Reintje was uit zijn hol gejaagd en geschoten; wij dronken bier ter eere van den doode bij den schout en sloten ’t rouwmaal met een’ vroolijken dans.
Met ’t oog op den vermoeienden dag, welken wij achter den rug hadden, den roem, dien wij hadden ingeoogst, en, wat mij betreft, de drie kwartier, welke ik had af te leggen, namen wij kort na elven afscheid. De schout bood aan mij zijn paard te leenen. ’k Was erkentelijk voor deze heuschheid, maar wijl de rijweg dubbel zoo lang was, verkoos ik te gaan, zooals ik was gekomen, langs den kortsten weg en op sneeuwschoenen. Met den vossehuid en ’t geweer over den schouder en den staf in de hand, reed ik heen. De weg was uitmuntend: den heelen dag had de zon geschenen en de koude van den avond had de sneeuw met eene harde korst bedekt; de maan stond klaar aan den hemel en de sterren tintelden. Wat kon ik meer verlangen? Vlug gleed ik heen over de heuvels en vlakten en tusschen de ranke berken door, wier kronen als zilveren koepels in de lucht schenen te zweven en waarin de uilen in den stillen nacht akelige histories zaten te vertellen. De haas klaagde over de koude en ’t vervelend gebeuzel der uilen; de vos was op liefdesavonturen uit, zocht zijne medeminnaars ’t veld te doen ruimen en stiet een hoonend geschreeuw uit.
Een tijdlang moest ik mij dicht aan den grooten weg houden; hier kwam een man, in een wambuis van berevel gekleed, in zijne slede mij achterop rijden. Toen hij uit mijn geweer en mijn’ buit bespeurde, dat ik jager was, knoopte hij een gesprek met mij aan en zeide, dat wanneer ik naar den oever der rivier wilde gaan, ik daar eene kudde wolven zou ontmoeten; toen hij de heuvels bij de baai had bestegen, had hij ze de ijsvlakte zien naderen. Ik dankte hem voor zijne mededeeling en beklom een’ heuvel. Van hier strekte zich een dennenboschje naar den stroom uit, zoodat het vrije uitzicht werd belet. De wolven zag ik niet. Wellicht waren ze echter aan genen kant van het boschje, en suizend ging het weer voort in de schaduw van het dennenhout, terwijl de elzenstruiken, waartusschen ik door schoot, mij om de ooren klapperden. Maar in mijne pijlsnelle vaart was ’t onmogelijk de voorwerpen te onderscheiden; eer ik ’t wist, vloog ik tegen een’ struik aan; een mijner sneeuwschoenen brak, en daar lag ik met ’t hoofd half onder de sneeuw bedolven. Toen ik trachtte op te staan, voelde ik zulk eene pijn in den eenen voet, dat ik dien nauwelijks kon gebruiken; ik moest eene poos op de knieën rondkruipen en vond zoo eindelijk mijn geweer terug met den loop vol sneeuw. Pas had ik mij aan den oever der rivier in hinderlaag gelegd, of eene kudde wolven kwam langzaam nader; daar waren er in ’t geheel vijf. Ik wachtte ze met jagersongeduld af, en toen ze tachtig schreden van mij verwijderd waren, legde ik aan. ’t Eerste schot weigerde; bij ’t tweede gaf ik vuur; maar de kogels troffen de dennetoppen aan den overkant der rivier, en de wolven kozen in allerijl het hazenpad.
Vol ergernis stond ik op; de pijn in den voet was nog heviger dan straks en, leunende op mijn geweer, sleepte ik mij een eindweegs op de bevrozen rivier voort om te zien, waar ik eigenlijk was. Tot mijne blijdschap steeg eene rookzuil boven de boomtoppen aan den overkant op; nu wist ik waar ik mij bevond: nabij Tuppenhaug, eene hoeve niet ver van mijne woonplaats. Met veel moeite klauterde ik den steilen, meer dan tweehonderd schreden hoogen heuvel op, maar smaakte toen ook de voldoening het schijnsel van een vroolijk vuur door ’t venster der hoeve te zien schitteren. Ik hinkte naar de deur, lichtte de klink op en trad binnen, zoo wit als een molenaar.
„In ’s Hemels naam, wie is daar?” riep de oude Bertha, terwijl zij van schrik een gepekeld stuk vleesch liet vallen, dat zij bezig was te snijden.
„Goeden avond; schrik maar niet, gij kent mij toch, Bertha?” zeide ik.
„Hé, is mijnheer de student nog zoo laat buiten; ik schrok werkelijk van u; ge zijt wit van de sneeuw en ’t is middernacht,” antwoordde Bertha, terwijl zij opstond. Ik vertelde ’t ongeval, dat mij was overkomen, en verzocht haar een’ der jongens te wekken en dien naar mijn huis te zenden om een paard en eene slede.
„Ja, ’t komt wel uit, wat ik altijd zeg: de grauwpooten nemen wraak,” mompelde zij bij zich zelven.
„Ze wilden ’t niet gelooven, toen ze verleden jaar jacht op hen maakten en Per zijn been brak; nu kan men alweer zien, dat ze zich wreken.”
„Ja, zie-je,” zei ze, terwijl ze naar de bedstede liep, waar de familie in koor lag te snorken, „ze hebben den heelen dag voor Nordigaard hout bij de rivier vandaan gehaald. Kleine Ola, sta op en haal een paard voor mijnheer den student! Sta dan op, Ola!”
„Hè...” zeide Ola met een akelig neusgeluid, terwijl hij zich bewoog. De slaap was hem echter een al te groot genot, dan dat hij zich zoo gemakkelijk daarvan liet aftrekken, en er verliep eene eeuwigheid, die hij besteedde met de oogen uit te wrijven, te geeuwen en te gapen, en allerlei zotte vragen te doen, eer hij zich uit den saamgeraapten hoop dekens en vellen in de bedsteê losgewikkeld, buis en broek aangeschoten had en recht begreep, wat hij nu eigenlijk moest doen. De belofte van een’ drinkpenning scheen intusschen zijn begrip wat te doen opklaren en verjoeg zelfs alle vrees voor den berk, waarin Ole Askerudsbraaten zich had opgehangen en dien hij voorbij moest. Onder de overleggingen tusschen den witharigen Ola en de oude Bertha had ik gelegenheid den inventaris van ’t vertrek op te nemen, die bestond uit een weefgetouw, een spinrokken, stoelen met houten ruggen, bezemstokken, melkemmers en half afgemaakte bijlstelen, eenige kippen op den balk achter de deur, een oud musket aan den zolder, latten, die zuchtten onder een’ last van dampende kousen en duizend andere dingen, met wier opsomming ik den lezer niet zal vervelen.
Toen de knaap eindelijk vertrokken was, zette Bertha zich bij den haard neder. Zij was in feestdos, dat wil zeggen, in de gewone dracht der oude vrouwen uit hare geboortestreek Hadeland, vanwaar zij naar Romerike was verhuisd: een blauw jak met geweven band omboord, een zwart schort met plooien en eene huif met strikken, die van achteren over den nek hing. Glinsterende oogen, die onophoudelijk in beweging waren, en eenigszins scheef in ’t hoofd stonden, uitstekende jukbeenderen, een breede neus en eene bruine kleur gaven Bertha’s gelaat eene vreemde, oostersche uitdrukking; men kon haar niet zien, zonder aan eene tooverheks te denken, en dat was zij ook: zij was de vermaardste tooveres uit den omtrek.
Ik gaf mijne verwondering te kennen, dat zij nog op was en vroeg, of zij nog vreemden wachtte, daar zij zoo sierlijk was uitgedost.
