Bij een nauwkeurig onderzoek van de Visschen, die Cuvier onder den naam „Weekvinnigen” samenvatte, vond Johannes Müller, dat deze zich voor ’t meerendeel onderscheiden door het bezit van een luchtbuis, die, van de zwemblaas uitgaande, in het spijskanaal uitmondt. Op dit kenmerk grondde hij de orde der Luchtbuisvisschen of Edelvisschen. Deze hebben gescheiden keelbeenderen, kamvormige kieuwen en weekstralige vinnen; de buikvinnen, voor zoover aanwezig, zijn achter de borstvinnen aangehecht en de schubben cycloïd. De Luchtbuisvisschen zijn fraai van vorm en evenredig gebouwd; hun romp is langwerpig, rolvormig of zijdelings samengedrukt; de kop en de pooten staan in de juiste verhouding tot de grootte van ’t lichaam. Niet door zeer in ’t oog vallende eigenaardigheden van het schubbenkleed en evenmin door schitterende kleuren trekken zij de aandacht, wel door hun sierlijkheid en bevalligheid.
Wat rijkdom van vormen betreft, staat deze orde weinig ten achter bij de grootste van alle, bij die der Stekelvinnigen; het aantal soorten is geringer, maar zal waarschijnlijk door toekomstige ontdekkingen aanmerkelijk toenemen. Nagenoeg alle eigenaardigheden der Visschen zijn bij de leden dezer orde op te merken. Sommige zijn streng aan het water gebonden, andere ondervinden geen nadeel van een langdurig verblijf op het land. Sommige doen verre reizen te water, andere zoeken soms over land een nieuwe woonplaats op. Nevens koene roovers bevat deze orde onschuldige wormen- en planteneters, soorten, die zich door een buitengewone vruchtbaarheid onderscheiden en andere, welker voortplantingsvermogen betrekkelijk gering is. Niet alle leggen eieren; eenige brengen levende jongen ter wereld. De kostelijkste tafelvisschen behooren tot deze groep en ook Visschen, die als voedsel geheel ongeschikt geacht worden.
Voor de bewoners van het binnenland is deze orde van Visschen belangrijker dan eenige andere afdeeling hunner klasse; opmerkelijk is het, dat ook de kostelijkste van alle zeevisschen, de Haring, tot de Luchtbuisvisschen behoort. Hun economische beteekenis zal nog toenemen door een algemeenere toepassing van maatregelen om deze Visschen, die zoolang zonder eenige verschooning vervolgd zijn, te rechter tijd een altijd zorgvuldig gehandhaafde bescherming te verleenen, hun gedurende de jeugd de veiligheid te verschaffen, die een verdere ontwikkeling waarborgt, en eindelijk ook door zooveel mogelijk op doelmatige wijze, o.a. door kunstmatige vischteelt, de vermenigvuldiging van deze belangrijke Visschen te bevorderen.
Dezelfde redenen, die vermoedelijk de vogelkenners bewogen hebben om met de grootste Roofvogels de systematische beschrijving der Vogelklasse te beginnen, zullen wel bij de vischkundigen gegolden hebben, toen zij aan de Vallen (Siluridae) de eerste plaats in de orde der Luchtbuisvisschen inruimden. De voortreffelijkste of edelste leden van deze groep zijn zij zeker niet, hoogstens de grootste en plompste. Zij kenmerken zich door een loggen, kolossalen, nooit geschubden, maar met een naakte huid of met beenige schilden bekleeden romp, door een grooten kop met wijden bek, door bovenkaaksbeenderen, die op geringe sporen na verdwenen, of tot voeldraden verlengd zijn, voorts door baarddraden, welker aantal, plaatsing en lengte aan veel afwisseling onderhevig is. Bij vele soorten is de eerste straal van de borstvin zeer dik, getand en door zijn gewrichtsverbinding met de schouderbeenderen geschikt om willekeurig bewogen, tegen den romp aangelegd en opgericht te worden; met dit krachtig wapen kunnen zij gevaarlijke wonden toebrengen. Bij vele leden van de familie zijn de achterkop en de nek met een schild bedekt, dat aan een helm herinnert.
De Vallen vormen een meer dan 550 soorten omvattende familie; deze is in Amerika, Azië en Afrika door een groot aantal soorten en individuën, in Europa slechts door één soort vertegenwoordigd. Hare leden houden van langzaam stroomend of stilstaand water met modderigen bodem, ontbreken echter in sneller stroomende wateren niet, vestigen zich zelfs in beken van bergstreken en worden hier op even groote hoogte aangetroffen als eenige andere vischsoort. Met deze uitgestrekte verbreiding staat het bewonen van velerlei verblijfplaatsen in verband. Sommige komen het veelvuldigst voor in de nabijheid van riviermonden en liggen hier op een zandigen en slijkerigen bodem; andere vindt men op rotsachtige gronden, waar zij zich, als Kwabalen, tusschen en onder steenen verbergen; terwijl deze, naar het schijnt, uitsluitend rivieren bewonen, worden gene niet anders dan in binnenzeeën gevonden, andere nu eens hier, dan weer daar. De groote soorten zijn even log van beweging als plomp van lichaamsbouw, de kleinere daarentegen zwemmen vlug en behendig; sommige zijn in zooverre boven de andere leden harer klasse bevoorrecht, dat zij op soortgelijke wijze als de Doolhofvisschen en Slangenkoppen over een vochtigen of modderigen en zelfs over een drogen bodem reizen ondernemen, zoo noodig zich ook in het slijk verbergen en hier de terugkomst van het water afwachten kunnen. Alle zonder uitzondering zijn roovers van beroep. De meeste liggen bewegingloos op de loer en weten door de beweging hunner voel- of baarddraden andere Visschen aan te lokken en te rechter tijd te grijpen; enkele zijn in staat electrische schokken voort te brengen, waarmede zij hunne slachtoffers verdooven. Zij vermenigvuldigen zich niet sterk, hoewel de kuiter een groot aantal eieren voortbrengt; naar het schijnt, ontwikkelen deze Visschen zich langzaam, maar kunnen een hoogen ouderdom bereiken. Voor ons is hun economische beteekenis zeer gering; in sommige gewesten van Afrika, Azië en Amerika echter worden zij als voedsel voor den mensch veelvuldig gebruikt en hoog geschat. De jongen en de kleine soorten zijn inderdaad voortreffelijk van smaak; de oude dieren daarentegen vereischen een zeer zorgvuldige toebereiding om bruikbaar te worden.
Het typische geslacht der Vallen (Silurus), dat een gelijknamige onderfamilie (Silurinae) vormt, bestaat uit de Europeesche soort en hare 5 Aziatische verwanten. Zij hebben een gladde huid, een korte, uitsluitend door gelede stralen gesteunde rugvin, een zeer lange aarsvin, een wijden muil met tot velden vereenigde reeksen van hekelvormige tandjes op de tusschen- en de onderkaak en op de ploegschaarbeenderen.
Fraai of sierlijk gebouwd kan men onzen Val, Meerval of Vischduivel (Silurus glanis, afgebeeld op p. 247) niet noemen. Met eenig recht vergeleken o.a. Ausonius en Geszner hem met een Walvisch, daar hij, op den Huso na, alle overige Europeesche zoetwatervisschen in grootte overtreft. In den Donau ontmoet men niet zelden exemplaren van 3 M. lengte en 200 à 250 KG. gewicht; hun dikste deel kan door twee mannen ternauwernood omspannen worden. In verband met de breedte van den tamelijken korten, van voren halfcirkelvormigen snuit, is de mondopening zeer ruim. Het voorste derde deel van ’t lichaam wordt voor meer dan de helft gevormd door den kop, overigens door den zeer dikken, een weinig samengedrukten romp, die even achter zijn midden de zeer kleine, 3- of 4-stralige rugvin draagt. De langzaam in hoogte afnemende staart is sterk zijdelings samengedrukt en draagt aan het afgeronde einde, doch grootendeels aan den onderkant, de middelmatig groote, van achteren nagenoeg rechte staartvin; aan haar wortel eindigt de aarsvin, die over haar geheele lengte gelijkvormig is en onmiddellijk achter de aarsopening begint; een weinig er voor bevindt zich het punt van aanhechting der kleine buikvinnen, dat bijna bereikt wordt door den top der betrekkelijk groote, afgeronde borstvinnen. De bovenkop, de rug en de randen der vinnen zijn blauwachtig, de zijden groenachtig zwart, verder naar onderen op lichteren grond met olijfgroene vlekken geteekend; de onderzijde is wit met rood- of geelachtigen tint en blauwachtig zwarte marmervlekken; de buikvinnen en de aarsvin hebben in ’t midden een lichtere, geelachtige streep. De onderkaak draagt aan weerszijden twee roodachtige voeldraden, die korter zijn dan de kop. Aan weerszijden van de bovenkaak, bij het neusgat, komt een witachtige voeldraad voor, die tot aan het einde der borstvinnen reikt.
