Een betrekkelijk gering aantal Visschen (4 familiën met ongeveer 640 soorten, die over 75 geslachten verdeeld zijn), onderscheiden zich van alle overige, doordat hunne onderste keelbeenderen vergroeid of althans door een naad onbeweeglijk verbonden zijn. Evenals bij de leden der vorige orde, zijn ook bij deze de voorste stralen van rug-, aars- en buikvinnen ongeleed, de tusschenkaaks- en bovenkaaksbeenderen beweeglijk, de kieuwen kamvormig. Ook bij hen is de zwemblaas steeds gesloten, staat niet door een luchtgang met het spijskanaal en dus met de buitenwereld in gemeenschap. Bij sommige, o.a. bij de Lipvisschen, zijn alle schubben cycloïd, bij andere komen geen andere dan kamschubben, bij nog andere, zoowel kam- als kringschubben voor. De meeste bewonen de zee; slechts één familie (Chromidae) bestaat uit tropische zoetwatervisschen. De zeebewoners geven de voorkeur aan plaatsen met rotsachtigen bodem en weligen plantengroei, omdat zij hier hun liefste voedsel, kleine Schaal- en Schelpdieren, vinden. Keelkakigen ontmoet men in grooten getale in de zeeën van alle aardgordels; bijzonder talrijk zijn zij echter op lagere breedten; men kan ze daarom meer bepaaldelijk Visschen van de tropische en subtropische zeeën noemen. Een belangrijke economische beteekenis hebben zij niet, ofschoon het vleesch van verscheidene soorten smakelijk wordt geacht.
De kern der orde wordt gevormd door de 400 soorten omvattende familie der Lipvisschen (Labridae). Deze wijken in vorm weinig af van onze zoetwatervisschen, zijn met ronde schubben bekleed, hebben een rugvin, welker vinvlies in het (hoofdzakelijk door ongelede stralen gesteunde) voorste gedeelte tusschen de stekels gewoonlijk in spits toeloopende huidlobjes eindigt, borststandige buikvinnen, stompe, plaveiselvormige tanden of dwarsplaten in de kaken, een tandeloos gehemelte en langs de kaakranden de vleezige lippen, waaraan zij hun naam ontleenen. Deze over alle zeeën verbreide familie bevolkt ook de Europeesche kusten, meer bepaaldelijk die van de Middellandsche Zee en van de Noordzee op plaatsen waar de bodem rotsachtig en met planten begroeid is. Haar grootste vormenrijkdom openbaart zij echter in de heete zone en in de aangrenzende deelen van de beide gematigde aardgordels. Evenzeer als door hunne prachtige kleuren, waaraan zij den naam van „Zeepapegaaien” danken, trekken zij de aandacht door hun opgewektheid en bedrijvigheid, hoewel zij weinig rondzwerven, maar liefst in de onderzeesche wouden van de eene plant naar de andere zwemmen. De meeste soorten voeden zich hoofdzakelijk met Schelpdieren, die met de beweeglijke lippen van den zeebodem of van de waterplanten afgeplukt en met het hiervoor uitmuntend geschikte gebit zonder moeite verbrijzeld worden. Er zijn echter onder hen ook planteneters, die in den letterlijken zin van ’t woord den zeebodem afgrazen, hoewel ook zij dierlijk voedsel niet versmaden. Bij ’t naderen van den rijtijd, die gewoonlijk met de lente van het door hen bewoonde gebied samenvalt, vertoonen zij niet slechts de fraaiste kleuren, maar ook de meeste geschiktheid om plotseling van kleur te veranderen. Hun vleesch is buitengewoon en wordt weinig geacht.
Van de 9 soorten van Lipvisschen i. e. z. (Labrus) is één (Labrus maculatus) soms (voor zoo ver bekend, slechts éénmaal) aan onze kusten gevangen. Deze 30 à 50 cM. lange Lipvisch bewoont de Middellandsche zee, de rotsachtige kusten van Groot-Brittannië, het noorden van Frankrijk, de Noordzee tot Bergen in Noorwegen en het westelijke deel van de Oostzee. Het lichaam, hoewel zijdelings samengedrukt, is tamelijk dik en langwerpig en bekleed met 45 dwarsrijen van tamelijk groote schubben. De kop heeft ongeveer het derde van de lichaamslengte zonder de staartvin. Aan weerszijden van elke kaak bevindt zich een reeks van ongeveer 10 kegelvormige, naar achteren in grootte afnemende tanden en verder binnenwaarts een geringer aantal kleinere. Twee rondachtige platen op het onparige keelgatsbeen zijn met kleine tanden geplaveid. De zijdestreep is onder het weekstralige deel van de rugvin eensklaps naar beneden gebogen, maar niet afgebroken. De fraaie, groenblauwe grondkleur van de bovendeelen wordt aan de zijden lichter, gaat op de onderdeelen in parelmoerachtig wit over en is op de vinnen door zuiver blauw vervangen. Op al deze deelen is zij afgebroken door een netvormige, roode of oranjekleurige teekening; de stralen van de borstvin zijn geelrood, de bovenlip en het inwendige van den mond rood; de onderkaak is wit. Van deze kleursverdeeling komen echter allerlei afwijkingen voor.
