was af gekloven, trok hij verder. Hij betrad nu een streek, waar zijn levensonderhoud geen raadsel meer voor hem was. Hier hielden de lynxen huis en waar er lynxen rondzwerven, daar zijn ook veel konijnen. Wanneer de konijnen schaarscher worden, verhuizen de lynxen naar een beter terrein. Daar het sneeuwschoenkonijn het heele jaar door jongen werpt, bevond Baree zich in een land van belofte. Het kostte hem geen moeite, de jonge konijnen te vangen en te dooden. Een week lang deed hij zich te goed en werd met den dag dikker en sterker. Maar al dien tijd trok hij, gedreven door dien zoekenden, onrustigen geest, nog steeds hopend zijn vroeger tehuis en zijn moeder te vinden, naar het noorden en oosten.

Hij had het heimwee en voelde zich alleen en zijn hartje dorstte naar de warmte van gezelschap en den troost van moederliefde. Alleen in de wereld te zijn was allerminst een gewenschte staat van zaken. Soms beving Baree zoo'n heimwee naar het gezicht van Wolvin's grijzen snoet en Kazan's prachtig lichaam, dat het pijn deed.

Op dit oogenblik werd de wolf in hem overheerscht door den hond. Hij was alleen maar een bedroefd klein hondje. En zijn tehuis, met Wolvin en Kazan, leek ver, ver weg.

Wanhopig dwaalde hij verder, het Onbekende in....