[179] muskus, en dit bijtend voor stank.

[180] het lastig leven.

[181] dan toch, nochtans.

[182] gebaar.

[183] beladen.

[184] Thans tot lachtet verzwakt.

[185] vederdons.

[186] Rijmshalve, maar min gelukkig voor eer 't ochtend werd.

[187] hare vlokken.

[188] Thans 'tgeen, maar in de volkstaal nog gebruikelijk (verg. ook gunder of ginder.)

[189] spelers.

[190] van den dobbelsteen.

[191] mijmert; 't woord wordt anders meer in onedelen zin gebruikt.

[192] Het kenmerkt noch beschuldigt.

[193] In zijn mijmerend overleg.

[194] waarborg, waarmerk.

[195] ontbreekt, ontgaat.

[196] Versta: hij zich.

[197] instelling, wet (verg. 't Hoogd. Gesetz.)

[198] worde.

[199] ten slotte.

[200] verdeelt het.

[201] ontroering.

[202] In 's dichters tijd nam.

[203] zamelt in, plukt.

[204] Voor alles.

[205] jufferen (verg. 't Hoogd. Jungfer).

[206] Juister ware geweest: 't Onsterflijk zaad is voor.

[207] echtbreuk (verg. 't Hoogd. Ehe en 't oude ee voor wet).

[208] neigt altijd ten val.

[209] zich.

[210] bederf (eig. melaatsheid, van den armen Lazarus afgeleid).

[211] naar.

[212] zoo verergerde, bedierf.

[213] met een bloemtapijt overdekken.

[214] slaat er.

[215] Venus, die hier zeker geen minder vreemde vertooning maakt dan Peru of de Pyreneën.

[216] Thans ongelukkig verouderde Nederlandsche uitgang voor de Fransche op -es of esse.

[217] Gelijk steeds herhaaldelijk, voor ouderdom.

[218] weg-werpt.

[219] genot.

[220] tooverzangen.

[221] De beladen tak.

[222] Nam. een ei.

[223] toont.

[224] Thans verouderd voor appelboom (verg. echter hazelaar).

[225] Letterlijk gaauwdiefjens, guitjens (dat wij beiden dan ook nog steeds in gelijken zin bezigen).

[226] Het vlindertjen.

[227] bedriegt.

[228] poos.

[229] Anders borstjens (verg. 't Hoogd. bursche en ons adel-borst).

[230] Eig. mienetjens (verg. 't Fransche mine en minauderie).

[231] overal.

[232] Voor boog (en dus eig. halven kring).

[233] toen.

[234] pronk.

[235] streek hare lokken glad.

[236] platte steenen, plaveisel.

[237] toevertrouwd aan.

[238] vrij golvende lokken.

[239] lokken, als vroeger.

[240] Wellicht liet zich hier beter 's linkers (d. i. van den deugniet) lezen.

[241] Staat eig. voor lijk- of blijkteeken, kenmerk.

[242] op staanden voet.

[243] Thans ziel.

[244] door en door venijnige.

[245] schitterend, bont (eig. 't Fr. vermeil).

[246] in zich zelf gekeerd.

[247] Jeruzalem.

[248] over-slag (verg. vroeger), plan, ontwerp.

[249] kim.

[250] welberaden.

[251] in 't werk stellen.

[252] vreemde dingen.

[253] ontroerd.

[254] verstijfde grijzaart; verg. boven, bl. 72, aant. 451.

[255] loeyende (verg. rooyen en uitroeyen, enz.)

[256] torens.

[257] krielt het.

[258] Thans waar.

[259] Anders vloed.

[260] Thans maagd.

[261] werpen (verg. vroeger).

[262] schitterend, blinkend.

[263] Thans natuur.

[264] Waardoor zij zich namelijk, als vrouw en man, kenteekenen.

[265] Zooveel als schoone wichten.

[266] kool vuurs.

[267] schaamachtig.

[268] Zaamgetrokken uit schijnt het.

