Snoek (Esox lucius). ​1⁄12​ v. d. ware grootte.

Snoek (Esox lucius). ​1⁄12​ v. d. ware grootte.


De Borstplooivisschen (Sternoptychidae) zijn merkwaardig door het bezit van fosforesceerende (licht voortbrengende) organen aan de buikzijde van het lichaam. Hierdoor zijn deze kleine of middelmatig groote zeebewoners geschikt om in de duisternis te leven. De bedoelde organen worden vooral gevonden bij dieren, die verblijf houden op de ontzaglijk groote diepten, waar geen lichtstraal doordringt. Dat verscheidene Borstplooivisschen niet voortdurend in de diepte vertoeven, maar althans ’s nachts aan de oppervlakte verkeeren, blijkt uit de vangst van verscheidene vertegenwoordigers dezer groep met het plankton-net (waardoor de bovenste waterlaag wordt afgevischt). Een daarvan is de Fosforvisch (Photichthys argenteus), die in de Cooks-straat bij Nieuw-Zeeland aangetroffen werd.


Op zeer groote diepten leven de Stekelbekvisschen (Stomiatidae), die zich onderscheiden door een voeldraad aan het tongbeen en een zeer sterk ontwikkeld gebit. Evenals bij de leden der vorige familie, vindt men bij den Gebaarden Egelbek (Echiostoma barbatum) een groot aantal licht voortbrengende organen.


1) Fosforvisch (Photichthys argenteus). ⅓ v. d. ware grootte. 2) Gebaarde Egelbek (Echiostoma barbatum). ½ v. d. ware grootte.

1) Fosforvisch (Photichthys argenteus). ⅓ v. d. ware grootte.
2) Gebaarde Egelbek (Echiostoma barbatum). ½ v. d. ware grootte.

De Zalmvisschen (Salmonidae) mag men de edelste leden van de orde der Luchtbuisvisschen noemen. Zij hebben een ongeschubden kop, een met schubben bekleeden, langwerpigen, afgeronden romp en een niet door stralen gesteunde vin (vetvin) achter de rugvin; de kieuwspleet is groot, strekt zich uit tot aan de keel; de bek, welks bovenrand in ’t midden door de tusschenkaaks- en verderop door de bovenkaaksbeenderen gesteund wordt, is op zeer verschillende wijze gewapend; aan het gehemelte komen steeds kamvormige „valsche” kieuwen voor.

Naar het gebit worden de Zalmvisschen in twee scherp begrensde groepen verdeeld: die, welker kleine bek tandeloos of althans geen andere dan gebrekkige, spoedig uitvallende tanden draagt en die, welke een goed ontwikkeld tandenstelsel bezitten. De eerstgenoemde herinneren aan de Karpers en de Haringen, de overige, die de kern van de familie uitmaken, zijn echte roovers. Tusschen het maaksel van ’t gebit en de bedekking van het lichaam bestaat in zooverre verband, dat bij de leden der eerste groep de schubben gewoonlijk groot, bij die der tweede in den regel klein zijn; van dit onderscheidend kenmerk maken de visschers gebruik bij de bepaling van de waarde der voor voedsel dienende Zalmvisschen. De kleur varieert bij leden van dezelfde soort niet slechts met den leeftijd, maar wijzigt zich ook bij den aanvang en bij het einde van de voortplantingsperiode.

Van de inwendige organen verdienen vooral de eierstokken vermelding. De eieren ontwikkelen zich n.l. niet in gesloten zakken, zooals bij de meeste overige Visschen, maar op huidplooien, die aan de binnenste oppervlakte van den wand der buikholte uitpuilen. Deze inrichting is voor den zalmkweeker van groot belang, daar zij hem het verkrijgen van eieren door het uitoefenen van een zachte drukking op den lichaamswand van den rijpen kuiter gemakkelijk maakt; hierdoor zijn de Zalmen zoo bijzonder geschikt voor de kunstmatige vischteelt.

Met uitzondering van zes geslachten, waarvan 5 den Oceaan bewonen en één de binnenwateren van Nieuw-Zeeland bevolkt, behooren de Zalmvisschen uitsluitend op het noordelijk halfrond thuis. Zij leven in zee en ook in zoet water, voor zoo ver dit zuiver is, en komen in noordelijke gewesten in grooter aantal voor dan in zuidelijke. In aanzienlijke hoeveelheid vindt men ze in de IJszee; buitengewoon talrijk zijn zij vooral in het noordelijke deel van den Stillen Oceaan, minder talrijk in de Noordzee en de Oostzee en in het noordelijkste deel van den Atlantischen Oceaan. Enkele leden van deze familie schijnen slechts een beperkten verbreidingskring te hebben; zelfs worden sommige soorten (b.v. Salmo lacustris) uitsluitend in één of in eenige weinige, dicht bijeen gelegen meren aangetroffen; zij worden dan echter in andere meren vervangen door verwanten, waarvan ook nu nog niet met zekerheid kan worden beslist, of zij niet met de reeds genoemde tot één soort behooren en op geen hoogeren rang dan dien van variëteiten aanspraak kunnen maken. Zoodra de tijd van kuitschieten nadert, zwemmen alle Zalmvisschen de stroomen, rivieren en beken op, ten einde zich voort te planten in hoogerop gelegen gedeelten van het door hen bewoonde water; om eieren te leggen keert iedere Visch terug naar de rivier of althans naar het stroomgebied, waarin hij geboren werd. De Zalmvisschen worden door zulk een machtigen aandrift tot trekken voortgedreven, dat zij bij ’t opzwemmen van de rivier voor geen hindernissen afdeinzen en zich zelfs aan levensgevaar blootstellen om die, welke werkelijk onoverkomelijk zijn, te overwinnen. Alle Zalmvisschen, die de rivieren opzwemmen, schieten kuit in een vooraf door hen gevormden, ondiepen kuil in ’t zand of ’t grint en weten de hiervoor geschikte plaats op schrandere wijze uit te kiezen. Andere leden dezer familie verlaten gedurende den rijtijd slechts bij uitzondering de door hen bewoonde meren (in welk geval zij de rivieren opzwemmen, die in het meer uitmonden), maar zoeken in den regel ondiepe gedeelten van den oever van het meer op om er eieren te leggen. Andere eindelijk vertoonen zich gedurende den voortplantingstijd in verbazend grooten getale aan de oppervlakte van het water, zonder zich er om te bekommeren, of de diepte beneden hen weinige cM. of vele Meters bedraagt; terwijl zij hier dicht opeendringen, en vaak hoog boven het water uitspringen, worden de kuit en de hom uitgeworpen, die over een grooten afstand het water troebel maken.

