Venetië. Een gerechtzaal.
De Doge, de Senatoren, Antonio, Bassanio, Gratiano, Salarino, Solanio en anderen komen op.
Doge.
Is hier Antonio verschenen?
Antonio.
Ik ben bereid, doorluchte heer.
Doge.
Ik ben in zorg om u; gij hebt te doen
Met een, die harder is dan steen, een onmensen,
Voor medelijden doof, in wien geen vonkje
Erbarmen huist.
Antonio.
Erbarmen huist. Ik heb gehoord, uw hoogheid
Gaf zich veel moeite om ’t felle van zijn drijven
Te matigen; maar daar hem niets vermurwt,
En ’t recht geen middel geeft om voor zijn wrok
Mij te beschermen, stel ik lijdzaamheid
Zijn grimmig streven tegen, en ik wapen
Met kalmte mijn gemoed, om van het zijn’
De volle woede en razernij te dragen.
Doge.
Ga, zeg den jood, dat hij voor ’t hof verschijne.
Solanio.
Hij wacht reeds aan de deur; daar komt hij, heer. 15
(Shylock komt op.)
Doge.
Maakt plaats; hij sta daar over onzen stoel.—
Shylock, de wereld denkt, zooals ook ik,
Gij drijft deez’ schijn van uwe boosheid slechts
Tot aan het uur der daad; en dan, dan toont ge
Uw huiv’ring, uw erbarmen, wonderbaarder
Dan deze uw wondre, schijnbre wreedheid is;
Dan zult ge, schoon ge thans uw recht nog eischt,
(Dat pond van dezes armen koopmans vleesch,)
Niet slechts, zoo wacht men, daarvan afzien, maar,
Door menschlijkheid en menschenmin geroerd,
Een deel hem schenken van de schuld, erbarmen
Betoonend om de slagen, die sinds kort
Zoo dicht zijn schouders troffen, zwaar genoeg
Om zelfs een koopman-vorst ten val te brengen,
En meêlij met zijn toestand af te dwingen
Aan koop’ren boezems, harten hard als steen,
Aan stugge Turken en Tataren, die
Nog nooit uit menschlijkheid een dienst bewezen.
Wij allen wachten, Jood, een gunstig antwoord.
Shylock.
Ik deelde uw hoogheid mee, wat ik verlang,
En ik bezwoer bij onzen heil’gen sabbat,
Te vordren, wat mij toekomt door mijn schuldbrief.
Als gij dit weigert, brengt ge van uw stad
De rechten en de vrijheid in gevaar. 39
Vraagt gij, waarom ik liever zoo’n gewicht
Van krengenvleesch wil hebben, dan drieduizend
Dukaten wil ontvangen; ’k heb geen antwoord
Dan dit: ’t is mijn verkiezing. ’t Is toch antwoord!
Wat? als mijn huis gekweld is van een rat,
En ik verkies voor ’t dooden eens tienduizend
Dukaten te off’ren? Nu, dit is toch antwoord?
Deez’ kan het schreeuwen van een big niet lijden,
En die wordt dol, als hij een kat maar ziet,
En die zit, bij den neustoon van de zakpijp,
Op spelden schier; ja, voor- of tegenzin
Beheerscht den geest en dwingt naar luim en lust
Tot liefde of afschuw; nu, ziehier uw antwoord:
Zooals geen grond of reden is te geven,
Dat deez’ geen schreeuwend varken velen kan,
En die geen kat, zoo’n noodig, goedig dier,
En die geen zakpijp, maar elk onweerstaanbaar
Genoopt wordt tot het smadelijk bedrijf,
Dat hij, getergd, nu zelf weer andren tergt,
Zoo kan en wil ik ook geen reden geven,
Dan ingevreten haat en bittren wrok,
Dien ’k voor Antonio voel, wat mij mijn recht,
Zelfs met verlies doet eischen. Is dit antwoord?
Bassanio.
Dit is geen antwoord, schepsel zonder hart,
Dat uw wreedaardig drijven kan verschoonen.
Shylock.
Moet ik dan antwoord geven naar uw zin? 65
Bassanio.
Brengt iedereen dàt om, wat hem mishaagt?
Shylock.
Wie haat dan iets, en brengt het niet graag om?
Bassanio.
Wat ons mishaagt, wekt daad’lijk nog geen haat.
Shylock.
Laat gij u tweemaal bijten door een slang?
Antonio.
Bedenk, het is de jood, met wien ge u inlaat;
Ga eerder nog naar ’t strand der zee en geef
Den vloed bevel, dat hij in eb verander;
Daag eerder nog den wolf tot een verhoor,
Waarom hij ’t ooi deed blaten om het lam;
Verbied veeleer den fieren pijn der bergen,
Te schudden met den hoogen top, te ruischen,
Als hem de storm met vlaag op vlaag bestookt,
Leg eer de hardste taak u op, dan dat
Gij ’t hardste, dat bestaat, tracht te verzachten,
Zijn jodenhart; en daarom, ’k smeek het u,
Geen aanbod meer, geen middel meer beproefd,
Maar kort en goed zij de uitspraak nu gedaan,
Mijn lot beslist, en hebb’ de jood zijn eisch.
Bassanio.
Hier zijn dukaten, zes- voor uw drieduizend.
Shylock.
Was ieder der zesduizend stuks dukaten
Zesmaal gedeeld en elk deel een dukaat,
Ik nam ze niet; ik vergde toch mijn schuldbrief.
Doge.
Hoopt ge op genâ, gij, die er geen bewijst?
Shylock.
Wat vonnis zou ik duchten? ’k Doe geen onrecht.
Gij hebt wel meen’gen duurgekochten slaaf,
Dien gij, gelijk uw ezels, paarden, honden,
Tot slaafsch en laag en smaad’lijk werk gebruikt,
Wijl gij ze kocht.—En als ik tot u zeide:
Laat hen toch vrij en paart hen met uw erven;
Wat zwoegen ze onder vrachten? laat hun bed
Zoo zacht zijn als het uwe; streel hun tong
Met spijzen, fijn als de uwe;—gij zult zeggen:
Die slaven zijn gekocht.—Zoo zeg ik ook:
Zie, dit pond vleesch, dat ik van hem verlang,
’t Is duur gekocht, ’t is mijn, en ik wil ’t hebben.
Als gij het weigert, spuw ik op uw wet!
Dan heeft hier in Venetië ’t recht geen kracht!
