Den ezel, vos, en leeuw zijn onderling verdragen,
Gelijkerhand
[359] om roof en buit te gaan uit jagen:
Zij renden door het woud, en hielden nergens steê,
Ter tijd zij afgejaagd betrapten een jong rhee.
Toen sprak den ezel: "laat ons nu geenzins krakeelen,
Maar 't jonge rhee in driên voor ons te gader deelen."
De leeuw, hierom verstoord en eisselijken gram,
Den ezel fluks verscheurde, en daadlijk 't leven nam,
En spreekt het vosken aan: "'t zal nu met ons gelukken,
Deelt gij den verschen roof in twee gelijke stukken."
De vos verscheurde 't hert, en deelde 't beest van een,
Maar gaf zijn koning't grootste en 't beste deel van tweên.
Dies zich der dieren vorst tot Reinaart spoedig keerde,
En vraagde, in wat school hij dees beleefdheid leerde?
"Eens anders ongeluk," sprak Reintiën heel beleefd,
"Des ezels droevig eind, mij onderwezen heeft."
Wie 's andren voorbeeld zich verstrekken laat een lesse,
En houdt de ervarentheid zijn voedster en meestresse,
Veel zwarigheids ontgaat, en 's levens tijd verlengt,
Terwijl de onwijze zich in druk en lijden brengt.