De Zalmvisschen met zwak gebit voeden zich meer op de wijze der Karpers dan op die der roofvisschen, d. w. z., zij gebruiken allerlei soorten van lagere dieren, Slakken, Mossels, enz., en ook wel plantaardige stoffen. Hunne met een krachtig gebit gewapende verwanten daarentegen zijn alleen in hun prille jeugd met Weekdieren, Wormen, Insecten en larven tevreden en maken op lateren leeftijd jacht op alle andere Visschen, waartegen zij opgewassen zijn.

De beteekenis van de Zalmen voor de huishouding van den mensch is zeer groot. Wat de bruikbaarheid van hun vleesch betreft, behoeven zij bij geen enkelen Visch achter te staan. Hun vleesch is vrij van graten, smakelijk en licht verteerbaar, zoodat het zelfs als ziekenkost kan dienen. Ongelukkig behoort het in ons vaderland, dat betrekkelijk zeer arm aan zoetwatervisschen geworden is, tot de zeldzame lekkernijen. Ditzelfde geldt voor de meeste gewesten van Duitschland, althans voor die, welke niet in de onmiddellijke nabijheid van rivieren of bergstroomen en bergmeren gelegen zijn. Reeds in Skandinavië, Rusland en Siberië daarentegen maakt het een belangrijk deel uit van de voeding der bevolking. Het speelt zelfs een hoofdrol op den disch van de bewoners der kustlanden van de Stille Zuidzee en van de IJszee, welker voornaamste bezigheid in het vangen van Zalmvisschen bestaat.

De klachten over de verarming onzer vischwateren hebben hoofdzakelijk betrekking op de vermindering van het aantal leden der Zalmenfamilie, die zich van jaar tot jaar duidelijker doet gevoelen en ondanks alle hiertegen genomen maatregelen slechts moeielijk te verhelpen is. Berichten uit vroegere eeuwen leeren, dat eertijds de vischrijkdom van ons zoetwater te groot was om er naar behooren partij van te trekken; bovendien gewagen deze mededeelingen van nog vroegere tijden, waarin het aantal Visschen nog grooter moet zijn geweest. Reeds eeuwen geleden werden wetten uitgevaardigd tot bescherming van deze belangrijke Visschen, die gemakkelijker dan alle overige uit de binnenwateren, althans uit sommige rivieren weggevangen en verjaagd konden worden. Nog beter blijkt echter de overvloed, waarover men destijds beschikte, uit bepalingen, die noodig werden geacht tot bescherming van hen, die de Visschen moesten eten, vooral van de bedienden der oeverbewoners en eigenaars van vischwateren, die vaker dan hun lief was met de thans zoo hooggeschatte Visschen hun maal moesten doen. De verordeningen in het belang van de Visschen hebben niet den gunstigen invloed gehad, dien men er van verwachtte. Eerst in den laatsten tijd is de toestand aanmerkelijk verbeterd, deels door wettelijke bepalingen, deels doordat ijverige mannen en vereenigingen voor een geregelde exploitatie van de vischwateren zorg gedragen hebben en zich vele opofferingen getroostten om den verminderden schat langzamerhand weder te doen aangroeien. Voor deze bemoeiingen was en is het van ’t grootste belang, dat men de kunstmatige vischteelt heeft leeren uitoefenen, waardoor het mogelijk geworden is stroomende en stilstaande wateren weder met visch te voorzien. Welke uitkomsten men op deze wijze bereiken kan, valt af te leiden uit het welslagen van de proefneming om bevruchte eieren van verschillende soorten van Zalmen te verzenden naar werelddeelen, waar geen Zalmen voorkomen (o.a. Australië) en de Visschen, die uit deze eieren geboren worden, in verschillende gewesten te acclimatiseeren, zelfs in zulke, die in belangrijke opzichten afwijken van het oorspronkelijke woongebied der soort. Ook in dit opzicht is dus vooruitgang waar te nemen.


De soorten, die in het geslacht der Zalmen (Salmo) samengevat worden, hebben den edelsten vorm, waarin men zich den Visch kan denken; zij zijn met kleine schubben bekleed; hun tot onder het oog gespleten muil is gewapend met een goed ontwikkeld gebit, samengesteld uit kegelvormige tanden, die over tusschen- en onderkaaks-, gehemelte- en ploegschaarbeenderen verdeeld zijn en zelfs de tong bedekken. De vleugelbeenderen zijn tandeloos. De aarsvin is kort.

Het bepalen van de soort en het nagaan van haar levenswijze levert bij geen andere groep van Visschen zooveel moeielijkheden op als bij de Zalmen. Sekse en leeftijd, verblijfplaats en voedingswijze, geslachtsdrift en ziekte hebben op de eigenaardigheden dezer Visschen een buitengewoon grooten invloed; hun neiging om gemeenschappelijk met andere soorten kuit te schieten, de geschiktheid tot het vormen van hybriden, die misschien (om niet te zeggen waarschijnlijk) onderling of met een der stamsoorten vruchtbaar zijn, geven ook in hooge mate aanleiding tot het ontstaan van vormen, voor welker rangschikking een zeer volledige zaakkennis vereischt wordt. Om deze redenen heerscht nog tegenwoordig onder deskundigen en leeken, natuuronderzoekers en visschers een groote spraakverwarring met betrekking tot de Zalmsoorten, ondanks den grooten overvloed van berichten, die over dit onderwerp gepubliceerd zijn. De kleur en de teekening van sommige lichaamsdeelen, zelfs hun vorm (die, naar men zou denken, bij leden van dezelfde soort niet aan verandering onderhevig is), vertoonen in verband met sekse, leeftijd, seizoen, verblijfplaats en voedingswijze aanmerkelijke afwijkingen; de verhoudingen tusschen de verschillende lichaamsdeelen zijn evenmin standvastig als de grootte en het gewicht.


De Zalm (Salmo salar), het beroemdste lid van het naar hem genoemde geslacht is kenbaar aan den zeer langwerpigen, zijdelings meer of minder samengedrukten romp, den naar verhouding zeer kleinen kop met slanken, ver vooruitstekenden snuit en den vorm van het ploegschaarbeen, dat uit een tandelooze, korte, vijfhoekige plaat en een steel met één rij van vroegtijdig uitvallende tanden samengesteld is. Op den rug is hij blauwachtig grijs, op de zijden glanzig zilverwit, op de onderdeelen wit en glinsterend; de teekening van den geslachtsrijpen Visch bestaat uit een klein aantal zwarte vlekken. De rugvin, vetvin en staartvin zijn donkergrijs, de overige vinnen bleek van kleur; zelden ziet men op de rugvin enkele zwarte vlekken. Bij de oude mannetjes is de onderkaak in den rijtijd soms een weinig langer en haakvormig naar boven gekromd. Vandaar de naam „haken”, dien deze dieren bij onze visschers dragen, terwijl de rijpe wijfjes „geepen” heeten. De Zalm kan 1.5 M. lang en 45 KG. zwaar worden; exemplaren van deze grootte vindt men tegenwoordig nergens anders dan in stroomen van Noord-Rusland; in de overige Europeesche wateren laat men deze dieren den tijd niet zich tot zulke reuzen te ontwikkelen. Bij ons wordt een Zalm van 1 M. lengte en 15 of 16 KG. gewicht reeds voor zeer groot gehouden.

