1) Gebaarde Modderkruiper (Nemachilus barbatulus), 2) Modderkruiper (Misgurnus fossilis), 3) Kleine Modderkruiper (Cobitus taenia). ½ v. d. ware grootte.
Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine, in ’t water en in den modder levende lagere en jonge dieren en uit vischkuit, doch ook uit rottende plantaardige stoffen. Het vleesch van dit dier smaakt grondig en wordt daarom door den mensch niet gegeten.
De Gebaarde Modderkruiper (Nemachilus barbatulus), ook wel Bermpje genoemd (evenals Barbus fluviatilis), bereikt een lengte van 10 (hoogstens 15) cM. Van de vorige soort onderscheidt hij zich vooral door het bezit van slechts 6 voeldraden, die alle aan de bovenlip voorkomen. Het lichaam is nagenoeg rolvormig, de kleur van den rug donkergroen, van de zijden geelachtig, van de onderdeelen lichtgrijs; de kop, de rug en de zijden zijn met onregelmatige, bruinzwarte stippels, vlekken en strepen geteekend, de rug-, staart- en borstvinnen gevlekt, de aars- en buikvinnen geelachtig wit en ongevlekt. Bij de vischsoorten, die Schlegel en Van den Ende in ons land hebben waargenomen, komt de Gebaarde Modderkruiper niet voor; volgens andere schrijvers is hij inheemsch. Evenals zijne verwanten treft men hem in een groot deel van Europa aan, oostwaarts tot bij den Oeral, zuidwaarts tot aan de Alpen; naar Zweden werd deze Visch, die als zeer smakelijk wordt geroemd, door Koning Frederik I (1720–1751) uit Duitschland overgebracht. Vooral in Saksen, Brandenburg, Hessen, Zwitserland en Tirol vindt men hem in grooten getale, maar ook in de overige landen ten noorden van de Alpen (o. a. in België en Groot-Brittannië) is hij niet zeldzaam. In tegenstelling met zijn grootere verwant bewoont hij, zoo niet uitsluitend, dan toch bij voorkeur stroomend water, liefst ondiepe beken met steenachtigen of zandigen bodem en snellen stroom. Over dag houdt hij zich hier verborgen in een holte onder een steen; men ziet hem slechts bij uitzondering vrijwillig uit deze veilige rustplaats te voorschijn komen, n.l. als een gemakkelijk verkrijgbare buit hem tot dit waagstuk verleidt. Tegen zonsondergang begint voor hem de tijd van jagen; waarschijnlijk blijft hij gedurende den geheelen nacht in beweging. De groote staartvin stelt hem tot zeer goed zwemmen in staat; hij doet dit echter steeds bij rukken en niet gaarne lang achtereen. Na het voorzichtig optillen van den steen, die zijn schuilhoek bedekt, ziet men hem eerst eenige oogenblikken rustig op dezelfde plaats blijven, daarna pijlsnel voortschieten en, door plotseling te zwenken of onverhoeds naar den grond te zinken, een nieuwe schuilplaats bereiken. Bij ’t naderen van een onweer geeft ook hij bewijzen van onrust, alsof de electrische spanning ook hem onaangenaam aandoet. De Gebaarde Modderkruiper heeft een veel geringer weerstandsvermogen dan zijn grootere verwant en sterft buiten het water na weinige minuten. Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine waterdieren, Insecten van verschillenden leeftijd en vischkuit, waarschijnlijk ook uit plantaardige stoffen. (Die, welke men in vijvers kweekt, worden althans met lijnkoeken en papaverzaad gevoederd.) Het kuitschieten heeft plaats in de eerste maanden van de lente; in Maart en April zijn de eierstokken overvuld met tallooze eitjes; van Mei tot Juli wemelt het op sommige plaatsen van jongen, die sinds kort het ei verlieten. Het wijfje legt de eieren in een gat, dat het mannetje graaft en waarbij het de wacht houdt, totdat de jongen uitkomen.
Deze Vischsoort wordt wegens haar smakelijk vleesch in sommige landen, vooral in Bohemen, in bepaaldelijk voor haar bestemde vijvers gekweekt; in den regel zijn dit kleine kuilen van 3 M. lengte, 1 M. diepte en verschillende breedte; men bekleedt ze met mandewerk en vult de ruimte, die hiertusschen en den wand van den kuil overblijft, met schapenmest om de ontwikkeling van insectenlarven te bevorderen. Een voortdurende toevoer van versch water is volstrekt noodig voor het goed gedijen van deze half-gevangen Modderkruipers, die zich in gunstige omstandigheden buitengewoon snel vermenigvuldigen; de onderneming levert in dit geval voordeel op, hoewel slechts op weinige plaatsen een flinke prijs voor de vischjes betaald wordt.
Behalve de mensch maken ook Waterspitsmuizen en Waterratten, Eenden en vele Moerasvogels jacht op de Modderkruipers; vooral de IJsvogel verkrijgt waarschijnlijk het grootste deel van zijn voedsel door het vangen van deze dieren, die bovendien veel te lijden hebben van Visschen, die, evenals zij, op den bodem leven.
In goed ingerichte aquariën kunnen de Modderkruipers lang in ’t leven blijven. Veel tijdverdrijf verschaffen zij trouwens niet. Zij verslinden een ongeloofelijk groote hoeveelheid Wormen en dergelijke dieren, waarbij zij een beweging maken, alsof zij bezig zijn een kolossalen buit te overweldigen.
De Kleine Modderkruiper, vroeger ook wel Grundel genoemd (Cobitis taenia), onderscheidt zich van zijne reeds genoemde verwanten vooral door het bezit van een gevorkt stekeltje, dat opgericht en neergelegd kan worden, boven ieder oog. De bovenkaak is voorzien van 6 zeer korte voeldraden. Het lichaam is zijdelings sterk samengedrukt, vooral aan den kop, heeft overal nagenoeg denzelfden vorm en is met buitengewoon kleine schubben geheel bedekt. Dit vischje wordt hoogstens 10 cM. lang en is op oranjegelen grond zeer fraai geteekend met overlangsche reeksen van afgeronde, zwarte vlekken; die van de onderste reeks zijn de grootste en op het midden van den afstand tusschen de ruglijn en de buiklijn gelegen; een tweede reeks van kleinere vlekken strekt zich boven de eerste van kop tot staart uit; de zijden en de staart zijn bovendien nog met kleine, onregelmatige vlekken en stippels versierd, die op de keel, de borst en den buik geheel ontbreken; een bruinzwarte streep gaat van het oog naar de bovenlip en zet zich naar achteren voort tot aan de spits van het kieuwdeksel; een andere loopt evenwijdig aan de vorige over de wangen. Bij de meeste exemplaren vindt men een donkere, gitzwarte, scherp begrensde vlek aan den wortel van het bovenste deel van de staartvin. De donkere stippels vormen op de rugvin overlangsche, op de staartvin dwarse reeksen. De parige vinnen en de aarsvin zijn lichtgeel.