Ik wacht op de uitspraak; antwoord! zal ik ’t hebben? 103
Doge.
Ik ben bevoegd de zitting op te heffen,
Als niet Bellario, een doorkneed geleerde,
Wiens rechtspraak ik in deze heb gevraagd,
Vandaag verschijnt.
Salarino.
Vandaag verschijnt. Uw hoogheid, buiten staat
Een bode, die met brieven van den doctor
Daar juist van Padua komt.
Doge.
Breng ons die brieven; laat den bode komen.
Bassanio.
Schep moed, Antonio, heb slechts goeden moed!
Eer krijgt de jood mijn vleesch, bloed, beendren, alles,
Eer gij voor mij een druppel bloeds verliest.
Antonio.
Ik ben een zieklijk ram der kudde, rijp
Ten dood; het is de zwakste vrucht, die ’t eerst
Ter aarde valt; zoo zij ’t met mij; gij kunt
Geen beetren dienst mij doen dan deez’, Bassanio,
Dat gij blijft leven en mijn grafschrift stelt.
(Nerissa treedt op, als klerk van een rechtsgeleerde gekleed.)
Doge.
Komt gij van Padua, van Bellario?
Nerissa.
Van beide, Heer; Bellario groet uw hoogheid.
(Zij overhandigt een brief.)
Bassanio.
Wat wet gij daar zoo ijverig uw mes?
Shylock.
Om, wat mij toekomt, uit dien bankroetier te snijden.
Gratiano.
Gij scherpt niet op uw zool, maar op uw ziel,
Steenharde jood, uw mes; maar geen metaal,
Neen, niet de bijl des beuls heeft half de scherpte
Uws scherpen haats. Geen beê dringt in u door?
Shylock.
Geen enkle, neen, die uw vernuft kan smeden.
Gratiano.
Vervloekt dan, onverbidbre hond! En zij
Gerechtigheid verklaagd, wijl gij nog leeft!
Gij zoudt mij schier in mijn geloof doen wank’len,
Om mij te scharen bij Pythagoras,
Dat beestenzielen varen in het lichaam
Van menschen; eens bezielde uw hondsche geest
Een wolf; van dien, om menschenmoord gehangen,
Ontvlood, daar aan de galg, de felle ziel,
En voer, toen nog uw ongedoopte moeder
U droeg, in u, in u; want uw begeerten
Zijn wolfsch, bloeddorstig, hongrig en roofgierig.
Shylock.
Tot gij dit zegel wegraast van mijn schuldbrief, 139
Bederft ge uw longen maar met dat geschreeuw;
Lap uwen geest wat op, jong mensch; zijn staat
Mocht hoop’loos worden.—’k Sta hier voor mijn recht.
Doge.
Bellario’s schrijven hier beveelt aan ’t hof
Een jongen, zeer geleerden doctor aan;
Waar is hij?
Nerissa.
Waar is hij? Heer, hij wacht nabij deez’ zaal
Uw antwoord, of hij toegelaten wordt.
Doge.
Van heeler hart;—dat drie of vier van u
Hem hoff’lijk de gerechtszaal binnenleiden.—
Intusschen hoore ’t hof Bellario’s brief.
Een Klerk
(leest). „Deze is dienende om uwe
hoogheid te berichten, dat ik bij de ontvangst
van uw brief zeer ziek ben. Maar juist toen
uw bode aankwam, bracht mij een jong doctor
uit Rome, met name Balthazar, een vriendschappelijk
bezoek; ik heb hem bekend gemaakt
met het geding tusschen den Jood en den
koopman Antonio; wij hebben samen vele rechtsgeleerde
werken nageslagen; hij is volkomen
met mijn inzichten bekend, die hij, verbeterd
nog door zijn eigen geleerdheid (die zoo groot
is, dat ik haar niet genoeg roemen kan), op
mijn aandringen overbrengt, om uwe hoogheid
in mijne plaats ten dienste te staan. Ik verzoek
u dringend, laat zijn jeugdige leeftijd geen
oorzaak wezen om hem eerbiedige achting te
doen derven, want nooit zag ik een jong hoofd,
zoo grijs in kennis. Ik reken voor hem met
vertrouwen op een gunstige ontvangst bij uwe
hoogheid; uw toetsing zal zijn lof beter verkondigen,
dan ik het kan doen.”
De koopman van Venetië, Vierde Bedrijf, Eerste Tooneel.
Doge.
Gij hoort, wat de geleerde man ons schrijft;
En hier, naar ’k denk, verschijnt de jonge doctor.
(Portia komt op, in het gewaad van een rechtsgeleerde.)
Uw hand, Heer;—’t is Bellario, die u zendt?
Portia.
Zoo is ’t, doorluchte heer.
Doge.
Zoo is ’t, doorluchte heer. Neem plaats, wees welkom!
Is u ’t geding, dat op dit oogenblik
Voor ’t hof hier hangende is, alreeds bekend?
Portia.
’k Ben van de zaak volkomen ingelicht.—
Wie is de koopman hier, waar is de jood?
Doge.
Antonio, oude Shylock, komt naar voren.
Portia.
Uw naam is Shylock?
Shylock.
Uw naam is Shylock? Shylock is mijn naam.
Portia.
Van vreemden aard is de eisch, dien gij hier doet,
Maar in den vorm, zoodat Venetië’s wet
Bij ’t voeren van ’t geding u niet kan wraken.—
(Tot Antonio.) Gij zijt het, die bedreigd wordt door zijn eisch? 180
Antonio.
Zooals hij zegt.
Portia.
Zooals hij zegt. En gij erkent den schuldbrief?
Antonio.
O ja.
Portia.
O ja. Dan moet de jood genadig zijn.
Shylock.
Gij zegt, ik moet; wat dwingt me? zeg me, wat?
Portia.
Genade wordt verleend, niet afgedwongen;
Zij drupt, als zachte regen, uit den hemel
Op de aarde neer, en dubblen zegen brengt ze,
Zij zegent hem, die geeft, en die ontvangt;
Ze is ’t machtigste in den machtigste; ze siert
Den koning op zijn troon meer dan de kroon;
De scepter toon’ zijn wereldlijk gezag,
Zij ’t zinbeeld zijner macht en majesteit,
Wekke eerbied en ontzag voor ’t koningschap,
Maar boven dezen scepter heerscht genade;
Zij heeft haar zetel in der vorsten hart;
Zij is een eigenschap der godheid zelf;
En aardsche macht zweemt meest naar die van God,
Wanneer genade ’t recht doortrekt. Daarom,
Beroept ge u, jood, op ’t recht, bedenk ook dit,
Dat, naar gerechtigheid, geen onzer ooit
Behouden wordt; wij bidden om genade;
En de eigen bede leert ons, zelf aan and’ren
Genade te oef’nen. Hiermee dring ik aan,
Dat gij de strengheid van uw eisch verzacht;
Want, blijft ge er bij, dan moet Venetië’s hof
Zijn vonnis vellen tegen dezen koopman.