De Zalm heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Hij houdt zich langer in het zoetwater op dan in de zee, brengt in de rivieren den eersten tijd van zijn leven door en begeeft zich vervolgens ieder jaar uit de zee naar een rivier, die hij zoo ver mogelijk opzwemt. Men vindt hem in de zeeën van den kouden en een deel van den gematigden aardgordel van het geheele noordelijke halfrond. In het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan ontmoet men hem bij Amerika nog iets zuidelijker dan de kust van New-York, bij Europa tot aan de noordkust van Spanje. Voorts bewoont hij de Noordzee en de Oostzee. In de Middellandsche Zee en de hierin uitmondende stroomen komt hij niet voor, evenmin in de Kaspische Zee en de Zwarte Zee. De Europeesche rivieren bezoekt hij tot op 43, de Amerikaansche tot op 41° N.B. Gedurende het grootste deel van den winter en het begin van het voorjaar ontmoet men hem aan onze kusten; in den overigen tijd tot laat in het najaar is hij meer of minder talrijk in onze rivieren. In Duitschland bezoekt hij hoofdzakelijk den Rijn en zijne bijrivieren, den Oder en den Weichsel, maar ook den Wezer en de Elbe. Bij het trekken verschijnt hij in alle belangrijke bijrivieren van de genoemde stroomen, tenzij versperringen of watervallen hem hier den weg afsnijden. Veelvuldiger dan in Duitschland treft men hem aan in de rivieren van Groot-Brittannië, Rusland, Skandinavië, IJsland, Groenland en Noord-Amerika, zeldzamer in die van het westen van Frankrijk en het noorden van Spanje. In Groot-Brittannië, waar de Zalmen vroeger zoo overvloedig waren, dat aan hun vleesch weinig waarde werd gehecht, is hun aantal door de onophoudelijke vervolging zoozeer verminderd, dat er zelfs voor de toekomst van de belangrijke visscherijen in de Schotsche rivieren (de Tay, de Tweed, de Spey en de Esk) reden van bezorgdheid bestaat en men strenge bepalingen tot beperking van de zalmvangst noodig heeft geacht. In Skandinavië, zoowel als op IJsland en Groenland is de Zalm ook thans nog een van de algemeenste riviervisschen. In Frankrijk bezoekt hij alle rivieren en stroomen, die in den Atlantischen Oceaan uitmonden. In Spanje treft men hem nog veelvuldig aan in alle wateren die zich in de Golf van Biscaye storten; hij ontbreekt echter in de rivieren, die door Portugal zich naar de zee begeven, of wordt er slechts door enkele exemplaren vertegenwoordigd.

Zalm (Salmo salar). ​1⁄10​ v. d. ware grootte.

Zalm (Salmo salar). ​1⁄10​ v. d. ware grootte.

Van de levenswijze der Zalmen gedurende hun verblijf in de zee kan nog niets met volkomen zekerheid gezegd worden, hoeveel moeite men zich ook heeft gegeven om met de zeden en gewoonten van dezen allerbelangrijksten zoetwatervisch goed bekend te worden. In de duizenden „trawls” en andere vischnetten, die voortdurend de Noordzee doorkruisen, den zeebodem als ’t ware doorploegend, wordt nooit een Zalm gevonden. Het is echter zoo goed als zeker, dat deze Visch zich nooit ver verwijdert van de rivier, in welks bovenloop hij het eerste levenslicht aanschouwde, althans volstrekt niet, zooals men vroeger meende, reizen naar de noordpool onderneemt; hoogstens begeeft hij zich van den mond der rivier naar de naastbij gelegene, diepe gedeelten der zee en mest zich hier vet, neemt in gewicht toe op een wijze, waarvan zelfs onder de Visschen geen tweede voorbeeld bekend is. Volgens de berichten van Zweedsche onderzoekers houdt hij zich gedurende zijn verblijf in de zee bezig met de vangst van allerlei Schaaldieren en verschillende soorten van Visschen; vermoedelijk komen dan ook nog wel andere gerechten op zijn spijskaart voor. Geheel anders gedraagt hij zich in het zoetwater, waar men hem iets beter heeft kunnen nagaan. Over ’t algemeen verschilt het leven, dat hij hier leidt, weinig van dat zijner verwanten, althans van dat der beide groote soorten van Forellen, waarmede hij ook in lichamelijk opzicht veel overeenkomst vertoont.

In alle maanden van ’t jaar komen Zalmen uit de zee onze rivieren binnenvallen om stroomopwaarts te zwemmen; in den zomer is hun aantal echter grooter dan in eenig ander seizoen. Zij naderen bij troepen van 30 of 40 stuks de kust en den mond der rivier: als ’t ware om aan ’t zoetwater te gewennen, vertoeven zij hier eenigen tijd, bij vloed den stroom opzwemmend en bij eb naar zee terugkeerend, totdat eindelijk de reis voor goed een aanvang neemt. Naar men beweert, bevordert een aanlandige wind (een zoogenaamde „zalmwind”) den overgang uit de zee in de rivier; ook schrijft men aan de weersgesteldheid en aan het verschil in temperatuur van het zeewater en van het rivierwater een vertragenden invloed toe op den aanvang van den tocht. De Zalmen, die sinds kort de zee verlieten en de stroomopwaarts reizende exemplaren in ’t algemeen zijn met tamelijk groote zekerheid kenbaar aan hun zilverwitte kleur en aan de niet zeer stevige vasthechting der schubben aan de huid. De reizigers schikken zich bij ’t zwemmen in een bepaalde orde, vormen twee reeksen, die van voren onder een scherpen hoek ineenvloeien; een oude, krachtige Visch treedt als aanvoerder op en wordt door de overige leden van het gezelschap op meer of minder grooten afstand gevolgd. Naar den aard van de Zalmen, die bij ons binnenvallen, onderscheidt men in het jaar twee perioden. In het eerste, dat van November tot Mei duurt, houden onze zalmvisschers zich met de vangst van de meer dan 10 KG. zware „Winterzalmen” bezig; bij hen is de ontwikkeling der voorttelingsorganen nog niet ver voortgeschreden, des te verder echter naarmate het opzwemmen van de rivier later plaats vindt. De zoogenaamde „Kleine Zomerzalmen” zijn hoogstens 7½ KG. zwaar. Zij beginnen soms reeds in den aanvang, soms eerst in ’t einde van Mei ons voorbij te trekken. Met de laatste Winterzalmen komen zij overeen, wat het ontwikkelingsstadium van de hom en de kuit betreft; ook zij zijn des te rijper, naarmate zij later de zee verlaten. In den regel hebben onder hen aanvankelijk de hommers de overhand. Gemiddeld tegen het einde van Juni komen met de Kleine Zomerzalmen nog kleinere, 2 KG. zware Zalmpjes de rivier opzwemmen. Niet slechts het aantal, maar ook de zwaarte van de later verschijnende exemplaren wordt al grooter en grooter; de laatsten hebben een gewicht van ongeveer 3½ KG. Zij zijn gewoonlijk het talrijkst omstreeks St. Jacobus (25 Juli) en heeten daarom „Jacobzalmen” of „Jacobjes”. Verreweg de meeste zijn van ’t mannelijke geslacht; ook bij hen verkeeren de voortplantingsorganen op een des te hoogeren trap van ontwikkeling naarmate het seizoen verder gevorderd is. De „Groote Zomerzalmen”, die reeds in zee nagenoeg geslachtsrijp geworden zijn en gemiddeld in den loop van Juni (soms reeds in Mei, soms eerst in Juli) in gezelschap van hunne kleinere soortgenooten naar boven reizen, zijn meer dan 10 KG. zwaar. In den herfst vermindert allengs het aantal Zomerzalmen, hoewel het een enkele maal voorkomt, dat er in ons vischwater nog laat in ’t jaar, zelfs in ’t begin van December, exemplaren met rijpe of nagenoeg rijpe eieren gevangen worden. Voor het grootste deel bereiken onze Rijnzalmen het einddoel van hun tocht niet op den hoofdstroom, maar in zijne zijrivieren, deels in die van den bovenloop, deels in die van den middelloop; de Ruhr, de Sieg, de zijrivieren van den Moezel (o. a. in den Sauer), den Dreisam, enz. Hier wijden zij zich aan de zorgen voor de nakomelingschap.