De Kleine Modderkruiper is de eenige soort van zijn onderfamilie, die ook ten zuiden van de Alpen tot in Dalmatië voorkomt. Naar het noorden strekt zijn verbreidingsgebied zich uit tot aan de zeekust, oostwaarts tot Rusland, westwaarts tot Groot-Brittannië. Voorts bewoont hij Siberië en Japan. Bij ons komt hij in stilstaand en stroomend water in kleine hoeveelheid voor op plaatsen, waar de grond zandig of steenachtig is. In Duitschland en Engeland is hij overal zeldzamer dan de vorige soort. Zijne levenswijze en gewoonten zijn nog weinig bekend; men weet althans niet recht, in welke opzichten deze zich van die der Gebaarde Modderkruipers onderscheiden. Rivieren, beken en slooten, plassen en meren worden door hem bewoond; hij verschuilt zich hier onder steenen en maakt jacht op Wormen, larven, Insecten en dergelijke kleine dieren. Deze Visschen, hoewel klein, mager en taai van vleesch, worden in sommige streken van Duitschland vóór den rijtijd, die in Mei valt, gevangen en gegeten.
Verscheidene eigenaardigheden van andere groepen van Luchtbuisvisschen, treft men vereenigd aan bij de Characinen (Characinidae). Zij gelijken op de leden der beide vorige familiën door het bezit van een keten van gehoorbeentjes tusschen het in de schedelholte gelegen gehoororgaan en de zwemblaas, die, evenals bij de Karpervisschen in twee opeenvolgende kamers is verdeeld. Zij verschillen van de reeds genoemde leden der vierde orde en naderen tot de Zalmvisschen door de sterkere ontwikkeling der bovenkaaksbeenderen; deze nemen deel aan de begrenzing van de mondspleet, welker bovenrand bij de Vallen en Karpervisschen alleen door de tusschenkaaksbeenderen wordt gesteund. Een vetvin achter de rugvin, gelijk bij de meeste Vallen en alle Zalmvisschen gevonden wordt, is bij hen geen ongewoon verschijnsel. De rudimentaire (voor hun oorspronkelijke verrichting in den loop der tijden ongeschikt geworden) ademhalingsorganen, de zoogenaamde „valsche” kieuwen aan het gehemelte, waardoor de Zalmvisschen gekenmerkt zijn, ontbreken bij de Characinen. Daarentegen hebben verscheidene leden dezer familie, evenals sommige Vallen en eenige Haringvisschen, een met de kieuwholte samenhangend, op een spiraalsgewijs gewonden buis gelijkend toestel, dat hen in staat stelt om tijdelijk buiten het water te ademen. Het lichaam is, met uitzondering van den kop, geschubd; de voeldraden ontbreken.
Deze familie, die meer dan 300 soorten van Zuid-Amerikaansche en Afrikaansche zoetwatervisschen omvat, is in Europa niet vertegenwoordigd. Hare leden, die op sommige plaatsen in tallooze menigte de rivieren bevolken, zijn bijna zonder uitzondering tot voedsel voor den mensch zeer geschikt; eenige vormen het voornaamste deel van den buit der van vischvangst levende oeverbewoners, die echter door sommige dezer Visschen in hooge mate lastig gevallen en gekweld worden. Vooral geldt dit van eenige Characinen, die zich kenmerken door den op een zaag gelijkenden buikkant van het zijdelings samengedrukte lichaam en die men in de onderfamilie van de Zaagbuikzalmen (Serrasalmonina) samenvat. Deze soorten, die men gewoonlijk Karaïbenvisschen noemt, worden, ondanks hun geringe grootte, wegens hun toomelooze vraatzucht niet minder gevreesd dan de Haaien en andere reusachtige zeedieren; zij richten meer onheil aan dan de Krokodillen, die dezelfde wateren bewonen; gevaarlijk worden zij zelfs voor deze roofzuchtige Reptiliën, hoewel deze vooral Visschen als voedsel gebruiken.
Piraya (Serrasalmo piraya). ¼ v. d. ware grootte.
Tot het geslacht der Zaagbuikzalmen (Serrasalmo) brengt men die leden der gelijknamige onderfamilie, welker groote, driehoekige, snijdende, spitse tanden zoowel aan de tusschen- als aan de onderkaak op één rij zijn geplaatst, terwijl meestal ook het gehemelte met één reeks van soortgelijke tanden gewapend is. De met zeer kleine schubben bekleede romp en ook de naakte kop zijn hoog en smal. De hooge, tamelijk lange, met één doorn gewapende rugvin is aan de achterste helft van het lichaam gehecht en wordt gevolgd door een kleine vetvin; de aarsvin is lang en wordt voorafgegaan door twee doornen.
Een der meest bekende hiertoe behoorende soorten is de ongeveer 30 cM. lange Piraya (Serrasalmo piraya), die een tandeloos gehemelte heeft en wiens tanden langs den rand niet gezaagd zijn; de ineengedrongen romp is zeer hoog, de snuit kort en stomp; zoowel de blauwachtige bovendeelen als de geelachtige onderdeelen zijn met donkerder vlekken geteekend. De zaagvormige buikkant bestaat uit 24 à 27 gedoornde platen.