Shylock.
Mijn daden op mijn hoofd; ik eisch de wet,
De boete, de voldoening van mijn schuldbrief.
Portia.
Is hem ’t betalen van het geld onmooglijk?
Bassanio.
O, neen, hier voor het hof bied ik ’t hem aan;
Ja tweemaal zelfs; als dit nog niet genoeg is,
Verbind ik mij het tienmaal te betalen,
’k Verpand mijn handen, hoofd en hart er voor;
Is dit nog niet genoeg, dan blijkt het nu,
Dat boosheid braafheid onderdrukt. En ’k bid u,
Verbuig voor eens nu ’t recht door uw gezag;
Om waarlijk recht te doen, pleeg luttel onrecht,
En toom dien boozen duivel in zijn vaart.
Portia.
Dit mag niet zijn. Geen macht kan in Venetië
Een wettig vastgestelde wet verwringen;
’t Wierd aangehaald als voorbeeld voor ’t vervolg;
En menig misbruik vond, na zulk een voorgang,
Wel ingang in den staat; het mag niet zijn.
Shylock.
Een Daniël, die rechtspreekt! ja, een Daniël!—
O wijze, jonge rechter, hoe ’k u eer! 224
Portia.
Ik bid u, laat mij eens den schuldbrief zien.
Shylock.
Hier is hij, eed’le doctor, zie, hier is hij.
Portia.
Shylock, men biedt u driemaal thans uw geld.
Shylock.
Een eed, een eed, ik zond een eed ten hemel!
En zou ik meineed laden op mijn ziel?
Voor gansch Venetië niet.
Portia.
Voor gansch Venetië niet. Deez’ schuld verviel;
En ’t stuk geeft aan den jood het recht, dat hij
Een pond mag eischen van des koopmans vleesch,
’t Moet snijden bij ’s mans hart;—maar wees genadig,
Neem driemaal ’t geld, en laat mij ’t stuk verscheuren.
Shylock.
Als aan zijn letter is voldaan, eer niet.
Het blijkt, dat gij een waardig rechter zijt;
Gij kent de wet, en uw betoog was juist
En bondig; ik bezweer u bij de wet,
Waarvan ge een hechte steunpilaar u toont,
Sla ’t vonnis nu; ik zweer toch bij mijn ziel,
Geen menschentong heeft in het minst de macht
Mij te verand’ren; ’k sta hier op mijn schuldbrief.
Antonio.
Van ganscher harte smeek ik ’t edel hof
Om uitspraak in mijn zaak.
Portia.
Om uitspraak in mijn zaak. Welnu, die luidt:
Houd uwen boezem voor zijn mes bereid.
Shylock.
O, edel rechter, wakker jongeling!
Portia.
De wet is duid’lijk; zin en woorden slaan
Volkomen op de thans vervallen boete,
Die in dit stuk verschuldigd wordt erkend.
Shylock.
Volkomen waar; o, wijs en eerlijk rechter!
O, hoeveel ouder zijt ge dan gij schijnt!
Portia.
Ontbloot alzoo uw boezem.
Shylock.
Ontbloot alzoo uw boezem. Ja, zijn borst;
Zoo zegt mijn stuk;—niet waar, hoogedel rechter?—
Het naast aan ’t hart;—staat het niet woord’lijk zoo?
Portia.
Zoo is ’t. Hebt gij een weegschaal hier, om ’t vleesch
Te wegen?
Shylock.
’k Heb ze bij de hand.
Portia.
Zorg voor een wondarts, Shylock, op uw kosten,
Die hem verbind’, want anders bloedt hij dood.
Shylock.
Is dat zoo voorgeschreven in den schuldbrief? 259
Portia.
Het staat er niet uitdrukk’lijk, maar wat doet dit?
’t Waar’ goed, dat gij uit menschlijkheid het deedt.
Shylock.
Ik kan ’t niet vinden, ’t staat niet in den schuldbrief.
Portia.
Gij koopman, hebt gij ook nog iets te zeggen?
Antonio.
Slechts luttel; ’k ben bereid en welgewapend!—
Geef mij de hand, Bassanio, vaar gij wel!
Het grieve u niet, dat dit voor u mij treft;
Want hierin toont zich ’t Noodlot goediger,
Dan ’t anders pleegt te doen. Hoe vaak toch laat het
Den bankroetier zijn schatten overleven,
Om met gerimpeld voorhoofd, holstaand oog
Een ouden dag van armoede af te wachten;
Het spaart mij ’t slepend leed van zulke ellend!
Breng aan uw eedle ga mijn groeten over,
Meld haar de toedracht van Antonio’s sterven,
Hoe ik u liefhad, roem den doode na,
En is ’t verhaal gedaan, laat haar beslissen,
Of niet Bassanio eens een vriend bezat.
Treurt gij slechts niet, dat gij een vriend verliest,
Dan treurt hij niet, dat hij uw schuld betaalt;
Want maakt de jood zijn snede diep genoeg,
Dan kwijt ik haar in eens met heel mijn hart.
Bassanio.
Antonio, vriend, ik heb een vrouw gehuwd,
Die mij zoo dierbaar is als ’t leven zelf;
Maar ’t leven zelf, mijn vrouw, de gansche wereld,
Zij gelden mij niet hooger dan uw leven;
’k Gaf alles prijs, dit alles offerde ik
Dien duivel daar, om u van hem te ontslaan.
Portia.
Uw vrouw betuigde u zeker luttel danks,
Was zij hierbij en hoorde ze uw betuiging.
Gratiano.
Ik heb een vrouw, die ’k min, ik zweer ’t; maar ’k wenschte
Haar in den hemel, kon ze daar een macht
Verbidden, die dien hondschen jood verkneedde.
Nerissa.
’t Is goed, dat gij dit in haar afzijn zegt:
Uw wensch kon licht den vreê van ’t huis verstoren.