De trekkende Zalmen geven zich alle mogelijke moeite om de bezwaren van de reis, de van nature bestaande of door den mensch hun in den weg gelegde beletselen en gevaren te boven te komen: onder de netten door of er langs te zwemmen, of ze te verscheuren, over stroomversnellingen, watervallen en versperringen heen te springen. Bewonderenswaardig zijn de kracht, behendigheid en volharding, die zij hierbij ten toon spreiden. Met groote inspanning dringen zij door tot de plaats onder den waterval, waar de stroom het sterkst is, oefenen een zeer krachtige drukking met de staartvin op het water uit, waarbij zij soms een steen als steunpunt gebruiken, verheffen zich tot een hoogte van 2 of 3 M. boven den waterspiegel onder het beschrijven van een boog van 4 à 6 M. spanwijdte. Door het missen van hun doel niet afgeschrikt, herhalen zij hunne pogingen, totdat zij slagen, of totdat hun hardnekkig volhouden hun het leven kost, hetgeen dikwijls geschiedt, o.a. als zij, na een vergeefsche poging om over de kunstmatige versperring te springen, die de eigenaar van een „zalmsteek” in de rivier heeft aangebracht, bij het zoeken van een beter overgangspunt in de daarnaast voorkomende, voor de Zalmvangst bestemde fuiken geraken,—of als zij, na een ongelukkigen sprong over een waterval op de kale rotsen neerstortend, verpletterd worden. Loodrecht oprijzende rotsmassa’s van aanzienlijke hoogte vormen natuurlijk een onoverkomelijk beletsel voor het verder opwaarts zwemmen; de door kleinere steenklompen veroorzaakte watervallen worden echter geregeld overschreden; de plaatsen waar dit geschiedt, heeten „zalmsprongen”. Om de Zalmen tot den overgang van watervallen en van de zoogenaamde „stuwen” der gekanaliseerde rivieren (b.v. van de Belgische en Fransche Maas) in staat te stellen, heeft men velerwege zoogenaamde „vischtrappen” of „vischpassen” aangebracht. In de wanden van den natuurlijken of door menschenhanden gevormden watergeul worden nl., afwisselend ter linker- en ter rechterzijde, houten of ijzeren lijsten stevig in de rots bevestigd; deze op treden van een trap gelijkende uitsteeksels breken de kracht van het naar beneden stortende water en kunnen tot tijdelijke rustplaatsen voor de opspringende Visschen dienen. Nadat zij de meren doorgezwommen zijn, die zich op den weg van den stroom bevinden, bereiken de Zalmen de hierin uitmondende wateren en eindelijk het bronnengebied. Zij reizen op hun gemak en langzaam, hoewel zij zeer snel zwemmen kunnen. Het duurt daarom geruimen tijd, voordat zij in den bovenloop van den stroom aankomen; die, welke b.v. reeds in April in den Rijn doordringen, verschijnen eerst in Mei bij Bazel en zelden vóór het einde van Augustus in de kleinere Zwitsersche bijrivieren. Zeer geregeld bezoeken eenige scholen den Limmat, komen zoo in het Zuricher meer, dat zij doorzwemmen om in de Linth over te gaan, het Wallenmeer over te steken en in de Seetz den weg naar boven te vervolgen. Andere scholen begeven zich in de Reusz en de Aar, zwemmen door het Vierwaldstädter en het Thuner meer en gaan verder stroomopwaarts, hoewel de genoemde rivieren in dit deel van haar loop tallooze watervallen en draaikolken hebben. In het stroomgebied van den Wezer eindigt de tocht van de Zalmen eerst in de Fulda en de Werra en hare zijrivieren. Ook in het stroomgebied van de Elbe stijgen zij zeer ver omhoog, aan den eenen kant tot in de nabijheid van het Fichtelgebergte, aan den anderen tot in de Moldau en hare bijrivieren. Evenzoo zwemmen zij de stroomen op, die zich in de Oostzee storten; vooral de Memel wordt door een groot aantal Zalmen bezocht. Nieuw opgerichte versperringen zonder „vischpassen” kunnen een groote verandering in den bestaanden toestand teweegbrengen; dit is o.a. gebleken bij het kanaliseeren van de Maas op Belgisch en Fransch grondgebied met behulp van „stuwen”; hierdoor hebben de Zalmen, die vroeger in vrij grooten getale in dit deel der rivier doordrongen, zich genoodzaakt gezien een ander paaigebied te kiezen; de vischpassen, die men in dergelijke versperringen aanbrengt, worden dikwijls niet dadelijk, misschien wel het eerst door Visschen, die daarlangs stroomafwaarts gaan (en afkomstig zijn van hoogerop „gepoote” jongen), in gebruik genomen.