Alle Karaïbenvisschen bewonen stroomende wateren van Middel- en Zuid-Amerika. Naar het schijnt, vertoeven zij zelden of nooit in de nabijheid der zee, in het mondingsgebied der stroomen, maar vertoonen zich eerst hooger op, het meest houden zij van diepe riviergedeelten met weinig strooming, vooral van bochten, die door rotsachtige oevers omgeven en door steenklompen afgebroken zijn. Deze gewoonlijk op den bodem levende dieren, verschijnen bij duizenden aan de oppervlakte van ’t water, zoodra zij hier een buit opmerken. Op bevaarbare stroomen begeleiden of omringen zij de vaartuigen om op het juiste oogenblik bij de hand te zijn. „Wanneer hun niets wordt toegeworpen,” verhaalt Bates, „blijven zij op den bodem; hoogstens ziet men enkele exemplaren hier en daar verspreid, die alle vol verwachting den kop naar den bezoeker keeren. Zoodra echter het een of andere afval overboord wordt geworpen, neemt het water plotseling een donkere kleur aan door de menigte Visschen, die zich rondom den buit verzamelen. Een woedende strijd vangt aan; dikwijls gelukt het een der strijders een brok te vermeesteren, dat door een ander reeds half verzwolgen was. Als een Vlieg of een Bij dicht bij den waterspiegel vliegt, springen de Visschen alle te gelijk er als razenden op af, zoo plotseling, alsof zij door een electrischen schok in beweging worden gebracht.” Alexander von Humboldt had reeds veel vroeger dergelijke ervaringen opgedaan. „Het werpen van een paar druppels bloed in ’t water,” zegt hij, „is voldoende om in den volkomen helderen stroom op een plaats waar geen levend wezen te zien was, eensklaps duizende Visschen uit de diepte naar boven te lokken. Om de kleine, bloederige stukjes vleesch, die wij in ’t water wierpen, waren binnen weinige minuten talrijke zwermen van Karaïbenvisschen verzameld, die elkander den buit betwistten.”
Te recht worden zij door Schomburgk de gulzigste roofvisschen van het zoetwater genoemd en met Hyenas vergeleken. Zij overtreffen zelfs de Hyenas in roofzucht, de Gieren in gulzigheid. Van hun vraatzucht kan men trouwens door een vergelijking met andere dieren geen juiste voorstelling verkrijgen. Ieder dier, dat zich in hun nabijheid waagt, wordt door hen aangevallen, zelfs Visschen, die tienmaal grooter zijn dan zij zelf. Geen zoogdier, dat de rivier overzwemt, ontkomt aan hun roofzucht, zelfs de pooten der watervogels, de Schildpadden en de teenen van den Alligator zijn niet veilig voor hen.
Niet zelden wordt, naar men verhaalt, een Rund, een Tapir of een ander groot dier, dat zwemmend te midden van een school dezer vreeselijke Visschen geraakt, door hen opgevreten. Door tallooze beten geteisterd, door bloedverlies verzwakt, kan het slachtoffer den oever niet meer bereiken en verdrinkt. De dieren, die aan de oevers der door Karaïbenvisschen bewoonde rivieren leven, kennen het gevaar, waaraan zij bloot staan; zij durven bij het drinken het water niet in beweging te brengen of troebel te maken, uit vrees van hunne afschuwelijke vijanden aan te lokken. De Paarden en Honden maken van de volgende list gebruik: zij brengen het water op één plaats in hevige beweging, vluchten ten spoedigste zoodra de Karaïbenvisschen hier op afgekomen zijn en gaan drinken op een andere plaats, die nu veilig is wegens het vertrek der Visschen, die zich hier vroeger ophielden. Toch worden hun, ondanks deze voorzorgsmaatregel, maar al te vaak stukken uit den neus en de lippen gebeten. Een van de onderzoekers uit lateren tijd, Karl Sachs, zegt van deze Visschen: „Moeielijk kan men zich een voorstelling vormen van de krachtige werking hunner op een scherpe zaag gelijkende tanden; een hardhouten stok ter dikte van een vinger, dien ik een reeds afgemat exemplaar voor den bek hield, werd in een oogwenk doorgebeten; zelfs dikke, stalen hengelhaken zijn tegen hun gebit niet bestand. Hoewel het aantal en de gevaarlijkheid dezer Visschen in sommige reisbeschrijvingen met al te schelle kleuren zijn afgeschilderd, is het toch een feit, dat waarschijnlijk geen der Llanero’s, die zich met vischvangst bezig houden, vrij is van litteekens van door Zaagbuikzalmen toegebrachte beten. Gelukkig hij, die in een dergelijk geval dicht genoeg bij den oever is, om dezen schielijk te kunnen bereiken! Want het bloed, dat in het water wordt uitgestort, lokt dadelijk een groote school van deze Visschen aan, die in ongeloofelijk korten tijd hun slachtoffer op de vreeselijkste wijze verminken. Menschen of dieren, die bij het overtrekken van een rivier, op grooten afstand van den oever door Karaïbenvisschen overvallen worden, zijn reddeloos verloren, want zelfs indien de toegebrachte wonden niet doodelijk zijn, kan het slachtoffer niet aan zijne vijanden ontkomen, daar het wegens bloedverlies niet vlug zwemmen kan. Dergelijke gevallen komen echter niet dikwijls voor. Ondanks het zooeven geschilderde gevaar worden aanhoudend vele rivieren overgetrokken, waarin zich, naar men zeker weet, een groot aantal Karaïbenvisschen ophouden; ook bestaan hier groote visscherijen, waar vele menschen voor een karig loon verscheidene dagen achtereen naakt in het water werkzaam zijn.”
Het kost natuurlijk niet veel moeite zulke vraatzuchtige Visschen te vangen. Ieder lokaas is hiervoor geschikt; zelfs door een rooden lap in ’t water te werpen, kan men duizenden van Zaagbuikzalmen op één plaats bijeenlokken en zooveel vangen als men wil.
De Tandkarpers (Cyprinodontidae), die een meer dan 100 soorten omvattende familie vormen, worden zoo genoemd, omdat zij over ’t geheel genomen op Karpers gelijken, evenals deze, een uitsluitend door de tusschenkaaksbeenderen gesteunden bovensten mondrand en slechts één rugvin hebben. Het gebit is echter op een geheel andere wijze ingericht: de onderste keelbeenderen zijn niet met een betrekkelijk gering aantal vrij groote, maar met talrijke, kleine, hekelvormige tanden bezet; zulke tandjes vindt men ook aan de bovenste keelbeenderen, in plaats van den zoogenaamden „karpersteen”; de kaken zelf zijn niet tandeloos, maar met kleine tandjes gewapend. De zwemblaas is enkelvoudig en niet door een keten van beentjes met het gehoororgaan verbonden. Schubben bedekken niet slechts den geheelen romp, maar ook den kop, de kieuwdeksels en de wangen.