Shylock
(ter zijde). Zoo zijn de christenmannen;—’k heb een dochter,
Maar had ze wien ook van Barabbas’ stam
Tot man genomen, eer nog dan een christen!—
(Luid.) De tijd verloopt; ik bid u, kom tot de uitspraak. 298
Portia.
Een pond van dezes koopmans vleesch is u;
Het hof erkent dit, en de wet verleent het.
Shylock.
O hoogst rechtvaardig rechter!
Portia.
Gij moet dit vleesch hem snijden van de borst;
De wet erkent dit, en het hof verleent het.
Shylock.
Hoogstwijze rechter!—’t Is beslist, bereid u!
Portia.
Een oogenblik nog;—neem ook dit in acht:—
De schuldbrief hier geeft u geen druppel bloeds;
De woorden zijn uitdrukk’lijk: een pond vleesch.
Neem dus uw schuldbrief, neem gij uw pond vleesch;
Maar zoo, bij ’t snijden, gij een drup vergiet,
Een enklen druppel christenbloed, dan vallen
Uw land en goedren, naar Venetië’s wet,
Den staat Venetië toe.
Gratiano.
O, eerlijk rechter! jood; een wijze rechter!
Shylock.
Is dat de wet?
Portia.
Is dat de wet? Gij zult de keur zelf zien;
Gij eischtet recht, en, wees verzekerd, recht
Zal u geworden, meer dan gij verlangt.
Gratiano.
O wijze rechter! jood; een wijze rechter!
Shylock.
’k Neem ’t aanbod aan;—betaal driemaal de schuld,
En dat de christen ga.
Bassanio.
En dat de christen ga. Hier is het geld.
Portia.
Bedaar! Den jood
Zal al zijn recht geworden!—neen, geen haast!
De boete zal hij hebben en niets meer.
Gratiano.
O, jood, een eerlijk rechter! een wijs rechter!
Portia.
Daarom, maak u gereed het vleesch te snijden.
Maar stort geen bloed; en snijd niet min of meer
Dan juist een pond; want neemt ge meer of minder
Dan juist een pond;—al waar’ ’t ook maar zooveel,
Dat het gewicht te licht wordt of te zwaar,
Een onderdeel zelfs van een twintigste
Van éénen scrupel;—slaat de weegschaal door,
Ja, waar’ ’t ook slechts de breedte van een haar,—
Dan sterft ge, en al uw goedren zijn verbeurd.
Gratiano.
Een tweede Daniël! ja, een Daniël, jood!
Nu, ongedoopte hond, nu hebben we u.
Portia.
Wat draalt de jood nog? Neem, wat u verviel. 335
Shylock.
Geef mij mijn hoofdsom slechts, en laat mij gaan.
Bassanio.
Ik heb het geld voor u gereed; hier is ’t.
Portia.
Hij heeft het openlijk voor ’t hof versmaad;
Zijn recht slechts zal hij hebben en zijn schuldbrief.
Gratiano.
Een Daniël, zeg ik weer, een tweede Daniël!—
Ik dank u, jood, voor ’t leeren van dat woord.
Shylock.
Krijg ik dan nu niet eens mijn hoofdsom weer?
Portia.
Niets krijgt ge, niets, dan de vervallen boete;
Die moogt ge op lijfsgevaar nu innen, jood.
Shylock.
Dan doe de duivel hem er wel bij varen!
Ik laat me er langer niet mee in.
Portia.
Ik laat me er langer niet mee in. Blijf, jood;
Het recht heeft nog iets anders van u te eischen.
De wetten van Venetië stellen vast:—
Als van een vreemdling te bewijzen is,
Dat hij, ’t zij rechtstreeks, ’t zij op slinksche wijs,
Een burger naar het leven heeft gestaan,
Dan naast de burger, wiens verderf hij zocht,
De helft van al zijn goedren; de andre helft
Valt aan de schatkist van den staat ten deel;
En ’t leven van den schuldige berust
In ’s dogen hand, die niemands stem behoeft.
Deze uitspraak, zeg ik, past geheel op u:
’t Is uit uw handling hier voor ’t hof gebleken,
Dat gij èn rechtstreeks èn op slinksche wijs
Met overleg het leven hebt bedreigd
Van den verweerder; en de strafbedreiging,
Zoo even aangehaald, is hier van kracht.
Dus kniel, en smeek genade van den doge.
Gratiano.
Smeek om verlof, dat gij uzelf verhangt;
Want, daar gij al uw goed’ren hebt verbeurd,
Bleef u de waarde zelfs niet van den strik,
En moet de staat dat hangen nog betalen.
Doge.
Opdat ge in ons een andren geest erkent,
Schenk ik u ’t leven, eer gij er om bidt;
Uw halve have is voor Antonio,
En de andre helft is aan den staat vervallen,
Maar deemoed kan dit mindren tot een boete.
Portia.
Ja, voor den staat, niet voor Antonio.
Shylock.
Neen, neem mij ’t leven ook, schenk dat mij niet;
Gij neemt mijn huis, als gij den steun mij neemt,
Waar heel mijn huis op rust; gij neemt mijn leven,
Als gij de midd’len neemt, waar ik door leef.
Portia.
En wat kan ùw genade zijn, Antonio?
Gratiano.
Een strop voor niet; niets meer, om Gods wil, niets. 379
Antonio.
Behaagt het aan uw hoogheid en aan ’t hof,
Die straf van de eene helft hem kwijt te schelden,
Dan is ’t mij goed, mits hij mij de andre helft
In bruikleen geven wil,—om na zijn dood
Die weder af te staan aan de’ edelman,
Die onlangs hem zijn dochter heeft geschaakt;
En nog twee eischen: dat, voor deze gunst,
Hij van dit oogenblik een christen worde,
Ten andre, dat hij, hier nu, voor het hof,
Al wat hij bij zijn dood bezitten zal,
Zijn zoon Lorenzo en zijn dochter schenke.
Doge.
Dit zal hij doen, of anders trek ik in
Wat ik reeds van genade heb gerept.
Portia.
Zijt gij tevreden, jood? wat is uw antwoord?
Shylock.
Ik ben tevreden.
Portia.
Ik ben tevreden. Schrijver, stel een schenking.
Shylock.
Ik bid u, sta mij toe van hier te gaan;
Ik ben niet wel; zend mij de schenking na;
Ik zal ze teek’nen.
Doge.
Ik zal ze teek’nen. Ga dan heen, maar teeken.
Gratiano.