Bij ’t naderen van den paartijd ondergaan de Zalmen ook uitwendig duidelijk waarneembare veranderingen: hun bruiloftskleed onderscheidt zich door een donkerder kleur en dikwijls ook door roode vlekken op de zijden van den romp en op de kieuwdeksels. Om kuit te schieten, begeeft het wijfje zich in gezelschap van verscheidene mannetjes, waarbij één volwassen exemplaar, naar een stille, ondiepe plek en graaft hier met den staart in den uit zand of steentjes bestaanden bodem een breede, doch niet diepe groeve. Dit geschiedt in verschillende tijden van ’t jaar: sommige doen het reeds in Juli; de meeste echter eerst in de maanden October tot Februari (vooral echter in November en in de eerste helft van December). De oranjeroode eieren hebben de grootte van een erwt; zij worden niet alle te gelijk, maar met tusschenpoozen gelegd en telkens na de bevruchting met een laagje zand bedekt. Volgens sommigen is het kuitschieten in 3 of 4 dagen afgeloopen; volgens anderen zijn er 8 à 10 dagen mede gemoeid. Het aantal eieren wordt geschat op 2000 à 4000 per KG. van het totaal gewicht van den kuiter.

De duur van den kiemtoestand is tot op zekere hoogte afhankelijk van de temperatuur van het omgevende water; de in November gelegde eieren ontwikkelen zich althans iets sneller dan die, welke in Januari bevrucht worden. In den regel komen de jongen eerst na 4 maanden uit. Zij zijn dan ongeveer 1 cM. lang; de kop en de oogen hebben een aanzienlijke grootte; de dooierzak heeft een grooten omvang. Totdat deze voorraad verbruikt is, blijven zij zonder andere beweging dan van de borstvinnen op de broedplaats liggen. Na 6 weken zijn zij genoodzaakt zelf voedsel te gaan zoeken; zij verkeeren nu in het zoogenaamde Forellen- of Parr-stadium; op het kieuwdeksel bevinden zich 2 (soms 3) duidelijke zwarte vlekken. De romp heeft een lichtbruine kleur en is op de zijden geteekend met 9 of 10 eenigszins schuins van boven en achteren naar onderen en voren gerichte dwarsreeksen van donkergrijze vlekken, waartusschen roode stipjes voorkomen. Men ziet deze zalmpjes veel op diepe plaatsen in beken van het gebergte, het meest daar, waar het water helder is en waar de over den bodem verspreide steenen een rijke verscheidenheid van schuilplaatsen aanbieden. Verbazend vlug weten zij zich te verbergen; gaat men in de beek staan en licht men voorzichtig een steen op, dan vindt men er talrijke exemplaren onder verborgen. Gaarne „staan” zij in ’t stroomend water met den kop naar den stroom gekeerd; vóór zij zich verplaatsen, wachten zij steeds op hoog water. Gedurende den eersten zomer kan de Parr, naar men bij gevangen exemplaren heeft opgemerkt, een lengte van hoogstens 10 cM. bereiken. De jonge Zalmen blijven in ’t geheel minstens één jaar op hun geboorteplaats en zijn dan (d.w.z. 16 maanden nadat zij als ei het lichaam van de moeder verlieten) ongeveer 40 cM. lang. Omstreeks dezen tijd wordt het parr-kleed vervangen door het zoogenaamde smolt-kleed (gekenmerkt door zilverwitte kleur zonder dwarsbanden of roode stippen; de borstvinnen zijn geheel, de rugvin en de staartvin gedeeltelijk zwart) en openbaart zich bij hen de lust tot trekken. De meeste Smolts begeven zich op éénjarigen leeftijd naar zee. Langzaam zwemmen zij den stroom af en blijven daarna nog weken lang in den mond der rivier, voordat zij zich in het zoutwater begeven: een te snelle overgang schijnt voor hen gevaarlijk te zijn. Volstrekt noodig is het tijdelijk verblijf in de zee voor de Zalmen niet, ofschoon het hun een groot voordeel verschaft. Ongetwijfeld vinden zij hier een buitengewoon grooten overvloed van voedsel, daar hun lengte en gewicht in zeer korten tijd merkwaardig snel toenemen. Dit is gebleken door jonge Zalmen, na ze gemerkt te hebben (b.v. met een ring aan een der vinnen of door het afsnijden van de vetvin), de vrijheid te hergeven; die, welke na hun terugkomst uit zee op nieuw gevangen werden, waren in den tusschentijd 2 à 7 KG. zwaarder geworden, hoewel de meeste niet langer dan 8 weken afwezig waren geweest.

Naar het schijnt, begeven niet alle éénjarige Zalmen zich naar zee; sommige Smolts blijven nog een jaar langer in het zoetwater en zwemmen dan—met die van de volgende voortplantingsperiode (of iets vroeger)—in ’t voorjaar de rivier af. De eerstbedoelde komen na een tweejarig verblijf in de zee als Groote Zomerzalmen in het zoetwater terug; de laatstbedoelde blijven slechts één jaar in de zee en begeven zich dan als Kleine Zomerzalmen stroomopwaarts. De jongen uit de eieren, die in ’t laatst van den paartijd (in Januari) gelegd worden, zijn bij het vertrek van de overige Smolts, in Maart of April van ’t volgende jaar, nog niet bestand tegen de vermoeienissen van de reis; zij trekken eerst in ’t najaar naar zee en komen op ruim tweejarigen leeftijd, na een verblijf van ruim 8 maanden in het zoutwater, in Juli of Augustus als Jakobjes in de rivier terug. Bij ’t opstijgen in ’t volgende jaar zijn zij Zomerzalmen geworden. Dit is althans de aannemelijkste verklaring, die men van het bestaan van de genoemde drieërlei vormen kan geven1.

Tal van gevaren bedreigen de Zalmen gedurende alle tijdperken van hun leven. Geheel weerloos zijn de eieren en de vischjes, die nog een dooierblaas bezitten. De Forellen en de Zalmen, die reeds gepaaid hebben, verslinden er een menigte van; andere gaan door ijsgang, droogte enz. te gronde. De Parrs, hoe goed zij zich ook verbergen kunnen, worden voor een groot deel de prooi van allerlei visschenetende dieren. Niet minder groot zijn de bezwaren, die de Smolts bij hun reis naar zee te overwinnen hebben en die aan vele dezer vischjes het leven kosten, hoeveel haast zij ook maken om het einddoel van hun reis te bereiken. Hun vlugge beweging kan niet verhoeden, dat vóór hun aankomst in zee onder hen een groote slachting wordt aangericht door verschillende roofvisschen, dezelfde als die, welke op onze andere riviervisschen jacht maken. Vooral geldt dit van den Snoek, eenigszins misschien ook van den Snoekbaars, welke in Oder en Weichsel thuis behoorende, zeer goed smakende en niet trekkende Visch eenige jaren geleden in den Rijn gepoot werd, een proefneming, die later gestaakt is, op grond van het gevaar, dat men er voor de Zalmen van duchtte. Het zal misschien zelden voorkomen, dat meer dan 10 van de 100 gelegde Zalmeieren zich tot Visschen van behoorlijke grootte ontwikkelen. De ergste vijand van den Zalm is natuurlijk de mensch. Verreweg de meeste visschers kunnen er maar niet toe komen om te rechter tijd hun bedrijf te staken, dat in de rivieren van bergstreken juist gedurende den voortplantingstijd het grootste voordeel oplevert. De kuitschietende wijfjes, die zich zonder moeite uit het water laten lichten, worden soms niet eens gespaard. In Groot-Brittannië hebben de groote grondeigenaars zich beijverd een overeenkomst te treffen om de Zalmen gedurende den daar wettelijk vastgestelden gesloten tijd (1o September tot 1o Januari) een degelijker bescherming te verschaffen, dan de bestaande wetten hen konden verleenen; algemeen is men daar echter tot de overtuiging gekomen, dat een volslagen staking van de zalmvisscherij gedurende vijf opeenvolgende jaren noodig zou zijn om de rivieren weder op een behoorlijke wijze te bevolken. Zulk een maatregel zou echter nagenoeg onuitvoerbaar zijn, o. a. ook, omdat verscheidene van de belanghebbenden een zeer groot deel van hunne inkomsten aan de zalmvisscherij ontleenen; enkelen zouden hierdoor niet minder dan 20000 pond sterling per jaar schade lijden.

