Den egel bad de slang, met zuchten en met stenen,
Datz' haar doch herberg woû voor éénen winter leenen.
De slinger-slang, beweegd door 's egels droeve beed',
Om haar weerdin te zijn was willig en bereed;
Maar als in 't eng des hols den egel, dik gezwollen,
Zich krunkelde in een kloot, in cirkelen en rollen,
De slang misnoegen kreeg, om datze somtijds stijf
Met scherpe borstels vast haar prikkelden in 't lijf.
"Wel," sprak de slang, "is dit het loon voor al mijn deugde,
Dat ik u in mijn hol ontving met lust en vreugde?"
"Neen," zeide d' egel, "zwijgt, gij vuil, twistgierig dier!
Ben ik u inde weeg, zoo pakt u fluks van hier."
De slange bad vergeefs om rust en wat verschooning,
Dus, om 't geborsteld dier te ontgaan, verliet haar woning.
De ondankbaar' menschen, die geholpen zijn in nood,
Vergeten weldaad licht, al is zij nog zoo groot:
Als zij geholpen zijn, beschaden zij den genen,
Diens mildheid over haar heeft rijkelijk geschenen.