De Meerval, die, volgens Gronovius, in het midden van de vorige eeuw veelvuldig voorkwam in het Haarlemmermeer en de hiermede in gemeenschap staande wateren, doch reeds een halve eeuw vóór de droogmaking (in 1836) minder algemeen was, is sedert dien tijd zeldzaam geworden. In de Ringsloot van den Haarlemmermeerpolder, in het Kagermeer en den Amstelveenschen poel heeft men hem later nog waargenomen (o. a. in 1864 en 1865 exemplaren van 1.2 à 1.5 M. lengte). Ook in het Uddeler-meer (tusschen Garderen en Apeldoorn) zijn exemplaren van deze vischsoort gevangen, die hierheen echter, naar men zegt, ten tijde van Prins Willem V, uit Hongarije werd overgeplant (Van Bemmelen). Van ’t zuiden van Zweden af is de Meerval over geheel Middel- en Oost-Europa en ook over een deel van West-Azië verbreid; hier en daar (o. a. in het Rijn- en Wezer-gebied) ontbreekt hij echter bijna geheel; over ’t algemeen vindt men hem uitsluitend in de ten oosten van den Rijn gelegen wateren; in Groot-Brittannië werd hij, naar men zegt, slechts een enkele maal gevangen. Zeer talrijk is deze Visch in den benedenloop van den Donau, hoewel hij ook in den bovenloop en de bijrivieren van dezen stroom en de hiermede verbonden meren aangetroffen wordt. Zeer zelden ziet men hem in den Rijn; in het Bodenmeer echter vangt men hem nu en dan. Hij vestigt zich in stille, diepe wateren met modderigen bodem, verbergt zich, traag loerend op buit, achter steenen, gezonken boomstammen, wrakken van schepen en dergelijke voorwerpen, beweegt zijne voeldraden en vangt de hiernaar happende Visschen; bovendien verslindt hij Schaaldieren, Kikvorschen, Watervogels, kortom al wat hij krijgen en verzwelgen kan. In de maag van een bij Presburg gevangen Meerval vond men de overblijfselen van een knaap, in een andere die van een Poedel, in een derde exemplaar Ganzen, die door dezen Visch eerst onder water getrokken en daarna ingeslikt waren. De bewoners van het Donau-gebied vreezen hem daarom; volgens een eertijds onder de visschers verbreid bijgeloof zou ieder, die er een gevangen had, spoedig sterven. Op andere plaatsen beoordeelt men hem gunstiger en beschouwt hem als een weerprofeet, waarschijnlijk omdat hij alleen bij het naderen van een onweer de diepte verlaat en hoogere waterlagen opzoekt.
Het kuitschieten heeft plaats in de maanden Mei tot Juli. Zoolang dit duurt, vindt men de Vallen gewoonlijk bij paren. Zij naderen dan den oever om tusschen riet en andere waterplanten eieren te leggen en blijven in dezen tijd over dag in ondiep water liggen, hetwelk anders hun gewoonte niet is. Het is gebleken, dat een kuiter niet meer dan ongeveer 17000 eieren legt, waaruit na 7 à 9 dagen de jongen te voorschijn komen; deze hebben een zonderling voorkomen en gelijken werkelijk veel op larven van Amphibiën. Het is misschien een geluk voor ons vischwater, dat slechts weinige Vallen een hoogen ouderdom bereiken. De jongen, die uit de gespaard gebleven eieren komen, worden voor ’t meerendeel in den eersten tijd van hun leven door Kwabalen en andere roofvisschen, de grootere waarschijnlijk ook wel door hun eigen ouders verslonden, vele bovendien in de kracht van hun leven door visschers gevangen.
Hoewel het vleesch van den jongen Meerval zeer vet, vast en niet onsmakelijk, dat der ouden daarentegen taai en tranig, dat van beide dus niet bijzonder geacht is, maakt men toch jacht op dezen Visch, omdat zijn vleesch als spek of bij de lederbereiding gebruikt kan worden, terwijl men zijn zwemblaas tot lijm verwerkt en als een geringere kwaliteit van vischlijm in den handel brengt. Jonge Meervallen vangt men meestal met den hengel, oude het meest des nachts gedurende den rijtijd, gewoonlijk met de werpspies. Zeer groote exemplaren geven den visscher veel werk. Richter verzekert, zelf gezien te hebben, dat een groote, aan den haak gevangen Meerval door het slaan met den staart een boot deed omkantelen.
Evenals de meeste Vallen in ’t algemeen, kan ook de Europeesche zonder bezwaar geruimen tijd buiten het water vertoeven, daarom gemakkelijk verzonden en naar wateren, waar hij ontbreekt, overgebracht worden. In een beperkte ruimte houden jonge Meervallen zich tamelijk goed, indien men hun slechts behoorlijk voedsel verschaft.
*
De vuurspuwende bergen van Zuid-Amerika, en meer bepaaldelijk die van Quito, werpen niet slechts, zooals dit van vulkanen te verwachten is, asch, slakken en lava uit, maar nu en dan ook modder en water en tevens een ontelbare menigte Visschen, die door hun bederf reeds menigmaal de lucht over een grooten afstand verpest en bij de bewoners van de omliggende gewesten ziekten veroorzaakt hebben. De Visschen, die de Cotopaxi uitwerpt, en die, naar men meende, uit het onbekende binnenste der aarde afkomstig zijn, worden door het volk Preñadilla’s genoemd; zij zijn weinig verminkt en vertoonen evenmin andere verschijnselen, waaruit zou blijken, dat zij aan vulkanische hitte blootgesteld zijn geweest. Volgens de verzekering der inboorlingen behooren deze Visschen tot dezelfde soort als de Vallen, die in de beken aan den voet van den vulkaan, maar ook in de overige wateren van het gebergte tot op een hoogte van ongeveer 3000 M., volstrekt niet zeldzaam zijn. De reden waarom zij bij sommige vulkanische uitbarstingen in zoo grooten getale gedood worden, is gelegen in het binnendringen van vergiftige gassen in de door hen bewoonde wateren; behalve van de Visschen, die in lager gelegen streken den dood vonden, zijn deze lijken ook nog afkomstig van die, welke in de hoogere bergstreken om ’t leven komen en naar beneden worden gevoerd door de bergstroomen, welke gedurende de uitbarsting door de hiermede gepaard gaande, hevige wolkbreuken gevormd worden. Hoewel de geslachtsnaam van eenige dezer tot verschillende onderfamiliën behoorende Visschen (Stygogenes) op haar ontstaan in een rivier van de onderwereld, in den Styx, doelt, en één hunner hieraan een naam verbindt (cyclopum), die aan de éénoogige Giganten herinnert, welke door Jupiter naar onderaardsche werkplaatsen verbannen werden, leven alle in stroomend of stilstaand water aan de oppervlakte der aarde, tot hun ongeluk echter in een gebied, waar soms groote gevaren hen bedreigen.
Beefvisch (Malapterurus electricus). ¼ v. d. ware grootte.
De Vulkaanval (Stygogenes cyclopum) wordt slechts 10 cM. lang, heeft een zeer plat gedrukt, zwart gestippeld, olijfgroen lichaam met een middelmatig lang, niet door vinstralen gesteund uitwas (vetvin) achter de rugvin, welker eerste vinstraal, evenals die van de borstvin, een scherpen doorn vormt, een gespleten staartvin en twee voeldraden aan ’t einde van den breeden muil, die met zeer kleine tanden gewapend is.
De Prenadilla (Brontes preñadilla) verschilt van de vorige soort vooral door het ontbreken van de vetvin.