Twee peten zult ge hebben bij uw doop;
Ware ik uw rechter, tien hadt gij er meer,
Om u ter galg te leiden, niet ter doopvont.
(Shylock af.)
Doge.
Ik bid u, heer, gebruik het maal bij mij.
Portia.
Verschoon me, ik zeg uw hoogheid need’rig dank;
Ik moet deze’ avond nog in Padua zijn,
En ’t beste is dus, onmidd’lijk af te reizen.
Doge.
Het spijt me, dat uw tijd het niet gehengt.—
Antonio, toon u aan den doctor dankbaar,
Want, naar mij dunkt, zijt gij hem veel verplicht.
(De Doge, Senatoren en Gevolg af.)
Bassanio.
Hoogedel heer, mijn vriend en ik, wij zijn
Door uwe wijsheid heden vrijgesproken
Van zware boete; en gaarne bieden we u,
Wat aan den jood verschuldigd was, drieduizend
Dukaten, voor uw edel hulpbetoon. 412
Antonio.
En blijven, als uw schuld’naars, bovendien
Tot liefde en weêrdienst eeuwig u verplicht.
Portia.
Die weltevreden is, is welbetaald;
Ik ben tevreden, dat ik u bevrijdde,
En reken daardoor reeds mij welbetaald;
Naar grooter loon heb ik nog nooit gestreefd.
Eén bede: ken me, als gij mij weer ontmoet;
Ik wensch u heil, en hiermeê neem ik afscheid.
Bassanio.
Zoo laten we u niet los, mijn waarde heer;
Neem een gedacht’nis aan, maar als geschenk,
En niet als loon; twee gunsten vraag ik u:
Sla dit niet af, en duid mijn drang niet euvel.
Portia.
Gij dringt mij sterk, en daarom geef ik toe.
(Tot Antonio.) Uw handschoen dan; ik draag ze u ter gedacht’nis;
(Tot Bassanio.) En daar gij ’t wenscht, neem ik deez’ ring van u;—
Trek niet de hand terug; ik wil niet meer;
En uwe vriendschap mag mij dit niet weig’ren.
Bassanio.
Die ring, mijn heer,—ach, zulk een kleinigheid;
Ik zou mij schamen, u dien aan te bieden.
Portia.
Ik wil niet anders hebben dan dien ring
Hoe ’t komt, ik weet niet, maar ik hecht er aan.
Bassanio.
’t Is om de waarde niet, ’t is om den ring;
Den kostbaarste’ in Venetië geef ik u,
Dien openbare navraag vinden laat;
Slechts deze’ alleen, ik bid u, vraag dien niet.
Portia.
Gij biedt, dit zie ik, onbekrompen aan;
Eerst leerdet gij mij beed’len, en nu, dunkt me,
Nu leer ik, hoe men beedlaars antwoord geeft.
Bassanio.
Deez’ ring gaf, waarde heer, mijn vrouw me, en vroeg
Bij ’t aandoen mij een eed, dat ik hem nooit
Verkoopen zou, verliezen, weg zou schenken.
Portia.
Met zulk een uitvlucht spaart men meen’ge gave.
Maar is uw vrouw geen dwaze vrouw, en weet ze,
Hoe ik dien ring verdiende, wis, zij zal
Niet eeuwig toornig blijven, dat ge aan mij
Hem weggaaft.—Nu, het zij zoo; ’t ga u wel.
(Portia en Nerissa af.)
Antonio.
Bassanio, vriend, sta hem den ring toch af; 449
Dat zijn verdiensten en mijn vriendschap saam
Hier gelden tegen wat uw vrouw gebood.
Bassanio.
Gratiano, haast u, haal hem in, en geef
Den ring hem nog; en breng hem, zoo ge kunt,
Zelf bij ons, in Antonio’s huis;—maak spoed!
(Gratiano af.)
Kom, gij en ik, wij gaan daar daad’lijk heen,
En morgen in de vroegte vliegen wij
Naar Belmont samen. Kom, Antonio.
(Bassanio en Antonio af.)
Aldaar. Een straat.
Portia en Nerissa komen op.
Portia.
Vraag naar de woning van den jood en laat
Dit stuk hem teek’nen. Nog van avond gaan wij;
Zoo zijn we een dag voor onze mannen thuis.
Dit stuk zal aan Lorenzo welkom zijn.
(Gratiano komt op.)
Gratiano.
Goed, dat ik u nog inhaal, waarde heer!
Bassanio, die tot beter inzicht kwam,
Zendt U deez’ ring door mij en noodigt u
Van middag tot het maal.
Portia.
Van middag tot het maal. Dit kan niet zijn,
Maar hartlijk dank ik hem voor dezen ring;
En ’k bid u, zeg hem dit. Wees ook zoo goed
Mijn klerk den weg naar Shylocks huis te wijzen.
Gratiano.
Met veel genoegen.
Nerissa
(tot Portia, luid). Heer, een woord met u;—
(Zacht.) ’k Wil zien, den ring te krijgen van mijn man,
Dien ik hem zweren deed nooit weg te schenken!
Portia.
Dat kunt gij wis; dat zal een zweren zijn,
Dat zij aan mannen slechts hun ringen schonken;
Doch we òverkraaien, òverzweren hen.—
Maar ga, maak haast; gij weet, waar ik u wacht.
Nerissa.
Kom, waarde heer, wilt gij zijn huis mij wijzen?
(Allen af.)
Belmont. Een park voor Portia’s woning.
Lorenzo en Jessica komen op.
Lorenzo.
’t Is heldre maan; in zulk een nacht als deze,
Toen zachte lucht de boomen vriendlijk kuste
En nauwlijks ruischen deed,—in zulk een nacht,
Naar ’k denk, steeg Troilus op Troja’s wal
En zond zijn ziel haar zuchten naar de tenten
Der Grieken heen, waar ook zijn Cressida
Die nacht te sluim’ren lag.
Jessica.
Die nacht te sluim’ren lag. In zulk een nacht
Sloop Thisbe, schuchter tripp’lend, op den dauw,
En zag geen leeuw nog, maar alleen zijn schim,
En nam vol angst de vlucht.
Lorenzo.
En nam vol angst de vlucht. In zulk een nacht
Stond Dido, in haar hand een wilgetak,
Op ’t woeste zeestrand, om haar lief te wenken,
Weêr naar Carthago’s kust.
Jessica.
Weêr naar Carthago’s kust. In zulk een nacht
Las zich Medea tooverkruid en maakte
Den ouden Æson jong.