De Veelkleurige Lipvisch (Labrus mixtus) wordt zelden langer dan 30 cM. en komt, behalve in de Middellandsche Zee, zijn eigenlijk woongebied, ook aan de westkust van Europa (in de Noordzee, doch niet in de Oostzee) voor; aan onze kust werd hij nog niet waargenomen. Eigenaardig is bij deze soort het verschil in kleur van de mannetjes en de wijfjes: gene vertoonen op roodachtig bruinen grond prachtig blauwe, overlangsche strepen, dikwijls zoo sterk, dat deze kleur de overhand heeft; deze zijn op lichtrooden grond aan het achterste deel van den rug met drie donkere vlekken geteekend. Ook deze Visch kiest onderzeesche rotsen, op verschillende kusten al naar het jaargetijde, tot woonplaats uit en vertoeft hier bij voorkeur in spleten en gaten tusschen groote waterplanten. Kleine Schaaldieren maken zijn voornaamste voedsel uit; hij eet echter ook Visschen en lagere dieren. Evenals alle Lipvisschen hapt hij gretig naar het lokaas en is dus gemakkelijk te vangen; dit geschiedt evenwel nergens op groote schaal, daar zijn vleesch niet in den smaak valt en gewoonlijk alleen als lokaas voor het vangen van betere Visschen dient.
Veelkleurige Lipvisch (Labrus mixtus). ⅓ v. d. ware grootte.
Roode Bedrieger (Epibulus insidiator). ⅓ v. d. ware grootte.
*
In den Indischen Oceaan, o.a. bij Java, Sumatra en de Moluksche eilanden, doch ook bij Mauritius, leeft een 25 à 30 cM. lange Lipvisch, die zich door de groote verschuifbaarheid der kaken van al zijne verwanten onderscheidt: Epibulus insidiator, de eenige bekende soort van zijn geslacht, wordt door de Nederlanders in Oost-Indië de Roode Bedrieger, door de Franschen op Mauritius Filou genoemd wegens de wijze, waarop hij zijn prooi bemachtigt. Tusschen zeeplanten verborgen, wacht hij de voorbijzwemmende vischjes op en grijpt ze met de plotseling tot een buis verlengde kaken, welke nu langer zijn dan de kop. De tusschenkaaksbeenderen hebben namelijk lange stelen, die bij het verkorten van den bek in sleuven boven op den schedel liggen, doch, vooruitgeschoven, den snuit buisvormig verlengen. De banden, die den horizontalen tak van het tusschenkaaksbeen en het hiermede gelede jukbeen met het kieuwdeksel verbinden, trekken, zoodra de bovenkaak vooruitschuift, ook de onderkaak naar voren; zóó vormen beide de buis, aan welker einde zich de mondopening bevindt. Elke kaak is met één reeks van kleine tanden en met twee grootere of „hondstanden” gewapend. De bovendeelen van dezen Visch zijn rood, de zijden geel, wegens de groene randen der schubben met groenachtigen weerschijn, de rugvin en de aarsvin geel met groene golflijntjes, de overige vinnen geelachtig.
*
Te recht heet de, zelden meer dan 18 cM. lange, Zeejonker (Coris julis) ook wel Regenboogvisch: de bovendeelen zijn groenachtig blauw, aan weerszijden in den regel met breeden, getakten, oranjekleurigen, overlangschen band, verder benedenwaarts op zilverwitten grond paars overlangs gestreept; de kop is bruingeel met blauwe en zilverwitte teekening; de rugvin heeft op marmerrooden grond purperkleurige vlekken; de overige vinnen zijn min of meer roodachtig blauw; al deze kleuren gaan zonder scherpe grenzen in elkander over. Tusschen met waterplanten begroeide klippen van de Middellandsche Zee en van den Atlantischen Oceaan algemeen, dwaalt hij soms naar de Britsche kusten af, voedt zich met Schaaldieren en jonge Visschen en schiet kuit in de lente. Met den hengel kan men hem gemakkelijk vangen.