In Europa, n.l. in Spanje, wordt deze familie slechts door één geslacht van zoetwatervisschen (Fundulus) vertegenwoordigd, terwijl een ander geslacht (Cyprinodon) in de Middellandsche Zee gevonden wordt. Haar eigenlijk gebied is Amerika. Hier bewonen hare leden de zee, zoowel als de rivieren en meren; in de Andes komen zij tot op een hoogte van 4000 M. boven den zeespiegel voor. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend, uit dierlijke stoffen. Eenige soorten brengen levende jongen ter wereld. Voor de huishouding van den mensch zijn zij zonder beteekenis.
De Vieroogige Hoogkijker der kolonisten (Anableps tetrophthalmus), die in vorm eenigszins op een Modderkruiper gelijkt, trekt zeer de aandacht door het zonderlinge maaksel der bovenwaarts gerichte oogen. Deze puilen uit boven een aan weerszijden van den kop gelegen opzwelling van het onderste voorhoofdsbeen; hun bol, doorschijnend gedeelte wordt door een nagenoeg horizontale strook van het bindvlies in twee bijna gelijke stukken verdeeld, waarvan het bovenste het grootste is: het is, alsof dit vischje vier oogen heeft. Het hoornvlies is niet slechts van buiten, maar ook van binnen in tweeën gescheiden; het regenboogvlies vertoont in het midden een van den omtrek uitgaande insnoering, zoodat er een dubbele pupil ontstaat; aan den kristallens en aan het glaslichaam is echter geen verdeeling op te merken. Bij geen enkel ander dier treft men een dergelijke inrichting van het oog aan.—Deze Visch wordt 15 à 20 cM. lang. Op vuil groenachtig gelen grond, vertoont zijn lichaam aan weerszijden 5 smalle, zwartbruine strepen. Hoewel men hem reeds kort na de ontdekking van Amerika heeft leeren kennen, zijn de berichten over zijn levenswijze nog zeer onvolledig. Hij bewoont Guyana en Noord-Brazilië, vooral de slijkbanken langs de kust en den mond der hier in zee stroomende rivieren. Op sommige plaatsen, vooral op ondiepten, die in de onmiddellijke nabijheid van de kust gelegen zijn, komen niet zelden tallooze scholen van deze Visschen voor. Zij worden in de naburige dorpen en steden veelvuldig te koop aangeboden, hoewel hun vleesch niet als smakelijk bekend staat.
Naar men zegt, zwemt deze Visch zóó, dat de bovenste helft van het oog boven, de onderste helft onder den waterspiegel ziet.—Reeds voor lang werd opgemerkt, dat het wijfje levendbarend is.
De familie der Makreelsnoekvisschen (Scomberesocidae) omvat ongeveer 140 voor ’t meerendeel langwerpige Visschen met geen andere dan gelede vinstralen, welker onderste keelbeenderen op soortgelijke wijze als bij de Lipvisschen tot één stuk vergroeid zijn; aan weerszijden van den buik hebben zij een reeks van gekielde schubben; de rugvin is tegenover de aarsvin aan den betrekkelijken korten staart gehecht. Door het laatstgenoemde kenmerk en doordat de bovenkaaksbeenderen aan de vorming van den bovenrand der mondspleet deelnemen, stemmen zij met de Snoeken overeen.
Ongeveer 50 soorten vormen het geslacht der Geepen (Belone); het onderscheidt zich door een zeer lang, aalvormig lichaam en een snavelvormigen bek, gevormd door de sterk verlengde tusschenkaak en de nog langere onderkaak; beide zijn met scherpe tanden gewapend (een dubbele rij zeer kleine aan den buitenrand, verder binnenwaarts grootere, kegelvormige); op de keelbeenderen komen plaveiselvormige tanden voor. De schubben vallen, met uitzondering van die, welke bij alle familieleden aan weerszijden van den buik voorkomen, weinig in ’t oog.
*
De Geep (Belone belone), die over alle Europeesche zeeën en ook verder verbreid is, kan een lengte van meer dan 1 M. bereiken, maar weegt zelden meer dan 1 KG. De bovendeelen zijn blauwachtig groen, de onderdeelen zilverwit.
Geep (Belone belone). ⅙ v. d. ware grootte.
De Geepen komen van Maart tot Juni gewoonlijk zeer overvloedig, in andere tijden van het jaar zeer zeldzaam in onze zeeën voor. Bij andere Europeesche kusten verschijnen zij in den regel met de Makreelenscholen, als welker aanvoerders de visschen haar velerwege beschouwen. In de Middellandsche Zee treft men haar veelvuldig, in de Britsche wateren niet zelden, o.a. aan de kust van Cornwallis dikwijls in grooten getale aan. Behalve in de Noordzee, worden zij ook in de Oostzee in sommige maanden veelvuldig gevangen. Meestal komen zij bij groote scholen op het land af en bewegen zich met slangsgewijze kronkelingen zeer levendig op korten afstand van de oppervlakte, waarboven zij zich gaarne met kolossale sprongen verheffen; soms geschiedt dit vele malen achtereen. Opmerkelijkerwijze valt de Geep, na loodrecht boven het water uit geschoten te zijn, er steeds op den staart weer in. De drijvende voorwerpen, die zij op haar weg ontmoet, maken haar nieuwsgierig of wekken haar toorn.
Volgens Benecke en Heincke voedt de Geep zich voornamelijk met jonge Haringen, Sprotten en Stekelbaarsjes en maakt jacht op ieder levend wezen, dat zij, al is het dan ook na groote inspanning, in haar spijskanaal kan stuwen. Zelden gelukt het haar den buit onmiddellijk te verzwelgen. Omdat zij niet in staat is er een stuk af te bijten, wordt het voedsel meestal geruimen tijd in den bek gehouden, voordat het in den slokdarm verdwijnt; het is vaak voorgekomen, dat zij een lokaas letterlijk in vezeltjes verdeelde. Terwijl zij aan den haak spartelt, wordt de inhoud van de maag in den regel uitgebraakt; zoo is men te weten gekomen, dat kleine Vischjes, b.v. Zeestekelbaarzen, het meest door haar verslonden worden. Nauwkeurige berichten over de voortplanting der Geepen ontbreken tot dusver; het kuitschieten heeft plaats in de laatste maanden van de lente.