Lorenzo.
Den ouden Æson jong. In zulk een nacht
Verloor de rijke jood zijn Jessica,
Die uit Venetië met een spilziek lief
En heel naar Belmont vlood. 17
Jessica.
En heel naar Belmont vlood. In zulk een nacht
Zwoer haar Lorenzo, dat hij teêr haar minde,
En stal met meen’gen eed van trouw haar hart,
Doch alle waren valsch.
Lorenzo.
Doch alle waren valsch. In zulk een nacht
Bekladde Jessica, die kleine feeks,
Haar zoetelief, maar hij vergaf het haar.
Jessica.
Ik zou u óver-nachten, kwam er niemand;
Maar luister, ’k hoor den stap daar van een man.
(Stefano komt op.)
Lorenzo.
Wie komt zoo haastig in de stille nacht?
Stefano.
Goed volk.
Lorenzo.
Goed volk? wat volk? Zeg mij uw naam, goed volk!
Stefano.
Mijn naam is Stefano; ik breng bericht,
Dat de eedle vrouw voor de’ aanvang van den dag
Te Belmont zijn zal; ze is nog op haar tocht
Langs heiligbeelden, waar ze knielt en bidt
Om zegen op haar echt.
Lorenzo.
Om zegen op haar echt. En wie verzelt haar?
Stefano.
Een heil’ge kluiz’naar en haar kamerjuffer.
Maar zeg me, is de eedle heer nog niet terug?
Lorenzo.
Nog niet; we ontvingen zelfs nog geen bericht.—
Maar laat ons, Jessica, naar binnen gaan
En zorgen, dat de meesteres van ’t huis
Nu met een plechtig welkom zij begroet. 38
(Lancelot komt op.)
Lancelot.
Hola, hola, ho, heila, hola, ho!
Lorenzo.
Wie roept daar?
Lancelot.
Hola! hebt gij den heer Lorenzo en mevrouw Lorenzo ook gezien? Hola! hola!
Lorenzo.
Houd op met uw hola, man; hier.
Lancelot.
Hola! waar? waar?
Lorenzo.
Hier.
Lancelot.
Zeg hem, dat er een postiljon is gekomen, die zijn hoorn vol goed nieuws heeft; mijn meester zal nog voor zonsopgang hier zijn.
(Lancelot af.)
Lorenzo.
Kom, liefste, binnen dan hun komst verbeid!
Of neen, waartoe naar binnen? ’t Is niet noodig,
Vriend Stefano, ik bid u, meld aan allen
In huis, dat de eedle vrouw in aantocht is,
En breng de muzikanten mee naar buiten.
(Stefano af.)
Wat slaapt het maanlicht lieflijk op dien heuvel!
Hier zetten we ons, hier drinke ons oor de tonen
Der hemelsche muziek; de vreê der nacht
Stemt met den klank van zoete harmonie.
Kom, Jessica; zie, is het hemelwelf
Niet ingelegd met schijfjes schitt’rend goud?
Geen licht, hoe klein, dat ge daarboven ziet,
Dat op zijn baan niet als een engel zingt,
Bij ’t koor der Cherubim met kinderoogen.
Gelijke harmonie is in de zielen
Der menschen, maar zoolang ’t verganklijk kleed
Onsterflijkheid omhult, is ze ons onhoorbaar.
(De Muzikanten komen op.)
Weest welkom, wekt Diana met een lied;
Dringt met uw klanken door tot uw gebiedster,
En toovert, lieflijk streelend, haar naar huis.
(Muziek.)
Jessica.
Ik ben bij lieflijke muziek nooit lustig.
Lorenzo.
Dit komt, omdat uw geest haar luistrend volgt;
Want zie maar eens een wilde, dartle kudde,
Of troepje veulens, jong en ongetemd;
Zij springen dol, zij loeien, brieschen luid,
Want dat is de aard en de eisch van ’t warme bloed; 74
Maar nauwlijks hooren ze een trompet, die schalt,
Of treft het ruischen van muziek hun oor,
Gij ziet hen plotsling, luistrend, stil bijeen;
De macht der tonen dwingt dat vlammend oog
Tot kalmen blik. Van daar ’t verhaal des dichters,
Dat Orpheus boomen, rotsen, stroomen boeide,
Daar niets zoo stug, zoo hard, zoo woedend is,
Dat niet muziek het voor een tijd verandert.
Heeft iemand in zichzelven geen muziek,
Roert hem de meng’ling niet van zoete tonen,
Die man deugt tot verraad, tot list en roof,
’t Is duister in zijn geest als middernacht,
In zijn gemoed zoo zwart als ’t rijk der schimmen;—
Vertrouw hem nooit!—O, hoor eens die muziek!
(Portia en Nerissa komen op, nog op een afstand.)
Portia.
Dat licht daar, dat wij zien, brandt in de zaal;
Hoe verre licht die kleine kaars! zoo straalt
Een goede daad in deze booze wereld.
Nerissa.
Bij ’t maanlicht zagen wij dat kaarslicht niet.
Portia.
Zoo doet een grooter glans een mind’ren tanen;
Een plaatsvervanger straalt gelijk een vorst,
Totdat de vorst verschijnt, en dan vervloeit
Zijn praal, zooals een beekje van het land
In ’t groote bed der waat’ren. Hoor, muziek!
Nerissa.
’t Is de muziek, mejonkvrouw, van uw huis.
Portia.
Niets is er goed, naar ’k zie, dan op zijn tijd;
Mij dunkt, ze klinkt veel schooner dan bij dag.
Nerissa.
De stilte schenkt haar die bekoorlijkheid.
Portia.
De leeuwrik zingt niet schooner dan de kraai,
Dan voor een luistrend oor; en ’k denk, dat zelfs
De nachtegaal, zong die bij dag zijn lied,
Als alle ganzen snaat’ren, naar de schatting
Geen beter zanger dan de musch zou zijn.
Hoe menig ding wordt op zijn tijd alleen
Naar waarde en naar volkomenheid geschat!—
(Tot de Muzikanten.) Nu stil! De maan rust bij Endymion
En sluimere ongestoord!
(De muziek houdt op.)
Lorenzo.
En sluimere ongestoord! Dit is de stem,
Of ik bedrieg mij zeer, van Portia. 111
Portia.
Hij kent mij, als een blindeman den koekoek,
Aan ’t leelijk roepen.
Lorenzo.