„Neen, dat nu wel niet,” antwoordde zij, „maar mijnheer de student moet weten, dat ik naar ’t kerspel van Ullen ben geweest, om eene vrouw te belezen, die de tering heeft; en daarna ben ik gehaald bij een knaapje, dat aan de engelsche ziekte lijdt; toen moest ik nog lood boven ’t hoofd van ’t kind smelten, en zoo was ik pas tehuis gekomen, schoon men mij met de slede tot aan het posthuis had gebracht.”
„Maar, Bertha,” zeide ik zoo ernstig mogelijk, „zoudt ge dan ook niets kunnen doen tegen de pijn in mijn’ voet?”
„Och ja, daar weet ik wel raad voor; Siri Nordigaards been werd ook niet gezond, eer ik er bijkwam, schoon de dokter zoowel als vrouw Nedigaard er aan hadden gekunsteld,” antwoordde ze met een’ minachtenden trek om den mond, „en wanneer mijnheer de student er aan gelooft,” voer ze voort, terwijl ze een’ twijfelenden blik op mij sloeg, „dan kan ’t niet schaden een glas brandewijn te belezen en ’t vocht op den voet te gieten.”
„Welnu doe dat, ’t zal stellig helpen,” zeide ik, in de hoop wellicht in een of ander geheim der heksen te worden ingewijd. Bertha haalde een klein fleschje en een glas op drie pootjes uit eene beschilderde kist, vulde ’t glas met brandewijn, zette het op den haard, knoopte den sneeuwsok los en hielp mij den schoen uittrekken. Nu sloeg zij eenige malen een kruis over den brandewijn en begon tooverspreuken op te zeggen; zij meende ze te fluisteren, maar daar zij tamelijk doof was, kon ik ’t gansche formulier van woord tot woord verstaan; zóó luidde het:
Ik wilde eens spoedig aan d’ overkant zijn:
Daar hinkte mijn zwarte veulen van pijn;
Toen gaf ik vleesch voor vleesch en bloed voor bloed,
En spoedig liep mijn beest weer goed.
Nu ging hare stem over in een onverstaanbaar gemompel. Aan ’t slot der tooverspreuk kwam een herhaald: „Verdwijn, verdwijn,” dat uitgezonden werd naar de vier hoeken der wereld.
In ’t vuur der bezwering was zij opgesprongen; nu zette zij zich op nieuw aan den rand van den haard neder. Het koude vocht, dat verdampte, naarmate zij ’t over mijn’ brandenden, opgezwollen voet uitgoot, bracht eene aangename verkoeling te weeg.
„’t Schijnt reeds te helpen, Bertha,” zeide ik; „maar zeg mij eens, welke woorden hebt gij toch over den brandewijn uitgesproken?”
„Ik zal wel oppassen, dat ik dit niet vertel;—dan zoudt gij me wellicht verklagen bij den predikant of den dokter,” zei ze met een’ grijnslach, die moest beteekenen dat zij om den een zooveel gaf als om den ander; „en die mij de kunst leerde,” vervolgde zij, „moest ik beloven ’t geheim aan geen enkel christenmensch te openbaren, behalve aan mijn eigen vleesch en bloed; en daarop heb ik zoo duur gezworen, dat God mij moge bewaren voor ’t schenden van dien eed.”
„Dan zal ’t mij niet baten, indien ik er naar vraag, Bertha,” zeide ik, „maar vertel mij toch eens: hebt gij die kunst van een’ mensch geleerd of van een’ geest?”
„Neen, van een’ mensch; van een’ oom van mij, Mads, in ’t Hurdal,” antwoordde zij. „Hij kende allerlei tooverspreuken en wist raad voor jicht en andere pijnen; hij kon bloed stelpen en lood koken—ja, ’k geloof zelfs, dat hij iemand kon beheksen en betooveren. Van hem heb ik alles geleerd. Maar hoe knap hij ook was, zich zelven kon hij toch niet voor hekserij behoeden.”
„Hoe zoo? Werd hij dan zelf behekst; kostte ’t hem misschien ’t leven?” vroeg ik.
„Neen, zoover kwam ’t niet,” antwoordde Bertha. „Maar toch sedert was hij nooit recht in orde; lange jaren was hij „huldrin.”1 Mijnheer de student zal wel denken, dat ’t niet waar is,” zei ze met een’ vorschenden blik, „maar ’t was mijn moeders broeder, en men heeft mij gezegd, dat hij ’t meer dan honderdmaal heeft verteld en zelfs bezworen.
„Oom Mads woonde op Knae in ’t Hurdal. Vaak was hij in ’t gebergte om boomen te vellen en hout te hakken, en wanneer hij daar was, placht hij er ook des nachts te blijven; hij bouwde dan eene hut en maakte daarin eene legersteê. Eens bevond hij zich met twee anderen in het woud; juist toen hij een’ zwaren boom had geveld en een ommezien zat uit te rusten, kwam een kluwen garen langs de helling vlak voor zijne voeten rollen. Hij begreep er niets van en dorst het kluwen niet opnemen; had hij ’t ook later maar niet gedaan dan ware ’t beter voor hem afgeloopen! Intusschen keek hij toch op, want hij wilde weten, waar ’t vandaan kwam. En ja wel, hooger op den berg zat eene jonkvrouw te naaien; zij was zoo schoon en zag er zoo vriendelijk uit, dat hij de oogen niet van haar kon afwenden.
„Neem het kluwen op,” zei ze. Hij deed het en bleef als geboeid aan de plek, waar hij stond en werd niet moede haar aan te staren, zoo lief zag zij er uit. Eindelijk moest hij toch den bijl weer opnemen en zijn’ arbeid voortzetten; toen hij een oogenblik bezig was geweest en weer opkeek, was zij verdwenen. Den heelen dag kwam zij hem niet uit de gedachte; hij wist niet, wat hij er van denken moest, maar vergeten kon hij haar niet. ’s Avonds gingen zijne makkers naar bed; hij volgde hun voorbeeld en legde zich tusschen hen in; maar eer nog de middernacht kwam, verscheen de jonkvrouw en gelastte hem haar te volgen, of hij wilde of niet. Zij voerde hem binnen in den berg, en daar was alles zoo fraai, als hij nog nooit iets had gezien; hij kon zich niet verzadigen aan alle pracht en weelde. Drie etmalen bleef hij bij haar. Toen de morgen van den vierden dag aanbrak, ontwaakte hij, en daar lag hij weer tusschen zijne makkers. Dezen meenden, dat hij om proviand uit was geweest, en hij sprak hun niet tegen. Maar sinds was ’t nooit richtig met hem; pas zat hij of hij maakte allerlei vreemde sprongen en vloog heen; hij was „huldrin,” dat was hij.
„Eene heele poos later was hij in ’t veld bezig met hout te kloven. Juist had hij de wig in een’ boomstam gedreven, zoodat deze overlangs was gespleten, toen zijne vrouw hem ’t middagmaal kwam brengen;—zoo dacht hij ten minste. ’t Was roompap; zoo vet, als hij ze nooit had gegeten, en in eene pan, die blonk, of ze van louter zilver was. De vrouw gaat op den boomstam zitten; en hij legt den bijl weg en zet zich op een houtblok dicht bij haar. Daar bespeurt hij op eens eene koestaart in de spleet van den stam. Ge begrijpt, dat hij nu de spijs niet aanraakte; ongemerkt wrong hij de wig uit het hout, de spleet sloot zich toe, en vast zat de staart. Daarop schreef hij den naam Jezus op de pan, en nu moest de Hulder—want dat was ze—weg: zij vloog op, met zooveel kracht, dat de staart dwars afbrak en in den stam bleef zitten. Weg was zij; waar ze gebleven was, wist hij niet. Pan en spijs waren niets dan een stuk boomschors, gevuld met koemest. Sedert durfde hij bijna nimmer het bosch ingaan, uit vrees dat zij zich zou wreken.