*
Een tot de Vallen behoorende bewoner van den Nijl dankt den naam Raasj, dien hij bij de Arabieren draagt en die in beteekenis overeenkomt met den bij ons gebruikelijken naam van Beefvisch (Malapterurus electricus), aan de merkwaardige eigenschap van electrische schokken te geven. De leden van zijn geslacht houden zich in de Afrikaansche rivieren op, maar worden nergens in grooten getale gevonden. Van de overige Vallen verschillen zij naar het uitwendige vooral door het ontbreken van de rugvin, die als ’t ware vervangen is door de kort voor den wortel van de staartvin gelegen vetvin, welk kenmerk uitgedrukt wordt door den wetenschappelijken geslachtsnaam, die „weeke vin op den staart” beteekent. Bovendien missen zij de bij andere Vallen als wapens dienende doornen, ook die der borstvinnen. Inwendig zijn zij kenbaar aan een dun, op een vetlaag gelijkend weefsel, dat zich tusschen de huid en de spieren over het geheele lichaam uitstrekt en uit 6 of meer boven elkander gelegen vliezen bestaat, waartusschen ruimten overblijven, gevuld met een geleiachtige, vele bloedvaten en zenuwen bevattende massa. De gladde, zeer slijmerige, volkomen naakte huid van de genoemde, in den Nijl levende soort heeft een moeielijk te beschrijven grijze kleur; de teekening bestaat uit onregelmatige, zwarte vlekken, die langs de zijdestreep dichter opeengehoopt zijn en ook op de vinnen voorkomen. Dit dier wordt gewoonlijk 30 à 50, soms echter meer dan 100 cM. lang.
Deze Visch kan willekeurig electrische schokken uitdeelen, welker sterkte zeer uiteenloopt. Soms kan men hem aanvatten, zonder een schok te krijgen; in andere tijden echter toont hij op deze wijze bij de geringste aanraking duidelijk zijn ontevredenheid. Zelfs gebeurt het wel eens, dat hij geruimen tijd geen gebruik maakt van zijn middel om zich te verweren, terwijl eenige personen hem in de hand houden en onmiddellijk daarna een volgenden onderzoeker hiermede lastig valt. Bijzonder pijnlijk is zulk een schok echter niet; ongetwijfeld worden alleen kleine dieren er door verdoofd of gedood.
Het vleesch van den Beefvisch wordt gegeten, maar niet zeer geacht; daarentegen schrijft men aan het celweefsel, waardoor de electriciteit wordt voortgebracht, een geneeskrachtige werking toe; terwijl het op gloeiende kolen verbrandt, stelt men den patiënt bloot aan de hierdoor gevormde gassen en dampen. „De Beefvisch van het Beneden-Congo-gebied,” verhaalt Pechuel-Loesche, „een log dier, dat ruim 1 M. lang kan worden, hapt gretig naar het lokaas, maar is wegens de soms zeer hevige electrische schokken, die hij geeft, meestal een zeer ongewenschte buit, hoewel zijn vleesch geroemd wordt. O. Lindner deed in zijn faktorij de onaangename ervaring op, dat een schijnbaar doode, groote Visch van deze soort door de kracht van zijn electrische ontlading een mensch op den grond kan werpen; maar zag ongeveer 10 minuten later tot zijn voldoening, dat een andere, niets kwaads vermoedende Europeaan door denzelfden Visch op dezelfde wijze behandeld werd. Met groote exemplaren van deze soort neemt men natuurlijk liefst geen proeven op zichzelf; de slagen van de kleine, ongeveer 3 dM. lange Beefvisschen zijn zeer goed te verdragen; dikwijls worden zij 15 à 20 seconden lang zonder ophouden uitgedeeld. De gewaarwording, die zij veroorzaken, gelijkt op een lichte, neuralgische kramp.”
*
De Gekielde Vallen of Doraden (Doradinae) bewonen de rivieren van tropisch Zuid-Amerika, die naar den Atlantischen Oceaan afvloeien. Behalve een pantser, dat kop en nek bedekt en uit beenplaten bestaat, die ieder een met doornen bezette lijst dragen, hebben zij ook aan weerszijden van het lichaam een reeks van gedoornde schilden, die tot aan den wortel van de staartvin reikt. De eerste straal van de rugvin en van de borstvinnen vormt een dikken, langen, aan weerszijden getanden doorn. Achter de rugvin komt een korte vetvin voor.
Een in Guyana en Brazilië levende, 30 à 50 cM. lange soort—Matacaiman (Doras costatus) genoemd, omdat zijne doornen, naar men zegt, de keelholte en den slokdarm van den Kaaiman verscheuren, wanneer deze hem inslikt—heeft een blauwachtig rooden kop, overigens bruine bovendeelen, en gele, overlangsche streep op de zijden, een zwartachtige vlek op de rugvin en lichter gekleurde onderdeelen. Volgens Hancock en Schomburgk ziet men deze Visschen en hunne verwanten in het droge seizoen soms in groote troepen over land trekken om op uren afstands van de door hen verlaten waterlooze poel of rivier een andere woonplaats op te zoeken. Toch komt bij hen geen bijzondere inrichting tot het vochtig houden der kieuwen voor. Hancock verhaalt, dat hij eens op een afstand van 3 uur gaans van de kust een troep van deze Visschen met krommingen van den staart zag kruipen; als tweepootige Hagedissen op de schouderstekels en borstvinnen steunend, bewogen zij zich met de snelheid van een langzaam gaanden mensch. Zij waren zoo talrijk, dat de negers uit het gevolg van den reiziger verscheidene korven met Visschen konden vullen. Schomburgk voegt hierbij, dat deze dieren, geen water vindend, zich in den weeken modder verbergen en hier in een toestand van verstijving blijven verkeeren, totdat er weer water valt.
*
Bij de Pantservallen (Hypostomatinae) zijn de romp en de staart aan weerszijden bedekt met 2 overlangsche reeksen van dakpansgewijs over elkander schuivende, smalle, doch zeer hooge, beenachtige schilden; die van de bovenste reeks zijn met die van de onderste volgens een zigzaglijn op de zijdestreep verbonden; ook de kop is met beenplaten bekleed; naakt is de huid alleen aan het einde van den staart en tusschen de borstvinnen aan de buikzijde van den romp. De rugvin is aan den voorrand met een dikken stekel gewapend, zoo ook de korte vetvin en iedere borstvin. Andere kenmerken van deze groep zijn de fijnheid der tanden en het bezit van twee aan den wortel vereenigde bovenkaaksvoeldraden aan weerszijden van den snuit.
Gedurende zijn reis door Guyana ontdekte Schomburgk een tot deze onderfamilie behoorende Visch van 10 à 15 cM. lengte. Dit dier, de Hassar of Hardrug der kolonisten (Chaetostomus pictus), heeft gele vlekken op de borst, den buik en de zijden van het lichaam, overigens bruine boven- en witte onderdeelen; fijne stekeltjes bedekken de bovenzijde van den kop, de schouderbeenderen, de borst en de pantserplaten aan de zijden van ’t lichaam.
„De Hassar” zegt Schomburgk, „bouwt voor zijne nakomelingen een volslagen nest van allerlei waterplanten, handhaaft zich dapper in het bezit van deze woning, waarbij hij de wacht houdt en geeft bij de verdediging van de eieren tegen iederen aanval de sterkst sprekende bewijzen van energie en moederlijke zorgvuldigheid. Dit nest is werkelijk kunstig gebouwd en gelijkt veel op dat van den Ekster. In April tijgt de bouwmeester aan ’t werk; de op korten afstand van den waterspiegel tusschen biezen en andere waterplanten aangebrachte grashalmen worden aaneengevoegd tot een hollen, platgedrukten bol, waarvan het hoogste punt de oppervlakte van ’t water bereikt. De moeder, die om kuit te schieten door een opening geëvenredigd aan de grootte van den Visch in het nest komt, verlaat dit vóór het uitkomen der jongen niet anders dan om haar honger te stillen. De moederliefde voert haar trouwens dikwijls in ’t verderf; zij laat zich in dezen tijd gemakkelijk vangen. Het is voldoende een mandje te houden vóór de opening van het zonder moeite herkenbare nest en hier zachtjes tegen te kloppen; de Visch, die vol woede de vinstralen, waarmede hij niet onbelangrijke wonden kan toebrengen, opricht, schiet dan onmiddellijk naar buiten en komt in het mandje terecht.—Bij voorkeur houdt de Hassar zich op in het stilstaand water van de kuststreken, vooral in de besproeiingskanalen der plantages. Een andere eigenaardigheid van dezen Visch is, dat hij, op soortgelijke wijze als de Doraden, gedurende het droge seizoen over land trekt.”
*
Bij de Harnasvallen (Loricaria) is het lichaam met 3 à 5 overlangsche reeksen van betrekkelijk kleine beenplaatjes volledig gepantserd. Aan de onderzijde van den platten, spatelvormigen snuit bevindt zich de mondopening, welker randen uitgegroeid zijn tot een vliezigen zoom, die, bij wijze van franje, met voeldraden voorzien is. Zoowel de tusschenkaaksbeenderen als de onderkaakshelften zijn in ’t midden gescheiden; zij dragen lange tanden met een haakje naast de spits. De eerste straal van de borstvinnen, van de buikstandige buikvinnen en van de tegenover deze geplaatste rugvin is een lange, aan den rand gekerfde doorn; de vetvin ontbreekt; de staart is plat en lang, zijn vin gegaffeld. Dit geslacht omvat 25 soorten van kleine Visschen, die de rivieren van tropisch Zuid-Amerika bewonen.