[269] "Toen Thetis, 't is al lang geleên, met Peleus zou gaan trouwen."

[270] Versta: Salomo, de Jupijn van 't Id. land.

[271] zich ontveinzende.

[272] los, luchtig.

[273] Nam. bogen, voor arcaden.

[274] de tafelbedden.

[275] Met snij- of beeldhouwwerk versierd.

[276] Voor tienmaal tien.

[277] kluchtig.

[278] schikken, zetten er zich toe.

[279] Voor tafereelen.

[280] deftige.

[281] Gallicisme voor: nadat de lekkere schotels nu weggenomen zijn.

[282] keizerlijk, weidsch.

[283] De bekende baak der oudheid.

[284] blinkende sieraden (verg. 't Fransche clinquant).

[285] staan.

[286] gemarmerd.

[287] De zeven dwaalsterren Saturnus, Jupiter, Mars, Venus, Mercurius, Zon, en Maan.

[288] Saturnus.

[289] Men zou of lezen kunnen, daar (naar Van Lennep's juiste opmerking) beiden één zijn.

[290] Als algemeene titel aller geestelijken (van daar ons Heer-oom).De Joodsche priester vertegenwoordigt hier Jupiter.

[291] Thans voor 't zaamgestelde vrolijk geheel verouderd; verg. echter 't Hoogd. froh, 't oude ver-froyen en ons vreugde.

[292] naar.

[293] arenden.

[294] somber.

[295] met torens beladen.

[296] reuk.

[297] Mars.

[298] 'tzelfde vlak.

[299] gedreven.

[300] Venus.

[301] Voor melden.

[302] gordelriem.

[303] Mercurius.

[304] welbespraakte.

[305] Anders koegras of duivekervel.

[306] toch, nochtans.

[307] Zon en Maan.

[308] Thans verzadige.

[309] Anders heggerank of wilde wijngaard.

[310] te gader, te zaam.

[311] de kameleon.

[312] Rijmshalve voor uitgelezen.

[313] Voor spiegelglas.

[314] van.

[315] krans.

[316] paren.

[317] Salomo als zinnebeeld van Kristus, den bruidegom der Kerk.

[318] speldewerk; verg. desbelust Tesschelschade Roemers en hare vrienden, bl. 8.

[319] uitnemende (verg. vroeger).

[320] goed gestreken.

[321] Anders zeissen of zeis (verg. bl 9, aant. 46).

[322] boos.

[323] Min gelukkig voor scherpt, aanzet.

[324] Rijmshalve voor randen.

[325] gewelfde.

[326] slaat.

[327] Gallicisme voor kraait.

[328] Rijmshalve voor pas.

[329] Voor gaan.

[330] den dierenriem.

[331] teekent.

[332] Verouderd voor wandelen.

[333] Voor duizenderlei.

[334] de een voor de ander.

[335] Verkeerdelijk voor voetstappen, gang.

[336] rugwaarts.

[337] Voor zoo er.

[338] huwen, paren.

[339] zorgstillende.

[340] Voor dans.

[341] In navolging (naar de oude kantteekening) van "het geestelijk gesprake tusschen Christus en de Kerke, beschreven in het schoon boek, genaamd het Lied der Liederen (Hooglied)."

[342] Rijmshalve voor evenzeer.

[343] geurige lokken.

[344] geringd.

[345] naam, lof.

[346] Gelijk reeds meer voor midden; verg. aldaar ook beids voor beiden.

[347] welkome.

[348] laagste, onaanzienlijkste.

[349] anders (verg. elders).

[350] schendt.

[351] Zie vroeger, en ben. 360.

[352] Voor doorkliefd.

[353] marmer.

[354] den voorgevel.

[355] ronding (naar buiten).

[356] tegenronding (naar binnen).

[357] Gebaren.

[358] den omvang.

[359] Thans metselaars.

[360] van den arbeid afhoudt.

[361] die reuzenmoed.