„Maar vier of vijf jaren later was er een paard van hem verdwenen, en nu moest hij ’t toch gaan zoeken. Pas was hij ’t bosch in, of hij bevond zich op eens in eene hut; hoe hij er kwam, dat begreep hij zelf niet. Een leelijk wijf liep heen en weer, en in een’ hoek zat een kleine jongen, die een jaar of vijf oud scheen; ’t wijf nam de bierkan en gaf haar den knaap. „Ga vader een teug bier brengen,” zei ze. Vol schrik ging deze op de vlucht, en sedert heeft hij nimmer iets gezien of gehoord, van haar noch den knaap; maar vreemd en zonderling bleef hij altijd.”
„Hij was zeker niet wel bij ’t hoofd, Bertha, die Mads Knae,” zeide ik, „en een echte duivelbanner kan hij, dunkt mij, niet zijn geweest; dan had hij zich beter kunnen verweren. Maar voor ’t overige is die historie met ’t kluwen garen heel vreemd.” Dat meende Bertha ook, maar aan de echtheid van Mads tooverkunsten kon toch onmogelijk getwijfeld worden. Terwijl wij hierover nog praatten, verzocht ik Bertha mijne weitasch te brengen, en nadat ik eene pijp had gestopt, reikte zij me een brandend stuk hout en begon eene nieuwe vertelling:
„Lang, heel lang geleden—’t was in den zomer—had de eigenaar der hoeve Melbustad in Hadeland zijn volk met ’t vee naar den saeter gezonden. Nog slechts korten tijd was men er, of ’t vee begon zoo onrustig te worden, dat niemand ’t langer kon regeeren. De eene meid na de andere werd er mee uitgezonden, maar geen van haar wou ’t gehoorzamen. Eindelijk kwam de beurt aan een meisje, dat onlangs haar verlovingsfeest had gevierd. Nu kwam op eens de kudde tot rust, en ’t kostte haar volstrekt geen moeite het vee te hoeden. Men liet haar alleen op den saeter achter; geen ander levend wezen had ze bij zich dan den hond. Terwijl ze op zekeren namiddag in de hut zat, verbeeldde zij zich, dat haar liefste binnentrad, naast haar ging zitten en zeide, dat ze nu bruiloft moesten houden. Maar zij antwoordde niets, want zij werd zoo wonderlijk te moede! Langzamerhand kwamen er eene menigte menschen binnen; zilveren borden en schotels met spijzen gevuld werden op de tafel gezet, en bruidsmeisjes droegen eene kroon en allerlei sieraden en een prachtig bruidskleed. Zij trokken ’t haar aan en zetten haar de bruidskroon op ’t hoofd en staken ringen aan hare vingers. En geen van allen kwam haar onbekend voor; ’t leken allen vrouwen en meisjes, die op de hoeve dienden. Maar de hond begreep wel, dat de zaken niet zuiver stonden. Hij liep, zoo snel hij kon, naar Melbustad en blafte en jankte en huilde en hield niet op, eer de meeste bewoners hem volgden.
De jongeling, die naar de deerne vrijde, nam zijn geweer en snelde naar den saeter; toen hij daar aankwam, stond het heele erf vol gezadelde paarden.
Hij sloop weg, gluurde door eene reet van de deur en zag den ganschen stoet daar binnen. Dadelijk begreep hij, dat alles tooverij en ’t werk van de aardgeesten was; daarom schoot hij zijn geweer af over het dak. Op ’t zelfde oogenblik vloog de deur open, en ’t eene kluwen garen na ’t andere rolde naar buiten en wikkelde zich om zijne voeten. Zoo werd hij de hut ingetrokken, en daar zag hij zijne liefste zitten, in volle bruidsstaatsie; alleen een kleine ring aan de pink ontbrak nog aan haar’ tooi.
„In Jezus’ naam, wat is hier te doen?” vroeg hij, terwijl hij rondkeek. Oogenblikkelijk waren al de heerlijke spijzen veranderd in mos en paddestoelen, in koemest en padden en krekels en meer van dien aard; alleen ’t zilverwerk stond nog op de tafel.
„Wat beteekent dat alles?” zeide hij, „ge zit opgeschikt als eene bruid?”
„Hoe kunt ge dat vragen?” antwoordde ’t meisje, „gij hebt hier den heelen namiddag gezeten en over niets anders gesproken, dan over bruiloft houden.”
„Neen, nu eerst kom ik; maar ’t zal iemand zijn geweest, die mijne gedaante heeft aangenomen,” hernam de jongeling.
Langzamerhand begon nu ook ’t meisje tot zichzelve te komen; maar ’t duurde lang eer zij weer volkomen bij haar zinnen was. Toen vertelde zij, hoe ze duidelijk had meenen te zien, dat haar minnaar en al ’t volk van Melbustad en al de buren op den saeter waren geweest. De jongeling nam haar dadelijk mede naar ’t dorp, en opdat geen nieuwe betoovering haar zoude overvallen, hielden zij dienzelfden avond nog bruiloft. De bruid droeg de kroon en de sieraden, die de aardgeesten haar hadden geschonken, en later hing men alles op in de hoeve. Daar moet men ’t nog kunnen zien tot op den dag van heden.”
„Wat gij daar verteld hebt, moet in Valders zijn gebeurd, Bertha,” merkte ik op.
„Neen, in Hadeland is ’t geschied, juist zooals ik verteld heb,” zeide zij; „maar toen ik nog te huis was, hoorde ik iemand uit Valders eene historie verhalen, die daar gebeurd moet wezen en die er sterk op gelijkt. Luister maar.
„Daar diende op eene hoeve ergens in Valders een meisje, dat Barbara heette; zij lag ’s zomers op den saeter.
„Op zekeren dag vernam zij eene stem, die uit den heuvel scheen te komen:
„Koning Haakon, koning Haakon!”
„Ja,” schreeuwde koning Haakon, dat ’t langs alle heuvelen weergalmde.
„Koning Haakon, mijn zoon, wilt gij trouwen?” klonk ’t op nieuw.
„Ja, dat wil ik wel,” antwoordde koning Haakon, „als ik Barbara kan krijgen, die op gindschen saeter is, anders—”
„O, dat kunt gij wel,” hoorde Barbara zeggen, en zij ontstelde er zoo van, dat zij niet wist, wat zij deed.
„Op eens trad er nu eene groote schaar den saeter binnen, met spijzen en dranken en zilveren vaten en kroezen, met kleederen en sieraden, met eene bruidskroon en zilveren gespen. De tafels werden gedekt en de bruid gekleed, en deze was buiten staat zich ergens tegen te verzetten.
„Dit meisje had ook een’ minnaar; hij was op de jacht. Maar plotseling werd hij door een hevigen angst overvallen, die hem naar den saeter dreef. Toen hij dezen naderde, stond het erf vol zwarte paarden met ouderwetsche zadels en teugels, zoodat hij onmiddellijk begreep, wat er aan de hand was. Hij tuurde door eene reet en zag den heelen bruidsstoet: koning Haakon was de bruidegom, en de bruid zat fraai uitgedost aan zijne zijde.
„Ja, nu is er niets meer te doen, dan haar de oogen uit te steken,” zeide een der bruidsmeisjes.
„Dan wordt het tijd,” dacht de jongeling, „dat ik tusschen beiden kom.” Hij nam een’ zilveren knoop, een erfstuk, laadde daarmee zijn geweer en mikte op koning Haakon, die getroffen nederstortte.
„Onmiddellijk toog de gansche stoet op de vlucht; de koning werd opgenomen en meegevoerd, en de spijzen veranderden in spinnen, wormen en padden, die van de tafel sprongen en in allerlei hoeken en gaten wegkropen. Niets bleef er over dan de bruidssieraden en een zilveren schotel; tot op den huidigen dag moeten ze op de hoeve te zien zijn.”
