De leeuw, 't ontzaglijk dier, 't peerd ziende 't gras aflezen,
Zeer listig tot hem trad, en veinsde zich te wezen
Een wel-ervaren arts, die, door kunst-rijke list,
Tot allerlei gebrek en krankheid hulpe wist.
Maar 't peerd, niet minder loos, riep: "o, ter goeder uren
Heeft u Apollo hier tot mijwaarts willen sturen!
O Æsculapi, komt, uitnemendste doctoor!
Treedt herwaarts met uw kunsten komt mijn kwale voor:
Want mijnen achtervoet mij bang maakt en verlegen,
Vermits een groot gezwel, daar onlangs aan gekregen;
Ontzegt uw hulpe niet, is 't anders in uw macht
Besmeeret
[87] met uw zalve, opdat het wat verzacht."
De leeuw veinst zich gereed 's peerds achter-voet te heelen,
En schikt
[88] zich achter aan: dan 't ros slacht niet den schelen
[89],
Het slaat den loozen arts 't hoef-ijzer voor den kop,
Dat hij ter aarden ligt, een-slags, met éénen klop.
't Gaat zoo gemeenlijk, dat die andren meent te plagen,
Die wordt eerst zelf geplaagd en moet zijn straffe dragen;
Die anderen 't net voor-spant
[90] of eenen kuil bereidt,
Eerlang zelfs in den strik of in den afgrond leidt.