De Zalm wordt te recht als een van de voortreffelijkste inheemsche Visschen beschouwd, hoewel hij minder hoog geschat wordt dan de Meerforel en de Zalmforel, die op hun beurt achterstaan bij de Rivierforel, de Houting en den Vlagzalm, terwijl over ’t algemeen aan de Roode Forel de eerste rang wordt toegekend. Het vleesch van de Zalmen, die de rivier opzwemmen, is roodachtig van kleur en vet, dat der naar zee terugkeerende exemplaren heeft een witte kleur en een geringe waarde; door sommige wordt het zelfs voor de gezondheid schadelijk genoemd.

De Zalm was vroeger (met de Elft en de Steur) te Dordrecht, Gorkum, Schoonhoven en andere plaatsen waar de riviervisscherij op groote schaal werd uitgeoefend, bekend onder den naam van „Roode Visch”. Als een bewijs, dat deze Visch in het midden van de vorige eeuw op de genoemde plaatsen veelvuldig en laag in prijs was, wordt vaak aangehaald een mededeeling voorkomende in Beverwijck’s „Beschrijving van Dordrecht”, volgens welke dienstboden destijds, als zij zich verhuurden, het beding maakten, dat haar niet meer dan tweemaal per week „Roode Visch” zou worden voorgezet. Betrouwbare opgaven omtrent de zalmvangst in vroegeren tijd ontbreken echter ten eenenmale. „Voor de zalm-statistiek”, schrijft Dr. Hoek, „duurt de vóórhistorische tijd ongeveer tot het jaar 1870. Gaan wij verder terug, dan komen wij in den tijd der mythen, den tijd der legendarische dienstmeid, die zich niet alleen in Dordrecht en Gorkum, maar ook in Keulen, in Danzig en andere plaatsen van Duitschland verhuurde op voor den zalmvangst van dien tijd—niet voor de zalmprijzen van die dagen—zoo gunstig getuigende voorwaarden.” Sedert 1870 is dit echter anders geworden; er wordt nauwkeurig aanteekening gehouden van de ter markt aangevoerde Visschen. Verreweg de voornaamste markt voor Zalm en andere Zalmachtige Visschen is en blijft het Kralingsche Veer. Deze markt geeft een trouw beeld van de zalmvangsten op onze beneden-rivieren. Bovendien worden echter ook op andere plaatsen, met name te Ammerstol, Dordrecht, Gorinchem, Hardinxveld en Woudrichem, een niet onbeteekenende hoeveelheid van de bedoelde Visschen aangebracht, waarbij echter niet uit het oog moet worden verloren, dat er onder de op bovengenoemde plaatsen aangevoerde Zalmen een aantal zijn, die op het Kralingsche Veer andermaal verkocht worden; hoe groot dit aantal is kan niet worden nagegaan. „Gedurende de jaren 1883–1888,” schrijft Dr. Hoek, „werden aan de genoemde markt 511934 Zalmen afgeslagen, gemiddeld per jaar dus (gedurende deze 6 jaren) meer dan 85000. Dat waren buitengewoon gunstige jaren, zooals aanstonds blijkt, wanneer wij het gemiddelde berekenen van het aantal dat in de jaren 1870–1896 aan die markt is aangevoerd: dit gemiddelde bedraagt ruim 56000 stuks. Het gemiddelde aantal werd slechts gedurende 11 jaar door den aanvoer overtroffen, was gedurende 3 jaren er aan gelijk en bleef gedurende 13 jaar er beneden.” Van de laatste jaren leverde 1893 het grootste aantal Zalmen (ruim 75000); dit bleef echter nog aanmerkelijk beneden het voordeeligste van de laatste 27 jaren, n.l. 1885, met een aanvoer van ruim 104000 Zalmen. In 1896 was de aanvoer te Kralingen 48264 stuks, gezamenlijk wegende 359877 KG., te weten: 25991 Kleine Zomerzalmen, 12029 Winterzalmen, 4739 Groote Zomerzalmen en 5505 St. Jakobszalmen en Hengsten. De grootste aanvoeren hadden plaats in Juni en Juli. De hoogste prijs per ½ KG. bedroeg ƒ4. Te Ammerstol bedroeg in 1896 de aanvoer van Zalmen 3845, te Dordrecht 1204, te Gorinchem 1588, te Hardinxveld 1885, te Woudrichem 470 stuks.