De 20 à 25 cM. lange Kolderman (Loricaria cataphracta) is op den rug effen bruin, soms met onduidelijk begrensde dwarsbanden, op den buik lichter van kleur. De tanden zijn bij hem zeer duidelijk, aan de tusschenkaak minder talrijk, maar veel langer dan aan de onderkaak. De bovenste straal van de staartvin is tot een draad uitgegroeid, die het lichaam in lengte overtreft. In steenachtige bergbeken en rivieren van Zuid-Amerika, vooral in Suriname en Noord-Brazilië, schijnt deze Visch nergens zeldzaam te zijn. Schomburgk vond hem in grooten getale op zandbanken in den Roepoenoeni, dikwijls op eenige meters afstand van den waterkant; hij lag hier stil op het vochtige zand en kon gemakkelijk gevangen worden. Hieruit leidt men af, dat ook deze soort, evenals zijne verwanten, soms het water verlaat en over land een andere woonplaats opzoekt. Naar het schijnt, dienen de lange staartdraad en de voeldraden aan den mondrand tot het lokken van den buit, die uit kleine in of op den bodem levende diertjes bestaat.
Verreweg de meeste Zuid-Europeesche zoetwatervisschen en een groot aantal van die, welke de binnenwateren van Azië, van een deel van Afrika en van Noord-Amerika bewonen, behooren tot de familie der Karpervisschen (Cyprinidae), zoo genoemd naar haar belangrijksten vertegenwoordiger. Hun langwerpig eirond lichaam is met groote, ronde schubben bekleed; de kleine mondopening heeft zwakke, tandelooze kaken; de onderste keelbeenderen zijn met tanden bezet en werken op den zoogenaamden „karpersteen,” een uitwas van den schedel, dat meestal een hoornplaat draagt. De zwemblaas is in den regel verdeeld in een voorste en een achterste afdeeling en met het gehoororgaan verbonden door een keten van gehoorbeentjes. Voor de indeeling van de familie zijn de inrichting van den mond en de keelbeenderen van groot belang.
Men onderscheidt ongeveer 800 soorten van Karpervisschen; zij houden van stilstaand water, welks weeken, modderigen of zandigen bodem hun gewone voedsel, Wormen, insectenlarven en rottende plantaardige stoffen, bevat. Ook bewonen zij langzaam stroomend water, maar vermijden daarentegen bergstroomen min of meer. De meeste leven gezellig en vereenigen zich gaarne tot talrijke scholen, die, naar het schijnt, geruimen tijd gemeenschappelijk zwemmen en jagen en ook gedurende het ruwe jaargetijde dicht bij elkander in het slijk kruipen en hier een soort van winterslaap houden. Zij halen het grootste deel van hun voedsel uit den modder, dien zij zorgvuldig doorzoeken, door er dikwijls den kop in te steken en lang achtereen in deze houding te blijven. Als de rijtijd nadert, splitsen de scholen zich in kleinere troepen: de kuiters zwemmen in ’t eerste gelid, de hommers volgen hen trouw; gewoonlijk begeleiden 2 of 3 mannetjes één wijfje. In de eierstokken van een wijfje van 1.5 KG. vond men 337000, in die van een volwassen kuiter 700000 eieren. Verscheidene soorten worden sinds lang gefokt en hebben dus reeds vele eeuwen onder den invloed van den mensch gestaan; het verschil in de inrichting der fokvijvers, de ongelijke behandeling, enz. hebben aanleiding gegeven tot het ontstaan van vele afwijkingen, die in den loop der tijden standvastig zijn geworden. Dientengevolge is het aantal spelingen en verscheidenheden in de familie der Karpers grooter dan in eenige andere.
De Karpervisschen hebben, met uitzondering van slechts weinige soorten, een zacht, sappig en zeer smakelijk vleesch, kunnen wegens hun taai leven zonder bijzondere voorzorgen ver verzonden en gemakkelijker dan alle overige Visschen in allerlei verschillende wateren geacclimatiseerd worden; zij vermenigvuldigen zich zeer sterk, stellen geringe eischen, groeien snel, worden spoedig vet en bezitten dus alle goede eigenschappen, die men bij een voor ’t kweeken bestemden Visch verlangen kan. Op plaatsen, waar de mensch toezicht over hen houdt, hebben zij wel veel van ziekten, maar niet veel van vijanden te lijden; in de vrije natuur echter worden de jonge Karpervisschen door nagenoeg alle overige waterdieren vervolgd. Daarom geeft hun teelt zelden aanleiding tot groote teleurstelling en zijn zij beter dan andere Visschen voor algemeen gebruik geschikt.
Bij de Karpers i. e. z. (Cyprinus) is de mondopening vóór aan den snuit geplaatst en draagt de bovenkaak vier voeldraden: een korte en dikke dicht bij iederen mondhoek, een andere, nog kleinere iets verder naar voren. Op ieder der onderste keelbeenderen komen 5 keelbanden voor op drie rijen: de beide voorste ieder met één tand, de achterste rij met 3 tanden. De 4 voorste stralen van de rugvin en de 3 voorste van de aarsvin onderscheiden zich van de overige door hun dikte en stevigheid; de achterste van deze „doornen” is de langste en aan den achterrand van grove zaagtanden voorzien.
De eenige vertegenwoordiger van dit geslacht, de Karper, in Groningen ook wel Blauwkarper genoemd (Cyprinus carpio), bereikt—wanneer men enkele reuzen, die 1.5 M. lang, 60 cM. breed en 35 KG. zwaar geworden zijn, buiten rekening laat—een lengte van ongeveer 1 M. en een gewicht van 15 à 20 KG. Hij heeft een grooten bek met dikke lippen en een diep halvemaanvormig uitgesneden staartvin. Zoowel wat gestalte als wat kleur betreft, komen vele verscheidenheden voor. De zijden zijn gewoonlijk fraai olijfgroen met goudgelen glans, de rug en de rugvin zwartachtig grijs of zwartachtig bruin, de lippen en de buik geelachtig, de borst- en buikvinnen, aars- en staartvin roodachtig of geelachtig paars. De schubben vertoonen in ’t midden dikwijls een donkere vlek en niet zelden aan den achterrand een zwartachtigen zoom.
Tot aan den laatsten tijd heeft men verscheidene bastaarden en afwijkingen van den Karper als echte soorten beschouwd; de onjuistheid van deze meening is echter na zorgvuldige onderzoekingen met nagenoeg volkomen zekerheid gebleken. Van deze verdienen vermelding: de Spiegelkarper of Karperkoning, die slechts 2 of 3 rijen van buitengewoon groote schubben aan weerszijden van het lichaam en voor het overige een naakte huid heeft; deze werd uit Duitschland naar de Belgische vijvers overgebracht en komt ook in onze wateren soms voor. De Lederkarpers, die in ’t geheel geen schubben hebben, zijn bij ons nog zeldzamer. Een langwerpige, bijna cilindervormige gedaante, hebben de Meer- of Theisskarpers, die men op de vischmarkten van Weenen en München aantreft. De Karperkoningin houdt, wat den vorm betreft, het midden tusschen de vorige verscheidenheid en den gewonen Karper en kenmerkt zich voorts door een meer goudgele tint, breederen bek, dikkere baarddraden, langere lippen, enz.; zij wordt in Zwaben, Beieren en Bohemen aangetroffen. De Spitskarper eindelijk is meer gedrongen gebouwd en hooger van rug dan de gewone; hij bewoont den Donau, het Neusiedler meer en het Plattenmeer.
1) Karper en 2) Spiegelkarper (Cyprinus carpio); 3) Steenkarper (Carassius carassius); 4) Rivier-barbeel (Barbus vulgaris). ⅕ v. d. ware grootte.