Hoewel de Geep, nadat zij uit het water is gehaald, een zeer onaangenamen reuk verbreidt, hoewel onze visschers haar mager en dor vleesch gering schatten en het bij voorkeur als lokaas voor betere Visschen gebruiken, wordt zij bij vele kusten, ook bij de onze, in groote hoeveelheid gevangen. Op de Londensche markt komen geregeld scheepsladingen van deze Visch, die door liefhebbers deels uit nieuwsgierigheid, deels om haar lagen prijs gekocht wordt. Hare beenderen hebben, evenals die van den Magaal, een fraaie, groene kleur. Ook in ons land worden versche en gerookte Geepen in sommige jaren veelvuldig te koop aangeboden. Een hoogeren prijs besteedt men er echter voor in de landen om de Oostzee. Men vangt ze hier in haringnetten of aan den hengel of steekt ze met een soort van elger met vele spitsen; het steken van de Geep geschiedt echter alleen des nachts bij fakkellicht, welks ongewoon schijnsel deze Visschen bijeenlokt.
*
De Makreelsnoeken of Makreelgeepen (Scomberesox) gelijken door vorm en lichaamsbouw het meest op de leden van het vorige geslacht; aan de Makreelen herinneren zij echter door het maaksel van de rugvin en de aarsvin, welker achterste vinstralen een bovenste en een onderste reeks van kleine vinnen vormen, die zich tot aan de staartvin uitstrekken. De kaken bezitten slechts één rij van tandjes.
De Makreelgeep (Scomberesox saurus) wordt 30 à 40 cM. lang, heeft glinsterend zilverwitte wangen en kieuwdeksels, donkerblauwe bovendeelen, lichter gekleurde, groen glinsterende zijden, zilverwitte onderdeelen en dofbruine vinnen. Op de rugvin volgen 5, op de aarsvin 6 kleinere vinnen. Volgens Prof. Van Swinderen („Initia faunae Groninganae,” 1826) wordt deze soort van tijd tot tijd aan de kust van Groningen gevangen. Zij behoort eigenlijk in den Atlantischen Oceaan tehuis, maar verschijnt in de maand Juni bij scholen in het Kanaal, aan de geheele westkust van Groot-Brittannië en ook aan de oostkust van dit rijk. Van hier verdwalen van tijd tot tijd enkele exemplaren meer oostelijk tot bij onze kust en tot in den Sond. Dit schijnt echter hoogst zelden te gebeuren. Na 1826 is geen enkel geval van het vinden van dezen Visch aan onze kust bekend geworden. In de Middellandsche Zee treft men hem niet aan, wel een verwante soort (of verscheidenheid). Tegen het einde van het najaar keert de Makreelgeep naar de diepten der zee terug en wordt dan tot in den volgenden zomer niet meer bij de kust waargenomen. Soms worden deze Visschen bij storm in menigte aan de kust gedreven; ook blijven zij soms bij eb tusschen de zandbanken achter; zij zitten dan met den langen snuit in het zand of de slib vast. Wanneer Bruinvisschen, Bonito’s of Tonijnen de dicht opeengedrongen scholen van Makreelgeepen vervolgen, trachten deze zich niet slechts door sprongen boven het water te redden, maar schieten zelfs eenige tientallen Meters ver boven de oppervlakte van het water voort, zonder onder te duiken. Deze beweging, die men met vliegen vergeleken heeft, levert een zeer aantrekkelijk schouwspel op, en is des te opmerkelijker, daar de vinnen dezer Visschen zich niet door buitengewone grootte onderscheiden.
Het vleesch van de Makreelgeepen is vet en gelijkt op dat van de Makreelen. Zij worden daarom door alle visschers gaarne gezien en ijverig vervolgd. Om deze Visschen te vangen, maakt men van netten gebruik, daar zij slechts zelden aan een lokaas bijten.
*
De Vliegende Visschen, die de reiziger in het ruime sop te zien krijgt, behooren bijna uitsluitend tot het geslacht der Hoogvliegende Visschen (Exocoetus). Zij onderscheiden zich hoofdzakelijk door de buitengewoon sterke ontwikkeling hunner vinnen, vooral van de spits toeloopende borstvinnen, welker lengte ongeveer twee derden en welker breedte omstreeks een derde van de lichaamslengte bedraagt en die ten opzichte van den zeer forschen, onder een dikke spierlaag gelegen schoudergordel een vrijer beweging hebben, dan bij de overige Visschen voorkomt. Door hun gestalte komen de Hoogvliegende Visschen, wanneer men de vinnen buiten rekening laat, eenigermate met de Haringen overeen; de naam Vliegende Haring, die hun soms gegeven wordt, is dus niet slecht gekozen. Zij hebben echter een meer gedrongen lichaamsbouw, zijn op den rug en in de borststreek sterker afgerond, hebben een dikken en stompen snuit, zijn dus over ’t geheel genomen plomper van gedaante en onderscheiden zich ook door de buitengewone grootte der oogen.
Van de inwendige deelen valt op te merken, dat de zwemblaas kolossaal groot is, de helft van de lichaamsholte inneemt en dus veel bijdraagt tot de lichtheid van dezen Visch. Er is reden voor de bewering, dat deze luchtzak een veel belangrijker rol speelt bij het vliegen dan bij het zwemmen; proefnemingen hebben geleerd, dat de Visschen, die dit orgaan bezitten, volstrekt niet beter geschikt zijn om uit de diepte naar de oppervlakte te stijgen, dan zij, die het missen.
Tusschen de Vliegende Haringen is de overeenkomst zoo groot, dat men tot voor betrekkelijk korten tijd er slechts weinige soorten van onderscheidde. Valenciennes heeft een 30-tal beschreven; latere onderzoekers hebben eenige nieuwe vormen ontdekt, zoodat het aantal soorten van dit geslacht thans 44 bedraagt. Alle hebben nagenoeg dezelfde levenswijze. In ontzaglijke menigte bevolken zij de zeeën en vooral den Oceaan van de heete luchtstreek en van de aangrenzende gedeelten der gematigde aardgordels; zij houden zich hier volstrekt niet uitsluitend langs de kust, maar letterlijk overal op; ver van het land ontmoet men ze zelfs in grooter aantal dan op korten afstand van de kust. Zelden dwalen zij naar onze breedten af: aan de Engelsche kust heeft men twee soorten eenige malen waargenomen. Van hun leven in ’t water, van de wijze waarop zij zwemmen, van hun voortplanting is tot dusver niets bekend; alle waargenomen feiten hebben strikt genomen alleen betrekking op hun leven in de lucht, op de beweging die met vliegen vergeleken wordt en waardoor zij aan hunne vijanden trachten te ontkomen.