Nog vele andere histories vertelde Bertha. Eindelijk hoorde ik de sneeuw kraken onder de slede en ’t paard hinneken voor de deur. Ik stopte Bertha eenige schellingen in de hand voor hare verpleging, en binnen een kwartier was ik tehuis. Omslagen met azijn en frisch water deden den voet weldra genezen; maar toen Bertha eens in de keuken verscheen en, pochend op hare kunst, zich de eer mijner spoedige genezing wilde toeëigenen, konden de jongens zich niet langer bedwingen; zij schreeuwden haar de tooververzen in ’t oor, die ik hun had geleerd, en vroegen spottend of eene teug brandewijn en eenige onzinnige woorden een geneesmiddel waren tegen kneuzingen. Dit maakte haar wantrouwend; schoon ze mij ook na dien tijd nog veel zonderlinge histories verhaalde, is ’t mij, ondanks alle list en overreding, nimmer gelukt een tipje van den sluier op te lichten, waarmede zij de geheimen harer tooverkunst bedekt hield.
’t Was een treurige avond. Buiten stoven de sneeuwvlokken u om de ooren; binnen, bij den landheer, brandde ’t licht zoo flauw, dat ge geen andere voorwerpen kondt onderscheiden dan eene ouderwetsche klok met chineesche figuurtjes, een’ grooten spiegel in eene antieke vergulde lijst en een’ zilveren beker, een erfstuk, dat in hooge waarde werd gehouden. In de kamer bevond zich niemand dan de landheer en ik. Ik zat in den eenen hoek der sofa met een boek in de hand, terwijl de landheer in den anderen had plaats genomen en verdiept was in de lectuur van een pak „zure en zoete staatsburgers,” zooals hij de couranten noemt in zijne Verhandeling, getiteld: „Proeve over eenige oprechte vaderlandsche ontboezemingen tot welzijn des vaderlands. Uit bescheidenheid door een’ anonymus.”
Uit de grondige studie van deze goudmijn voor zijne denkbeelden, putte hij, zooals bekend is, verscheidene kluchtige meeningen. Dat hij zelf echter volkomen overtuigd was van hare voortreffelijkheid, scheen de diepzinnige blik te moeten aanduiden, welken hij mij uit zijne grijze oogen toewierp; en weldra werd ik dan ook overstelpt met „oprechte vaderlandsche ontboezemingen”, over wier gehalte hij ’t best kan oordeelen, die aanleiding mocht hebben gevonden een kijkje te nemen in bovengemelde Proeve of in zijne uitvoerige Verhandeling, in manuscript, over de tienden. Maar al deze wijsheid werd aan een’ ondankbare verspild; ik kende haar reeds op mijn duimpje, want ik vernam haar nu voor de twintigste maal. Ik ben niet begiftigd met engelengeduld, maar wat zou ik doen? Mij terugtrekken op mijne kamer, ging niet; zij werd schoon gemaakt voor den Zondag. Nadat ik eenige vruchtelooze pogingen had aangewend, om mij in mijn boek te verdiepen, moest ik mij dus wel laten meevoeren op den veelbewogen stroom van ’s landheers welsprekendheid. Deze bereed thans zijn stokpaardje; zijn mutsje, dat van ouderdom geheel rood was geworden, had hij naast zich op de sofa gelegd, zoodat zijn hoog voorhoofd en zijne weinige grijze haren in al hunne eerwaardigheid voor den dag kwamen; hij sprong op en sloeg met de armen om zich heen, of ’t molenwieken waren; met haastige schreden liep hij de kamer op en neer, zoodat de vlam der lamp heen en weer woei en de zwaaiende panden van zijne grijze, gevoerde huisjas van „vadmel” groote kringen beschreven, telkens als hij zich op zijn langste been ronddraaide; want als Tyrtaeus was hij kreupel. Zijne gevleugelde woorden suisden mij om de ooren als meikevers in een’ lindeboom. Telkens kwam er een nieuwe stroom over processen en staatsburgerlijke rechten, twisten over oppervoogdijschap en ’t vellen van hout of de toenemende weelde, over de handelingen der regeering en over mijnontginning, over belasting op ’t koren en grondontginning, over industrie en centralisatie, over bureaucratie en ambtenaarsaristocratie, en over alle cratiën, satiën en triën, die ooit bestaan hebben of nog bestaan van Nebukadnezar’s tijden tot op den dag van heden.
De scherpzinnigheid en ’t pathos van den landheer waren niet langer om uit te staan. Uit de keuken klonk telkens in koor een schaterend gelach; daar voerde Christiaan, de smid, het woord; juist zweeg hij stil, en daar klonk op nieuw een hartelijk lachen.
„Ja,” zeide ik, „nu moet ik toch eens de vertellingen van den smid gaan hooren,” liep regelrecht de kamer uit en liet den landheer alleen met zijne half duistere lamp en zijne niet minder duistere redeneeringen.
„Kinderpraat en logenachtig gebeuzel!” bromde hij, terwijl ik de deur achter mij toesloot; „’t is schande voor een gestudeerd mensch; maar oprechte vaderlandsche ontboezemingen—” meer verstond ik niet.
Licht en leven en vroolijkheid schitterden in de hooge ruime keuken. Een vuur, dat zelfs den donkersten hoek verlichtte, vlamde aan den haard. Daar troonde, naast den schoorsteen, de echtgenoot van den landheer met haar spinnewiel. Ofschoon zij sinds vele jaren aan jicht leed en zich tegen de aanvallen dezer kwaal had verschanst binnen een’ berg van jakken en rokken en als buitenwerk daaroverheen een reusachtig grijs kleed van „vadmel” had aangetrokken, glinsterde toch haar gelaat van onder de huif als de volle maan. In hare nabijheid zaten de jongens en lachten en kraakten noten. In ’t rond zat een kring van dienstmeisjes en vrouwen van daglooners; „zij bewogen het spinnewiel met vlijtigen voet of hanteerden de scherpe kaarde.” In het voorhuis stampten de houthakkers de sneeuw van hunne voeten, traden binnen met de spaanders nog in de haren en zetten zich aan de lange tafel neder, waar de keukenmeid het avondmaal voor hen gereed zette: eene nap melk en een schotel gestampte grutten. Tegen den schoorsteen leunde de smid; hij rookte zijn kort pijpje, en op zijn gelaat, dat zijne vertrouwdheid met den oven verried, lag een droge, ernstige trek, die bewees, dat hij verteld en goed verteld had.
„Goeden avond, smid,” zeide ik; „wat vertelt gij toch, dat zoo den lachlust gaande maakt?”
„Hi, hi, hi,” lachten de jongens, en men kon ’t hun aanzien, hoe zij genoten. „Christiaan heeft verteld van den smid en den duivel, en van den jongen, die den duivel in een’ notendop had, en nu zal hij vertellen van Peter Sannum, dien de aardgeesten met zijn paard vasthielden op den Asmyr-heuvel.”
„Ja,” begon de smid, „die Per Sannum woonde op een der Sannum-hoeven ten noorden van de kerk. Hij was een toovenaar, en vaak werd hij met paard en slede gehaald om menschen of vee te genezen, evenals oude Bertha Tuppenhaug. Maar wat hiervan zij, hij was nog niet knap genoeg, want op zekeren keer lieten de aardgeesten hem een’ ganschen nacht in zijn’ tuin staan, met den mond scheef getrokken en wijd open, en ’t ging hem evenmin naar den zin bij de gelegenheid, waarvan ik nu wil vertellen. Die Peter kon ’t nooit met iemand vinden, precies als—hm, hm—nu ja, ’t was een echte ruziezoeker! Zoo had hij eens eene zaak, die beslist moest worden door de stiftsrechtbank te Christiania; ’s morgens om negen uur moest hij daar verschijnen. Hij rekende er bijtijds te kunnen zijn, wanneer hij den vorigen avond van huis ging, en zoo deed hij ook; maar toen hij op den Asmyr-heuvel kwam, werd zijn paard vastgehouden, zoodat hij niet verder kon komen. Ge moet weten, dat ’t daar alles behalve richtig is; zeer lang geleden heeft iemand zich daar opgehangen en vaak hoorde men er muziek van violen, klarinetten, fluiten en andere blaasinstrumenten. Ja wel, oude Bertha weet er alles van; zij heeft ’t zelve gehoord en zegt, dat ’t even prachtige muziek was als bij den schout in 1814. Niet waar, Bertha?” vroeg de smid.