De Karper was reeds aan de oude Grieken en Romeinen bekend, maar werd door hen minder geschat dan door ons. Eenige onderzoekers hebben hieruit afgeleid, dat deze Visch uit Zuid-Europa naar Frankrijk en Duitschland overgebracht is; men kan echter even goed aannemen, dat hij sommige groote rivieren van Middel-Europa, althans de Donau, van oudsher heeft bewoond. In aanzienlijke hoeveelheid komt hij voor in de Kaspische Zee en de hiermede in gemeenschap staande wateren, daar hij ook in veel zout bevattende moerassen kan leven; niet minder talrijk ontmoet men hem in de rivieren van de Zwarte Zee, zeldzamer in deze zelf. Gedurende den zomer houdt hij zich in groote menigte op in het ondiepe water van de Wadden; in den herfst zwemt hij de rivieren op tot in hooggelegen streken om hier te overwinteren. Naar men zegt, ontbreekt hij in Noord-Rusland. In Siberië hebben wij hem als een bewoner van het Ob-gebied, vooral van den Irtisch leeren kennen; evenzeer treft men hem aan in de Siberische stroomen, die in de Stille Zuidzee uitmonden. In Oud-Pruissen werd hij, naar men zegt, eerst omstreeks 1769 ingevoerd, naar de Oostzeeprovinciën van Rusland nog later overgebracht. Van Duitschland en Denemarken uit heeft men hem naar Engeland en Zweden overgeplant; naar ’t eerstgenoemde rijk omstreeks 1496 of, naar anderen beweren, in 1521, of zelfs eerst in 1614. Tegenwoordig ontbreekt hij in nagenoeg geen der meren en rivieren van Middel-Europa; in kleine hoeveelheid bewoont hij ook die van ons land; men vindt hem dikwijls in zeer groote menigte in de zoogenaamde veenplassen, waar vooral in vroegeren tijd soms zeer groote en zware exemplaren gevangen werden. Belangrijk is de Karper echter vooral hierdoor, dat hij zich niet minder gemakkelijk of nog beter dan eenige andere Visch laat fokken. In vele streken houdt men hem in bepaaldelijk voor dit doel ingerichte vijvers, waardoor een beekje stroomt. Gewoonlijk worden deze kweekplaatsen eens in de 6 jaren bevischt, vooral door het water daaruit af te tappen en de Karpers met de handen of schepnetten te vangen. In Duitschland, waar deze karpervijvers vrij algemeen zijn, geeft men aan de daarin gehouden Visschen den bijnaam van „tamme”, in tegenstelling met die, welke in rivieren en meren leven en „wilde” genoemd worden.
„Voorheen werden in ons land in vele vijvers Karpers aangefokt, die als ’t ware in tammen staat, tot ontelbare massa’s vermeerderden; onder deze vijvers was die van het huis te Swieten bij Leiden zeer beroemd; men zegt, dat hierin exemplaren van 200 à 300 jaar oud geleefd hebben. Tegenwoordig zijn er slechts weinige eigenlijke karpervijvers overgebleven; op den huize Baak bij Zutphen zag ik voor eenige jaren,” schrijft Van Bemmelen in 1866, „nog zeer oude exemplaren van zeer verschillenden vorm in een dergelijken vijver; in de vijvers van het Haagsche Bosch komt de Karper ook voor. Daar hij een zeer taai leven heeft, worden enkele exemplaren soms in kleine ruimten aangetroffen, zoo vond men in een afgesloten moerput te Kapelle (Prov. Noordbrabant), in November 1856, een Karper, die 14,7 KG. zwaar was.”
Ondiepe, modderige, zoo weinig mogelijk beschaduwde, hier en daar met waterplanten dicht bedekte vijvers of meren zijn het best voor den Karper geschikt; niet minder goed gedijt hij in de doode armen van rivieren of in deze zelf, wanneer zij rustig stroomen en een slijkerigen bodem hebben; snel stroomend, helder water vermijdt hij steeds. Gedurende den zomer, na den voortplantingstijd, mest hij zich vet voor den winter en doorkruist met dit doel meestal in dichte scholen de ondiepe gedeelten van het door hem bewoonde water, tusschen de waterplanten rondkijkend naar Insecten en Wormen en ook naar allerlei plantaardige stoffen, of den modder doorzoekend met hetzelfde doel. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine dieren, vooral uit Wormen, larven van Insecten of zelfs Amphibiën en dergelijke waterbewoners; hij bepaalt zich echter volstrekt niet tot dit voedsel, maar eet ook gaarne plantaardige stoffen, rottende deelen van waterplanten, bedorven vruchten, gekookte aardappels, brood, enz. In de vijvers is men gewoon de Karpers met schapenmest te voederen, hetgeen eigenlijk beteekent, dat men door de mest Insecten en Wormen aanlokt, want deze en niet de mest verschaffen aan deze Visschen voedsel, hoewel zij de mest ook verzwelgen. Bij ’t wroeten in den modder slikken zij ook aardachtige stoffen door; naar het schijnt hebben zij deze noodig voor de spijsvertering. In de zee voeden zij zich waarschijnlijk vooral met Wormen en kleine Schelpdieren.
Bij voldoende voeding wordt de Karper reeds in het derde levensjaar geslachtsrijp. Een 5-jarig wijfje legt reeds 300000 eieren; op hoogeren leeftijd kan dit aantal meer dan dubbel zoo groot worden. Zoodra de Karper zijn bruiloftskleed verkregen heeft, ontwaakt in hem de lust tot trekken; hij tracht nu zoover mogelijk de rivier op te zwemmen en overwint bij deze gelegenheid dikwijls belangrijke hinderpalen. Voor het kuitschieten kiest hij ondiepe, met waterplanten dicht begroeide plaatsen op; slechts als hij deze vindt, levert de voortplanting een voor den fokker gewenscht resultaat op. In de meren en rivieren vangt men de Karpers in sleepnetten, vaste netten en fuiken; vooraf werpt men op sommige plekken gekookte erwten als lokaas; ook plaatst men er wel eens zetlijnen, welker haken met kleine stukjes vleesch of gedroogde vruchten voorzien zijn.
Voor de karperteelt heeft men minstens tweeërlei vijvers noodig, n.l. ondiepe en diepere; de zoogenaamde mest- en fokvijvers en de winter- of verkoopvijvers. De eerstgenoemde moeten een kegelvormige uitholling hebben, waarin de Visschen, zonder door de vorst te lijden, den winter kunnen doorbrengen, maar mogen overigens niet dieper zijn dan 2 M., ook is het volstrekt noodig, dat zij ondiepere, met gras begroeide plekken hebben, om de Karpers de meest gewenschte gelegenheid tot kuitschieten te bieden. Een geregelde toevoer van „zacht” water is evenzeer een noodzakelijk vereischte; in vijvers met „hard” water gedijt de Karper niet, het minst goed in die, waarin krachtige wellen voorkomen of die hun water hieruit ontvangen. Als men verscheidene vijvers heeft, worden de ondiepste voor broedvijvers gekozen, de diepere en grootere voor mestvijvers; steeds moet er evenwel voor gezorgd worden, dat er in iederen vijver diepe plaatsen voorkomen, die in alle omstandigheden vorstvrij blijven, omdat men anders genoodzaakt is om tegen den winter de Karpers naar een dieperen vijver over te brengen. In den regel worden voor een broedvijver van 2 HA. 5 fokkarpers van 4- à 12-jarigen leeftijd (1 hommer en 4 kuiters) voldoende geacht; om het onbevrucht blijven van een deel der eieren te voorkomen, is het natuurlijk nog beter nagenoeg evenveel hommers als kuiters in den vijver te plaatsen. Hoewel de Karper buitengewoon vruchtbaar is, levert iedere kuiter slechts in gunstige omstandigheden 1000 à 2000 jongen, waarschijnlijk omdat er nog altijd te weinig zorg wordt besteed aan een behoorlijke inrichting van de voor ’t kuitschieten bestemde plaatsen. Sommige vischfokkers verschaffen aan de Karpers een uitmuntende gelegenheid voor het leggen van de eieren, door op een afstand van 20 cM. onder den waterspiegel in horizontale richting horden of matten aan te brengen, die van wilgentwijgen gevlochten en aan de bovenzijde met een groot aantal bundeltjes van swarretakjes voorzien zijn. De ervaring heeft geleerd, dat door dezen maatregel een aanmerkelijk grooter aantal bevruchte eieren en jonge vischjes wordt verkregen. Zoolang de ontwikkeling van de kiem duurt, moet het water in den broedvijver zooveel mogelijk op dezelfde hoogte gehouden worden, daar de eieren bederven, indien zij tijdelijk bloot komen te liggen. Zoodra de jonge vischjes het ei verlaten hebben, bestaat de taak van den vischfokker voornamelijk in het nemen van maatregelen om de diertjes tegen allerlei vijanden te beschermen. De vermenigvuldiging van de Waterkikkers, die nadeelig zijn door het verslinden van eieren en jongen, wordt door het wegnemen van het kikkerrit tegengegaan. Bovendien hebben de Karpers veel te lijden van Waterspitsmuizen en Waterratten, Zwarte Ooievaars, Eenden en Duikers; hunne ergste vijanden zijn echter de Vischotters, Vischarenden, en vele soorten van Reigers, om van allerlei roofvisschen niet eens te spreken.