Voor de zalmvangst dienen bij ons vooral drijfnetten (die niet dieper mogen zijn dan 2½ M.), treknetten of zegens (handzegens en zalmzegens met vaste spil) en zalmsteeken, in andere landen ook eigenaardige vallen. Soms zijn deze van een schel voorzien, die de vangst van een Visch aankondigt; vaak worden zij aangebracht aan de stroomopwaartsche zijde van een versperring en geraakt de Visch er in bij zijne pogingen om over de versperring heen te springen; de val moet dan zóó ingericht zijn, dat de Visch er krom in komt te liggen, wijl hij dan bij het opspringen niet zooveel kracht kan ontwikkelen. Elders wordt de Zalm des nachts gestoken met een speer, waaraan verscheidene spitsen voorkomen, na eerst gelokt te zijn door het op de visschersboot brandende vuur. In alle gevallen is trouwens de nacht de geschiktste tijd om deze Visschen te verschalken; over dag weten zij dikwijls het gevaar te vermijden en onder de netten door of er bij langs te zwemmen; bij helderen zonneschijn is de vangst gewoonlijk gering. De bepaling van het Kon. Besl. van 10 Oct. 1871, waarbij gedurende 6 uren van iederen nacht de vangst verboden is, redt dan ook aan vele Zalmen het leven. Bovendien strekt tot het tegengaan van het doodvisschen van het vischwater, de sluiting van de zalmvisscherij met de zegen gedurende 2½ maand in ieder jaar, n.l. van half Augustus tot half October en van Zaterdagavond 6 uur tot Zondagavond 6 uur. Van niet minder belang is het weren van sommige vischtuigen. Terecht staat b.v. de kleine vischzegen onder den naam van „moordzegen” bekend, daar de mazen van dit net zoo eng zijn, dat men er zelfs de kleinste vischjes mede vangt. Dat ook in de ankerkuil menige naar zee terugkeerende Smolt het leven verliest, blijkt uit het door Dr. Hoek in 1896 uitgebracht „Rapport.” Zeer nadeelig is voorts voor het vischwater de schutwantvisscherij: Een bij eb geheel of gedeeltelijk droogvallend terrein wordt door een aaneenschakeling van netten bij hoog water afgezet, zoodat de Visch, die hier met den vloed gekomen is, niet weg kan en op het droge achterblijft of zich verzamelt in de met water gevuld blijvende kuilen, waaruit men ze met de handzegen opschept. De verkoopbare vischjes worden bijeengezocht, de overige (dus verreweg de meeste) blijven liggen en sterven, voordat het reddende vloedtij aangebroken is.—De meeningen zijn nog verdeeld over de vraag, in hoeverre de ontvolking van het zalmvischwater kan worden tegengegaan door het loslaten van door kunstmatige vischteelt verkregen éénjarige Zalmen in den bovenloop der rivieren. Dat dit niet in haar benedenloop moet geschieden en dat jongere vischjes voor dit doel ongeschikt zijn, heeft de ervaring vrij duidelijk aangetoond.


Meerforel (Salmo lacustris) noemt men een Zalmvisch, die zich nooit naar de zee begeeft, maar alle groote en diepe meren der Alpen en Vooralpen tot op 1500 M. hoogte bewoont en de hierin uitmondende rivieren opzwemt. De romp van het geslachtsrijpe dier is bijna cilindervormig; de snuit kort en stomp; de voorste plaat van het ploegschaarbeen is kort, driehoekig en met 3 of 4 tanden op den dwarsgerichten achterrand bezet; de zeer lange steel van dit been is aan zijn ondiep uitgeholde benedenvlakte van een hooge, tandendragende, overlangsche lijst voorzien; de hierop voorkomende tanden zijn zeer dik: de voorste staan meestal op één rij, de achterste meestal op 2 rijen. De groengrijze of blauwgrijze rug en de zilverglanzige zijden zijn meer of minder sterk gevlekt; de vlekken zijn rond of hoekig en zwart van kleur; soms hebben zij een uitvloeienden, oranjegelen rand; de onderdeelen zijn zilverwit. De rugvin en de staartvin zijn grijs of nog donkerder; gene is steeds (en duidelijk) met vele zwarte vlekken geteekend; deze is effen, soms echter van enkele uitvloeiende stippels voorzien. De overige vinnen zijn lichter van kleur. Exemplaren van 12 à 15 KG. (80 cM. lang) zijn niet zeldzaam; soms bereiken zij een lengte van 1 M. en een gewicht van 25 à 30 KG. Naar het schijnt, komt dezelfde soort in de grootste en diepste meren van Schotland voor; ook rekent men hiertoe een kleinere, anders gekleurde vorm in de Bodensee en eenige andere meren (Meiforellen, Zweefforellen).

In de Alpenmeren houdt de Meerforel zich in den regel in waterlagen van aanzienlijke diepte op, omdat de Houtingen, die zij hier vindt, op een zekeren leeftijd haar liefste voedsel uitmaken; zelden verschijnt zij op een afstand van minder dan 40 M. van den waterspiegel. Jongere exemplaren voeden zich hoofdzakelijk met Alvertjes.

Tegen het begin van September verlaten zij de meren en zwemmen de rivieren op om kuit te schieten. Hoewel deze reis langzaam plaats heeft, strekt zij zich ver uit: in het Rijngebied tot op een hoogte van 800 M. boven den zeespiegel, in het gebied van den Inn nog verder, daar zij hier nog leven in meren, die bijna 1600 M. hoog liggen. Geruimen tijd na het eieren leggen keeren zij naar de meren terug en brengen hier den winter en den zomer door. De jongen, die in dit of in het vorige jaar geboren werden, blijven gedurende de lente en den zomer in de rivieren en begeven zich eerst in den tweeden winter van hun leven naar de meren.

Deze Visch heeft in vergelijking met de Rivierforel een taai leven, sterft buiten het water niet zoo spoedig als deze en is daarom beter geschikt om verzonden en in andere wateren overgeplant te worden; hij gedijt zeer goed in vijvers met talrijke wellen en een uit grint bestaanden bodem.

De Meerforellen worden wegens hun smakelijk vleesch zeer hoog geschat en in groote hoeveelheid gevangen.


De Zalmforel (Salmo trutta) vertoont zeer veel overeenkomst met de vorige soort, doch is eenigszins plomper gebouwd; de muil is niet verder dan tot onder de oogen gespleten en heeft minder krachtige tanden; de schubben zijn grooter. De zwarte vlekken op den blauwgrijzen rug en de zilverkleurige zijden zijn minder talrijk en ontbreken soms geheel; de buikzijde is zuiver wit; de parige vinnen en de aarsvin zijn kleurloos, de borstvinnen bij oude dieren grijs; op de rugvin, die, evenals de staartvin, donkergrijs is, komen enkele zwarte vlekken voor. Deze Visch kan 1 M. lang en 15 KG. zwaar worden.

1) Meerforel (Salmo lacustris). ​1⁄10​ v. d. ware grootte.—2) Donau-zalm (Salmo hucho). ​1⁄15​ v. d. ware grootte.

1) Meerforel (Salmo lacustris). ​1⁄10​ v. d. ware grootte.—2) Donau-zalm (Salmo hucho). ​1⁄15​ v. d. ware grootte.

In den nazomer houdt de Zalmforel zich in de zee op, van hier begeeft zij zich stroomopwaarts in de rivieren om kuit te schieten. Haar verbreidingsgebied is veel uitgestrekter dan dat van de Meerforel. Zij bewoont de Oostzee, het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan, met inbegrip van de Britsche zeeëngten en kanalen, de Noordzee en de IJszee tot aan de Witte Zee. Aan onze kust komt zij niet voor, wel bij die van Duitschland; in buitengewoon grooten getale ontmoet men haar echter aan de Skandinavische, Engelsche, Schotsche, Iersche, Laplandsche en Russische kusten en in de hier uitmondende rivieren. Gewoonlijk zwemt zij in Mei, Juni en Juli stroomopwaarts, doch minder ver dan de Zalm: in den bovenloop der rivieren treft men haar zelden aan. Het kuitschieten heeft in November en December, de terugreis naar de zee na het smelten van het ijs plaats.