De boven water verkeerende Vliegende Haringen leveren een zeer eigenaardig schouwspel op. De reiziger ziet, zoodra hij het door deze Visschen bewoonde gebied bereikt, het schip aan alle zijden door hen omringd; zoo ver het oog reikt, ziet hij ze voortdurend in meer of minder groot aantal boven het water opstijgen en er weer in afdalen. A. von Humboldt zegt, dat men hun beweging zeer goed kan vergelijken met die van een over het water scheerenden platten steen, die, neervallend en weer teruggekaatst, een paar meter hoog boven de golven voortschiet. De Vliegende Haringen springen n.l. in den regel, zoolang er geen bijzondere reden voor een hoogeren sprong bestaat, slechts 1.5 à 2 M. hoog boven den waterspiegel op; ook bewegen zij zich niet ver ineens, maar vallen spoedig weer neer; de eene Visch volgt echter zoo schielijk op den anderen, dat oogenschijnlijk de eerste telkens slechts even met het water in aanraking komt, zich een nieuwen stoot geeft en een tweeden sprong doet, hoewel in werkelijkheid het eene exemplaar over het andere heenspringt. Niet zelden komt het voor, dat een talrijke school van honderden of duizenden Visschen zich gelijktijdig boven het water verheft. Dan merkt men op, dat steeds een groot aantal van de naar boven gestegen exemplaren na een korten sprong in het water terugvallen, terwijl de overige hun weg vervolgen en eerst op veel grooteren afstand van hun uitgangspunt weer met de golven in aanraking komen. De op deze wijze gevolgde baan kan zeer verschillend zijn. In gewone omstandigheden verheffen de Vliegende Visschen zich ongeveer één meter boven den zeespiegel; over de toppen der golven heenglijdend, vallen zij in het water terug na het afleggen van een korten weg; groote exemplaren kunnen door buitengewone krachtsinspanning bij uitzondering een hoogte van 4 of 5 M., misschien wel van 6 M. bereiken, om daarna langs een zwak gebogen lijn naar een punt dat 100 à 150 M. verder gelegen is, in zeldzame gevallen misschien tweemaal zoo ver, voort te schieten. Voor den wind af, in den wind op en bij windstilte beschrijven zij gewoonlijk een rechtlijnigen weg, bij zijwind heeft altijd een afwijking in zijdelingsche richting plaats.
„De Hoogvliegende Visschen,” zegt Alexander von Humboldt, „brengen een groot deel van hun leven in de lucht door; dit maakt hun ellendig bestaan echter niet gemakkelijker. Wanneer zij de zee verlaten om aan de vraatzucht der Goudmakreelen te ontkomen, ontmoeten zij in de lucht Fregatvogels, Albatrossen en andere Zeevogels, die hen in de vlucht vangen.”—„Het vliegen,” zegt Baron Von Kittlitz, „schijnt het laatste redmiddel te zijn, waarvan deze Visschen gebruik maken om te ontkomen aan hunne vijanden, die men aanhoudend boven het water ziet opspringen om hen te vangen. Niet minder opmerkelijk dan het aantal der Vliegende Haringen is de ijver, die de roofvisschen toonen bij het vervolgen van deze prooi. Wel moeten deze dieren zich buitengewoon sterk vermenigvuldigen, om bij zulk een felle vervolging nog zoo talrijk te zijn.”
Möbius vat al hetgeen werkelijk van de bewegingen der Vliegende Visschen waargenomen werd, in de volgende beschrijving samen: „Zonder te letten op de richting van den wind en den loop der golven verlaten de Vliegende Visschen met groote snelheid het water. Gedurende het zweven maken zij geen geregelde fladderende bewegingen met hunne borst- en buikvinnen, maar spannen deze eenvoudig uit. De uitgebreide borstvinnen kunnen zeer snelle trillingen vertoonen. Terwijl de Visschen zweven, is het achterste deel van ’t lichaam iets lager geplaatst dan het voorste. Tegen den wind op vliegen zij gewoonlijk verder dan voor den wind af, of als hun baan en de windrichting een hoek vormen. De meeste Vliegende Visschen, die in den wind op of voor den wind af zweven, behouden gedurende hun geheele vluchtbaan de richting, die zij bij het opstijgen uit het water hadden; bij zijwind ondergaat hun oorspronkelijke baan een wijziging, totdat zijn richting gelijk is aan die van den wind. Over dag komt het zelden voor, dat Vliegende Visschen op een schip neervallen, meestal geschiedt dit ’s nachts en nooit bij windstilte. Het meest vallen zij neer op schepen, die niet hooger dan 2 à 3 M. boven het water liggen, terwijl deze voor den wind of met halven wind zeilen en een goede vaart maken. Nooit komen de Vliegende Visschen van de lijzijde, steeds van de windzijde aan boord. Niet zelden beschrijven zij, zoodra hun staartvin in het water doordringt, in het horizontale vlak van hun baan een boog naar links of naar rechts. Bij winderig weer en onstuimige zee verschijnen zij veelvuldiger boven het water dan bij stilte. Voor schepen, die door de zwemmende scholen heen varen, vluchten de Vliegende Visschen evenzeer in de lucht als voor roofvisschen en Cetaceën.