Om aan de jonge vischjes een voldoende hoeveelheid voedsel te verschaffen is men in den laatsten tijd begonnen hen reeds weinige weken na de geboorte in grootere, zoogenaamde „broedgroeivijvers” over te brengen; verscheidene malen in den zomer worden met dit doel de broedvijvers leeggevischt; hierdoor wordt een veel grootere opbrengst aan jonge Visschen verkregen. Deze brengen hun tweede levensjaar in den eersten eigenlijken groeivijver door en bereiken hier bij gunstige weersgesteldheid, vooral bij warm weer, een lengte van 8 à 12 cM. De tweejarige Karpers brengen den derden zomer in den tweeden groeivijver door en kunnen hier meer dan 30 cM. lang worden, als de bevolking niet te groot en het voedsel dus niet te schaarsch is. In den derden zomer eindelijk komen de Karpers in de „mestvijvers”, waar zij in den loop van 1 of 2 jaar 1 à 1.5 KG. zwaar en dus voor de markt geschikt worden. Deze vijvers zijn grooter dan de vorige; men kan er, tegelijk met de Karpers, Zeelten en Alen in houden en ook een beperkt aantal Snoeken of andere roofvisschen; deze zijn nuttig door het verslinden van waardelooze kleine Witvisschen, zooals Voorns, Ruischvoorns, enz., en van de jongen der te vroeg rijpe, voor de markt bestemde Karpers, ook bevorderen zij de ontwikkeling dezer trage dieren en voorkomen het ontstaan van de ziekten, waaraan zij onderhevig zijn, door hen in beweging te houden. De Snoeken komen in den Karpervijver gemakkelijk aan den kost en bereiken binnen korten tijd zulk een grootte, dat het hun niet moeielijk zou zijn onder de niet voor hen bestemde Visschen een groote slachting aan te richten; te rechter tijd moet men deze dienaren afdanken en vervangen door jongere exemplaren, die nog tevreden zijn met Visschen, welke voor ons niet slechts waardeloos, maar zelfs schadelijk zijn, daar zij zich voeden met de spijzen, waarvan de Karpers vet moeten worden. Het is noodig, dat in de mestvijvers moddervrije diepten voorkomen, die tot winterleger voor de Visschen kunnen dienen. Men moet er voor zorgen, dat de vijver nooit geheel met ijs bedekt is; steeds moeten er openingen in de ijskorst zijn ten behoeve van de luchtverversching. Vóór den aanvang van den winter worden ook de één- en tweejarige Karpers dikwijls naar bepaalde, voor winterverblijf geschikte vijvers overgebracht. Voor het bewaren van de Visschen, die gereed zijn om afgeleverd te worden, dienen de kleine „verkoop-” of „voorraadvijvers”.
De Karperteelt in vijvers was in vroegere eeuwen in Duitschland wegens het meer algemeene gebruik van vastenspijzen van grootere beteekenis dan thans. Toch bestaan ook nog in den tegenwoordigen tijd groote inrichtingen voor het vischfokken. De grootste zijn die van het domein Wittingau en Boheme, waar 187 vijvers een oppervlakte van 5564 HA. innemen; belangrijk zijn ook die van het vorstendom Trachenberg in Silezië (1173 HA.) en van het domein Peitz bij Cottbus in de Lausitz (1176 HA.). De vijvers worden naar den oorsprong van het water dat zij bevatten, onderscheiden in: „stroom-” of „beekvijvers”, die onmiddellijk of door tusschenkomst van kanalen met stroomend water in gemeenschap staan, „bronvijvers”, die door wellen aan den bodem of bij den rand gevoed worden, en „regenvijvers”, waarin zich het direct neervallende of van de omliggende gronden afvloeiende regenwater verzamelt. Ieder dezer vijvers heeft eigenaardige voordeelen. Alle zijn voorzien van inrichtingen om ze te ledigen en weer vol te laten loopen en den waterstand te regelen; met dit doel omgeeft hen een met zorg aangelegde dam, die geen water mag doorlaten; in de onmiddellijke nabijheid van de hierin aangebrachte aftaptoestellen komt meestal een zoogenaamde „vischkuil” voor, de diepst uitgegraven plek, waarheen verschillende kanalen in den bodem leiden, zoodat bij het droogleggen van den vijver alle Visschen zich hier verzamelen. Voor de vischteelt moet het terrein bij voorkeur uit vette leem of klei bestaan, daar deze geen water doorlaat en voor de ontwikkeling van dierlijke en plantaardige voedingsstoffen het meest geschikt is. In den regel gebruikt men den vijver afwisselend voor de vischfokkerij en als bouw- of weiland, d. w. z. de grond wordt na het droogleggen met klaver, haver of gras bezaaid; na twee jaar laat men den vijver opnieuw vol loopen. Door dezen wisselbouw wordt partij getrokken van het slijk, dat zich op den bodem heeft verzameld, daar het als mestspecie voor de uitgezaaide gewassen dient, terwijl aan den anderen kant door de bebouwing de ontwikkeling van het dierlijk leven in den opnieuw met water bedekten bodem bevorderd wordt. Merkwaardig gunstige uitkomsten levert de karperteelt in Californië. Wegens het zachte klimaat en den overvloed van voedsel groeien de Visschen hier buitengewoon snel. Kort na 1880 heeft men de meeste gewesten in de Vereenigde Staten uit de fokvijvers te Washington met Karpers kunnen voorzien.
Karpers, die in een kleinen parkvijver geregeld gevoederd worden, geraken spoedig aan hun woonplaats en aan hun verzorger gewoon; zoodra hij zijn stem laat hooren, of hen op een andere wijze roept, b.v. door een klokje te luiden of te fluiten, komen zij van alle kanten aanzwemmen en scholen samen op de plaats, waar zij gewoon zijn hun voedsel te ontvangen.
*
De Steenkarpers (Carassius) zijn kenbaar aan het ontbreken van de voeldraden aan den eindstandigen mond, hoewel bij hen, evenals bij de leden van het vorige geslacht, de zachte vinstralen van rugvin en aarsvin voorafgegaan worden door een beenigen, aan den achterrand gezaagden doorn. Ieder van de onderste keelbeenderen draagt vier spatelvormige tanden, die op één reeks geplaatst zijn. Tot dit geslacht behoort slechts één ook in Nederland voorkomende soort, de Steenkarper, oudtijds ook wel Hamburger genoemd (Carassius carassius). De donker olijfbruine kleur van de bovendeelen gaat op de zijden in geelgroen over. De borst- en buikvinnen hebben een roodachtige tint; de overige vinnen zijn donkerbruin. Dikwijls zweemen alle tinten min of meer naar geelrood. Bijzonder groot wordt de Steenkarper niet, daar hij slechts zelden een lengte van meer dan 20 cM. en een gewicht van meer dan 0.7 KG. bereikt. De grootte en de kleur vertoonen echter veel afwisseling bij deze soort. Aan hare talrijke verscheidenheden werd vroeger een hoogeren rang toegekend. Uit nauwkeurige onderzoekingen is n.l. gebleken, dat de Giebel (Cyprinus gibelio), die door onze visschers veelal onder de namen Kroeskarper, Kruiskarper en Jonge Karper op de markt wordt gebracht, niet als een afzonderlijke soort mag worden beschouwd, hoewel bij hem de hoogte van het lichaam slechts een derde, bij den Gewonen Steenkarper daarentegen soms niet minder dan de helft van de lengte (zonder de staartvin) bedraagt. Bij beide is het aantal schubben gelijk. De Giebel is kleiner dan de gewone vorm en fraai bronskleurig in plaats van olijfgroen. Ook bastaarden van den Karper en den Steenkarper zijn soms als echte soorten beschreven, b.v. de Bastaardkarper (Cyprinus Kollari).
De Steenkarper wordt in ons land vrij algemeen aangetroffen, vooral in stilstaande wateren, zooals meren, veenplassen, vaarten en slooten. Zijn verbreidingsgebied omvat het midden, noorden en oosten van Europa en het noorden van Azië. Veelvuldig komt hij voor in rivieren, vijvers en meren van de Rijn- en Donaulanden, Oost- en West-Pruisen, geheel Rusland en Siberië. Hij bewoont overal bij voorkeur stilstaand water, zooals meren met moerassige oevers of de zoogenaamde doode armen van rivieren. Men vindt hem echter ook in kleine vijvers, poelen, plassen en moerassen; het deert hem niet, dat het water in zijn omgeving vuil is; zelfs het smerigste, modderigste voedsel neemt hij voor lief en vaart er wel bij. Evenals de Karper, voedt hij zich hoofdzakelijk met Wormen, larven en rottende plantaardige stoffen en brengt daarom het grootste deel van zijn leven op den bodem van ’t water door. Hier verkeert hij gedurende het koude jaargetijde in een staat van verstijving; zelfs kan hij, naar men zegt, in het ijs vastvriezen, zonder dat dit zijn leven in gevaar brengt. Alleen gedurende den rijtijd, die in Zuid-Europa in Juni, in Noord-Europa in Juli plaats heeft, ziet men hem dikwijls aan de oppervlakte van ’t water verschijnen, vooral op ondiepe, met planten begroeide plaatsen; hier dartelen dan geheele scholen van deze Visschen rond, die met de lippen smakkend aan den waterspiegel voedsel zoeken en elkander spelend najagen, totdat de tijd van kuitschieten aanbreekt.—Hoewel de Steenkarper een betrekkelijk gering aantal eieren legt, n.l. omstreeks 100000, vermenigvuldigt hij zich zeer sterk.