„Ja dat ’s waar; zoo zeker als er Één hier boven is,” antwoordde de aangesprokene, die bij den haard wol zat te kaarden.
„Nu dan, ’t paard werd vastgehouden,” ging de smid voort, „en wilde niet van de plek, waar ’t stond. Hoe hij dreigde en schreeuwde en sloeg, ’t beest danste in een’ kring rond, maar wilde voor- noch achteruit. Het eene uur na ’t ander verliep, maar het werd niet anders. Zoo ging het den ganschen nacht; ’t was duidelijk dat er een was, die het dier vasthield, want wat Sannum ook vloekte en schold, hij kwam niet verder. Maar toen ’t daglicht aanbrak, steeg hij af en liep naar Ingebret Asmyrhaugen en verzocht hem mee te gaan en een brandend stuk hout met zich te nemen. En nadat Per zich in den zadel had gezet liet hij Ingebret het stuk hout boven den rug van ’t paard houden. En ziet, daar stoof ’t eensklaps heen, in zulk een’ dollen ren, dat Per zich aan de manen moest vastklemmen om te blijven zitten, en ’t kwam niet tot staan, eer het de stad had bereikt, maar toen ook viel het dood neder.”
„Die historie heeft men mij ook wel verteld,” zei oude Bertha, terwijl zij haren arbeid staakte, „maar ik heb nooit willen gelooven, dat Per Sannum zoo iets niet kon beletten; intusschen daar gij ’t zegt, Christiaan, zal ’t wel zoo zijn.”
„Dat is ’t ook, „hernam de smid; „Ingebret Asmyrhaugen, die ’t brandend stuk hout boven den rug van ’t paard hield, heeft ’t mij zelf verteld.”
„Hij had door ’t hoofdstel moeten kijken, niet waar, Bertha?” vroeg een der knapen.
„Dat had hij juist,” antwoordde deze, „want dan had hij kunnen zien, wie ’t paard vasthield, en dan ware de betoovering verbroken. Dat heb ik van iemand, die van dergelijke dingen meer wist dan anderen, van Hans Durf-al, zooals hij bij ons in Hadeland werd genoemd. De menschen noemden hem ook wel Hans Overleg, want hij had tot spreekwoord: „Alles met overleg.” Hem hadden de aardgeesten weggevoerd en verscheidene jaren bleef hij bij hen, tot ze eindelijk eischten, dat hij eene Huldermaagd, die op hem verliefd was, tot vrouw zou nemen. Dit weigerde hij echter standvastig, en daar men gedurig de klokken voor hem luidde, wierpen de geesten hem van een’ verbazend hoogen bergtop in de diepte, zoodat ’t weinig scheelde, of hij ware in een fjord terecht gekomen. Van dien tijd af was hij simpel. Hij werd van de armenkas onderhouden en zwierf van hoeve tot hoeve en vertelde daar allerlei wonderlijke histories. Maar vaak, als hij rustig zat te vertellen, riep hij plotseling: „Hi, hi, hi, Kari Karina, ik zie je wel,” want overal volgde hem ’t Huldermeisje.
„Terwijl hij onder de aardgeesten verkeerde, zoo verhaalde hij, moest hij hen altijd vergezellen, wanneer zij zich gingen voorzien van spijs en melk, want alles, waarover het teeken des kruises was gemaakt of wat in Jezus’ naam was gezegend, moesten zij laten liggen. Dan zeiden ze tot Hans: „Haal gij dit weg, want daar is over „gekrabbeld,” en dan moest Hans zulke vrachten in de korven stapelen, die zij op den rug droegen. En zoo goed werden de korven gevuld, dat ze haast onder den last bezweken. Maar wanneer zij een’ donderslag hoorden, liepen ze zoo snel heen, dat Hans hen onmogelijk kon volgen. Een der aardgeesten, Vaatt geheeten, moest Hans altijd verzellen, en deze was zoo sterk, dat hij, zoodra er een onweder losbrak, bij zijn’ vracht ook Hans van den grond tilde en met hem op den loop ging. Eens ontmoetten zij den Voogd van Ringerike in een diep dal van Halland; Vaatt pakte het paard van den Voogd beet en hield het staande, ofschoon de Voogd schreeuwde en sloeg uit alle macht en ’t dier verschrikkelijk mishandelde. Maar toen de staljongen van de naburige hoeve er bijgekomen was en door ’t hoofdstel keek, moest Vaatt het paard onmiddellijk loslaten. „En weg vloog nu ’t beest,” zei Hans, „maar ’t scheelde niet veel, of de staljongen had er ’t hachje bij ingeschoten. En Vaatt en ik hieven zulk een akelig gelach aan, dat de Voogd zich in zijne slede omkeerde, maar hij zag niets.”
„Ja” zei een der knechts, die elders thuis hoorde, „zoo wat hoorde ik ook vertellen van een’ predikant hier. Hij moest naar eene oude vrouw, die op sterven lag, en heel slecht had geleefd. Toen hij door ’t bosch reed, bleef zijn paard plotseling stilstaan, maar hij wist raad, want ’t was een wakkere kerel, die predikant. In één’ sprong was hij de slede uit op den rug van ’t paard. Hij tuurde tusschen ’t hoofdstel door en zag een oud, leelijk man, met de hand aan de toomen—waarschijnlijk de duivel zelf.
„Laat maar los, gij krijgt haar toch niet,” zei de predikant. De duivel moest den teugel wel laten slippen, maar hij gaf tevens ’t paard een’ schop, dat het in woeste vaart heenstoof; ’t knetterde onder de hoeven en scheen te weerlichten in de boomtoppen, en de stalknaap dreigde elk oogenblik van achter de slede weggeslingerd te worden. Zoo kwam de predikant bij de stervende vrouw aan.”—
„Neen, de drommel hale mij, als ik begrijp, hoe ’t met de koe moet gaan,” zeide Mari, de melkmeid, die met eene nap binnenkwam, „ze zal stellig nog doodhongeren; zie eens, vrouw, hoe weinig melk ze geeft.”
„Maar dan moet-je meer hooi uit de schuur halen, Mari,” zei de vrouw des huizes.
„Ja wel!” antwoordde Mari, „als ik in de schuur kom, vliegen de knechts om mij heen als wilde ganzen.”
„Ik zal je een’ goeden raad geven, Mari,” zei een der jongens met een guitig gezicht, „je moet roompap koken en die donderdagavonds in de schuur zetten, dan zal de nikker je wel helpen, terwijl de knechts slapen.”
„Als er hier maar een was, dan deed ik ’t zeker,” antwoordde de melkmeid trouwhartig; „maar hier op de hoeve is geen enkele nikker te vinden, omdat men er niet aan gelooft; neen, op Naes, bij den kapitein, daar was een nikker!”
„Hoe weet je dat, Mari?” vroeg de meesteres. „Heb-je hem gezien?”
„Of ik hem gezien heb? Wel wis en zeker heb ik,” antwoordde Mari.
„O, vertel dat eens, vertel ons dat!” riepen de jongens.