A. Seitz, die de Vliegende Visschen in alle zeeën en dus waarschijnlijk alle soorten opmerkzaam heeft nagegaan, is voor weinige jaren weder opgetreden als verdediger van de stelling, dat deze Visschen niet slechts zweven maar gedurende een deel van hun baan ook werkelijk fladderen. Door de werking hunner zijdespieren verheffen zij zich boven het water en ondersteunen dezen sprong door een buitengewoon vlugge, fladderende beweging, waarvan de slagwijdte op het hoogste punt van de baan 10 à 12 cM. kan bedragen. Vervolgens worden de borstvinnen in horizontale richting uitgebreid, of, vaker nog, een weinig naar boven gericht; het neerdalende gedeelte van de buitengewoon lang uitgerekte boogvormige baan wordt op deze wijze zonder eenige regelmatige beweging afgelegd. Het fladderen wordt hervat, zoodra de Visch opnieuw gaat stijgen. Ook Pechuel-Loesche heeft telkens als hij, hetzij van ’t schip of van de boot of van ’t land op de Vliegende Visschen lette, steeds den indruk gekregen, dat deze dieren, terwijl zij uit het water oprijzen en als zij er toevallig mede in aanraking komen, zich duidelijk fladderend bewegen op de door Seitz beschreven wijze. Toch is en blijft dit „vliegen” niets anders dan een kunstmatig verlengde sprong en komt eenigermate overeen met het omhoogstijgen van de Sprinkhanen op de weide. Het meer of minder duidelijke trillen der vinnen, dat door sommigen aan de drukking van de lucht, door anderen aan de werking van den op het water rustende staart wordt toegeschreven, heeft plaats, terwijl de dieren zwevend een groot deel van hun baan afleggen, maar kan niet met het eigenlijke fladderen op een lijn gesteld worden.
De Hoogvliegende Visschen worden overal, ongetwijfeld op goeden grond, als een uitmuntend gerecht beschouwd; daar zij in sommige tijden en op bepaalde plaatsen in verbazend groot aantal voorkomen, houden soms vele visschers in booten zich met de vangst van deze Visschen bezig.
De meest bekende soort van deze familie is de Zwaluwvisch (Exocoetus volitans), die in de Middellandsche Zee aangetroffen wordt. Hij is ongeveer 30 cM. lang. De bovendeelen zijn hemelsblauw, de onderdeelen zilverwit; het vlies van de borstvinnen heeft een fraaie, doorschijnend blauwe kleur.
De familie der Snoeken (Esocidae) omvat een tiental soorten van geschubde zoetwatervisschen, zonder vetvin, met klierachtig gezwollen valsche kieuwen; de bovenrand van de mondspleet wordt in ’t midden door de tusschenkaaksbeenderen, aan de zijden door de bovenkaaksbeenderen gesteund.
Bijna alle leden der familie behooren tot hetzelfde geslacht en gelijken in levenswijze op onzen Snoek (Esox lucius), den meest gevreesden roover van de Europeesche meren en rivieren, die te recht door Antonides „Vijverwolf”, door Lacépède de „Haai van het zoetwater” wordt genoemd. Bij de leden van dit geslacht zijn niet slechts de tusschen- en onderkaaksbeenderen, maar ook de ploegschaar-, gehemelte- en keelbeenderen en zelfs de tong met tanden bezet; alleen de bovenkaaksbeenderen zijn tandeloos; op de tusschenkaak zijn zij klein, op de onderkaak lang; groote hekeltanden bedekken het gehemelte. De kleine, cycloïde schubben zijn stevig in de huid bevestigd, de valsche kieuwen uitwendig niet zichtbaar, de buikvinnen op het midden van den buik, de rugvin en de aarsvin aan het einde van ’t lichaam op korten afstand van de zeer groote, gegaffelde staartvin aangehecht. Zeer kenmerkend voor den Snoek zijn voorts de van boven naar onderen afgeplatte kop, de breede, snavelvormige snuit en de groote mondspleet. De kleur en de teekening van de bovengenoemde inheemsche soort, den eenigen Europeeschen vertegenwoordiger van zijn geslacht, loopen zeer uiteen: het eenige wat er in ’t algemeen van gezegd kan worden, is, dat de bovendeelen zwartachtig, de zijden grijs en de onderdeelen wit zijn; de rug is min of meer effen van kleur; de zijden zijn gemarmerd of met dwarse vlekken geteekend; de buik is zwart gestippeld. De parige vinnen hebben een roodachtige, de rugvin en de aarsvin een bruinachtige tint; de staartvin vertoont aan haar bovenrand gewoonlijk zwarte vlekken. In het eerste levensjaar hebben groenachtige tinten de overhand. Wat lengte betreft, staat de Snoek bij geen der Zalmvisschen achter; alleen de Gewone Zalm en de Donauzalm kunnen misschien soms iets zwaarder worden. Men heeft Snoeken gevangen van 2 M. lengte en 35 KG. gewicht; exemplaren van 1.3 M. lengte en 25 KG. gewicht behooren echter reeds tot de uitzonderingen; bij ons zijn Snoeken van meer dan 20 KG. reeds zeer schaarsch. De grootste Snoeken treft men tegenwoordig in Zuid-Rusland, vooral in den Wolga, aan; er zijn niet zelden exemplaren van 15 à 20 KG. bij.
Zwaluwvisch (Exocoetus volitans). ⅕ v. d. ware grootte.