In vijvers, welker water voor de karperteelt te modderig is, kan het fokken van Steenkarpers voordeel opleveren. Zulk water heeft geen nadeeligen invloed op den smaak van hun vleesch, terwijl het dat van den Karper bijna oneetbaar maakt. Ook zijn de Steenkarpers indirect nuttig, als men ze kweekt in denzelfden vijver als Forellen, omdat zij aan deze edele roofvisschen, die hen in waarde vele malen overtreffen, tot voedsel dienen. De Steenkarper kan uren lang buiten het water in leven blijven en, in sneeuw of vochtige bladen verpakt, in ieder jaargetijde over groote afstanden verzonden worden. In Rusland, waar hij alle wateren van de steppe bevolkt, schat men hem hoog.
Engelbert Kämpfer (1651–1716), een Duitsche arts, die in 1683 als secretaris aan het Zweedsche gezantschap in Perzië verbonden was, nam in 1685 als scheepsdokter dienst op de vloot van onze Oost-Indische Compagnie, die destijds in de Perzische golf kruiste en bezocht in deze kwaliteit Arabië, Hindostan, Java, Sumatra, Siam, China en Japan. Aan dezen geleerde dankt men, behalve een „Geschiedenis van Japan” en een plaatwerk over Japansche planten, de eerste berichten over een rooden pronkvisch met fraaien, goudgelen staart, King-Jo genaamd, die in Japan en China in vijvers gehouden en in zekeren zin als huisdier beschouwd wordt. Dit dier, bij ons onder den naam van Goudvisch bekend, is vermoedelijk voor ’t eerst door de Portugeezen uit China naar de Kaap de Goede Hoop, vervolgens naar Portugal en van hier naar de andere landen van Europa overgebracht. Over het jaar, waarin hij voor ’t eerst in ons werelddeel verscheen, heerscht verschil van meening: sommige schrijvers spreken van 1611, andere van 1691, nog andere van 1728. In ons vaderland bezaten, naar men zegt, Bentinck en Clifford de eerste Goudvisschenvijvers, welker bewoners evenwel, volgens Baster, in 1765 nog geen kuit geschoten hadden. De eerste Goudvisschen, die men in Frankrijk te zien kreeg, dienden als geschenk aan de beruchte Madame de Pompadour. Tegenwoordig zijn deze Visschen bij alle beschaafde volken gewenschte huisgenooten en in de warme landen van den gematigden aardgordel werkelijk inheemsch geworden. Op het eiland Mauritius, waar zij door de Franschen werden ingevoerd, bewonen zij thans alle rivieren, vijvers en meren; ook in Portugal schijnen zij verwilderd te zijn. Vooral in het zuiden en westen van Frankrijk werden en worden zij in aanzienlijken getale gekweekt; de fokvijvers in de omstreken van Havre voorzien een groot deel van Engeland met Goudvisschen; ook in Duitschland bestaan hier en daar inrichtingen van dezen aard. Over ’t algemeen komt deze vischteelt met die van den Karper overeen, met dit verschil, dat de hiervoor noodige vijvers talrijker en kleiner zijn en een nauwkeuriger toezicht vereischen. De Goudvisschen kunnen door doelmatige behandeling er toe gebracht worden in den loop van één zomer drie- of zelfs viermaal kuit te schieten en zeer vroegtijdig hunne prachtige kleuren aan te nemen; ook kan men binnen zekere grenzen hunne kleuren wijzigen.
Binnenshuis houdt men de Goudvisschen gewoonlijk in halfbolvormige glazen kommen; beter geschikt hiervoor zijn echter grootere glazen bakken, die ruimschoots voorzien en versierd zijn met waterplanten. Als voedsel werpt men iederen dag eenige stukgewreven mierenpoppen, broodkruimels of stukjes ouwel in het water; men moet dat echter niet overdrijven omdat het weinigje water dat een goudvisschenkom bevat, ook buitendien weldra zoo zeer bederft dat Visschen van geringer weerstandsvermogen er niet in zouden kunnen leven; door een overmaat van voedsel wordt het zelfs voor Goudvisschen te slijmerig. Om hen lang te behouden, is het volstrekt noodig van tijd tot tijd het water te ververschen en er iederen dag verscheidene malen door een blaasbalg met fijn uitloopende pijp lucht door te persen. Voor een groote, met planten bezette waterbak is het toepassen van dezen maatregel minder noodig, omdat de planten zuurstof afscheiden. Het aanraken of op een andere wijze storen van de Goudvisschen moet vermeden worden. Het is wegens den gezelligen aard van deze dieren raadzaam minstens 2 of 3 in een kom en verscheidene in een grooter aquarium te houden, omdat zij het verlies van metgezellen, waaraan zij gewoon zijn geraakt, in den regel niet lang overleven. Door zorgvuldige behandeling worden de Goudvisschen weldra zoo tam, dat zij hun verzorger het voedsel uit de hand nemen, of, wanneer zij in grootere ruimten, in fonteinen of kleine vijvers verblijf houden, bij het hooren van een met een klok gegeven sein komen aanzwemmen.
De Goudvisch (Carassius auratus) heeft ongeveer denzelfden vorm als de Karper en kan 25 à 30, hoogstens 40 cM. lang worden; op vermiljoenrooden grond schittert zijn huid met een prachtigen goudglans. Er bestaan vele verscheidenheden van deze soort, o.a. een zilverkleurige (de Zilvervisch) en een zwart gevlekte; door lang voortgezette teeltkeus kan men trouwens allerlei min of meer standvastige rassen verkrijgen; de Chineezen zijn hierin zeer bedreven en reeds sinds eeuwen in deze richting werkzaam. Een zeer in ’t oog vallende, zonderlinge monstruositeit is de zoogenaamde Teleskoopvisch, die reusachtig groote, ver buiten den kop uitpuilende oogen en een zeer groote staartvin heeft.
*
De Barbeelen (Barbus), die het soortenrijkste geslacht van de geheele familie vormen, hebben, evenals de Karpers, vier voeldraden aan de bovenkaak; deze steekt voor de onderkaak uit, zoodat de mondopening zich aan de benedenzijde van den snuit bevindt. In de korte rugvin is een der stralen, gewoonlijk de derde, een tamelijk dikke doorn; de aarsvin is eveneens kort, maar bevat geen doorn. Elk der onderste keelbeenderen draagt 3 rijen van tanden (in de buitenste 2, in de middelste 3, in de binnenste 5); deze zijn kegelvormig, naar achteren haakvormig omgebogen en aan de achterzijde lepelvormig uitgehold.
Onze Rivierbarbeel, gewoonlijk eenvoudig Barbeel en, evenals de Gebaarde Modderkruiper, ook wel Berm of Barm genoemd (Barbus fluviatilis), kan 60 à 70 cM. lang en 4 à 5 KG., bij uitzondering 9 à 12 KG. zwaar worden; zijn lichaam is veel langwerpiger dan dat van den Karper, tamelijk dik, hoewel zijdelings samengedrukt, ongeveer 5-maal zoo lang als hoog, op den rug olijfkleurig groen, aan de zijden en aan den buik lichter, n.l. groenachtig wit, aan de keel wit van kleur; de rugvin is blauwachtig, de aarsvin evenzeer, doch met zwartachtigen zoom; de overige vinnen zijn min of meer roodachtig.