Aan ’t leelijk roepen. Welkom, waarde jonkvrouw!
Portia.
Wij baden voor het heil van onze mannen,
Dat, hoop ik, is vermeerderd door ons doen.
Zijn ze al terug?
Lorenzo.
Zijn ze al terug? Tot nu toe niet, mejonkvrouw;
Maar wel kwam hun alreeds een boô vooruit
Om aan te melden.
Portia.
Om aan te melden. Ga in huis, Nerissa.
En geef aan mijn bedienden last, dat ieder
Zich houde, als waren we altijd thuis geweest;—
Ook gij, Lorenzo;—Jessica, ook gij.
(Horengeschal.)
Lorenzo.
Daar komt uw echtgenoot; het is zijn horen;
Wij klappen niet, mejonkvrouw, wees gerust.
Portia.
Deez’ nacht is, dunkt me, slechts een kwijnend daglicht;
Zij ziet wat bleeker, maar het is nu dag,
Zooals de dag is bij beloken zon.
(Bassanio, Antonio en Gratiano komen op, met Gevolg.)
Bassanio.
Verscheent gij steeds, als ons de zon verlaat,
Dan hadden wij met de Antipoden dag.
Portia.
Geve ik u licht, ik zij niet licht van zin;
Die lichtheid maakt een man licht zwaar te moede;
En nimmer zij Bassanio dat door mij;
Verhoede ’t God!—Wees welkom thuis, mijn gade!
Bassanio.
Ik dank u, lieve;—o, heet mijn vriend hier welkom!—
Dit is Antonio, die voor heel mijn leven
Onlosbaar mij aan zich verbonden heeft.
Portia.
Tot elken dank moogt ge u verbonden reek’nen,
Want zwaar verbond hij zich, zoo ’k hoor, voor u.
Antonio.
Niet zoo, of hij en ik zijn thans weer vrij.
Portia.
Heer, gij zijt hartlijk welkom in ons huis;
Maar ’t moet zich anders toonen dan in woorden,
En ’k spaar dus hoff’lijkheid van louter lucht.
(Gratiano en Nerissa zijn middelerwijl in woordenwisseling geraakt.)
Gratiano.
Ik zweer u bij de maan daar, dat ge dwaalt;
Ik gaf hem, waarlijk aan des doctors klerk;
En ’k woû, dat hij tot niets werd, die hem heeft,
Daar ’t u, melieve, zoo ter harte gaat.
Portia.
Wat! reeds een twist? eilieve, zeg waarom? 146
Gratiano.
’t Is om een strookje gouds, een kleinen ring,
Dien zij mij gaf; met alledaagsche spreuk,
Zoo van die messenmakerspoëzie
Op klingen: „wees mij trouw, begeef mij niet.”
Nerissa.
Wat praat ge van de spreuk of van de waarde?
Gij zwoert me, toen ik hem u gaf, dat gij
Hem dragen zoudt tot in uw stervensuur,
En dat hij met u rusten zou in ’t graf;
Gij moest hem reeds, om al uw schriklijke eeden,
Zoo niet om mij, vereeren en bewaren.
Des doctors klerk!—God weet, nooit krijgt die klerk,
Wien gij hem afstondt, haar op zijn gezicht.
Gratiano.
Ja toch, als hij maar leeft, tot hij een man is.
Nerissa.
Ja, als een vrouw maar leeft, tot zij een man is.
Gratiano.
Zoo waar ik leef, ik gaf hem aan een jonkman,—
Een jongen nog, een kriel, een kleinen dreumes,
Niet grooter dan gijzelf, des rechters klerk,
Een snappend kind; die vroeg hem als een fooi;
Het ging me aan ’t hart, maar ’t was hem niet te weig’ren.
Portia.
Ronduit gezegd, het was verkeerd, lichtzinnig,
Die eerste liefdegift zoo weg te werpen,
Die gij met eeden aan uw vinger staakt,
Als pand van trouw er aan had vastgeklonken.
Ik gaf mijn liefste een ring en deed hem zweren,
Nooit zou hij er van scheiden; zie, daar staat hij,
En ’k zweer voor hem, dat hij hem nimmer afstaat,
Nooit van den vinger neemt, neen, voor de schatten
Der gansche wereld niet. Voorwaar, Gratiano,
’t Is liefdloos zoo uw vrouw te grieven; ja,
Gebeurde ’t mij, ik ergerde mij dood.
Bassanio
(ter zijde). Liefst kapte ik mij de hand, en zwoer, dat ik
Den ring verloor, terwijl ik er voor streed.
Gratiano.
Bassanio stond zijn ring den rechter af,
Die dringend er om vroeg, en waarlijk dubbel
Verdiend had, en toen vroeg de klerk, dat jongske,
Dat druk genoeg geschreven had, den mijnen;
En heer en dienaar wilden maar niets anders
Dan die twee ringen.
Portia.
Dan die twee ringen. Welken ring stondt ge af,
Mijn gâ? Toch niet, naar ’k hoop, dien ik u gaf?
Bassanio.
Kon ik een leugen voegen bij ’t vergrijp,
Ik zou ontkennen; maar gij ziet, ik heb
Geen ring meer aan mijn vinger, hij is weg. 188
Portia.
En evenzoo ontvlood de trouw uw hart.
Bij God, wij zijn gescheiden, tot gij mij
Den ring weer toont.
Nerissa.
Den ring weer toont. Wij evenzeer, tot ik
Den mijnen weerzie.
Bassanio.
Den mijnen weerzie. Dierbre Portia,
Indien gij wist, aan wien ik gaf den ring,
Indien gij wist, voor wien ik gaf den ring,
Erkennen woudt, waarvoor ik gaf den ring,
En hoe ongaarne ik afstond dezen ring,
Daar niets werd aangenomen dan de ring,
Uw gramschap en uw strengheid wierd verzacht.
Portia.
Hadt gij erkend de kracht van dezen ring,
Slechts half geschat de geefster van den ring,
Erkend, hoe zelfs uw eer hing aan den ring,
Gij hadt niet kunnen scheiden van den ring.
Wat man had zoo onreedlijk kunnen zijn,—
Hadt gij uw ring met eenig vuur verdedigd,—
Zoo onbescheiden, op iets aan te dringen,
Door u als plechtig onderpand geschat?
Nerissa toont mij, wat ik moet gelooven;
Ik sterf er op, een vrouw verkreeg den ring.
Bassanio.