De Snoek bewoont nagenoeg alle Europeesche binnenwateren en ook Azië en Amerika, voor zoover deze werelddeelen met het onze in klimaat overeenkomen; naar men zegt, ontbreekt hij in Spanje, en op IJsland. In de Alpen ontmoet men hem nog op een hoogte van 1500 M., in de gebergten van Zuid-Europa vermoedelijk op nog grootere hoogte. Zeldzaam is hij nergens, in de meeste gewesten veeleer talrijk; waarschijnlijk is echter geen enkel water zoo talrijk aan Snoeken als de Ob en zijne bijrivieren, waar alle voor het gedijen dezer Visschen gunstige omstandigheden vereenigd voorkomen. De Snoek weet zich echter te schikken naar de plaatselijke gesteldheid en schijnt zich in ondiepe moerassen even goed op zijn plaats te gevoelen als in een diep meer met helder water. In ons land is hij een zeer gewone Visch, die nog in de kleinste slooten aangetroffen wordt, onverschillig of hun bodem uit veen, modder of zand bestaat, hetzij het water zoet is of halfbrak; een enkele maal heeft men hem zelfs bij ’t visschen met den ankerkuil bij den Moerdijk gevangen (Hoek). Onze visschers onderscheiden „Smalbekken” en „Breedbekken”; volgens sommigen moet dit verschil aan den leeftijd toegeschreven worden, volgens anderen heeft men hier met standvastige variëteiten te doen. Merkwaardig zijn de kracht en behendigheid, die de Snoek bij ’t zwemmen toont en de groote scherpte van zijne zintuigen, welke eigenschappen hem in staat stellen als een geweldigen roover op te treden. Voortgestuwd door een krachtig roeiorgaan, aan welks vorming alle onparige vinnen deelnemen, schiet hij als een pijl uit den boog door ’t water, kijkt intusschen opmerkzaam in alle richtingen en overvalt zijn buit met een zelden falende zekerheid van beweging. Bij zonnig weer „staat” hij dikwijls geruimen tijd achtereen, d. i. blijft onbeweeglijk op dezelfde plaats loeren. Hij is vraatzuchtiger dan eenige andere zoetwatervisch; geen buit is hem te gering. Hij verslindt Visschen van allerlei slag, ook leden van zijn eigen soort, bovendien alle Vorschen, Vogels en Zoogdieren, die hij met zijn wijd gapenden muil kan omvatten. In Engeland heeft men hem den kop van een slobberenden Zwaan zien vastgrijpen; hij liet dit lichaamsdeel niet los, ondanks het geweldig tegenspartelen van den grooten, krachtigen Vogel, die er het leven bij inschoot. Hij aanvaardt den strijd met den Vischotter, hapt naar de hand of den voet van de in ’t water staande of zich wasschende vrouw en valt, door gulzigheid verblind, zelfs op groote Zoogdieren aan. Jonge Ganzen, Eenden, Waterhoenderen heeft men dikwijls in zijn maag gevonden, ook Slangen, nooit echter Padden. Visschen met stekelige rugvin, zooals de Baars, slikt hij niet dadelijk door, maar houdt ze tusschen de tanden, totdat zij dood zijn; den in zijn nabijheid zwemmenden Stekelbaars daarentegen laat hij ongemoeid en waagt het niet hem aan te vallen. Voor deze voorzichtigheid bestaat een goede reden, gelijk o.a. blijkt uit een door Van den Ende medegedeeld geval: „Langs het water wandelend, dat mijn huis omgeeft, zagen wij een dood vischje aan den kant liggen. Bij nader onderzoek bleek het een Snoek te zijn van ongeveer een vinger lang; het had in den bek een jong Stekelbaarsje (Gasterosteus aculeatus), waarvan alleen de staart nog zichtbaar was. De twee stekels van de buikvinnen van den Stekelbaars waren den roover gedurende het verslinden van den buit in en door het kieuwdekselvlies gedrongen. Bovendien had het slachtoffer de 3 rugstekels opgericht, zoodat deze vastzaten in het gehemelte van den Snoek, die nu zijn prooi evenmin doorslikken als weer uitspuwen kon en in de onmogelijkheid verkeerde om adem te halen. Uit den gaven toestand, waarin de Stekelbaars verkeerde, bleek, dat de Snoek kort na den mislukten aanslag gestorven was.”
Als men een Snoek gevangen houdt en zijn nooit verminderenden honger tracht te stillen, kan men zich een denkbeeld vormen van de ontzaglijke hoeveelheid voedsel, die deze Visch verbruikt. „Acht Snoeken,” verhaalt Jesse, „die ieder 2 KG. zwaar waren, verslonden binnen 3 weken ongeveer 800 Grondels en waren werkelijk niet te verzadigen. Op een morgen wierp ik een van hen achtereenvolgens 5 gewone Voorns van ongeveer 10 cM. lengte toe. Hij verzwolg er 4 van, greep toen den vijfden, hield dezen eenigen tijd in den bek en liet hem daarna eveneens door het keelgat glijden.” Het is dan ook niet te verwonderen, dat deze vraatzuchtige dieren buitengewoon snel groeien, reeds in ’t eerste jaar 1, in ’t volgende 2 en bij rijkelijke voeding zelfs 4 of 5 KG. zwaar kunnen worden.
Het kuitschieten heeft plaats in de eerste maanden van de lente, dikwijls reeds in het begin van Maart, maar wordt soms uitgesteld tot in Mei. In een wijfje van 4 KG. vond men ongeveer 150000 eieren. Deze worden op ondiepe, met riet en andere waterplanten begroeide plaatsen in het water gelegd en reeds na weinige dagen door de jongen verlaten. Deze vinden voor een groot deel hun graf in de maag van oudere Snoeken; niet veel geringer is waarschijnlijk het aantal jongen, die als voedsel voor hunne broers en zusters dienen; deze groeien des te sneller, naarmate zij beter in de gelegenheid zijn hun honger te stillen. Naar men zegt, kunnen zij een zeer hoogen ouderdom bereiken. Zeer oude en zware exemplaren worden in Zuid-Holland Mossnoeken genoemd.
De Romeinen der oudheid stelden geen hoogen prijs op het vleesch van den Snoek. Later begon men er anders over te denken; eeuwen lang werd in Engeland althans het vleesch van den Snoek als beter beschouwd dan dat van den Zalm. Ook thans nog wordt een goed toebereide Snoek in eere gehouden; men maakt voortdurend jacht op dezen roofvisch, niet alleen wegens de schade, die hij aanricht, maar ook wegens zijn vleesch. Voor plaatsen, waar veel Snoek voorkomt, zooals langs den Oder, de Spree, den Havel en bij de Duitsche Oostzeekusten vormt gezouten Snoek een niet onbelangrijk handelsartikel. Hij wordt behalve in netten en fuiken, ook gevangen in een strik van koperdraad, die hem gedurende het „staan” voorzichtig om het lichaam wordt geschoven en vervolgens dicht getrokken, voorts met den hengel, zeer dikwijls ook met de zoogenaamde zetlijn of fleur. In Zwitserland is men gewoon de Snoeken gedurende den rijtijd te schieten. Ook worden zij wel des nachts bij fakkellicht geharpoeneerd. Men kan de Snoeken zeer goed en met voordeel in vijvers fokken, mits er voor gezorgd worde, dat zij geen slachting onder duurdere Visschen aanrichten en steeds over een voldoenden voorraad van voor ons waardelooze Visschen beschikken kunnen. Zij gedijen zoowel in hard (veel kalkzouten bevattend) als in zacht (zuiverder) water; maar mogen er niet gedurende den rijtijd in gebracht worden, omdat zij dan licht ziek worden en sterven. Zooals reeds gezegd werd, houdt men ze in karpervijvers om de trage Karpers tot beweging te nopen; men kan hiervoor echter geen andere dan kleine Snoeken gebruiken, die geen kwaad kunnen doen, en moet ze bij ’t leegvisschen van den vijver zorgvuldig opzoeken en verwijderen.