„Zooals ge wilt,” zei de melkmeid en begon:
„In den tijd, dat ik bij den kapitein diende, zei de stalknecht op zekeren vrijdagavond tot mij:
„Wil-je wel zoo goed zijn, van avond de paarden voor mij te voederen, Mari? Dan zal ik je ook helpen, als je mij noodig hebt.”
„Och ja,” zei ik, „waarom niet?” want hij moest naar zijne liefste.
Toen ’t donker was geworden, voederde ik eerst de beide trekpaarden; daarop haalde ik een’ armvol hooi voor ’t rijpaard van den kapitein, dat zoo vet was en glimmend, dat men er zich wel in kon spiegelen, maar zooals ik de afgeschoten ruimte, waar ’t dier stond, wil binnengaan, daar ploft hij eensklaps op ’t hooi neder.
„Wie, wie? Het paard?” vroegen de knapen.
„Neen, neen, de nikker;—en zoo schrok ik, dat ik ’t hooi liet vallen en maakte, dat ik weg kwam. Toen Per thuis kwam, zei ik: „Hoor eens, beste Per, dat ’s eenmaal, maar nooit geef ik den paarden weer voeder voor je; de bruin van den kapitein heeft zelfs geen strootje gehad,” en nu vertelde ik hem, wat er gebeurd was.
„Och, de bruin heeft geen nood,” zei Per, „die krijgt genoeg!”
„Hoe zag de nikker er uit, Mari?” vroeg een der knapen.
„Denk-je dat ik dit kon zien?” antwoordde zij: „’t was zoo donker, dat ik mijn eigen handen niet zag, maar ik voelde hem zoo duidelijk als wat: hij was ruig en zijne oogen glinsterden.”
„O, dan was ’t zeker eene kat,” riep er een uit den hoop.
„Eene kat?” zei ze met de diepste verachting. „Ik voelde elken vinger van hem; hij had er niet meer dan vier, en alle droegen ze lange haren; als ’t de nikker niet was, dan mag ik niet levend hier vandaan komen.”
„Ja, ja; ’t was stellig de nikker,” zei de smid; „want eene pink mist hij en zijne handen moeten ruig zijn. Ik heb hem nooit aangeraakt, maar men heeft mij altijd zoo verteld. En dat hij goed voor de paarden zorgt en de beste bouwknecht is, dien men maar kan hebben, dat weten wij allen. Daar is menigeen, die veel nut van hem trekt, en van hem niet alleen, want in Ullensaker,” zoo begon hij eene nieuwe vertelling, „woonde eens een man, die evenzoo geholpen werd door de aardgeesten, als anderen door den nikker; hij woonde op Rögli. Deze man wist, dat er zich bij zijne hoeve Huldren ophielden; immers, eens terwijl hij in ’t voorjaar naar stad ging en in de Skjaellebeek zijne paarden had gedrenkt, kwam er eene groote kudde bonte koeien den heuvel over; alle dieren zagen er even welgedaan uit, en flinke, sterke paarden volgden hen met allerlei gereedschappen voor de boerderij op karren geladen. Voorop liep eene wakkere deerne met eene glimmende, witte melknap in de hand.
„Waar moet ge toch heen in dezen tijd van ’t jaar?” vroeg de landman verbaasd.
„Wel,” antwoordde ’t meisje, dat voorop liep: „wij gaan naar den saeter van Rögli in Ullensaker; daar zijn kostelijke weiden.
„Men kan zich voorstellen, hoe de man opkeek, toen hij vernam, dat zij naar zijn eigen veld trokken; elk dien hij op zijn’ weg, ontmoette, vroeg hij naar den optocht, maar niemand dan hij had er ook maar ’t geringste van gehoord of gezien.
„Op de hoeve van dezen man ging ’t dan ook somwijlen wonderlijk toe. Al de arbeid, die na zonsondergang was verricht, bleek ’s morgens vernield, zoodat hij eindelijk besloot niets meer te laten doen, als de zon was ondergegaan.
„Eens—’t was in den oogsttijd—ging hij naar den akker, om te zien, of ’t graan droog genoeg was om binnen gehaald te worden. Schoon ’t reeds wat ver in den tijd was, begreep hij het nog een paar dagen op den akker te moeten laten; maar op eens hoort hij duidelijk eene stem uit den berg komen:
„Haal het graan binnen, want morgen sneeuwt het.”
„En hij aan ’t binnenhalen, zoo spoedig hij kon; tot laat na middernacht was men bezig, maar men kreeg ’t toch in de schuur;—en ’s morgens lag de sneeuw een voet dik op ’t veld.—
„Niet altijd zijn de aardgeesten zoo vriendelijk,” merkte een der knapen tot den smid op; „hoe ging ’t de Hulder, die de bruiloftskost stal en op Eldstad haar’ hoed verloor?”
„Dat zal ik u vertellen,” zei de smid, die gretig dezen wenk opving om een nieuw verhaal te beginnen.
„Op Eldstad in Ullensaker werd eens bruiloft gehouden; maar men had er geen’ bakoven en zag zich dus genoodzaakt het gebraad naar de naaste hoeve te brengen, waar men wel zulk een’ oven bezat. Tegen den avond werd er een jongen uitgezonden om het terug te halen. Toen hij over eene der vlakten daar kwam, hoorde hij duidelijk roepen:
„Hoor eens, zoo ge naar Eldstad rijdt, zeg dan aan Deld, dat Dild in ’t vuur is gevallen.”
„De knaap schrok en joeg zijn paard steeds harder voort; hij reed, dat zijne neus bijna bevroor, want ’t was vinnig koud en de slede vloog over de sneeuw. En telkens weer hoorde hij duidelijk dezelfde woorden achter zich. Toen hij goed en wel met ’t gebraad thuis gekomen was, ging hij aan ’t lager einde der tafel, waar de knechts en meiden heen en weer liepen, en vroeg iets te eten.
„Wel jongen, heeft de duivel de slee gemend, of ben-je niet om ’t gebraad uit geweest?” vroeg een der knechts.
„Zeker ben ik,” zeide hij, „daar wordt het al binnen gebracht, maar ik heb gereden, dat ’t paard er haast bij neerviel, want toen ik op de vlakte kwam, werd er achter mij geroepen:
„Hoor eens, zoo ge naar Eldstad rijdt, zeg dan aan Deld, dat Dild in ’t vuur is gevallen!”
„Ah, dat was mijn kind!” hoorden zij op ’t zelfde oogenblik gillen, en een der gasten vloog op, of zij waanzinnig was en liep den een na den ander omver en baande zich met stooten en slagen een’ weg naar buiten. In hare vaart viel de hoed van haar hoofd, en nu bemerkte men, dat er eene Hulder onder de gasten geweest was. Al wat zij maar kon gebruiken, had zij weggekaapt: vleesch en boter, koeken en bier en brandewijn; maar zoo was zij geschrokken door ’t ongeval van haar kind, dat zij eenen zilveren lepel in de bierkan liet vallen en niet eens voelde, dat haar hoed van ’t hoofd vloog. Men bewaarde op Eldstad lepel en hoed zeer zorgvuldig, en wie den hoed opzette, was onzichtbaar voor alle stervelingen, behalve voor iemand, die betooverd was. Of de hoed er nog wordt gevonden, kan ik niet stellig verzekeren, want ik heb hem niet gezien en evenmin op ’t hoofd gehad.”
„Ja, de aardgeesten moeten slimme dieven zijn,” zei de oude Bertha Tuppenhaug, „maar ’t ergst te duchten zijn ze in den saetertijd; dat is als ’t ware één lang hoogtij voor de Huldren en aardgeesten; want als de saetermeisjes dan aan hare afwezige vrijers denken, vergeten zij een kruis te slaan over de melk of de boter, en dan neemt ’t Huldervolk al wat het wil. Niet vaak vertoonen ze zich aan de menschen, maar somwijlen gebeurt dit toch, zooals eens een op Neberg-saeter hier in ’t kerspel.