In Duitschland wordt de Zalmforel minder hoog geschat, althans minder duur betaald dan de Zalm; in Skandinavië is men (en, mijns inziens, te recht) een andere meening toegedaan. De vangst van dezen Visch is daarom een niet onbelangrijk en ook winstgevend bedrijf. Hierbij komt nog, dat de Zalmforel bijna even gemakkelijk als de Rivierforel in groote meren of zelfs in diepe vijvers overgeplant of door kunstmatige vischteelt aangekweekt kan worden, zoodat zij waarschijnlijk mettertijd een grootere rol in het visschersbedrijf zal spelen dan thans.


Van alle inheemsche Zalmvisschen heeft de Gewone Forel of Rivierforel (Salmo fario) den meest ineengedrongen lichaamsbouw. Haar romp is min of meer zijdelings samengedrukt, de snuit kort en zeer stomp. Het is volstrekt onmogelijk van de kleur dezer Visschen een algemeen geldige beschrijving te geven. Tschudi vergelijkt de Forel in dit opzicht met een Kameleon, maar had hierbij kunnen voegen, dat zij nog veel meer kleurswisselingen vertoont dan dit uit dien hoofde beroemd Reptiel. Waarschijnlijk is men niet ver van de waarheid verwijderd, als men aanneemt, dat de zoo uiteenloopende kleur van de Forel niets anders is dan een nabootsing van de heerschende kleur van haar omgeving, dat men dus bij dezen Visch hetzelfde verschijnsel waarneemt als bij de Schol, die haar kleur wijzigt in verband met die van den zeebodem. Dikwijls is de met zwartachtige vlekken geteekende rug olijfkleurig grijs, de rugvin gestippeld en met een witten rand omgeven, terwijl de zijden groenachtig geel zijn met roode stippels en goudkleurigen weerschijn, de onderdeelen witachtig grijs, de buikvinnen hooggeel. Dikwijls heeft over ’t geheele lichaam een donkere (zelden een geheel zwarte) kleur de overhand. Dikwijls, o.a. bij vele exemplaren, die in de meren der Alpen gevangen worden, zijn de stippels zwart, rood en wit, waarmede trouwens een wijziging van den vorm van ’t lichaam en van de kleur der oogringen gepaard gaat. Soms is de kleur grootendeels geelachtig, soms witachtig. Deze afwijkingen hebben aanleiding gegeven tot verschillende namen, zonder dat het mogelijk geweest is de hierdoor aangeduide verscheidenheden scherp te begrenzen wegens de tallooze overgangsvormen, die er nevens voorkomen. In den regel echter is de Forel op den rug donker, op de zijden lichter en gestippeld, op den buik het lichtst van kleur. De visschers meenen, dat de kleur hoofdzakelijk afhangt van het water, waarin de Forel zich ophoudt en in hetzelfde water tamelijk standvastig is: in de Engelberger Aa b.v. vindt men geregeld Forellen met blauwe vlekken, terwijl die van de hierin uitmondende Erlenbach rood gevlekt zijn. Hoe zuiverder het water, des te helderder is meestal de kleur. Ook aan het vleesch merkt men verschil van kleur op: bij de licht gekleurde, goudgeel en rood gestippelde „Goudforellen” is het roodachtig, bij andere verscheidenheden geelachtig, in den regel echter sneeuwwit; deze kleur ondergaat bij ’t koken geen verandering. De grootte staat, evenals de kleur, met de verblijfplaats in verband. In kleine, snel stroomende beken, waar de Forel zich met weinig water behelpen moet, bereikt zij ternauwernood een lengte van 40 cM. en een gewicht van hoogstens 1 KG. In diepe wateren, in meren en vijvers, kan de lengte van onze Forel toenemen tot meer dan 90 cM. en haar gewicht tot 5 of 6 KG. Yarrell maakt melding van verscheidene reusachtige vertegenwoordigers van deze soort: van een mannetje, dat bij 73 cM. lengte slechts 5.5 KG. zwaar was, van een wijfje, welks lengte 88 cM. bedroeg en dat een gewicht van 15 KG. bereikt. Valenciennes spreekt zelfs van een exemplaar, dat 104 cM. lang was. Dat zulke reuzen een hoogen leeftijd hebben bereikt, staat vast. De visschers zeggen gewoonlijk, dat de hoogste leeftijd van de Forel 20 jaar is; men kent evenwel feiten, waaruit blijkt, dat zij veel ouder kan worden.

Tot dusver is men nog niet in staat om het verbreidingsgebied van den Forel nauwkeurig te omschrijven; men weet echter, dat zij op voor haar geschikte plaatsen in geheel Europa, van de Noordkaap tot aan Kaap Tarifa, te vinden is, zoo ook in Klein-Azië en waarschijnlijk bovendien in andere Aziatische landen. Helder, stroomend, zuurstofrijk water is een noodzakelijke voorwaarde voor haar aanwezigheid en haar leven. Men treft haar daarom in alle wateren van het gebergte aan, het meest in rivieren en beken, doch ook in meren, die met versch water voorzien worden door rivieren, die er doorstroomen, of door rijke wellen, die er in ontspringen. Hier komt n.l. een groot deel van het water door de sterke beweging die het heeft, telkens weer met de buitenlucht in aanraking, waardoor het beter dan elders in de gelegenheid is om koolzuur af te staan en zuurstof op te nemen. Uit de kweekingsproeven, die in den laatsten tijd op zoovele plaatsen genomen zijn, is voldoende gebleken, dat gefiltreerd water, wanneer het geregeld in beweging gebracht wordt, geschikt is om tot woonplaats te dienen voor de Forel, en dat het er niet op aan komt, of dit water aan frissche bronnen of aan beken en zelfs aan vijvers ontleend wordt. In de hooge bergstreken stijgt zij tot in den Alpengordel omhoog. Op een hoogte van meer dan 2100 M. boven de oppervlakte der zee vindt men haar buiten Grauwbunderland niet; hier echter komt zij nog op een hoogte van 2400 M. voor. In Tirol stijgt zij nog 300 à 500 M. hooger en in de beken van den Sierra Nevada heeft men haar nog op een hoogte van 3000 M. gevonden, omdat hier de sneeuwgrens hooger ligt.

Bij ons komt zij tegenwoordig nog slechts in enkele beken van Gelderland voor; zij is hier hoogst zeldzaam, doch was in vroegeren tijd algemeener. Ook vindt men haar in het riviertje de Geul bij Maastricht. Door het overbrengen van de jonge vischjes uit de inrichtingen voor kunstmatige vischteelt naar onze rivieren worden echter ook in andere deelen van Nederland nu en dan Forellen gevangen. Deze zijn bij de visschers onder den naam van „Schotsche Zalmpjes” bekend.