Neen, op mijn eer, neen, bij mijn zaligheid,
Geen vrouw verkreeg hem, maar een waardig man,
Een doctor, die den ring vroeg, en drieduizend
Dukaten afsloeg; ’k heb den ring geweigerd,
En liet hem ontevreden gaan; en toch,
Hij was het, die mijn dierbren vriend het leven
Gered had. Zeg, wat kon ik doen, geliefde?
Ik was genoopt den ring hem na te zenden;
De plicht der hoff’lijkheid drong mij tot schaamte;
Mijn eer verbood, dat grove ondankbaarheid
Haar zoo besmette. Schenk vergiff’nis, beste!
Gij hadt,—ik zweer ’t u bij die heil’ge vonken!—
Waart gij er bij geweest, mij zelf gevraagd,
Mijn ring aan de’ eedlen doctor af te staan.
Portia.
Dat toch die doctor nooit mijn huis betrede!
Daar hij het mij zoo lief juweel verkreeg,
Dat gij mij zwoert voor mij steeds te bewaren,
Zoo wil ik niet in gulheid achterstaan,
En niets hem weig’ren van wat ik bezit,
Neen, noch mijn lichaam, noch mijn huwlijksbed;
En kennen zal ik hem, dit weet ik zeker;
Blijf nooit een nacht van huis; bewaak me als Argus;
Doet gij dit niet en laat ge mij alleen,
Dan, op mijn eer, die ik tot nu bewaarde,
Dan is die doctor wis mijn bedgenoot. 233
Nerissa.
En zoo zijn klerk van mij; bedenk dus wel,
Of gij me aan eigen hoede kunt vertrouwen.
Gratiano.
Goed; maar ik loer; en krijg ik hem in ’t net,
Dan heeft zijn pen voor ’t laatst een punt gezet.
Antonio.
Ik ben de onzalige oorzaak van deez’ twisten.
Portia.
Heer, ’t grieve u niet; toch zijt ge hartlijk welkom.
Bassanio.
Portia, vergeef mij deez’ gedwongen misstap;
Ten overstaan van al deez’ vrienden hier,
Bezweer ik u, en bij uw lieflijke oogen,
Waar ik mijzelf in spiegel,—
Portia.
Waar ik mijzelf in spiegel,— Fraai bedacht!
Hij ziet zich dubbel in dat tweetal oogen,
Eens in elk oog; zweer bij uw dubbel ik!
Dat is een kostlijke eed!
Bassanio.
Dat is een kostlijke eed! Ik bid u, hoor!
Vergeef ’t vergrijp; ik zweer u bij mijn ziel,
Dat ik u nimmermeer een eed verbreek.
Antonio
(tot Portia). Eens leende ik lijf en leven voor zijn heil;
Slechts hij, die van uw man zijn ring verkreeg,
Heeft mij gered; opnieuw waag ik gerust
Mijn ziele te verpanden, dat uw gâ
Nooit, wetens willens, meer zijn eed verbreekt.
Portia.
Wees gij dus weer zijn borg; geef hem deez’ ring,
Hij zorg er beter dan voor de’ eersten voor.
Antonio.
Bassanio, zweer, dat deze u heilig blijft!
Bassanio.
Bij God! den eigen ring gaf ik den doctor!
Portia.
Vergeef me, ik heb den ring van hem, Bassanio;
De doctor was mijn bedgenoot er door.
Nerissa.
Vergeef ook mij, mijn beste Gratiano,
Zoo was des doctors klerk, die kleine dreumes,
Voor dezen ring de laatste nacht bij mij.
Gratiano.
Welzoo, ’t is of men wegen ging verbeet’ren
Des zomers, als zij best in orde zijn!
Wat! horens reeds, en eer wij die verdienden?
Portia
(tot Gratiano). Spreek niet zoo ruw.—(Tot Bassanio.) Gij staat geheel verbluft;
Hier hebt ge een brief; lees dien maar later door; 267
Hij komt van Padua, van Bellario;
Daar zult gij zien, dat Portia was de doctor;
Nerissa daar, zijn klerk; Lorenzo hier
Getuig’, dat ik terstond nà u vertrok,
Zoo juist terugkom en mijn huis nog niet
Betreden heb.—Antonio, hartlijk welkom,
Ik kan ook u een beter tijding brengen,
Dan gij verwacht; ontzegel dezen brief;
Gij zult vernemen, dat van uw galjoenen
Een drietal, rijk beladen, binnenviel;
Ik zeg u niet, door welk een wonder toeval
Die brief me in handen kwam.
Antonio.
Die brief me in handen kwam. Ik sta verstomd.
Bassanio.
Waart gij de doctor, en ik kende u niet?
Gratiano.
Waart gij de klerk, die mij mijn vrouw ontvrijde?
Nerissa.
Ja, maar de klerk zal ’t zeker nimmer doen,
Tenzij dat hij ’t beleeft, dat hij een man wordt.
Bassanio.
Nu, doctor, wees mijn bedgenoot; ’k vertrouw,
Moet ik er soms op uit, u graag mijn vrouw.
Antonio.
Gij, levenschenkster, schenkt mij thans ook leeftocht;
Want hier zie ik bevestigd, dat mijn schepen
In veil’ge haven zijn.
Portia.
In veil’ge haven zijn. En gij, Lorenzo!
Mijn klerk heeft ook voor u een goed bericht.
Nerissa.
Ja, en ik geeft hem zonder schrijversloon;—
Maar overhandig u en Jessica,
Hier thans een schenking van den rijken jood
Van alles, wat hij bij zijn dood bezit.
Lorenzo.
Gij, eedle vrouwen, drupt een hongrig volk
Hier manna op hun weg.
Portia.
Hier manna op hun weg. ’t Is bijna dag;
En zeker ziet ge op verre na niet in,
Hoe alles zich wel toedroeg. Gaan wij binnen,
En neemt ons, als ge wilt, daar in ’t verhoor;
Wij geven u op alles klaar bescheid.
Gratiano.
Ja, zij dat zoo; en de eerste vraag, die ’k stel,
Nu ik Nerissa mag verhooren, is,
Of zij dat lange waken uit kan staan,
Of, twee uur vóór den dag, ter rust wil gaan;
Maar zeker zou ik, kwam de dag, dan vragen,
Dat hij voor eens zijn dagen will’ vertragen.
Hoe ’t zij, mijn leven lang zal ik geen ding
Zoo trouw bewaren als Nerissa’s ring.
(Allen af.)