„Daar waren eens eenige houthakkers in ’t bosch aan ’t werk. Toen zij des avonds naar den saeter wilden gaan, hoorden zij achter zich roepen:
„Zeg aan Kilde, dat hare beide kinderen een ongeluk hebben gekregen; zij zijn in een’ ziedenden ketel gevallen.”
„Te huis gekomen, vertelden zij den melksters hun wedervaren en wat zij achter zich in ’t woud hadden hooren roepen.
„Ah, dat waren mijne kinderen,” hoorden zij opeens in de melkkamer, en te gelijker tijd kwam daar eene Hulder uitstuiven met eene nap in de hand, die zij weg smeet, zoodat allen de melk om de ooren spatte.
„De menschen vertellen zooveel,” zei de smid met een’ spotachtigen trek op ’t gelaat, precies alsof hij twijfel koesterde aangaande de geloofwaardigheid der vertelling. Intusschen was ’t waarschijnlijk niets dan ergernis, omdat Bertha hem in de rede was gevallen, toen hij zoo goed op gang was. Stellig vond men niemand in ’t gansche dorp, die zooveel wonderlijke vertellingen over de Huldren en de aardgeesten kende, als hij, en niemand ook geloofde vaster aan ’t bestaan dezer wezens.
„De menschen vertellen zooveel,” zeide hij, „men kan niet alles gelooven. Maar wanneer ’t in iemands eigen familie is voorgevallen, dan mag men er niet aan twijfelen. Laat mij u iets verhalen, dat mijn’ eigen grootvader gebeurd is; dat was een ernstig en geloofwaardig man; wat hij heeft gezegd, kan niet betwijfeld worden. Hij woonde op Skroperud in Ullingsaker en heette Jo. Hij had zich eene nieuwe woning gebouwd en bezat een stuk of drie koeien, mooie beesten, en een paard, welks wederga men niet licht zal vinden. Met dit paard reed hij vaak van Mo naar Trögstad en, wanneer ’t zoo uitkwam, van hier naar Skrimstad en weer terug naar Mo; en hoe ver hij zijne reizen ook uitstrekte, ’t beest bleef even wakker en sterk. Hij was ook jager en speelman. Vaak speelde hij bij anderen, maar thuis kon men hem er niet toe brengen den vedel ter hand te nemen; al was ook ’t gansche vertrek vol jongelieden, altijd weigerde hij te spelen. Maar eens kwamen er eenige jongelui, die veldflesschen met brandewijn bij zich hadden. Toen zij den oude eerst hadden overgehaald één’ borrel te nemen, volgden er meer; en, schoon hij aanvankelijk weigerde, eindelijk zocht hij toch den vedel op. Maar nadat hij eene poos had gespeeld, legde hij hem weg, want hij wist, dat de aardgeesten zich in zijne nabijheid bevonden en dat zij zulk een spektakel niet konden dulden. Toch wisten de jongelieden hem weer over te halen, en zoo ging ’t twee-, driemaal; telkens legde hij de viool weg en zocht hij haar op. Eindelijk hing hij haar aan den wand, en zwoer, dat hij dien avond geen’ enkelen streek meer zou doen, en hij joeg allen, knapen en meisjes, de deur uit. Toen hij was begonnen zich te ontkleeden en in ’t hemdrok bij den haard stond en een laatste pijpje wilde aansteken, kwam er een heele drom binnen, grooten en kleinen; ’t gansche vertrek was in een oogwenk vol.
„Wat,” zeide Jo, „komt gij nu terug?” Hij meende, dat ’t de gasten van straks waren, maar toen hij zijne vergissing bemerkte, verschrok hij, liep naar de bedstede, waarin zijne dochters sliepen, tilde ze uit ’t bed en zette ze op den grond—’t was een groote, sterke man,—en vroeg: „Wat is dit voor volk? kent gij ze?”
De meisjes waren slaapdronken en begrepen er niets van. Jo nam nu zijn geweer van den wand, keerde zich naar den stoet en dreigde hen met den tromp. „Als ge u niet dadelijk wegpakt,”—schold hij—„dan zal ik u met mijn geweer om de ooren slaan, dat ge niet weet, of ge op ’t hoofd of de beenen staat.” En hals over kop vluchtten allen de deur uit met groot misbaar. Jo echter scheen ’t, alsof een heele hoop kluwens garen naar buiten rolde. Maar toen hij ’t geweer had weggezet en weer naar den haard ging, om zijn pijpje, dat uitgegaan was, aan te steken, daar zat een oud man op zijn’ stoel, met een’ baard zóó lang, dat hij tot op den grond reikte; ja, langer dan eene el was hij stellig. De grijsaard had ook een pijpje in den mond en hield een stuk hout in de vlam om het aan te steken, evenals Jo; maar telkens, als hij ’t naar zijne pijp bracht, ging het uit; dan hield hij ’t op nieuw in ’t vuur, en zoo ging het aldoor.
„Behoort gij ook tot dien duivelenstoet?” vroeg Jo; „waar komt gij vandaan?”
„Ik woon niet ver van hier,” antwoordde de man, „en ik raad u nooit weer zulk een alarm en spektakel te maken, anders zult gij spoedig een arm man zijn.”
„Zoo, en waar woont gij dan?” vroeg Jo.
„Ik woon hier onder het stookhuis, en waren wij er niet geweest, dan zou ’t reeds lang zijn ingestort; gij hebt er veel te hard gestookt. Ik heb er slechts met den vinger tegen te duwen en ’t valt ineen. Nu weet gij het,” zeide hij, „pas dus in ’t vervolg op.”
„Nooit speelde Jo meer een deuntje bij den dans; hij verkocht zijne viool, en niets ter wereld kon hem bewegen eene andere ook maar aan te raken.”
Onder ’t laatste gedeelte dezer vertelling had men in de huiskamer een aanhoudend gestommel gehoord; kastdeuren werden open- en toegesloten; men hoorde ’t gerammel van sleutels en ’t gerinkel van zilveren huisraad. De landheer was bezig zijne verhandeling voor te lezen aan alle roerende goederen, van de zilveren schenkkan tot de blikken tabaksdoos. Juist toen de smid zweeg, stak hij ’t hoofd, met de muts op één oor, binnen de keukendeur en zeide:
„Heb-je nu gedaan met je zotheden en leugens, smid?”
„Leugens?” vroeg de smid, verontwaardigd; „leugens vertel ik niet, ’t is de zuivere waarheid. Met een der meisjes ben ik getrouwd, en Dorthe, mijne vrouw, lag zelf te bed en zag den oude, met den langen baard; de meisjes waren wel half gek van schrik, maar dat kwam, omdat zij de aardgeesten hadden gezien,” voegde hij er bij met een’ verwijtenden blik op den landheer.
„Half gek,” zei de landheer, „nu ja, dat geloof ik wel; dat ben-jij ook, wanneer je ten minste nuchter bent; anders ben-je stapelgek. Komt, jongens, staat op en gaat naar bed; zit niet langer te luisteren naar zijn’ onzin.”
„Onzin,” zei de smid op geraakten toon, „de laatste maal dat ik van onzin hoorde spreken, was, toen gij op Neberg-Haugen preekte, den zevenden Mei.”
„Vervloekte babbelaar!” bromde de landheer en liep stampvoetend door de keuken met ’t licht in de hand en een pak schrifturen en couranten onder den arm.
„Kom, kom, ga ook zitten, grootvader,” zei de smid half spottend, „en laten de jongens nog een ommezien mogen blijven, dan zal ik nog eene mooie historie vertellen. ’t Is niet goed voor u, altijd in die wetboeken te zitten snuffelen.”