De Rivierbarbeel verdient dezen naam, omdat hij uitsluitend heldere en stroomende, nooit stilstaande wateren bewoont; bij voorkeur leeft hij op een steenachtigen of zandigen bodem. Bij ons wordt hij in stroomende wateren vrij algemeen gevonden, o. a. in den IJsel, de Lek, den Rijn bij Arnhem en de Maas, slechts zelden echter bij de monden der rivieren. Met uitzondering van Skandinavië, Denemarken en andere noordelijke landen behoort geheel Europa tot zijn verbreidingsgebied. De Barbeelen, die zich gedurende den zomer gaarne tusschen waterplanten ophouden, begeven zich, zoodra deze in den herfst sterven, naar de diepere gedeelten der rivieren en verschuilen zich hier onder steenen, in holten en gaten, of verbergen zich bij den oever in den grond. In zeer gunstig gelegen schuilhoeken komen zij soms in zeer grooten getale bijeen om, letterlijk op en naast elkander liggend, winterslaap te houden. In het jaar 1811 vond men, volgens Schinz, het kanaal van het waterrad bij den overdekten brug van Zurich zoo vol Barbeelen, dat er binnen weinige uren meer dan 10 centenaars van verzameld konden worden. Ook op andere plaatsen, b.v. in den Rijn bij Laufen, aan den mond van den Main en in de Theems, vangt men ze soms in groote menigte.
De Barbeel is de vlugste en bedrijvigste van alle inheemsche Karpervisschen, hoewel men ook hem niet geheel van traagheid vrijpleiten kan. Over dag ligt hij gewoonlijk stil op den bodem; des nachts evenwel beweegt hij zich veel om zijn voedsel te zoeken, dat uit allerlei zachte plantendeelen, larven van Insecten, slakjes en zelfs uit vischjes en krengen bestaat. De voortplanting heeft plaats in de maanden Mei en Juli; omstreeks dezen tijd ziet men scholen van 100 of meer Barbeelen, die in een lange reeks achter elkander aan zwemmen; bij hen sluiten zich de minder oude aan; de jongen vormen de achterhoede. Naar het schijnt, vermenigvuldigen zij zich niet snel.
Het vleesch van den Barbeel bevat zeer vele graten en valt niet in ieders smaak; daarom worden deze Visschen soms als veevoeder of mestspecie gebruikt. Merkwaardig en tot dusver nog onverklaard is de vergiftige werking van hun kuit.
In de karpervijvers kan de Barbeel den Snoek vervangen, in zoover als ook hij de trage Visschen tot meer bedrijvigheid aanspoort. In een kleine ruimte houdt hij zich goed en vermaakt den toeschouwer door vlugge bewegingen en speelschheid.
*
De Grondels (Gobio), niet te verwarren met de Zeegrondels en de Grundels verschillen van de Barbeelen door het bezit van slechts twee voeldraden (in elken mondhoek één tamelijk lange), den hoogeren stand der oogen, het ontbreken van den doorn in de rugvin, de groote schubben en de plaatsing der haakvormige tanden der onderste keelbeenderen op 2 rijen (3 of 2 in de buitenste, 5 in de binnenste rij).
De Grondel, die ook Riviergrondel, Grundje, Govie of Riviergovie heet (Gobio fluviatilis), bereikt een lengte van 12 à 15, hoogstens 18 cM.; hij heeft op de zwartachtig grijze bovendeelen donkergroene of zwartblauwe vlekken, die vooral langs de zijdestreep duidelijk uitkomen; de onderdeelen zijn wit met zilverachtigen glans; de rugvin en staartvin vertoonen op geelachtigen grond zwartbruine vlekken; de overige vinnen zijn effen lichtgeel of rood. Over een groot deel van Europa en West-Azië verbreid, bewoont de Grondel bij voorkeur meren, rivieren en beken, maar komt ook voor in moerassen en zelfs in onderaardsche wateren, b. v. in de Adelsberger grot. De Grondels worden in onze rivieren en stilstaande wateren vrij algemeen gevonden, zijn zeer menigvuldig in de Meierij van ’s Hertogenbosch, vrij talrijk in den Berkel, den IJsel, den Rijn bij Arnhem. In de Duitsche stroomen behooren zij tot de gewone Visschen; in Groot-Brittannië en Ierland zijn zij even algemeen als op het vasteland, in Rusland evenmin zeldzaam, in West-Siberië en Mongolië buitengewoon overvloedig. Bij voorkeur bewonen zij zuiver water met een zandigen of met grind bedekten bodem en komen daarom op sommige plaatsen zeldzaam, op andere in buitengewoon grooten getale voor. Bijna altijd ziet men ze in talrijke, dicht opeengedrongen scholen, daar de gezelligheid voor hen een behoefte schijnt te zijn. Hun voedsel bestaat uit jonge vischjes, Wormen, rottende dierlijke stoffen en weeke plantendeelen. Wegens zijn groote voorliefde voor krengen, noemt men hem in Duitschland wel eens „Doodgraver”.
In de lente zwemt de Grondel in grooten getale uit de meren de rivieren op om hier kuit te schieten. Het eierleggen begint in Mei, geschiedt met tusschenpoozen en duurt ongeveer 4 weken.
In het noordoosten van Duitschland, b.v. in Pommeren, wordt de Grondel in het najaar geregeld in aanzienlijke hoeveelheid gevangen en gegeten. Des zomers vangt men hem bij voorkeur met den hengel, daar hij zelfs van den onervaren visscher de verwachting niet teleurstelt. In Engeland is men gewoon om vooraf op de plaats, waar men visschen wil den bodem met een ijzeren werktuig open te krabben, omdat de Grondel gaarne op dergelijke plaatsen, die hem een rijken buit van kleine dieren beloven, eenigen tijd vertoeft. Wanneer men eenige vaardigheid in ’t hengelen bezit, is het niet moeielijk binnen korten tijd verscheidene dozijnen van deze sierlijke vischjes buit te maken.
De Grondel is een smakelijke Visch, die echter wegens zijn geringe grootte en vele graten niet hoog geschat wordt. In Noord-Duitschland is hij zeer laag, in Zuid-Duitschland veel hooger in prijs. Een zeer geschikt voedsel levert hij aan de bewoners der forellenvijvers. Tegen gevangenschap in een nauwe ruimte is hij zeer goed bestand, indien het water op behoorlijke wijze ververscht wordt.
*
Door het bezit van slechts één paar voeldraden en het gemis van doornen komen de Zeelten (Tinca) met de Grondels overeen; aan deze en aan de Barbeelen herinneren zij door de kortheid van de rugvin en de aarsvin, aan den Karper door de verhouding tusschen de lengte en de hoogte van den stam. Van alle reeds genoemde Karpervisschen verschillen zij echter door de kleinheid der schubben, die stevig bevestigd zijn in de dikke slijmerige huid en door de van achteren nagenoeg rechtlijnig begrensde staartvin. De voor aan den kop gelegen mondspleet draagt aan iederen hoek een zeer korte voeldraad; ieder keelbeen draagt een rij van 4 of 5 knotsvormige tanden.
De Zeelt (Tinca tinca), de eenige soort van haar geslacht, is een van de meest algemeen verbreide Europeesche Karpervisschen; in ons land ontmoet men haar in alle stilstaande wateren, zelfs in slooten, doch bijna nooit in stroomend water. In Gelderland en Overijsel noemt men haar Louw of Lauw, in Friesland Muithond of Muudhon (Muwdhoun), in Groningen Slei, in Cadzand Tinker. In de vorige eeuw werd zij in Noord- en Zuid-Holland ook Schoenmaker genoemd, wegens de dikte van haar huid. Volgens Gronovius beschouwde men haar als „Dokter van de Visschen”; volgens Yarrel kende men haar ook in Groot-Brittannië deze waardigheid toe en was bij het volk de meening verbreid, dat de Snoek haar om deze reden spaart.
De Zeelt wordt hoogstens 70 cM. lang en 3 à 4, zelden 5 à 6 KG. zwaar. Meer dan bij andere Karpervisschen wisselt haar kleur in verband met haar verblijfplaats af. Gewoonlijk is zij fraai olijfgroen met een glans als van gepolijst geelkoper, op de bovendeelen met grijsachtig zwarte, op de onderdeelen met geelachtig witte tint. De lippen, de aars en de oksel der borstvinnen vertoonen een vleeschkleurige tint. De zwartachtige kleur van de vinnen gaat naar den wortel in donkergrijs over. Bij sommige exemplaren zijn deze tinten donker, bij andere lichter, sterk naar roodachtig geel zweemend of zelfs met goudgelen glans. In sommige gewesten, vooral in Bohemen en Opper-Silezië, wordt een verscheidenheid gefokt, waarbij de goudglans zich nagenoeg over het geheele lichaam heeft verbreid; deze zoogenaamde Goudzeelten behooren tot de prachtigste Europeesche Visschen en werden vroeger als een afzonderlijke soort (Tinca chrysitis) beschouwd; bij ons komen zij zelden voor; vaker ontmoet men hier een verscheidenheid van meer langwerpigen vorm (Tinca italica).