„Ik wil u wat vertellen van een’ dragonder, die met eene Hulder trouwde. ’t Is stellig waar, want ik heb ’t van oude Bertha, en ’t is voorgevallen in ’t dorp, waar zij voorheen woonde.”
De landheer sloeg met drift de deur achter zich toe, en men hoorde hem haastig den trap opgaan.
„Ja, als de oude niet wil luisteren, dan zal ik ’t jelui maar vertellen,” zei de smid tot de knapen, over wie ’t grootvaderlijk gezag al zijn’ invloed verloor, zoodra de smid hun beloofde sprookjes te vertellen.
„Voor vele jaren,” zoo ving hij aan, „woonden er een paar oude luidjes in goeden doen op eene hoeve in Hadeland. Zij haddden een’ zoon, die dragonder was; een groote, wakkere kerel. Op den berg bezaten zij een’ saeter, die, wat men niet vaak ziet, net en stevig gebouwd was, met een dak en een’ schoorsteen en vensters in de wanden. Zij bewoonden dien den ganschen zomer, maar wanneer zij tegen ’t najaar weer naar huis trokken, namen de Huldren met hunne kudde er hun’ intrek. Houthakkers en jagers en visschers, die in dezen tijd van ’t jaar in ’t bosch rondzwerven, hadden dit meermalen opgemerkt. En onder de Huldren was een meisje, zoo betooverend mooi, dat men nooit haarsgelijke had gezien. Meermalen had de zoon dezer menschen dit hooren vertellen, en toen ’t najaar was verschenen en de saeter verlaten was, kleedde hij zich in groot tenue, legde den zadel met de pistoolholsters en pistolen op zijn paard en reed den berg op. Toen hij in de nabijheid der hut was gekomen, bemerkte hij, dat daar een groot vuur was aangelegd; de vlam scheen door de reten der met mos bedekte wanden. Dadelijk begreep hij, dat de Huldren reeds hun winterkwartier hadden betrokken. Hij bond zijn paard aan een’ boom, nam een pistool uit den holster en sloop zacht naar ’t venster. Binnen bemerkte hij nu een’ grijsaard en eene vrouw, krom en gebrekkig van ouderdom en zoo leelijk, dat hij nooit iets afzichtelijkers had gezien; maar bij hen was een meisje, zoo verrukkelijk schoon, dat hij dadelijk in liefde voor haar ontbrandde. Alle drie hadden zij een’ koestaart; ook ’t mooie meisje miste dien niet. De dragonder kon aan alles merken, dat zij nog sinds kort de hut hadden betrokken; alles stond nog op de rechte plaats. ’t Meisje hield zich bezig met wasschen; de oude vrouw stookte ’t haardvuur op onder den ketel.
„Plotseling stiet nu de dragonder de deur open en schoot zijn pistool af, vlak boven ’t hoofd van ’t meisje, dat op den grond tuimelde. Maar op ’t zelfde oogenblik werd zij even leelijk, als ze vroeger schoon was geweest, en ze kreeg eene neus, zoo lang als de pistoolholster.
„Nu kunt ge haar krijgen; nu is zij de uwe,” zei de grijsaard. De dragonder stond als versteend; hij was niet in staat een’ voet voor- of achteruit te zetten. De oude man begon haar te wasschen, en nu bekwam zij een weinig; de neus kromp in tot op de helft, en de leelijke koestaart werd opgebonden, maar mooi was zij niet meer, dat’s zeker.
„Nu is zij de uwe, dappere dragonder,” zeide de oude leelijke vent, die haar vader scheen, „zet haar nu in den zadel en rijd naar het dorp en houd bruiloft. Maar voor ons moet gij ’t feestmaal gereed zetten in ’t kleine vertrekje naast de huiskamer, want we willen niet met de overige bruiloftsgasten samenzijn; als de beker rondgaat, kom dan eens naar ons zien.”
„De dragonder dorst niet weigeren; hij zette ’t Huldermeisje in den zadel en liet alles gereed maken voor de bruiloft. Maar eer men ter kerk ging, bad de bruid een der bruidsmeisjes vlak achter haar te staan, opdat niemand zou bemerken, dat haar de koestaart ontviel, zoodra de priester haar de handen oplegde.
„De bruiloft begon, en toen de beker rondging, stond de jonge man op, verwijderde zich en trad ’t vertrekje binnen, waar de tafel voor de oude Hulders stond aangericht. Op dat oogenblik bespeurde hij daar niets bijzonders, maar toen de bruiloftsgasten waren vertrokken, lag er zooveel goud en zilver op de tafel, als hij nog nimmer bij elkaar had gezien.
„Zoo verliep er een geruime tijd; telkens als er gasten kwamen, maakte de vrouw van den dragonder ook den disch gereed in ’t kamertje voor hare ouders, en telkens vonden zij na hun vertrek zooveel geld, dat ze ten laatste niet meer wisten, wat ze er mee zouden aanvangen. Maar leelijk was de Hulder en leelijk bleef ze; haar man was haar lang moede, ja, soms was hij onvriendelijk genoeg om haar te dreigen met een pak slaag.
„Eens moest de man naar stad; ’t was najaar, de weg was glad en ’t paard moest dus nieuwe hoefijzers hebben. Hij ging naar de smidse, want hij was zelf een bekwame smid, maar hoe hij zijn best deed, nu eens was ’t ijzer te groot en dan weer te klein; passen wilde ’t niet. Een ander paard bezat hij niet, en zoo hield hij niet op, eer de middag voorbij was.
„Kunt gij niet eens een hoefijzer maken?” zeide zijne vrouw; „ik wist, dat er als man veel aan u ontbrak, maar als smid beteekent gij nog minder. Er zit niets op, dan dat ik zelf naar de smidse ga; is ’t hoefijzer te klein, dan kan ’t grooter gemaakt worden, en is ’t te groot, welnu, maak ’t kleiner.”
En zij ging naar de smidse, vatte het ijzer met beide handen aan en rekte het uit.
„Zie eens,” zei ze, „zóó moet ge doen.” En ze boog het samen, of ’t een stuk lood was. „Houd nu den poot op,” en ’t hoefijzer paste zoo nauwkeurig, als de beste smid maar kon wenschen.
„’t Schijnt, dat ge heel wat kracht in de vingers hebt,” merkte de man vol verbazing op.
„Vindt ge?” vroeg zij. „En als gij nu eens zoo sterk in de vingers waart, hoe zou ’t mij dan wel gegaan zijn? Maar ik houd te veel van u, om mijne krachten aan u te toonen,” voegde ze er bij.
„Van dien dag af was hij een man uit duizend voor haar.”
„Nu hebben we voor van avond genoeg gehoord, dunkt me,” sprak de vrouw des huizes, toen de vertelling uit was, terwijl zij opstond.
„Ja, en we mogen wel op de teenen vertrekken, want de oude is reeds naar bed,” zeide de smid en wenschte ieder goeden nacht, maar niet voor hij den jongens beloofd had, den volgenden avond nog meer te vertellen, en in onderhandeling met hen was getreden over een rol tabak.
Toen ik ’s namiddags den smid in zijne werkplaats had bezocht, was hij druk bezig met tabak kauwen: dit was altijd een bewijs, dat hij brandewijn had gedronken; des avonds was hij eerst nog het dorp in geweest, om meer te halen. Verscheidene dagen later vond ik hem somber gestemd en kon niemand een woord uit hem krijgen, schoon de jongens hem beide tabak en brandewijn beloofden. Maar de dienstmaagden fluisterden, dat de aardgeesten hem beet gepakt en hem op den Asmyr-heuvel ter aarde hadden geworpen. Daar had een voerman hem tegen den morgen gevonden, terwijl hij onverstaanbare woorden mompelde.